14. Het eerste middelfaalt in alle onderdelen.
15. Het derde middel klaagt over de motivering van het bewezenverklaarde medeplegen nu hetgeen aan de bewezenverklaring is ten grondslag gelegd op het eerste gezicht slechts duidt op gedragingen die met medeplichtigheid in verband kunnen worden gebracht. De bijdrage aan het feit van verdachte is naar het oordeel van de steller van het middel van onvoldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken. Daarmee sluit het middel overigens voor wat betreft (de formulering van dit) criterium aan bij de vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Het hof doet dit overigens ook zodat in zoverre niet sprake is van verkeerde toepassing van het recht.
16. Verdachte was hooguit slechts medeplichtig aan de invoer van de cocaïne door [betrokkene 5], aldus begrijp ik de steller van het middel. Uit rechtspraak komt zijns inziens naar voren dat de financiering van een partij en mogelijk profijt ervan ontoereikend zijn om medeplegen van verlengde invoer van verdovende middelen aan te nemen, maar ook dat het zelf direct leveren van een feitelijke bijdrage aan de verlengde invoer van de verdovende middelen voor medeplegen geen algemeen geldende eis is. Uit meer recente rechtspraak wordt onder verwijzing naar een conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee geconcludeerd dat de Hoge Raad de lat voor medeplegen inmiddels hoger legt: “als de gedraging van de verdachte feitelijk niet heeft bijgedragen aan de voltooiing van het feit, kan die gedraging niet als een vorm van medeplegen van (verlengd) invoeren worden gekwalificeerd.”
17. In de onder randnummer 6 hierboven geciteerde (bewijs)overweging kent het hof aan de verdachte bij de invoer van de cocaïne een (mede-)organiserende rol toe. Een (mede-) organiserende rol is naar het mij voorkomt al een (mogelijk in hoofdzaak intellectuele) bijdrage van voldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken. Het (mede-) organiseren is bij een invoer als hier aan de orde immers van cruciale betekenis. Ik begrijp het middel zo dat dit ook niet door de steller wordt betwist. In de kern is de klacht namelijk dat het hof slechts concludeert tot de (mede)-organiserende rol op grond van de (voor)financiering. In zoverre berust het middel echter op een onjuiste lezing van het arrest van het hof. Zie in het bijzonder de in de laatste alinea van de bewijsoverweging onder randnummer 6 opgesomde factoren. Ik herhaal slechts dat ook gedetailleerde kennis van de import in samenhang met een mededeling tegen de politie-informant (dat hij het super goed regelde), zijn vordering in verband met de mislukking van de import en andere uitlatingen van verdachte (de partij was van mij en ik zat in de partij) door het hof mede ten grondslag zijn gelegd aan de omstandigheid dat de verdachte (mede)-organisator van de import was.
18. Kortom: het hof heeft voor zover het de klacht over medeplegen betreft het juiste criterium (‘bijdrage van voldoende gewicht’) toegepast. Dat het hof het organiseren van een import heeft aangemerkt als een bijdrage van voldoende gewicht om te kunnen spreken van medeplegen is niet onjuist of onbegrijpelijk. Anders dan de steller van het middel meent, heeft het hof de rol van verdachte als (mede-)organisator van het de import niet alleen gestoeld op de (voor)financiering van de partij.
19. Ook het derde middelheeft geen kans van slagen.
20. Het tweede middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 7.
21. Ik volsta met vast te stellen dat de bewezenverklaring het medeplegen van omkoping van de hierboven al genoemde douaneambtenaar [betrokkene 9] betreft. Voor de bespreking van het middel is het niet nodig die uitgebreide bewezenverklaring hier op te nemen.
22. Het middel betreft de volgende overweging van het hof:
“Het hof verwijst in de eerste plaats naar de bewijsvoering voor de feiten 1 en 3 (het medeplegen van import van cocaïne en van voorbereidingshandelingen). De verweren van de raadsman zijn daarmee en met de gebezigde bewijsmiddelen voor het ten laste gelegde medeplegen van omkoping van [betrokkene 9] (feit 7) weerlegd.”
23. In de toelichting op het tweede middel, zoals vervat in de cassatieschriftuur, is te lezen:
“De conclusie in het vorige middel dat de bewijsvoering van feit 1 onvoldoende met redenen is omkleed, heeft óók consequenties voor het samenhangende feit 7: het medeplegen van ambtelijk corruptie in de periode 1 mei 2013 tot en met 31 december 2014.
[volgt overweging zoals opgenomen onder randnummer 22]
Gelet hierop is het onder .7 bewezenverklaarde, voor zover het de betrokkenheid van requirant betreft bij de ambtelijke corruptie, eveneens onvoldoende met redenen. Het Hof heeft de bewijsvoering van dit feit immers (mede) heeft gestoeld op de bewijsvoering van feit 1, waarvan in het vorige middel is vastgesteld dat reeds die onderliggende bewijsvoering onvoldoende met redenen is omkleed.”
24. Nu ik bij het eerste middel anders dan de steller wil, de bewezenverklaring voldoende met redenen omkleed acht, moet dit tweede middel het lot van het eerste delen.
25. Het tweede middelfaalt.
26. Het vierde middel klaagt over de motivering van het onder 4 bewezenverklaarde medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
27. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:
“hij op diverse tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 juni 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben zij, verdachte en/of zijn mededader(s), een goed, te weten meerdere grote geldbedragen, personenauto’s en business seats, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, en/of de herkomst verhuld, te weten:
- op 9 juni 2015 een (contant) geldbedrag van EUR 348.125 en
- in de periode van 8 maart 2013 tot en met 9 juni 2015 een personenauto te weten een BMW X6, kenteken [kenteken 1] en
- in de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 januari 2015, een (giraal) geldbedrag van in totaal EUR 307.561,- (bestaande uit 'winst uit onderneming' een bedrag van EUR 118.875 en 'loon uit arbeid' een bedrag à EUR 188.686) en
- op 11 december 2013 een personenauto te weten een Jaguar, kenteken [kenteken 2] en
- in de periode 12 oktober 2013 tot en met 31 juli 2015, business seats Feyenoord, voor de seizoenen 2013 - 2014 en 2014 - 2015 en
- in de periode van 9 augustus 2014 tot en met 30 september 2014 een geldbedrag van in totaal EUR 100.000
terwijl hij, verdachte, wist dat voornoemde geldbedragen en personenauto's, onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.”
28. Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang heeft het hof in het bestreden arrest het volgende overwogen (de noten zijn weggelaten):
“Feit 4: Witwassen.
Algemeen.
Uit de in dit arrest gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zich bezig hield met import van verdovende middelen. De verdachte bevond zich al geruime tijd in het drugscircuit en was daarin succesvol, getuige zijn uitlating op 26 februari 2015 tegenover een politioneel informant die vroeg naar hoe het met zijn handel stond: “Het gaat goed(...). We doen binnenkort eerst een dummy en als dat allemaal goed gaat en het papier werk klopt dan kunnen we gaan draaien. Weet je, twee jaar geleden kende niemand mij, kon ik gewoon mijn gang gaan. Ik regelde het altijd super goed, er is van mij nog nooit een container geopend, nog nooit. Maar na wat er allemaal gebeurd is, weet je het niet.”
In die wereld gaan grote contante geldbedragen om. Ook uit gesprekken met de politie-informanten blijkt dat verdachte grote geldbedragen beschikbaar had voor luxe goederen. Op 15 januari 2015 zei de verdachte tegen een politie-informant dat hij inmiddels door modeontwerper Philipp Plein persoonlijk was uitgenodigd om een modeshow in Milaan bij te wonen. Een hotelkamer was ook al geregeld. Dit was volgens de verdachte omdat hij voor zoveel geld op de site had besteld van dit kledingmerk. Verder laat de verdachte op 16 februari 2015 een politie-informant een foto op zijn telefoon zien van een krokodillenlerenjas (merk Philipp Plein) van € 69.998 en zegt daarover dat als de handel een beetje normaal was doorgelopen hij die jas zo had besteld en dat het toch mooi is om zo exclusief te zijn. Verder verklaarde de vriendin van de verdachte op 9 april 2015 - twee maanden voor het aantreffen van het contant geld in de woning van de verdachte en zijn vriendin - tegenover een politieel informant dat de verdachte geen inkomen op papier heeft.
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420ter, eerste lid, onder a en b Sr opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Geldbedrag € 348.125
In de woning van de verdachte en zijn vriendin is een contant geldbedrag van € 348.125 aangetroffen. De verdachte had aldus feitelijke zeggenschap over het bedrag.
Op grond daarvan acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat het voorwerp in de tenlastelegging (feit 4, eerste gedachtestreepje) uit enig misdrijf afkomstig is, wat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Het hof is van oordeel dat de verklaring die de verdachte daarover heeft gegeven niet als zo'n verklaring kan worden aangemerkt.
De gestelde erfenis van de moeder van de vriendin van de verdachte is in het geheel niet onderbouwd en ten aanzien van de gestelde erfenis van de overleden echtgenoot slechts door een handgeschreven briefje. De officier van justitie heeft om het origineel gevraagd maar dit niet gekregen, zodat dit niet kon worden onderzocht op echtheid. Verder heeft de verdediging erop gewezen dat de belastingdienst dit bedrag als inkomen van de vriendin van de verdachte heeft aangemerkt. Volgens de kennisgeving navorderingsaanslag heeft zij dit bedrag ontvangen als vergoeding voor het misdrijfwitwassen. De verdediging betoogt dat dit bedrag niet zowel als inkomen kan worden bestempeld van de vriendin van de verdachte als door de verdachte witgewassen kan zijn. Naar het oordeel van het hof staat de stelling van de belastingdienst - het bedrag is een vergoeding voor het misdrijf witwassen - niet in de weg aan de bewezenverklaring van het medeplegen van witwassen door de verdachte, die het bedrag tezamen met zijn vriendin in hun woning voorhanden heeft gehad. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder feit 4, eerste gedachtestreepje, ten laste gelegde.”
29. De toelichting op het middel houdt (met weglating van noten) in:
“3. Blijkens de hiervoor onder randnummer 1 geciteerde passages uit de pleitnota, heeft de raadsman van requirant aangevoerd dat over de herkomst van het litigieuze geldbedrag een verklaring is gegeven die niet zomaar terzijde kan worden geschoven’. Dat geldbedrag is volgens die verklaring namelijk afkomstig van twee erfenissen die de partner van requirant heeft ontvangen, te weten van haar overleden ex-echtgenoot en haar overleden moeder. Ter onderbouwing van het bestaan van de erfenis van de wijlen ex-echtgenoot is - blijkens wederom de pleitnota - een brief van die ex-echtgenoot overgelegd waaruit blijkt dat hij haar € 382.000,- heeft nagelaten. Voorts is door de verdediging gewezen op een bij [betrokkene 12] aangetroffen document waarin staat dat die partner een bedrag van eveneens € 382.000,- contant heeft ontvangen als erfenis van haar moeder.
4. Tegen deze achtergrond is het oordeel van het Hof dat requirant geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geldbedrag, niet begrijpelijk. Er is immers met een concrete verwijzing naar door de partner van requirant ontvangen erfenissen gesteld dat het in de woning aangetroffen geldbedrag een legale herkomst had.
5. Dat wordt niet anders door de vaststelling van het Hof dat (de partner van) requirant geen (originele) stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van de erfenissen, nu die enkele omstandigheid niet afdoet aan de door requirant gegeven verklaring en de mogelijkheid voor het om daarnaar nader onderzoek te doen.”
30. Mede in het licht van de toelichting is dit middel vooral een feitelijke herhaling van zetten uit de vorige instantie. Terecht wordt niet geklaagd over het in de vooropstelling van het hof gegeven juridisch kader dat is ontleend aan de rechtspraak van de Hoge Raad.
31. Uit de in hoger beroep overgelegde pleitnota blijkt dat is gesteld dat de partner van verdachte twee erfenissen heeft gehad, beide ten bedrage van € 382.000,-. Het betreft volgens die pleitnota (onder nr. 458) als eerste een erfenis van haar overleden echtgenoot. Als ‘bewijs’ voor die erfenis is gewezen op een handgeschreven brief van die ex-echtgenoot inhoudende dat hij het (genoemde) bedrag aan de partner van verdachte nalaat. Volgens de pleitnota zou vervolgens een erfenis van de moeder van de partner van verdachte contant zijn verstrekt en dat zou dat blijken uit een document (onder nr. 462). Op welk document wordt gedoeld is zowel in de pleitnota in hoger beroep als in de schriftuur van cassatie niet toegelicht.
32. Hiermee zag het hof zich gesteld voor de in de vooropstelling geformuleerde vraag of sprake is van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. Het hof oordeelt dat van een dergelijke verklaring geen sprake is. Het oordeel van het hof dat een handgeschreven brief van de ex-echtgenoot ontoereikend is mede in het licht van de onmogelijkheid van nadere verificatie door het niet overleggen van het origineel, acht ik niet onbegrijpelijk. Voor de erfenis van de moeder van de partner van verdachte geldt in de kern hetzelfde. Het enkele beroep op ‘een’ document levert een hoogst onwaarschijnlijke verklaring op.
33. Het vierde middelfaalt.
34. Het vijfde middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 6.
35. Ten laste van de verdachte is onder 6 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 8 december 2014 tot en met 9 juni 2015 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen een wapen, als bedoeld in artikel 2, lid 1, Categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Norinco (North China Industries), model NP 30, kaliber .45 ACP, serienummer [001], voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen aan [betrokkene 12].”
36. Deze bewezenverklaring heeft het hof gestoeld op de volgende bewijsmiddelen (de noten zijn weggelaten):
“Feit 6: Vuurwapens WOD - deel A
1. Een proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 21 november 2016 van de meervoudige kamer in de rechtbank Rotterdam, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de verdachte:
De Norinco is een wapen van de vader van [betrokkene 2]. Ik heb het dat wapen gezien bij mijn schoonvader. Ik heb de kogels eruit gehaald. U houdt mij voor dat ik zojuist heb verklaard dat ik het wapen wel in mijn handen heb gehad. Dat klopt.
34. 2. Een proces-verbaal van bevindingen politieel informanten A3127 en A3728 d.d. 12 juni 2015 (als bijlage op pagina 198-202 van het Algemeen Dossier, genummerd 20150609-2728) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van A3727 en 43728:
Op 9 juni 2015 reden wij, A-3727 en A-3728 samen de oprit van de woning van [verdachte] en [betrokkene 2] aan de [a-straat 1] te [plaats] op. Ik hoorde de vader van [betrokkene 2] zeggen: "Ik heb nog: zo’n pistool van [verdachte] bij mij liggen. Hij had er op een bepaald moment een paar die weg moesten en ik heb toen gezegd dat hij er maar een aan mij moest meegeven. Die heb ik bij mij in de schuur liggen", of woorden van gelijke strekking.
3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 februari 2015 (als bijlage op pagina 21-23 van zaaksdossier Glock, genummerd. 1412081223.0VC) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van [verbalisant 6] en [verbalisant 7]:
Op 8 december 2014 werd onder andere onderstaand gesprek opgenomen (OVC), in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats]. Dit opgenomen gesprek werd door ons uitgeluisterd en in dit proces-verbaal verwerkt. [betrokkene 2] (sh) en [betrokkene 6] (sh) zijn in gesprek.
[verdachte]: Ik ben op een gegeven moment weggelopen. Gingen ze dreigen met huiszoeking en eh...
[betrokkene 2]: Sorry?
[verdachte]: En eh, auto moest (onverstaanbaar) vuurwapen in mijn auto zou leggen.
[betrokkene 2]: Hij zegt toch duidelijk dat dat weg is hier.
[verdachte]: ja. Ding moet wel weg hier zo, ze gaan nou treiteren, maar ze hebben niks.
[betrokkene 2]: Oh, nou dan zal ik hem straks even naar mijn vader brengen.
4. Een proces-verbaal van bevindingen politieel informanten A3727 en A3728 d.d. 12 juni 2015 (als bijlage op pagina 205-209 van het Algemeen Dossier, genummerd 20150610-2728) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van A3727 en A3728:
Op 10 juni 2015 kwamen wij aan bij de woning van [verdachte] en [betrokkene 2] aan de [a-straat 1]. De vader van [betrokkene 2] vertelde hierbij nogmaals dat hij ook nog een pistool van [verdachte] bij hem thuis had liggen. Nadat de vader van [betrokkene 2] de kelderbox had geopend pakte hij een rood tasje en gaf deze aan mij, A-3727. Hierbij opende ik het tasje en pakte het zwarte doosje waar de tekst "Norinco" op stond. Nadat ik het doosje opende zag ik dat er een vuurwapen van het merk Norinco inzat met in het wapen de patroonhouder. De vader van [betrokkene 2] had al gezegd dat hij leeg was. Hierop heb ik het doosje gesloten en in het zakje terug gedaan.
5. Een proces-verbaal van inbeslagname vuurwapen d.d. 11 juni 2015 (als bijlage op pagina AI-A2 van zaaksdossier Vuurwapens (WOD), genummerd 1506101800.IBN) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van [verbalisant 13]:
Op 10 juni 2015 overhandigde [betrokkene 12] aan de politieel informant(en) een vuurwapen, merk Norinco. Dit vuurwapen pakte [betrokkene 12] uit de kelderbox behorend bij zijn woning aan de [b-straat 1] te [plaats]. Op 10 juni 2015, ontving ik, verbalisant, het vuurwapen, merk Norinco, van de begeleiders van de politieel informant(en), gecodeerd genummerd als B-2283 en 8-2284. Het vuurwapen, merk Norinco, werd hierop op 10 juni 2015 door mij inbeslaggenomen.
6. Een proces-verbaal van onderzoek wapen d.d. 14 juli 2015 (als bijlage op pagina A5 van zaaksdossier Vuurwapens (WOD), genummerd 1507140000.DOC) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van [verbalisant 14]:
Op 14 juli 2015 onderzocht ik een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Bij dit onderzoek heb ik gezien dat het voorwerp een pistool is van het merk: Norinco (North China Industries), model: NP 30, kaliber: 45 AGP en voorzien van het serienummer: [001]. Dit pistool is bestemd en geschikt om projectielen door een loop af te schieten en de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Derhalve is dit pistool een vuurwapen in de zin van artikel I, onder 3e gelet op artikel 2, lid I, categorie lIl, onder 1e van de Wet wapens en munitie.’’
37. Het middel richt zich tegen de motivering van het voorhanden hebben van het wapen. In zijn arrest van 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504, NJ 2020/251 m.nt. Sackers heeft de Hoge Raad als volgt overwogen:
“2.4. Voor een veroordeling van het – als pleger – voorhanden hebben van een wapen of munitie is vereist dat de verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad (vgl. HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5992).
Voorts vergt het aanwezig hebben van een wapen of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. In bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen of de munitie niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen of die munitie voorhanden had in de zin van art. 26, eerste lid, WWM. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen of munitie van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen.”
37. Voorts overweegt het hof:
“Feit 6: vuurwapen Norinco Uit de bewijsvoering volgt dat [betrokkene 12], de vader van de vriendin van de verdachte, nadat de verdachte was aangehouden en vastgezet op het politiebureau op 9 juni 2015 's middags tegen een politie-informant heeft gezegd dat hij "nog zo’n pistool van [verdachte]” bij zich had liggen. Verder heeft [betrokkene 12] op 10 juni 2015 tegen een politie-infiltrant gezegd dat als hij nog iets voor het pistool kon krijgen dat dit meegenomen was. Nadat de politieinformant dit pistool - na later bleek een Norinco kaliber .45 - op 10 juni 2015 van [betrokkene 12] overhandigd had gekregen en had weggebracht naar het begeleidingsteam, heeft de politie informant € 600 aan de vriendin van de verdachte gegeven en gezegd dat het wapen van de verdachte dat nu waard is”.
38. Volgens de toelichting op het middel bevat de bewijsconstructie een inconsistentie. Bewijsmiddel 1 houdt in dat het wapen van de vader van [betrokkene 2] is en de steller leest dit zo dat het wapen eigendom van de vader van [betrokkene 2] is. Die eigendom zou zich niet verhouden met het voorhanden hebben van verdachte. Ook als ik de lezing van de steller volg, zie ik geen inconsistentie. Allereerst is medeplegen bewezenverklaard. Voor zover de vader van [betrokkene 2] eigenaar is, kan hij samen met verdachte het wapen voorhanden hebben. Voorts sluit het feit dat de vader eigenaar is zelfs niet uit dat wordt bewezen dat verdachte als pleger voorhanden heeft.
39. Geklaagd wordt voorts nog dat bewijsmiddel 3 is gedenatureerd. Uit het volledige OVC gesprek zou namelijk blijken dat het wapen elders is ondergebracht dan bij de vader van [betrokkene 2]. Het deel van het gesprek dat voor het bewijs is gebruikt kan daarom niet redengevend zijn voor het bewezenverklaarde feit.
40. In het volledige gesprek wordt inderdaad eveneens gesproken over het onderbrengen van een wapen op een andere plaats dan bij de vader van [betrokkene 2]. Dat sluit niet uit dat het in de bewezenverklaring genoemde wapen uiteindelijk toch bij de vader van [betrokkene 2] is ondergebracht en evenmin dat er een ander wapen op een andere plaats is ondergebracht. Hoe dan ook is bewijsmiddel 3 in zoverre redengevend dat daaruit volgt dat er een wapen elders is ondergebracht. Van denatureren van het OVC gesprek is geen sprake.
42. Het zesde middelten slotte klaagt over de bewezenverklaring van feit 8.
43. Ten laste van de verdachte is onder 8 bewezenverklaard dat:
“hij op diverse tijdstippen in de periode van 12 mei 2015 tot en met 26 mei 2015 te Rotterdam althans in Nederland, [betrokkene 13] telkens heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,
immers, heeft verdachte aan voornoemde [betrokkene 13] en/of aan de ouders van voornoemde [betrokkene 13] opzettelijk dreigend meermalen een bericht verzonden met als inhoud:
- op 12 mei 2015: “En nu moet ik stoppen met je? Lul je moet me nog geven waar ik recht op heb en dat voor het weekend. Zo niet dan zoek ik je op. Of je nu op school staat te wachten of thuis of het golfcentrum of schaatsbaan, ik zal je spreken. Ja ja heb mijn huiswerk gedaan. Jij hebt aan mijn gezin gezeten, dus heb nu alle recht om aan jouw gezin te zitten” en
- op 14 mei 2015: “Ik vergeet je niet, hoor. Zie je heel snel en onverwachts. Zal je net zo lang achtervolgen waar dan ook naar toe tot ik mijn centen heb van je. Al moet ik naar [betrokkene 15] toe of je ouders.” en
- op 18 mei 2015: “Korte vraag. Betaal je of niet want dan weet ik of ik het uit handen geef ja of nee? Hoop dat je de goede kiest, scheelt een hoop ellende.” en
- op 26 mei 2015 opzettelijk dreigend een e-mailbericht verzonden gericht met als inhoud: “Als je zoon en die zwager van hem niet reageren dan zal ik wel langs jou moeten gaan. Kortom [betrokkene 13] laat heel zijn familie zijn problemen oplossen. Het is heel simpel [betrokkene 13] gaat betalen of [betrokkene 14] die stond immers borg die slappe zak. Zo niet dan maak ik zijn leven tot een hel tot zijn kinderen toe en dat geldt ook voor [betrokkene 14]! Zij hebben aan mijn familie gezeten en nu ga ik aan zijn familie zitten. Hoor ik niets van. [betrokkene 13] of [betrokkene 14] dan kom ik langs moet even alleen kijken, bij wie ik begin [c-straat 1] of aan de overkant daarvan? Of oosterhof? Of golfbaan? Of op school? Of ja jammer had ik eerder moeten doen op de ijsbaan? Zal ook even kijken waar die ingeschreven staat dan kunnen we wellicht daar beginnen? Hoop dat je zoon slim is en anders tot snel!.”
44. Het hof heeft in dit verband het volgende overwogen (de noten zijn weggelaten):
“Feit 8: Bedreiging
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht althans zware mishandeling is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen althans zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast. De verdachte heeft [betrokkene 13] berichten gestuurd waarin hij schrijft dat hij (terugbetaald wil worden. Daarbij heeft de verdachte [betrokkene 13] - samengevat weergegeven -te verstaan gegeven dat hij [betrokkene 13] opzoekt, hem "heel snel en onverwachts" ziet en hem net zo lang zal achtervolgen totdat hij zijn centen van hem heeft.
Het hof acht de ten laste gelegde uitlatingen van de verdachte op zichzelf genomen niet van dien aard om als bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht te kunnen worden aangemerkt. Het hof beziet echter tevens de context waarin de uitlatingen zijn gedaan. Daarbij neemt het hof eerst de gebeurtenissen vanaf 2006 in aanmerking, toen de verdachte geld had geïnvesteerd in de juwelierswinkels van [betrokkene 13]. In 2008 begon de verdachte [betrokkene 13] onder druk te zetten om terug te betalen. In 2009 kwam de verdachte daartoe naar de winkel van [betrokkene 13]. De verdachte nam grote brede mannen mee met tatoeages. Ongure types. De verdachte gaf [betrokkene 13] daarbij te kennen dat hij "die jongens rustig moest houden" en dat het met mensen die aangifte deden niet goed af liep. Vervolgens heeft [betrokkene 13] bedragen aan de verdachte terugbetaald.
Aangezien de verdachte tegen die achtergrond tevens verwees naar de school of sportlocatie van [betrokkene 13]’ kinderen om hem daar op te zoeken en schrijft "dat hij alle recht heeft om aan jouw gezin te zitten” en dreigt "het uit handen te geven” waarbij de verdachte “hoopt” dat [betrokkene 13] het goede kiest omdat dat een hoop ellende scheelt, is het hof van oordeel dat daardoor bij [betrokkene 13] de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen althans zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 8 ten laste gelegde.”
45. In HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448 overwoog de Hoge Raad:
“3.3. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is, voor zover hier van belang, vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen.”
46. Het hof heeft bij de beoordeling het juiste juridische kader gebruikt. De aard van de bedreiging acht het hof op zich nog niet toereikend om binnen het bereik van de strafbepaling te vallen. De gebezigde bewoordingen zijn nog niet zonder meer toereikend voor een bedreiging met een misdrijf tegen het leven, althans zware mishandeling. Dat acht ik met de steller van het middel niet onbegrijpelijk. Het hof acht echter de omstandigheden hier wel doorslaggevend. Naar ik de steller van het middel begrijp acht hij echter die omstandigheden nog niet toereikend voor de bewezenverklaarde bedreiging, althans acht hij het onbegrijpelijk dat het hof op grond van die omstandigheden bedreiging heeft aangenomen.
47. In de bewijsoverweging van het hof worden een aantal door verdachte gebezigde bewoordingen geplaatst in de context van de gebeurtenissen uit 2006 alsmede de verwijzing door verdachte naar de school of sportlocatie van de kinderen. Ik wijs in het bijzonder verder nog op bewijsmiddel 4 uit de aanvulling op het bestreden arrest (met weglating van noten):
“4. Het proces-verbaal van verhoor van getuigen d.d. 7 april 2016 opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Rotterdam, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 13]:
Het totaal van de berichten was bedreigend. Ik had er slapeloze nachten van. Met name ook het noemen van mijn kinderen en de combinatie met de berichten in de media dat [verdachte] met een pistool zou rondrijden. Als ik daar dan bij lees dat hij schrijft dat hij mij bij school ziet, voel ik mij bedreigd. Ik durfde ook mijn kinderen niet meer naar school te brengen of van school te halen. Het mocht niet zo zijn dat hun iets zou overkomen. U vraagt mij waarvoor ik specifiek bang was. Ik was bang dat mij wat aangedaan zou worden. Je haalt je de gekste dingen in je hoofd, zelfs dat [verdachte] op een dag daadwerkelijk bij school langs zou rijden en mij dood zou schieten."
48. Als ik het goed begrijp legt volgens de steller van het middel het incident uit 2009 geen, althans weinig gewicht in de schaal. Het incident is stokoud en van strafbare bedreiging is geen sprake. Het hof heeft het kennelijk anders gezien en dat is niet onbegrijpelijk. Het incident was ten tijde van het bewezenverklaarde feit weliswaar ongeveer zes jaar geleden, maar de aanleiding voor de confrontatie in 2009 was dezelfde als die in 2015, te weten het innen van schuld door verdachte. Bovendien was zowel in 2009 als in 2015 de verdachte die de confrontatie zocht. De confrontatie uit 2009 geeft een beeld waartoe verdachte in een dergelijk geval in staat is. Of de confrontatie in 2009 strafbare bedreiging opleverde is niet door het hof vastgesteld en dat is ook niet bepalend voor de strafbaarheid van de geuite woorden in 2015. Hoe dan ook is immers die confrontatie uit 2009 met brede mannen met tatoeages, ongure types, die verdachte rustig moest houden, beangstigend. Dat dit bij de confrontatie in 2015 in aanmerking wordt genomen vind ik niet onbegrijpelijk.
49. De zin “Jij hebt aan mijn gezin gezeten dus heb ik nu alle recht om aan jouw gezin te zitten" heeft, naar ik de steller van het middel begrijp, het hof uit zijn verband gerukt. De woorden zijn, zoals in feitelijke aanleg ook is betoogd, slechts gebruikt in een context waaruit blijkt dat verdachte [betrokkene 13] alleen maar graag wilde spreken (schriftuur van cassatie p. 52 onder 14), terwijl bovendien de woorden zijn gebruikt in een “figuurlijke (financiële) context” (schriftuur van cassatie p. 52 onder 15). Het gaat hier in hoofdzaak om een waarderingskwestie. Ik begrijp het hof zo dat de bedoelde zin is gebruikt in een (meer) fysieke betekenis en dat is niet onbegrijpelijk.
50. Gelet op de omstandigheden zoals deze in de bewijsoverweging en bewijsmiddel 4 door het hof zijn aangeduid alsmede gelet op de omstandigheid dat binnen een tijdsbestek van veertien dagen in mei 2015 [betrokkene 13] viermaal is benaderd met bewoordingen als bewezenverklaard, acht ik de bewijsmotivering van het hof niet ontoereikend of onbegrijpelijk. Ook door de frequentie in korte tijd wordt de druk immers opgevoerd.
51. Ook het zesde middelfaalt.
52. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
53. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
54. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG