PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/03194
Zitting 23 maart 2021 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 28 juni 2019 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch met betrekking tot parketnummers 96/229474-17 en 96/224271-17 wegens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede tot een taakstraf voor de duur van veertig uur, subsidiair twintig dagen hechtenis.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep nietig is, nu uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2019 niet blijkt dat aan de verdachte de mogelijkheid is geboden om als laatste te spreken.
4. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2019 houdt – voor zover voor de beoordeling van dit middel van belang – het volgende in:
“De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
wonende te [plaats], [a-straat 1]
Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. T.J.F. Wassenaar, advocaat te ’s-Hertogenbosch.
(…)
De advocaat-generaal legt de schriftelijke vordering aan het hof over.
De raadsman pleit overeenkomstig de door hem aan het hof overgelegde pleitnotitie, welke aan dit proces-verbaal is gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.
De advocaat-generaal doet afstand van repliek.
Aan de raadsman wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De raadsman geeft te kennen daarvan geen gebruik te willen maken.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede onmiddellijk uitspraak te zullen doen.
De voorzitter spreekt vervolgens het arrest uit.”
5. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Ingevolge artikel 311 lid 4 Sv moet aan de verdachte op straffe van nietigheid de mogelijkheid worden geboden om als laatste te spreken. De gedachte hierachter is dat de verdachte zich op deze manier voor een laatste keer kan uitlaten over “inhoudelijke op de strafzaak tegen de verdachte betrekking hebbende argumenten”. Dat aan de verdachte deze mogelijkheid is geboden moet expliciet blijken uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting. In zijn arrest van HR 14 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0820, NJ 1998/243 m.nt. De Hullu, overwoog de Hoge Raad dat artikel 311 lid 4 Sv, gelezen in combinatie met artikel 331 lid 1 Sv, niet inhoudt “dat aan de raadsman, evenals aan de verdachte het laatste woord moet worden gelaten, doch vloeit uit die bepalingen slechts voort dat aan de raadsman de bevoegdheid toekomt om het laatst te spreken”. De raadsman moet dus om het laatste woord vragen en aan de verdachte moet de mogelijkheid om als laatste te spreken worden geboden.
6. Een vergelijkbaar geval als onderliggend geval deed zich voor in het arrest van HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9179. In die zaak bleek uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting, hoewel de verdachte eveneens aanwezig was, dat enkel aan de raadsman het recht werd gelaten om als laatste te spreken. De Hoge Raad oordeelde dat hiermee hetgeen in artikel 311 lid 4 Sv op straffe van nietigheid is voorgeschreven niet in acht is genomen. Anders was dit in de zaak die leidde tot HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:372, NJ 2018/173. In die zaak werd aan de verdachte en de raadsman tegelijk het recht gelaten om het laatste te spreken. De Hoge Raad keurde deze gang van zaken goed en oordeelde daartoe als volgt:
“Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat, nadat de Advocaat-Generaal het woord had gevoerd tot repliek, de verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken. Noch uit dit proces-verbaal, noch uit hetgeen ter toelichting op het middel is aangevoerd, volgt dat de verdachte van dit recht geen gebruik heeft kunnen maken. Ook de omstandigheid dat de raadsman van de verdachte na de mededeling hieromtrent het woord nog heeft gevoerd, leidt niet tot die gevolgtrekking.”
7. Ik keer terug naar de voorliggende zaak. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 28 juni 2019 blijkt enkel dat aan de raadsman de gelegenheid is geboden om als laatste te spreken en niet dat ook aan de verdachte die gelegenheid is geboden. Het hof heeft het voorschrift van artikel 311 lid 4 Sv op straffe van nietigheid veronachtzaamd zodat het middel terecht is voorgesteld.
8. Het middel slaagt.
9. Nu het eerste middel mijns inziens slaagt, meen ik dat het tweede en het derde middel, waarmee wordt opgekomen tegen de bewezenverklaring en de schending van de redelijke termijn, geen bespreking behoeven. Mocht Uw Raad daarover anders oordelen, dan ben ik graag bereid tot het nemen van een aanvullende conclusie.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden