ECLI:NL:PHR:2021:687

ECLI:NL:PHR:2021:687, Parket bij de Hoge Raad, 06-07-2021, 19/04789

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 06-07-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 19/04789
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2021:775
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2021:1411
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001842

Samenvatting

Conclusie plv-AG. Klaagschrift ex 552a Sv. Hoewel de conclusie strekt tot het n-o verklaren van klager in zijn beroep in cassatie wegens het opheffen van het beslag, gaat de conclusie in op de wijze waarop de Rb het beklag ontvankelijk heeft geacht alsmede op het cassatiemiddel v.zv. daarin de stelling wordt verdedigd dat bezit geldt als onmiskenbare aanwijzing voor eigendom en daarom een andere toetsingsmaatstaf zou moeten worden gehanteerd dan door de HR geformuleerd in zijn overzichtsbeschikking ECLI:NL:HR:2010:BL2823. Samenhang met 19/04788 B.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04789 B

Zitting 6 juli 2021

CONCLUSIE

P.M. Frielink

In de zaak

[klager] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1936,

hierna: de klager.

1. Het cassatieberoep

Bij beschikking van 17 september 2019 heeft de rechtbank Oost-Brabant het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag en tot teruggave aan klager van een geldbedrag van € 126.500,-, ongegrond verklaard.

Er bestaat samenhang met de beklagzaak 19/04788. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Op de consequentie hiervan kom ik aan het eind van mijn conclusie terug.

2. Het verloop van de zaak

De beschikking van de rechtbank geeft onder het kopje “Inleiding” het volgende inzicht in het verloop van de zaak.

“Op 4 april 2016 heeft er in de woning van klager aan het [a-straat 1] te [plaats] onder leiding van de rechter-commissaris een doorzoeking plaatsgevonden. Er is toen op meerdere plaatsen contant geld tot een totaalbedrag van € 227.270,- aangetroffen. Dit geld is onder [betrokkene 2] in beslag genomen. De rechter-commissaris heeft op 30 juni 2016 machtiging verleend tot het leggen van een conservatoir beslag op dit geldbedrag.

Bij beschikking van 26 juli 2016 heeft de rechtbank een klaagschrift van klager dat strekt tot opheffing van het beslag op een geldbedrag van € 126.500,- (het betreft een gedeelte van voormeld bedrag van € 227.270,-) en de teruggave daarvan aan klager ongegrond verklaard.

Bij vonnis van 4 januari 2018 is [betrokkene 2] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr wegens - kort samengevat - het meermalen medeplegen van (de voorbereiding van) de productie van synthetische drugs in de periode 16 september 2015 tot en met 1 april 2016 (artikel 10 lid 4 en artikel 2 aanhef en onder B OW). Bij dit vonnis is niet beslist over het onder [betrokkene 2] in beslaggenomen geldbedrag. [betrokkene 2] heeft van dit vonnis hoger beroep ingesteld, maar dit hoger beroep is, zo is inmiddels gebleken, ingetrokken. Dit vonnis is onherroepelijk geworden.

[betrokkene 6] is bij vonnis van 4 januari 2018 vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, namelijk - kort samengevat - medeplichtigheid aan (de voorbereiding van) de productie van synthetische drugs in de periode 29 oktober 2015 tot en met 4 april 2016 (artikel 10 lid 4 of lid 5 OW) en het medeplegen van het telen van hennep dan wel het bezit van hennepplanten in de periode 12 februari 2016 tot en met 4 april 2016 (artikel 3a lid 5 OW en artikel 1 la OW). Dit vonnis is onherroepelijk.

Op 10 juli 2019 heeft het Openbaar Ministerie een Europees bevriezingsbevel d.d. 10 mei 2019 en een beslissing tot bewarend beslag d.d. 9 mei 2019 ontvangen. Daarbij wordt door de procureur des Konings van het parket Limburg te België de bevriezing bevolen van het onder [betrokkene 2] in beslaggenomen bedrag van € 227.270,-. De bevriezing houdt verband met een voorgenomen ontneming in verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen [betrokkene 2] in België wegens de verdenking van het in België tussen 1 juni 2015 en 1 september 2015 betrokken zijn geweest bij de vervaardiging, bezit en verkoop van amfetamines.”

De raadkamer van de rechtbank heeft twee zittingen aan de behandeling van het op 12 november 2018 bij de strafgriffie binnengekomen klaagschrift gewijd. De eerste zitting was op 29 januari 2019. De behandeling is toen voor onbepaalde tijd aangehouden om stukken uit de strafzaak aan het klachtdossier toe te voegen. De tweede zitting vond plaats op 20 augustus 2019. Op die zitting is de zaak inhoudelijk behandeld en het onderzoek gesloten. Bij beschikking van 17 september 2019 is het beklag wederom ongegrond verklaard.

Kort voor het nemen van deze conclusie is bekend geworden dat het openbaar ministerie het beslag opheft. Dat heeft consequenties voor de ontvankelijkheid van het beroep.

3. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

Navraag door een medewerker dossierbehandeling van de strafgriffie van de Hoge Raad naar de actuele stand van zaken van het conservatoir beslag heeft uitgewezen dat de tegen [betrokkene 2] aangekondigde ontnemingsprocedure in Nederland niet aan de orde is en dat de tegen [betrokkene 2] lopende strafzaak in België niet is voortgezet. Om die reden zal het openbaar ministerie het beslag opheffen.

Bij deze stand van zaken dient klager niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn beroep. Of het geld daadwerkelijk al dan niet al is teruggegeven is in dit verband niet relevant.

Klager zal zich gelet op de inhoud van het klaagschrift niet kunnen vinden in afgifte van het geld aan [betrokkene 2] . Voor zover hij mocht denken dat hij via de beklagprocedure van art. 552a Sv een verklaring voor recht had kunnen verkrijgen dat een deel van het in beslag genomen geld aan hem toebehoort, zal hij moeten worden teleurgesteld. De beklagprocedure voorziet niet in een dergelijke mogelijkheid.

Hoewel door het opheffen van het beslag de uitkomst van deze procedure vaststaat, wil ik volstrekt ten overvloede ambtshalve nog wel iets zeggen over de wijze waarop de rechtbank destijds is omgegaan met de ontvankelijkheid van het beklag (paragraaf 4). Onder dezelfde noemer wil ook nog iets zeggen over het naar mijn oordeel meest zwaarwegende punt uit het cassatiemiddel (paragraaf 6).

4. Ten overvloede: de wijze waarop de rechtbank de ontvankelijkheid van het beklag heeft vastgesteld

Uit het hiervoor weergegeven verloop van de zaak blijkt dat klager eerder al op grond van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend. Dat was op 20 april 2016. In dat klaagschrift heeft klager verzocht om opheffing van het beslag voor zover gelegd op zijn spaargeld, zijnde een bedrag van € 126.500,-. De raadkamer van de rechtbank heeft op 26 juli 2016 afwijzend op het verzoek beslist en het beklag ongegrond verklaard.

Op 12 november 2018 heeft klager zich voor de tweede keer tot de rechtbank gericht met een klaagschrift over het beslag. In dat klaagschrift heeft hij wederom verzocht om opheffing van het beslag op een geldbedrag van € 126.500,- en tot teruggave daarvan aan hem. In het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 29 januari 2019 is te lezen dat de beklagrechter van oordeel is dat in de zaak van klager sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden waardoor hij ontvankelijk is in dit tweede beklag. De beklagrechter noemt in dit verband de vonnissen van de rechtbank in de zaken van [betrokkene 2] en [betrokkene 6] (welke vonnissen dateren van 4 januari 2018) en een tweetal brieven van het openbaar ministerie aan de zoon van klager over het al dan niet aan hem teruggeven van het door hem geclaimde deel van het in beslaggenomen geld (een ongedateerde brief en een brief van 28 juni 2018). In de beschikking van 17 september 2019 bouwt de rechtbank het oordeel over de ontvankelijkheid van het nieuwe beklag iets anders op:

“Naar het oordeel van de rechtbank dient het er voor gehouden te worden (cursivering door mij, plv-AG) dat het onderhavige klaagschrift is ingediend binnen drie maanden nadat klager van het onherroepelijk worden van het vonnis d.d. 8 januari 2018 (plv-AG: bedoeld zal zijn 4 januari 2018) in de zaak van [betrokkene 2] kennis heeft genomen. Voorts staat voor klager op grond van artikel 5.5.12 Sv (plv-AG: bedoeld zal zijn art. 5.5.6 Sv) de mogelijkheid open om over het uitvaardigen van het Europees bevriezingsbevel d.d. 10 mei 2019 op de voet van artikel 552a Sv een klaagschrift in te dienen. Gelet op het een en ander neemt de rechtbank aan dat het klaagschrift tijdig is ingediend.

Weliswaar heeft de rechtbank bij beschikking van 26 juli 2016 reeds op een gelijkluidend bezwaar van klager beslist, maar naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van nieuwe feiten en omstandigheden. Deze zijn gelegen in de brief van het Openbaar Ministerie aan [betrokkene 6] , waarin wordt bericht over teruggave van geld (productie 2 klaagschrift), het vonnis d.d. 4 januari 2018, waarbij [betrokkene 6] is vrijgesproken, het vonnis van 4 januari 2018, waarbij [betrokkene 2] is veroordeeld tot een gevangenisstraf en het inmiddels uitgevaardigde Europees bevriezingsbevel, zoals hiervoor vermeld.

Klager is daarom ontvankelijk in zijn hernieuwde beklag.”

Uit deze overweging blijkt dat de rechtbank de tijdigheid (en daarmee de ontvankelijkheid) van het klaagschrift mede baseert op twee ontwikkelingen die in het klaagschrift zelf niet worden genoemd. Die konden daarin ook niet worden genoemd omdat die ontwikkelingen zich pas hebben voorgedaan ná het opstellen van het klaagschrift (op 29 oktober 2018) en het indienen daarvan bij de griffie van de rechtbank (op 12 november 2018). Zo wordt van de ene ontwikkeling, het onherroepelijk worden van het tegen [betrokkene 2] gewezen vonnis, door de officier van justitie melding gemaakt op de raadkamerzitting van 29 januari 2019. Dat is de eerste zitting die naar aanleiding van het ingediende klaagschrift plaatsvindt en uit het proces-verbaal van die raadkamerzitting volgt dat [betrokkene 2] zijn hoger beroep kort vóór die zitting heeft ingetrokken. De andere ontwikkeling, het Europees bevriezingsbevel, is van nog latere datum. Dat bevel is gedateerd op 10 mei 2019 en is eerst op 10 juli 2019 door het Nederlandse openbaar ministerie ontvangen. Het bevel komt op 20 augustus 2019 op de tweede zitting van de beklagkamer ter sprake. Op basis van deze twee ontwikkelingen is de rechtbank van oordeel “dat het er voor gehouden (dient) te worden” dat het klaagschrift tijdig is ingediend.

In art. 552a Sv is in het derde lid bepaald dat een klaagschrift “zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming” moet worden ingediend en dat “(h)et klaagschrift niet ontvankelijk is indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen”.

In de onderhavige zaak gaat het om de inbeslagneming van een grote hoeveelheid contant geld op 4 april 2016. Het eerste daartegen gerichte klaagschrift van klager is ingediend op 20 april 2016. Dat was zonder meer op tijd. Het onderhavige (tweede) klaagschrift is op 12 november 2018 bij de strafgriffie van de rechtbank binnengekomen. De tijdigheid van dit klaagschrift is minder eenvoudig te bepalen dan die van het eerste klaagschrift. Het klaagschrift zelf biedt daarvoor ook geen heldere aanknopingspunten.

Naar aanleiding van de door de rechtbank in haar beschikking gebezigde woorden dat het er naar haar oordeel voor dient te worden gehouden dat het onderhavige klaagschrift is ingediend binnen drie maanden nadat klager van het onherroepelijk worden van het vonnis in de zaak van [betrokkene 2] kennis heeft genomen, drongen zich bij mij twee vragen op i) is deze constructie van de rechtbank gewenst? en ii) is deze constructie nodig? Het antwoord op beide vragen luidt wat mij betreft ontkennend. De tijdigheid van een beklag dient niet te worden bepaald door gebeurtenissen die zich voltrekt toevallig voltrekken nadat een beklag is ingediend. Dan wordt ‘toegang tot de rechter’ een kansspel. Hoe praktisch en doelmatig ook, maar dat hoort het niet te zijn. Het was bovendien ook niet nodig. In de memorie van toelichting op de ontnemingswetgeving is over de in art. 552a Sv genoemde termijnen immers het volgende te lezen:

"De ondergetekende heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt een wijziging voor te stellen van de termijn waarbinnen een beklag op grond van art. 552a Sv kan worden ingesteld. Thans is bepaald, dat het beklag binnen drie jaren na de inbeslagneming der voorwerpen moet zijn ingediend. Dat kan tot gevolg hebben dat wanneer de vervolging zich over een langere periode uitstrekt - hetgeen wanneer hoger beroep en cassatieberoep wordt ingesteld gemakkelijk het geval kan zijn - een tardief ingesteld beklag niet meer door de strafrechter kan worden behandeld, ook al is de vervolging nog gaande. Dan blijft echter de gang naar de burgerlijke rechter open, met als consequentie dat het dossier tussen het strafrechterlijk en het civielrechterlijk circuit zal gaan circuleren. Zulks is niet doelmatig. De kans daarop wordt als gevolg van het instellen van s.f.o.'s en de afsplitsing van ontnemingsprocedures van de hoofdzaak alleen maar groter. Vandaar dat wordt voorgesteld dat beklag op grond van art. 552a Sv in beginsel ontvankelijk is zolang de vervolging, waaronder mede is begrepen een s.f.o. en de ontnemingsprocedure, nog loopt. (Cursivering door mij, plv-AG). De uiterste termijn daarbij is gelegd bij drie maanden nadat de vervolging der zaak tot een einde is gekomen. Wel blijft gelden dat het beklag zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming moet worden ingediend, zodat de rechter op die grond tot niet-ontvankelijkheid van een klacht wegens laksheid bij de indiening daarvan kan besluiten."

Hieruit volgt dat de beklagrechter het beklag ontvankelijk kan achten zolang de ontnemingsprocedure ten behoeve waarvan het conservatoir beslag is gelegd nog loopt. Daar komt bij dat wanneer het beslag is gelegd in een zaak met meerdere verdachten, aan ‘de vervolgde zaak’ pas een einde is gekomen indien de vervolgingen van alle verdachten zijn beëindigd. Dat betekent dat belanghebbenden door de lange duur van de strafzaak en de eventuele ontnemingsprocedure hun recht op beklag niet verliezen.

De rechtbank had naar mijn oordeel dus op andere wijze tot de ontvankelijkheid van het beklag kunnen en dienen te komen.

5. De inhoudelijke aspecten van de bestreden beschikking

In het kader van de inhoudelijke beoordeling van het beklag heeft de rechtbank in haar beschikking van 17 september 2019 in de eerste plaats geput uit de eerdere beschikking van 26 juli 2016. Uit die beschikking worden de volgende passages geciteerd:

“(…) Klager heeft gesteld dat het bedrag van € 126.500 zijn eigendom is. Het geld is volgens klager afkomstig van een erfenis van zijn ouders (fl. 50.000,00) en schoonouders (fl. 20.000,00) en van de verkoop van zijn woning aan de [b-straat] in [plaats] , ongeveer 23 of 24 jaar geleden. Tijdens het politieverhoor van 3 mei 2016 heeft hij een document getoond van de makelaar met de vraagprijs voor die woning (fl. 185.000,00). In dat verhoor heeft hij verder verklaard dat hij niet kan aantonen de genoemde erfenissen te hebben ontvangen. Genoemde geldbedragen heeft hij naar eigen zeggen destijds in gedeeltes van zijn bankrekening gehaald en in zijn woning bewaard. De guldens heeft hij nadien omgewisseld in euro ’s. Volgens klager heeft zijn zoon het geld vochtvrij in plastic verpakt en opgeborgen in de woning. € 90.000,00 lag in een sporttas in een kruipruimte; € 36.500,00 in een keukenkast. Volgens klager lag dit geld al een aantal jaren in zijn woning.

Vooralsnog heeft klager daarmee naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende verifieerbaar onderbouwd dat het in beslag genomen geldbedrag van € 126.500,00 zijn eigendom is. Daar komt bij dat klager blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 28 april 2016 bij aanvang van de doorzoeking tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard dat er ongeveer €20.000,00 in zijn woning lag. Klager heeft ter zitting verklaard dat hij zich niet kan herinneren dit bedrag te hebben genoemd, maar de rechtbank heeft vooralsnog geen reden te twijfelen aan de juistheid van voormeld proces-verbaal. In dat proces-verbaal zijn ook passages opgenomen van afgetapte telefoongesprekken, die klager in februari en maart 2016 met zijn zoon heeft gevoerd. Daarin wordt gesproken over “iets eruit halen”, “iets bij hem neerzetten”, “een plastic tasje meenemen”. Als klager aan zijn zoon vraagt of hij “er iets uit kan leggen”, antwoordt zijn zoon: “nee, niet over de telefoon”. Klager heeft zowel tijdens het politieverhoor als ter zitting verklaard niet te weten waar dit over gaat. De rechtbank merkt daarbij nog op dat klager ter zitting heeft verklaard dat hij wel wist dat zijn zoon geld in bewaring had gegeven in zijn woning, maar dat hij alleen niet wist om hoeveel geld dat ging.

Op grond van de voorgaande overwegingen concludeert de rechtbank dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat klager als eigenaar van het in beslag genomen bedrag van € 126.500,00 moet worden aangemerkt. De rechtbank zal het beklag derhalve ongegrond verklaren.(...) ”.

In de beschikking van 17 september 2019 geeft de rechtbank aan dat zij deze overwegingen en de conclusie onderschrijft en overneemt.

De nieuw ingebrachte stukken, argumenten en ontwikkelingen brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel. Zij overweegt hierover:

“Klager heeft ter onderbouwing van het onderhavige klaagschrift nadere stukken overgelegd.

Dit betreft een ongedateerd handgeschreven stuk in afschrift. Volgens dit stuk wordt door [betrokkene 7] , zus van klager, bevestigd dat zij ongeveer 22 jaar geleden van haar moeder een geldbedrag van om en nabij 35.000 gulden heeft geërfd. De rechtbank acht dit stuk evenwel onvoldoende overtuigend om tot een andere conclusie te komen.

Voorts heeft klager een ongedateerde brief van het Openbaar Ministerie aan [betrokkene 6] (productie 2 klaagschrift) overgelegd. Daarin wordt weliswaar melding gemaakt van teruggave van een inbeslaggenomen geldbedrag aan [betrokkene 6] , maar daarin wordt geen concreet bedrag genoemd. Deze brief is niet gericht aan klager. Voorts blijkt niet dat de mededeling wordt gedaan door of namens een daartoe bevoegd persoon van het Openbaar Ministerie. Bovendien is door de officier van justitie een brief d.d. 28 juni 2018 overgelegd, waarin de officier van justitie de gemachtigde mr. Daniels bericht dat klager geen aanspraak kan maken op het in zijn woning in beslaggenomen geldbedrag en dat de eerdere mededeling over teruggave van het geld op een misverstand berust. Naar het oordeel van de rechtbank mocht klager er daarom niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat hij het inbeslaggenomen geldbedrag zou ontvangen.

Ook de onherroepelijke veroordeling van [betrokkene 2] , zonder dat de rechtbank daarbij heeft beslist over het onder hem in beslaggenomen bedrag, levert onvoldoende grond op om aan te nemen dat klager en zijn zoon aanspraak kunnen maken op het inbeslaggenomen geld. Dit geldt eveneens voor de vrijspraak van [betrokkene 6] . Deze vrijspraak doet niets af aan de nauwe band die blijkens het strafdossier tussen [betrokkene 6] en [betrokkene 2] bestond en in verband waarmee [betrokkene 6] spullen voor [betrokkene 2] bewaarde (zie proces-verbaal verhoor [betrokkene 6] d.d. 23 mei 2016). Naar het oordeel van de rechtbank levert dit bewaren van spullen een belangrijke aanwijzing op dat het geld in de woning van [klager] niet aan hem of zijn zoon [betrokkene 6] toebehoorde, maar kennelijk aan [betrokkene 2] , die veroordeeld is wegens Opiumwet feiten, waarmee doorgaans veel geld wordt verdiend. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking de omstandigheden waaronder het geld in de woning is aangetroffen (een grote hoeveelheid contact geld, de verschillende kleine coupures en de wijze waarop het geld was verstopt op verschillende plaatsen) en de tapgesprekken tussen klager en zijn zoon [betrokkene 6] , zoals reeds door de rechtbank aangehaald in de beschikking d.d. 26 juli 2016.

Bij de behandeling in raadkamer is namens klager er nog op gewezen dat [betrokkene 6] is gehoord door de politie in verband met het overlijden van [betrokkene 5] en dat toen door de opsporingsambtenaar te kennen is gegeven dat het bij de vader van [betrokkene 6] aangetroffen geldbedrag van ongeveer 2 ton in verband wordt gebracht met een bedrag van 3 ton dat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] in hun bezit zouden hebben. Naar aanleiding hiervan heeft de officier van justitie nog nadere stukken overgelegd. Hieruit blijkt dat [betrokkene 6] op 17 juli 2017 is gehoord door de politie en dat tijdens dat verhoor met een dergelijk scenario rekening wordt gehouden. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen levert ook dit gegeven onvoldoende grond op om aan te nemen dat klager en zijn zoon [betrokkene 6] redelijkerwijs als eigenaren van het in zijn woning aangetroffen bedrag moet worden aangemerkt.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het klaagschrift wederom ongegrond dient te worden verklaard.”

6. Ten overvloede: het middel

In het cassatiemiddel wordt erover geklaagd dat “(h)et oordeel van de rechtbank dat verzoeker en zijn zoon [betrokkene 6] redelijkerwijs niet als eigenaren van het in zijn woning aangetroffen geldbedrag moeten worden aangemerkt, (blijk) geeft (…) van een onjuiste rechtsopvatting en/of (…) onbegrijpelijk (is), in aanmerking genomen dat verzoeker en zijn zoon aannemelijke verklaringen hebben gegeven voor de herkomst van het contante geld, terwijl het oordeel dat het geld niet aan verzoeker en zijn zoon toebehoort, onvoldoende door de rechtbank is onderbouwd. De rechtbank had een andere maatstaf moeten aanleggen en/of heeft haar oordeel gebaseerd op aannames en conclusies, en niet op (objectieve) feiten.”

Als ik het goed zie, valt het middel uiteen in twee delen. Er wordt, zij het in een andere volgorde, geklaagd over i. de door de rechtbank gehanteerde maatstaf, en ii. de wijze waarop de rechtbank aan die maatstaf heeft getoetst (inclusief de uitkomst van die toetsing). Gelet op de uitkomst van deze procedure volsta ik met een enkele opmerking naar aanleiding van de klacht over de door de rechtbank gehanteerde toetsingsmaatstaf.

Uit het hiervoor onder randnummer 2.1 geschetste verloop van de zaak blijkt dat de rechtbank er vanuit is gegaan dat op 4 april 2016 in de woning van klager “onder [betrokkene 2] ” een grote hoeveelheid geld in beslag is genomen. Dat beslag was een ‘klassiek’ beslag, oftewel een beslag dat - kort gezegd - is gelegd ten behoeve van de waarheidsvinding naar de strafbare feiten waarvan [betrokkene 2] op dat moment werd verdacht. Op 30 juni 2016 wordt dit beslag met machtiging van de rechter-commissaris omgezet in een conservatoir beslag, oftewel een beslag dat is gelegd ter zekerstelling van het verhaal van een eventueel aan [betrokkene 2] op te leggen ontnemingsmaatregel. Het beslag maakt dus van begin af aan deel uit van het op [betrokkene 2] gerichte strafrechtelijk onderzoek. Klager heeft in zoverre te gelden als een buitenstaander. Hij is echter wel een bijzondere buitenstaander omdat het geld is gevonden in zijn woning en hij pretendeert van een gedeelte van het geld eigenaar te zijn.

De beklagrechter heeft het klaagschrift getoetst aan het criterium dat de Hoge Raad in zijn overzichtsbeschikking van 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. P.A.M. Mevis voor dit soort situaties aan de beklagrechter heeft aangereikt. In overweging 2.15 van die overzichtsbeschikking staat:

“Indien een derde - als zodanig kan ook gelden degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht - die stelt eigenaar te zijn, op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend, dient de rechter als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven.”

Uit de toelichting op het middel leid ik af dat de steller van het middel onderkent dat de rechtbank heeft getoetst aan deze maatstaf en klager als ‘een derde’ heeft aangemerkt.

De steller van het middel vindt echter dat de rechtbank een andere koers had moeten varen.

“De rechtbank had inhoudelijk moeten beoordelen of er redenen waren om het beslag te handhaven en om het geld niet aan verzoeker terug te geven, in plaats van - wat zij nu heeft gedaan - het beklag ongegrond te verklaren op de formele grond dat niet buiten redelijke twijfel is gebleken dat klager (verzoeker) als eigenaar van het inbeslaggenomen geld moet worden aangemerkt.”

Aan deze van het stramien van de Hoge Raad afwijkende benadering wordt de aan het civiele recht ontleende gedachte ten grondslag gelegd dat in dit specifieke geval het bezit geldt “als onmiskenbare aanwijzing voor eigendom”. In deze benadering dient volgens de steller van het middel a. niet klager als derde te worden aangemerkt, maar [betrokkene 2] en b. het openbaar ministerie aannemelijk te maken dat klager niet de eigenaar van het inbeslaggenomen geld is en is het niet aan klager om aannemelijk te laten worden dat hij buiten redelijke twijfel als eigenaar van het geld moet worden aangemerkt.

In feite wil de steller van het middel dat de beklagrechter in gevallen als deze meer rekening houdt met civielrechtelijke uitgangspunten. Op zichzelf biedt de jurisprudentie van de Hoge Raad daar wel enige ruimte voor. Hij heeft immers herhaaldelijk overwogen dat de beklagrechter civielrechtelijke aspecten in zijn oordeel mag betrekken. Maar de ruimte daarvoor is wel beperkt, doordat de Hoge Raad aan dat ‘betrekken van civielrechtelijke aspecten’ steeds de zinsnede toevoegt dat de beklagrechter geen burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties dient te beslechten. Bovendien stelt de Hoge Raad in zijn beklagjurisprudentie steeds voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft en dat dit summiere karakter doorwerkt “in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven”. Hetgeen de steller van het middel beoogt gaat verder en is veel meer dan het in beperkte mate rekening houden met civielrechtelijke aspecten, waarbij ik maar in het midden laat of de wijze waarop in het middel een appel wordt gedaan op de regel “dat bezit geldt als een vermoeden van eigendom” wel overeenstemt met geldende civielrechtelijke inzichten en maatstaven.

In de wetsgeschiedenis op de ontnemingswetgeving heb ik geen aanknopingspunten of argumenten kunnen vinden die steun zouden kunnen geven aan de in het middel gekozen benadering. Datzelfde geldt voor de jurisprudentie. De reeds aangehaalde overzichtsbeschikking van de Hoge Raad van 28 september 2010 gaat in elk geval niet in die richting. Dat geldt evenmin voor zijn nadien gewezen beschikkingen. In dat verband verdient HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:3, NJ 2017/93, m.nt. P.A.M. Mevis bijzondere aandacht. Uit deze beschikking volgt dat de Hoge Raad niet tornt aan zijn toetsingsmaatstaf zoals hiervoor onder randnummer 5.5. geciteerd (zijnde rechtsoverweging 2.15 uit de overzichtsbeschikking). In de beschikking van 3 januari 2017 heeft de Raad immers enkel bepaald dat de op het klassieke beslag betrekking hebbende rechtsoverweging 2.11 uit de overzichtsbeschikking in het vervolg dient te worden gelezen zonder de (ook daar) tussen gedachtestreepjes opgenomen tussenzin “als (derde) kan ook gelden degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht”. De Hoge Raad motiveert in rechtsoverweging 2.7 dat schrappen van die tussenzin als volgt:

“De tussen gedachtestrepen gezette zinsnede had het oog op de situatie dat degene tegen wie het strafrechtelijk onderzoek is gericht het voor beslag vatbare voorwerp in de feitelijke macht heeft gebracht van een ander. Bij nader inzien moet worden geoordeeld dat er geen reden is die ander, onder wie op de voet van art. 94 Sv beslag is gelegd, als 'derde' en niet als beslagene aan te merken. Indien het belang van strafvordering niet (meer) aanwezig is, dient het inbeslaggenomen voorwerp aan deze, als beslagene, te worden teruggegeven.”

In de annotatie onder deze beschikking geeft Mevis een mogelijke verklaring voor het verschil:

“De correctie van de Hoge Raad in bovenstaande beslissing is tot beslag op grond van art. 94 Sv beperkt. In rechtsoverweging 2.7. rept hij uitsluitend van een ‘op voet van art. 94 Sv gelegd beslag’. De Hoge Raad corrigeert ook alleen r.o. 2.11. uit de overzichtsbeschikking en niet r.o. 2.15. die op art. 94a Sv betrekking heeft en waarin de door Hoge Raad uit r.o. 2.11. geschrapte zinsnede ook voorkomt. Wellicht is er inderdaad reden voor onderscheid tussen de gronden van beslag en het daaruit voortvloeiende, wat andere beoordelings- en beslissingsschema in geval over teruggave moet worden besloten. Voor de waarheidsvinding en de onttrekking aan het verkeer uit art. 94 Sv is het niet relevant aan wie het voorwerp toebehoort. Voor de verbeurdverklaring wel (art. 33a lid 1 aanhef jo. lid 2 onder a Sr), maar daarvoor is beslag op het voorwerp weer niet nodig. Het conservatoir (derde-)beslag van art. 94a Sv is daarentegen gericht op de waarborg van het verhaal van een mogelijk tot betaling verplichte veroordeelde. Die regeling moet niet louter doorbroken kunnen worden door een voorwerp bij een derde te ‘stallen’ en daarmee een schijnconstructie van eigendom van deze derde te creëren. Deze derde kan een onder hem feitelijk in beslag genomen voorwerp wel terugkrijgen, maar dan alleen als buiten redelijke twijfel is dat hij inderdaad eigenaar is. Dan nog krijgt hij het voorwerp desondanks niet terug als zich de situatie van art. 94a lid 4 en 5 Sv voordoet. Aldus worden bij art. 94a Sv schijnconstructies vermeden. Maar daarvoor lijkt het bij dat artikel dan wel nodig dat degene onder wie het voorwerp feitelijk in beslag is genomen als ‘derde’ wordt beschouwd.”

Terug naar de onderhavige zaak. Uit de aan de Hoge Raad in deze beklagzaak ter beschikking staande stukken leid ik af dat uit het opsporingsonderzoek aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat crimineel geld van [betrokkene 2] met behulp van de zoon van klager in de woning van klager is ondergebracht. De resultaten van de doorzoeking lijken die aanwijzingen te bevestigen. In die context kan ik niet uit de voeten met de benadering uit het middel dat het enkele bezit van het geld al zou gelden als onmiskenbare aanwijzing voor eigendom. Ik zie dan ook niet in waarom de rechtbank in het onderhavige geval bij de beoordeling van het klaagschrift een andere toetsingsmaatstaf had moeten hanteren dan door de Hoge Raad in zijn overzichtsbeschikking geformuleerd.

7. Conclusie

Gelet op de opheffing van het beslag strekt deze conclusie tot het niet-ontvankelijk verklaren van klager in zijn beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv-AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?