BVH-goednummer SVO SIN monster
PL1700-2016073078-5096461 AAJA7060NL AAJA7058NL AAJA7059NL
22. Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, zaaknummer 2016.03.16.147 (aanvraag 001), d.d. 25 maart 2016, opgemaakt en ondertekend door de deskundige ing. A.G.A. Sprong. Dit rapport houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 429 en 430 van aanvullend proces-verbaal zaak Zafira (C)):
als relaas van deze deskundige:
Kenmerk Conclusie AAJA7058NL Bevat cocaïne AAJA7060NL Bevat cocaïne AAJA7059NL Bevat cocaïne”
6. Het bestreden arrest bevat voorts de volgende bewijsoverweging:
“Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
(…)
Medeplegen
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er – kort gezegd – onvoldoende bewijs is om de verdachte als medepleger van het onder 1 en 3 aan hem ten laste gelegde aan te kunnen merken.
Het hof stelt bij de beoordeling van dit verweer voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende vast.
Kennelijk bij wijze van voorverkenning zijn de verdachte en de medeverdachte in de middag van 2 maart 2016 in de auto van de vriendin van de verdachte naar de [b-straat 1] te [plaats] gereden, waarbij de verdachte die auto bestuurde. Dit is het adres waar de latere slachtoffers [betrokkene 3] en [betrokkene 1] verbleven en waar zij werden opgehaald door [betrokkene 2] .
Diezelfde avond zijn de verdachte en de medeverdachte in dezelfde auto naar het [a-straat] gereden, waarbij de verdachte opnieuw als bestuurder optrad. Daar heeft de verdachte de auto waarin [betrokkene 3] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zaten klem gereden. De medeverdachte heeft vervolgens de bewezenverklaarde handelingen met het vuurwapen verricht, waarmee de inzittenden van de andere auto zijn bedreigd. Op deze wijze is getracht hen te beroven.
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte, welke samenwerking in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen. Het verweer wordt verworpen.”
7. Het middel klaagt dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd “op de door de verdediging met argumenten onderbouwde standpunten/het verweer”, waarbij met het verweer wordt gedoeld op het verweer met de strekking dat de verdachte niet aanwezig was op de plaats delict.
8. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De rechter die in zijn beslissing afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dient, ingevolge art. 359 tweede lid, tweede volzin, Sv in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. Deze plicht tot nadere motivering houdt in dat het standpunt in de uitspraak beargumenteerd moet worden weerlegd. De omvang van de motiveringsplicht is afhankelijk van de aard van het onderwerp alsmede de inhoud en indringendheid van de argumenten. Ook kan zich het geval voordoen dat, wanneer het naar voren gebrachte, door de rechter niet aanvaarde standpunt niet uitdrukkelijk wordt weerlegd, de uitspraak voldoende gegevens bevat, bijvoorbeeld in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante, bewijsmiddelen en/of in een aanvullende bewijsmotivering, waarin de weerlegging van het standpunt besloten ligt. De motiveringsplicht gaat voorts niet zo ver dat bij de niet- aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. Een en ander doet niet af aan de vrijheid van de feitenrechter in de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal.1
9. Wanneer een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen die niet met een bewezenverklaring zou stroken, heeft als uitgangspunt
te gelden dat de rechter – indien hij tot een bewezenverklaring komt – de aangedragen alternatieve gang van zaken (via de band van art. 359 tweede lid, tweede volzin Sv) zal moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. In voorkomende gevallen zal de rechter kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.2 Voor zover een bewijsverweer in wezen een ontkenning van de tenlastelegging inhoudt, geldt dat deze moet voldoen aan de strenge eisen die worden gesteld aan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.3 Slechts wanneer het bewijsverweer een standpunt betreft dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de rechter naar voren is gebracht, is de rechter verplicht te responderen ingevolge art. 359, tweede lid, tweede volzin Sv.4
10. Uit de pleitnota, die is gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 2019 en uit hetgeen de raadsman daarop als aanvulling heeft medegedeeld, blijkt dat de raadsman ter terechtzitting heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat hij niet op de plaats delict aanwezig is geweest. De stellers van het middel hebben in de cassatieschriftuur hetgeen de raadsman ter terechtzitting heeft aangevoerd als volgt zakelijk weergegeven:
“Daarbij is aangevoerd dat (…) verdachte niet is herkend op de plaats delict; getuigen verdachte niet hebben aangewezen; de medeverdachte er niets over heeft gezegd; ook de vermeende slachtoffers verdachte niet hebben aangewezen als een van de mogelijke daders; verdachte over een alibi voor de bewuste dag beschikt; de telefoon van verdachte een zendmast heeft aangestraald waaruit volgt dat verdachte niet op de plaats delict aanwezig is geweest; uit het dossier volgt dat als de verschillende technische gegevens naast elkaar worden gelegd, verdachte niet een van de inzittenden van de Opel Zafira was kan zijn geweest terwijl de rechtbank in haar vonnis ook naar dit proces-verbaal heeft verwezen; de omstandigheid dat een handschoen op de plaats delict is aangetroffen met daarop het DNA van verdachte in dit geval niet tot bewijs leidt nu een handschoen een verplaatsbaar object is; de OVC gesprekken, inhoudende onder meer: "Zij zeggen dat wij daar waren, dat is wat zij zeggen" ontlastend is; de rechtbank de gesprekken uitvoerig ter terechtzitting aan de orde heeft gesteld en dat verdachte op die vragen van de rechtbank heeft aangegeven dat hij in de OVC gesprekken het dossier bespreekt met de medeverdachte en uit de OVC gesprekken geen daderkennis kan worden gehaald; de in hoger beroep overgelegde digitale foto's wellicht scherper zijn dan de foto's in het dossier maar dat op deze foto's geen embleem van een Opel is te zien maar slechts een witte vlek en door het gebruik maken van een flits kleuren veranderen en niet is vast te stellen wat op de foto's zichtbaar is terwijl de foto's ook niets zeggen over de aanwezigheid van verdachte op de plaats delict; geen specifieke kenmerken van de op de foto's waarneembare jas zijn waar te nemen en bij verdachte niet een combinatie van jas met bontkraag en sjaal is vastgesteld; uit het onderzoek van de TomTom blijkt dat het woonadres van [betrokkene 5] is ingevoerd waaruit eveneens kan worden afgeleid dat verdachte niet in de auto zat nu verdachte immers wist waar dat huis was.”
11. Daarmee heeft de raadsman in hoger beroep aangevoerd dat uit het dossier volgt dat de verdachte niet op de plaats delict was. Hij had immers een alibi op de relevante tijdstippen op 2 maart 2016. Dat de daders in de Opel reden die hij zelf veelvuldig gebruikt, komt omdat hij de auto had uitgeleend aan [betrokkene 8] (een kennis). Maar ook wanneer voorbijgegaan wordt aan het alibi en het alternatieve scenario, is onvoldoende bewijs beschikbaar is vast te stellen
dat de verdachte op de plaats delict is geweest. Daarom moet de verdachte worden vrijgesproken.
12. Het hof is van het (uitdrukkelijk onderbouwde) standpunt dat de verdachte niet op de plaats delict was, afgeweken door het onder 1 subsidiair en 3 tenlastegelegde bewezen te verklaren. Het hof is in de aanvullende bewijsoverweging in het arrest niet specifiek op de argumenten van de verdediging ingegaan. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat deze voldoende worden weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, waaruit naar het oordeel van het hof volgt dat de verdachte op 2 maart 2016 wel degelijk op de plaats delict was.
13. Het hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld:
(i) Op 2 maart 2016 tussen 14:00 uur en 16:30 uur is een blauwe Opel Zafira, kenteken [kenteken 1] , viermaal door de [b-straat] in [plaats] gereden.
(ii) Rond 18:00 uur die dag werden de latere slachtoffers [betrokkene 1] en [betrokkene 3] op [b-straat 1] opgehaald door het latere derde slachtoffer [betrokkene 2] , die hen in een Seat Ibiza naar het [a-straat] in [plaats] bracht. Toen zij daar geparkeerd stonden, stopte een blauwe Opel Zafira naast hun auto, en stapte de bijrijder uit die Opel Zafira. Deze bijrijder schoot meermaals met een vuurwapen richting de mannen in de Seat en maakte hen duidelijk dat hij goederen wilde hebben.
(iii) Op de plaats delict is een zwarte wollen handschoen gevonden en in de binnenkant van deze handschoen is een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen aangetroffen, waarvan minimaal één man, terwijl het hieruit afgeleide DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van de verdachte.
(iv) De Opel Zafira met het kentekennummer [kenteken 1] stond op de naam van de broer van de partner van de verdachte en deze auto werd kennelijk (ook) gebruikt door de verdachte.
(v) De verdachte en de medeverdachte [betrokkene 6] zijn goede bekenden van elkaar en zijn in twee onderzoeken eerder door de politie aangemerkt als medeverdachten van een misdrijf waarbij een vuurwapen in het spel was.
(vi) Uit een combinatie van camera- en zendmastgegevens volgt dat de telefoon die in gebruik was bij [betrokkene 6] op 2 maart 2016 de hele dag heeft meebewogen met de route van de Opel Zafira met het kenteken [kenteken 1] . Deze Opel Zafira reed, blijkens de technische gegevens, vlak voor het schietincident richting Ridderkerk en reed vlak daarna weer weg van Ridderkerk richting Rotterdam .
14. Daarnaast heeft het hof een OVC-gesprek tussen de verdachte en de medeverdachte voor het bewijs gebezigd, waarin gesproken wordt over de handschoen die is gevonden op de plaats delict. Kennelijk – en niet onbegrijpelijk – heeft het hof geoordeeld dat ook de inhoud van dit gesprek redengevend is voor het bewijs van de aanwezigheid van de verdachte en [betrokkene 6] op de plaats delict. Daarbij is van belang dat uit de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] blijkt dat de bijrijder van de Opel Zafira op 2 maart 2016, zowel ’s middags in de [b-straat] als ’s avonds bij het [a-straat] , blauwe latex handschoenen aanhad. In het OVC-gesprek zegt de verdachte dat de blauwe handschoenen van [betrokkene 6] waren. [betrokkene 6] reageert daarnaast als volgt wanneer de verdachte vertelt dat de politie een handschoen van hem heeft gevonden: “Wat zeg je dat ze gepakt hebben, wat zeg je de dingen die ze gepakt hebben over de handschoen? Jij had
geen!”. Hieruit kan worden afgeleid dat [betrokkene 6] opmerkt dat de verdachte geen handschoenen aanhad ten tijde van het plegen van het delict.
15. Verder is van belang dat het openbaar ministerie, nadat de verdachte in eerste aanleg was vrijgesproken, middels een als bijlage aan de appélmemorie gehecht proces-verbaal, nieuwe informatie heeft ingebracht in het strafproces. Het hof heeft dit proces-verbaal tot het bewijs gebezigd en daarmee vastgesteld dat met de telefoon van [betrokkene 6] op 2 maart 2016 twee foto’s zijn genomen vanuit een auto bij de [b-straat] , waarop de bestuurder van de auto deels zichtbaar is. De eerste foto is genomen om 15:31 uur en de tweede foto om 17:48 uur. Het hof heeft kennelijk, en wederom niet onbegrijpelijk, geoordeeld dat beide foto’s zijn genomen vanuit de Opel Zafira met kentekennummer [kenteken 1] en dat de inzittenden de daders van het tenlastegelegde delict zijn. Daarbij is, naast het onder randnummer 13 vermelde, van belang dat op de tweede foto een logo op het stuur te zien is dat lijkt op een Opel logo. Ook is te zien dat de bestuurder een doek om zijn hals draagt, terwijl twee van de slachtoffers verklaren dat de bestuurder van de Opel Zafira een doek voor zijn gezicht droeg. Op basis van dit nieuwe, in hoger beroep door het OM ingebrachte, proces-verbaal heeft het hof voorts nog vastgesteld dat:
i. de bestuurder van de Opel op de eerste foto een spijkerbroek met slijtageplekken aan heeft;
ii. de bestuurder op de tweede foto een zwarte jas met bontkraag draagt;
iii. uit de eigen waarneming van het hof ter terechtzitting blijkt dat de op de broek van de bestuurder zichtbare vlakken en kleurverschillen overeenkomen met de vlakken en kleurverschillen op de broek die de verdachte op een zich in het dossier bevindende foto van 21 april 2016 draagt;
iv. de jas van de bestuurder sterke uiterlijke overeenkomst vertoont met een jas die de verdachte in zijn bezit had.
16. Aan het voorgaande heeft het hof de gevolgtrekking verbonden dat de verdachte op 2 maart 2016 ’s middags in de [b-straat] de bestuurder was van de Opel Zafira met kentekennummer [kenteken 1] en dat hij, als bestuurder van deze Opel Zafira diezelfde avond op het [a-straat] was. Op beide momenten was [betrokkene 6] de bijrijder. Deze gevolgtrekking acht ik – in het licht van de hiervoor opgetekende feiten en omstandigheden – niet onbegrijpelijk. Voor een verdere toets van gevolgtrekkingen door het hof op basis van de door het hof met de bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden is in cassatie geen plaats.5 De standpunten van de verdediging vinden daarom genoegzaam hun weerlegging in de bewijsmiddelen.6
17. Ik meen dat het hof niet tot een verdere motivering van zijn beslissing was gehouden. Daarbij neem ik de inhoud en indringendheid van de argumenten van de raadsman in aanmerking. Omtrent het scenario dat de Opel Zafira uitgeleend was aan ene [betrokkene 8] zijn door of namens de verdachte geen concrete gegevens aangevoerd, die een en ander (zouden kunnen) ondersteunen. Ten aanzien van de door de verdediging ingebrachte alternatieve gang van zaken verdient in dit kader opmerking dat het alibi van de verdachte, zoals de
raadsman zelf ook ter terechtzitting in hoger beroep opmerkt, niet sluitend is. De raadsman had aangevoerd dat de telefoon van de verdachte een zendmast heeft aangestraald waaruit zou volgen dat de verdachte niet op de plaats delict aanwezig is geweest. De redenering van de raadsman houdt in dat de telefoon van de verdachte op 2 maart 2016 om 16:36 uur een zendmast heeft aangestraald bij het huis van zijn vriendin, terwijl uit de getuigenverklaring van [getuige 1] blijkt dat de auto om 16:30 uur voor het laatst in de [b-straat] is geweest. Daaruit zou moeten worden afgeleid dat de verdachte niet in de auto kan hebben gezeten, omdat de auto onmogelijk in 6 minuten de afstand tussen beide plaatsen kan hebben afgelegd. De verklaring van [getuige 1] dwingt echter geenszins tot de interpretatie van de raadsman, nu deze inhoudt dat dat hij tussen 14:00 uur en 16:30 uur thuis was en in die periode de Opel Zafira vier maal heeft langs zien rijden.
18. Het voorgaande brengt mij tot de slotsom dat het weliswaar de begrijpelijkheid van de verwerping van het verweer ten goede zou zijn gekomen als het hof daaraan een bewijsoverweging had gewijd, maar dat het hof toereikend gemotiveerd heeft gerespondeerd op het standpunt van de verdediging. Dat de rechtbank de verdachte in eerste aanleg heeft vrijgesproken maakt dit niet anders. Een vrijspraak in eerste aanleg heeft in het algemeen niet zonder meer gevolgen voor de omvang van de responsieplicht van het hof. Daar komt bij dat het openbaar ministerie in deze zaak in hoger beroep nieuwe informatie heeft aangeleverd en, in het verlengde daarvan, dat de advocaat-generaal een bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft gevorderd.7
19. Het middel faalt.
20. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte geen eendaadse samenloop, althans voortgezette handeling heeft aangenomen bij de kwalificatie van de bewezenverklaarde feiten.
21. Het hof heeft het onder 1 subsidiair en 3 bewezenverklaarde gekwalificeerd als respectievelijk “medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd” en “poging tot diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en/of poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”.
22. Het hof heeft in het bestreden arrest de artikelen 45, 47, 57, 285, 312 en 317 Sr aangehaald als toepasselijke wettelijke voorschriften waarop de straf is gegrond en is dus uitgegaan van meerdaadse samenloop.
23. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Of sprake is van eendaadse samenloop is vooral afhankelijk van de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het
“wilsbesluit”) zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Een enigszins uiteenlopen van de strekking van de aan de orde zijnde strafbepalingen staat niet in de weg aan het aannemen van eendaadse samenloop of een voortgezette handeling indien het in essentie om hetzelfde feitencomplex gaat.8
24. Uit de bewijsvoering blijkt dat de onder 3 bewezenverklaarde poging diefstal met bedreiging van geweld en/of afpersing (in vereniging) voor wat betreft de bedreiging met geweld bestaat uit de onder 1 subsidiair bewezenverklaarde bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht. De bewezenverklaarde gedragingen behelzen daarom een op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex. Van een voortgezette handeling is geen sprake. Voor zover het middel klaagt dat het hof geen voortgezette handeling heeft aangenomen, faalt het in zoverre.
25. De strekking van de strafbaarstelling van art. 285 Sr is te voorkomen dat iemand onder druk wordt gezet door bedreiging met een ernstig misdrijf.9 Art. 312 Sr – kort gezegd diefstal met geweldpleging -- beschermt naast de belangen die door art. 310 Sr worden beschermd, tevens de integriteit van het menselijk lichaam, inclusief het leven (derde lid).10 De strafbaarstelling van art. 317 Sr – kort gezegd afpersing – dient ertoe het persoonlijk vermogen en de lichamelijke integriteit van personen te beschermen.11 De strekkingen van de relevante strafbepalingen lopen daarmee niet dusdanig uiteen, dat niet zou kunnen worden geoordeeld dat de verdachte van het onderhavige feitencomplex (in wezen) slechts één strafrechtelijk verwijt wordt gemaakt.12 Daarbij neem ik in aanmerking dat het in de voorliggende zaak bij een poging tot een overval is gebleven. De bestanddelen in art. 312 Sr en 317 Sr, die strekken tot bescherming van het persoonlijk vermogen, te weten het wegnemen en het doen afgeven, waren nog niet vervuld.13 Het oordeel van het hof, dat sprake is van meerdaadse samenloop, is, gelet op het voorgaande, niet zonder meer begrijpelijk.
26. Dit hoeft echter niet tot cassatie te leiden. Daarbij neem ik in beschouwing dat het hof de verdachte heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden en in zijn strafmotivering het volgende heeft overwogen:
“De verdachte heeft samen met een ander op de openbare weg geprobeerd een overval te plegen op drie inzittenden van een auto, door hen te bedreigen met een vuurwapen. Hierbij werd onverhoeds hun auto klem gezet en werd hen door de medeverdachte het vuurwapen voorgehouden. Daarnaast heeft de medeverdachte nabij die auto met een vuurwapen meerdere schoten gelost. Vermoedelijk was het de verdachte en zijn mededader te doen om harddrugs(opbrengsten).”
27. Uit de strafmotivering van het hof blijkt daarmee dat het hof de bedreigingen als onderdeel van de poging tot het plegen van een overval heeft meegewogen en kennelijk geen zelfstandige betekenis heeft toegekend aan de onder 1 bewezenverklaarde gedragingen. De
duur van de opgelegde gevangenisstraf, 36 maanden, ligt daarnaast relatief ver onder het wettelijk maximum van acht jaren dat zou gelden indien het hof bij toepassing van art. 55 Sr eendaadse samenloop zou hebben aangenomen. Daarmee heeft de verdachte – in weerwil van hetgeen de stellers van het middel betogen – onvoldoende belang bij cassatie.14
28. Het middel is gegrond, maar leidt niet tot cassatie.
29. Het eerste middel faalt en het tweede middel is gegrond, maar leidt niet tot cassatie. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
29. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
29. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1. HR 11 april 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, r.o. 3.8.1-3.8.2.
2. HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, NJ 2010/314 m.nt. Y. Buruma, r.o. 2.5.
3. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 251.
4. HR 11 april 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, r.o. 3.7.1.
5. Vgl. HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530, r.o. 3.3: “In cassatie kan niet worden onderzocht of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden juist zijn. Dat geldt ook voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht.”
6. Vgl. HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5177 en HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:476.
8. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1115, NJ 2019/115 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 2.8.
9. Van der Meij, in: T&C Sr 2020, art. 285 Sr, aant. 5.
10. Van der Velden & De Jonge, in T&C Sr 2020, art. 312 Sr, aant. 5.
11. Van der Velden & De Jonge, in T&C Sr 2020, art. 317 Sr, aant. 5.
12. Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Keulen, ECLI:NL:PHR:2019:1452 onder 22, voorafgaand aan HR 18 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:280. Zie ook F.C.W. de Graaf, Meervoudige aansprakelijkstelling. Een analyse van rechtsfiguren die aansprakelijkstelling voor meer dan één strafbaar feit normeren, Den Haag: BJu 2018, p. 41-67.
13. Hetgeen overigens niet wegneemt dat bij een voltooid delict onder soortgelijke omstandigheden waarschijnlijk ook van eendaadse samenloop gesproken moet worden, zie bv. HR 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR2437, NJ 2005/43.
14 Vgl. HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831, r.o. 3.5.