ECLI:NL:PHR:2021:673

ECLI:NL:PHR:2021:673, Parket bij de Hoge Raad, 25-05-2021, 20/00037

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 25-05-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/00037
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHARL:2019:11131
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2021:1067
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Zware mishandeling, art. 302.1 Sr. Zwaar lichamelijk letsel? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2018:1051 m.b.t. algemene gezichtspunten voor beantwoording van vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is. Hof heeft bewezenverklaard dat verdachte zwaar lichamelijk letsel, bestaande uit snee en/of (blijvend) litteken in de lip, heeft toegebracht. Uit bewijsvoering blijkt dat het gaat om steek-/snijwond vlakbij mondhoek van circa één centimeter die doorloopt naar binnenzijde van de lip en die “door en door” was en is gehecht met vier hechtingen. Het uitsluitend op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat zwaar lichamelijk letsel a.b.i. art. 302 Sr is toegebracht is niet toereikend gemotiveerd, nu hof geen nadere vaststellingen heeft gedaan over bijv. uitzicht op (volledig) herstel en aanwezigheid van restschade. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Uitspraak

9. De eerste klacht van het eerste middelslaagt.

10. De resterende klacht uit het eerste middel betreft het bewezenverklaarde zwaar lichamelijk letsel: “een snee en/of (blijvend) litteken.” Voor de beoordeling is de volgende overweging uit HR 15 december 2020, ECLI: NL:HR:2020:1969, NJ 2021/20 van belang:

“2.3 Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Een veelvoorkomende categorie letsel betreft (bot)fracturen. Indien sprake is van een zodanige fractuur dat operatief ingrijpen van een zekere ernst is vereist, geldt in de regel dat die fractuur, vanwege onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen, zwaar lichamelijk letsel vormt. Overigens kan relevant medisch ingrijpen ook bestaan uit een andere medische behandeling dan operatief ingrijpen. Indien uit de bewijsvoering niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel zal dat aanleiding kunnen geven tot cassatie. (Vgl. HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051.)”

11. In HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, NJ 2020/200 wordt onder meer het volgende overwogen:

"2.7. Een ander mogelijk gezichtspunt betreft het uitzicht op herstel. Daarbij geldt – ook buiten de situatie waarin operatief ingrijpen heeft plaatsgevonden – dat van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn indien het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, doch ook indien het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Voorts kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen. Daarom is bijvoorbeeld de enkele vaststelling dat sprake is van een (al dan niet zware) hersenschudding, niet toereikend voor de kwalificatie "zwaar lichamelijk letsel"; daarvoor zijn nadere vaststellingen noodzakelijk (vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:89).

10. In voorkomende gevallen kan in de beoordeling voorts worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meerdere littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken – langdurige – pijnklachten (hebben) bestaan.

2.8. De beantwoording van de vraag of letsel als "zwaar lichamelijk letsel" moet worden aangemerkt, is (...) in belangrijke mate voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Zijn oordeel dienaangaande kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Indien echter uit de bestreden beslissing niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel zal dat aanleiding kunnen geven tot cassatie.”

12. Voor zover ‘een snee’ is bewezenverklaard levert dit niet zonder meer zwaar lichamelijk letsel op. De in bewijsmiddel 1 opgenomen verklaring van verdachte (met name voor zover: “Ik voelde dat er een stukje vlees aan mijn mond hing. Ik kan het niet anders omschrijven dan dat, eigenlijk. Het was een heel raar gevoel”) maakt dit niet anders. Een litteken kan onder omstandigheden zwaar lichamelijk letsel opleveren. Het eerder geciteerde bewijsmiddel 5 houdt niet in dat er sprake was van een (blijvend) litteken, zoals bewezenverklaard, maar van een wond in de bovenlip van circa 1 cm die ‘door en door’ was en vier hechtingen. Zogenaamde restschade in de vorm van een blijvend (en ontsierend) litteken heeft het hof niet in de bewijsconstructie vastgesteld. Nu uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat er een (blijvend) litteken was, is de motivering van de bewezenverklaring al om die reden ontoereikend. De omvang van de wond (1 cm) zie ik ook niet als een aanwijzing voor zwaar lichamelijk letsel. Bovendien levert de noodzaak tot hechting (van een wenkbrauw) niet zonder meer zwaar lichamelijk letsel op.

13. Het eerste middel slaagt derhalve in beide onderdelen. Beide andere klachten behoeven gelet hierop geen bespreking, maar ten overvloede desondanks het volgende.

14. Het tweede middel klaagt in het bijzonder over de overweging in het kader van de verwerping van het beroep op noodweer dat de verdediging niet heeft onderbouwd waar de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding uit heeft bestaan. Ook wordt het oordeel van het hof betwist dat een duw geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding kan opleveren.

15. Aan het proces-verbaal van de zitting van het hof van 9 december 2019 ontleen ik het volgende:

“(…)

Op vragen van de voorzitter antwoordt verdachte, zakelijk weergegeven:

(…)

Toen [benadeelde] in de hal kwam, ontstond er een woordenwisseling tussen ons. Er is over en weer geduwd. Hij heeft mij een blauw oog geslagen. Vervolgens is er een voorwerp in het verhaal gekomen. U vraagt mij of ik hiermee een mes bedoel. Ja, ik bedoel een mes.

(…)

De raadsvrouw voert het woord tot verdediging en pleit daartoe overeenkomstig haar overgelegde pleitnota, welke aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud geacht moet worden hier te zijn ingevoegd. Daarnaast voert zij aan, zakelijk weergegeven:

(…)

Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat er sprake is van noodweer dan wel noodweerexces.

(…)

De advocaat-generaal repliceert, zakelijk weergegeven:

Het bevreemdt mij dat de raadsvrouw zich subsidiair op het standpunt stelt dat er sprake is van noodweer. Ik hoor verdachte niet over een noodweersituatie spreken.

Hij kan het zich niet meer herinneren.

De raadsvrouw dupliceert, zakelijk weergegeven:

Ik persisteer.

(…)”

16. De pleitnota in hoger beroep bevat niets over een beroep op noodweer(exces). De raadsvrouw heeft zich ter zitting beroepen op noodweer(exces) en in de kern volstaan met de kwalificatie. Zelf heeft ze immers niet, ook niet na daartoe te zijn uitgenodigd, dat beroep nader feitelijk onderbouwd. Het hof heeft in bewijsmiddel 5 een verklaring van de verdachte tot het bewijs gebezigd: “Omdat ik mijzelf moest verdedigen heb ik dat mes gepakt. Ik heb dat mes aan [benadeelde] getoond om hem op afstand te houden.” Gelet op het beroep op noodweer dat voor zover het kwalificatie noodweer betreft kennelijk in overeenstemming met een ook voor het bewijs gebruikte verklaring van het verdachte door de raadsvrouw is gedaan en in het licht van de verklaring van verdachte ter terechtzitting van het hof (onder randnummer 15) acht ik het niet zonder meer begrijpelijk dat het hof oordeelt dat de verdediging niet heeft onderbouwd waar de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding uit heeft bestaan. Ik vind het moeilijk het door en namens verdachte ingenomen standpunt te negeren dat het mes ‘in het verhaal’ is gekomen na (over en weer) duwen en slaan. Dat het pakken van het mes mogelijk niet in causaal verband met de aanranding staat is nog weer iets anders.

17. Daar komt nog bij dat de nadere overweging van het hof zich moeilijk anders laat lezen dan dat duwen geen aanranding oplevert. Dat is onjuist. Ook duwen tegen het lichaam levert een feitelijke fysieke aantasting van het lijf als bedoeld in art. 41, eerste lid, Sr op. Duwen kan zelfs mishandeling opleveren.

18. Het tweede middelslaagt eveneens.

19. Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte vervangende hechtenis heeft verbonden aan de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

20. Dit middel is gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, NJ 2020/409 m.nt. Ten Voorde terecht voorgesteld.

21. Alle middelen slagen.

22. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

23. Deze conclusie strekt tot strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, teneinde deze op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?