Art. 22d Sr:
“1. In het vonnis waarbij taakstraf wordt opgelegd, beveelt de rechter, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast.
2. De duur van de vervangende hechtenis wordt in gehele dagen, weken of maanden vastgesteld.
3. De vervangende hechtenis beloopt ten minste één dag en ten hoogste vier maanden. Voor elke twee uren van de taakstraf wordt niet meer dan één dag opgelegd.”
Art. 361a Sv:
“Heeft de officier van justitie tevens een vordering ingediend tot het gelasten van gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een met toepassing van artikel 14a van het Wetboek van Strafrecht opgelegde straf […], dan beraadslaagt de rechtbank mede over haar bevoegdheid om over de vordering te oordelen, over de ontvankelijkheid van de officier van justitie en over de gegrondheid van de vordering. Het vonnis houdt alsdan, tenzij onbevoegdheid van de rechtbank om over de vordering te oordelen of niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wordt uitgesproken, ook de beslissing van de rechtbank over de vordering in.”
7. In het arrest van 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2012 heeft de Hoge Raad onder meer het navolgende overwogen:
“2.4. Ingevolge art. 14g, eerste lid, Sr kan de rechter gelasten dat de niet tenuitvoergelegde vrijheidsstraf alsnog geheel of gedeeltelijk zal worden tenuitvoergelegd. De wet voorziet niet in de mogelijkheid dat de rechter zal gelasten dat een vrijheidsstraf zal worden tenuitvoergelegd die van langere duur is dan de niet tenuitvoergelegde straf. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat het de rechter evenmin vrij staat om, indien hij ter vervanging van een vrijheidsstraf een taakstraf gelast, een vervangende hechtenis op te leggen die de duur van de niet tenuitvoergelegde vrijheidsstraf overstijgt (vgl. HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:834).”
8. Blijkens het bestreden arrest is de verdachte in de zaak met parketnummer 16-114064-14 een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie dagen opgelegd en in de zaak met parketnummer 01-263801-14 een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week. Het hof heeft beide vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf toegewezen en ter vervanging van de tenuitvoerlegging van deze straffen een taakstraf gelast van respectievelijk twaalf uren, subsidiair zes dagen hechtenis, en dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis. Daarmee overstijgt in beide gevallen de vervangende hechtenis de duur van de niet tenuitvoergelegde vrijheidsstraf, zulks in strijd met de uitleg die de Hoge Raad aan de wet heeft gegeven.
9. Het middel is terecht voorgesteld.
10. Ik meen dat de Hoge Raad om redenen van doelmatigheid de zaak zelf kan afdoen en in zoverre de duur van de vervangende hechtenis kan bepalen op drie respectievelijk zeven dagen.
11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van elke bij de aan de verdachte opgelegde taakstraf bevolen vervangende hechtenis, te dien aanzien tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG