PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/01191 B
Zitting 9 maart 2021
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de veroordeelde.
1. Het cassatieberoep
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beschikking van 17 februari 2020 de vordering van de advocaat-generaal ex art. 577c (oud) Sv, strekkende tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang voor een periode van 540 dagen toegewezen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de veroordeelde. Mr. M. Berkel, advocaat te ’s-Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Deze zaak gaat over het volgende. Aan de veroordeelde is bij uitspraak van 15 maart 2017 van het hof Arnhem-Leeuwarden een ontnemingsmaatregel van € 62.637,00 opgelegd. Na gedeeltelijke betaling resteert nog een bedrag van € 59.287,00. Op grond van het uitblijven van betaling van dit bedrag, heeft de advocaat-generaal bij schriftelijke vordering van 30 juli 2019 gevorderd dat verlof wordt verleend tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang voor een periode van 540 dagen.
Ik vrees dat ik aan de bespreking van de middelen niet toekom vanwege de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
2. Ontvankelijkheid
De Hoge Raad heeft in zijn arresten van HR 9 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1706 en HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5408 bepaald dat voor de veroordeelde tegen een beschikking op een vordering op de voet van art. 577c (oud) Sv tot het verlenen van verlof tot de tenuitvoerlegging van lijfsdwang geen cassatieberoep openstaat. De Hoge Raad heeft in het laatstgenoemde arrest onder meer overwogen:
“2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Volgens art. 445 Sv staat tegen beschikkingen beroep in cassatie alleen open in de gevallen in dat wetboek bepaald.
Nu in dat wetboek geen bepaling voorkomt volgens welke tegen een beschikking als de onderhavige, waarbij verlof is verleend tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang als bedoeld in art. 577c Sv, beroep in cassatie openstaat, kan de veroordeelde in het ingestelde beroep niet worden ontvangen.”
Met de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet USB op 1 januari 2020 is art. 577c (oud) Sv komen te vervallen en is art. 6:6:25 Sv ingevoerd. Op grond van art. 6:6:25 lid 1 onder b Sv kan het openbaar ministerie een vordering instellen om te worden gemachtigd het dwangmiddel gijzeling jegens de veroordeelde toe te passen indien – kort gezegd – volledig verhaal niet mogelijk blijkt bij een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De wetswijziging komt erop neer dat als een veroordeelde de onherroepelijk aan hem opgelegde verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet voldoet en volledig verhaal niet mogelijk is gebleken, het openbaar ministerie geen verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang meer kan vorderen. In plaats daarvan kan het openbaar ministerie een vordering instellen om te worden gemachtigd gijzeling jegens de veroordeelde toe te passen. De regeling van de lijfsdwang en die van de gijzeling komen in hoofdlijnen overeen.
Het voorgaande laat onverlet dat de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet USB geen verandering heeft gebracht in het stelsel van rechtsmiddelen zoals dat geldt voor beschikkingen.
Dat brengt mee dat de veroordeelde niet in het cassatieberoep kan worden ontvangen.
3. Conclusie
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG