PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/02843
Zitting 22 juni 2021
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.
10. De enkele omstandigheid dat de verdachte een gehuurd, geleased of geleend goed niet heeft teruggebracht of de verschuldigde geldsom niet heeft betaald, is niet voldoende voor het bewijs van wederrechtelijke toe-eigening. Er zal van een bijkomende omstandigheid moeten blijken, wil verduistering in beeld komen. Illustratief zijn de volgende voorbeelden. In de zaak die leidde tot HR 13 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8306, NJ 2005/471 ging het om een verdachte die in een winkel ‘in-line skates’ wilde kopen en, toen zijn pinkaart daar niet bleek te werken, aan de winkelmedewerker vroeg of hij elders bij een bank geld mocht opnemen. De skates wilde hij aanhouden, aangezien hij binnen een half uur terug zou zijn om te betalen. Zijn jas, schoenen en ID-kaart liet hij als onderpand achter. De verdachte probeerde bij een andere bank te pinnen, maar tevergeefs en besloot toen de trein naar Amsterdam te nemen. “Ik wilde de rollerskates gewoon hebben. Niets dat me daar vanaf bracht”, aldus verklaarde de verdachte later. Hier was sprake van verduistering, oordeelde de Hoge Raad. De in-line skates behoorden bij het verlaten van de winkel immers nog toe aan de winkel, terwijl de verdachte in strijd met de, met de winkelmedewerker, gemaakte afspraken en zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester over de skates had beschikt door ze niet terug te brengen. HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2076, NJ 2016/424 betreft een zaak waarin de verdachte na afloop van de huurovereenkomst een gehuurde bedrijfsauto niet had teruggebracht en de auto gedurende een periode van vijf maanden na de afgesproken retourdatum – en daarmee tot aan zijn aanhouding – was blijven gebruiken. Het hof oordeelde dat sprake was van zich wederrechtelijk toe-eigenen omdat niet alleen was vastgesteld dat de verdachte de gehuurde bedrijfsauto ook na de huurperiode was blijven gebruiken, maar tevens dat door aan de zijde van de verdachte gelegen omstandigheden de betaling van de factuur (automatische incasso) was gestorneerd, dat de verhuurder herhaaldelijk had geprobeerd met de verdachte in contact te komen en dat de verdachte niet traceerbaar was, ook niet aan de hand van het door hem opgegeven adres. Dat oordeel gaf volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was toereikend gemotiveerd.
11. Ook in de onderhavige zaak blijkt uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden dat de verdachte niet enkel heeft verzuimd het voertuig aan de rechthebbende terug te geven. Het hof heeft daarnaast immers vastgesteld – en dit wordt in cassatie niet bestreden – dat de verdachte, kort nadat hij aan de eigenaar had bericht alsnog af te zien van de aankoop van de auto, met de auto van [plaats] naar [plaats] is gereden en hij de auto daar onbeheerd heeft achtergelaten. Voorts blijkt uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen dat de verdachte had toegezegd de overeengekomen koopsom (uiterlijk) op 23 januari 2012 aan de verkoper te voldoen en zorg te dragen voor de overschrijving van het kenteken op zijn naam; de verdachte is deze beide afspraken niet nagekomen.
12. Anders dan door de stellers van het middel wordt betoogd, doet zich in de onderhavige zaak niet het geval voor dat de verdachte enkel is tekortgeschoten in de civielrechtelijke verplichting tot ongedaan maken door de auto niet terug te geven. Het oordeel van het hof dat hier sprake is van verduistering getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin ontoereikend gemotiveerd.
13. Het middel faalt en leent zich mijns inziens voor afdoening met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden