ECLI:NL:PHR:2021:770

ECLI:NL:PHR:2021:770, Parket bij de Hoge Raad, 27-08-2021, 20/01756

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 27-08-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/01756
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2021:1459
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht. Deeltijdstudent uitgesloten van verdere deelname aan opleiding aan hogeschool, wegens gebrekkige studievoortgang en voorgenomen 'uitfasering' van de opleiding. Heeft hogeschool zorgplicht geschonden?

Uitspraak

2. Bespreking van het cassatiemiddel

Het principaal cassatieberoep

Het principaal cassatieberoep bestaat uit drie onderdelen. Die moeten worden beoordeeld tegen de volgende achtergrond.

Op grond van art. 7.34 lid 2 Whw moet bij de beëindiging van een opleiding het tijdstip waarop die beslissing van kracht wordt zo worden bepaald dat de ingeschreven studenten de opleiding aan dezelfde of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.

In het per 19 juli 2014 ingevoerde art. 7.3 lid 6 Whw is de redelijke tijd voor het voltooien van de opleiding bij dezelfde instelling vastgesteld op ten hoogste de voor de studenten resterende, aan de studielast van de opleiding gerelateerde studieduur vermeerderd met een jaar.

Met art. 7.3 lid 6 Whw is de afbouwtermijn voor opleidingen die door de instelling zelf worden beëindigd gelijk gesteld met de afbouwtermijn voor opleidingen die niet langer worden geaccrediteerd. Dit blijkt uit een passage uit de wetsgeschiedenis van art. 7.3 lid 6 Whw:

"De positie van studenten in geval van een opleiding in afbouw is onvoldoende consistent geregeld in de WHW. In het geval dat de accreditatie van een (bekostigde of niet bekostigde) opleiding door het verstrijken van de tijd afloopt of in het geval dat om redenen van ontoereikende kwaliteit geen nieuwe accreditatie wordt verleend dan wel de accreditatie wordt ingetrokken zijn de gevolgen daarvan geregeld in artikel 5a.12. Die regeling houdt onder meer in dat de instelling de studenten de gelegenheid moet bieden de opleiding aan een andere instelling te vervolgen dan wel de termijn moet aangeven gedurende welke de zittende studenten de opleiding aan de eigen instelling kunnen blijven volgen. Deze termijn is ten hoogste de resterende aan de studielast gerelateerde duur vermeerderd met een jaar (artikel 5a.12, eerste lid, onder a en b).

(…)

Voor de situatie dat een instelling zelf besluit een geaccrediteerde opleiding te beëindigen, is als uitgangspunt genomen, dat studenten de opleiding aan de eigen instelling vervolgen. De kwaliteit van de opleiding is immers goed; er ligt een positief besluit van de NVAO [Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie, A-G]. Wel dient alsnog geregeld te worden welke termijn in acht genomen moet worden bij de beëindiging. Deze termijn is conform 5a.12, eerste lid, onder b, gesteld op ten hoogste de resterende aan de studielast gerelateerde duur vermeerderd met een jaar."

Onder de “voor de betrokken studenten resterende, aan de studielast van de opleiding gerelateerde studieduur” wordt de resterende nominale studietijd verstaan, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis van de Wet versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs:

“Voorheen was het aan de instelling om de afbouwtermijn te bepalen als deze niet meer geaccrediteerd was. Omdat dit in sommige gevallen tot onwenselijk lange afbouwtermijnen leidde, is bij de Wet versterking besturing de termijn begrensd tot de resterende nominale tijd van zittende studenten plus een jaar. Deze begrenzing is ingevoerd bij opleidingen die niet meer werden geaccrediteerd, maar niet bij opleidingen die om andere redenen de opleiding afbouwen. Het gevolg hiervan kan zijn dat die termijn onwenselijk lang kan duren. Het ligt in de rede om ook voor die situaties dezelfde afbouwmogelijkheid voor te schrijven als uitzondering op het uitgang[s]punt dat zittende studenten ergens anders moeten worden ondergebracht. Ik zal een voorstel doen de wet op dit punt aan te passen.” [onderstreping A-G]

Het eerste onderdeel komt op tegen het oordeel in rov. 3.9 dat [eiser] de vierjarige opleiding normaal gesproken zou hebben moeten kunnen afronden in het studiejaar 2013/2014 en, vermeerderd met een jaar, uiterlijk in het vijfde studiejaar 2014/2015. Het onderdeel bestrijdt ook het oordeel in rov. 3.10 dat “niet onbegrijpelijk [is] dat bij HZ niet langer het vertrouwen bestond dat [eiser] de deeltijdopleiding Werktuigbouwkunde binnen de aan de orde zijnde redelijke tijd zou kunnen voltooien.” Het onderdeel betoogt dat deze twee oordelen onbegrijpelijk zijn. In de uitwerking en toelichting worden de klachten geformuleerd. Daarin vallen als ik het goed zie vier klachten te ontwaren.

De eerste klacht houdt in dat hof niet heeft vastgesteld 1) wanneer de redelijke tijd is gaan lopen, 2) hoe lang de redelijke tijd in dit geval is en 3) tot wanneer de redelijke tijd liep. Zonder die vaststellingen kan onmogelijk worden beoordeeld of het aannemelijk was dat [eiser] de opleiding nog binnen de redelijke termijn kon afronden, aldus de klacht.

Dat lijkt mij geen doel te kunnen treffen. Voor de invulling van de “redelijk tijd” sluit het hof aan bij art. 7.3 lid 6 Whw. Deze bepaling gaat uit van een termijn die ten hoogste de resterende aan de studielast van de opleiding gerelateerde studieduur plus een jaar bedraagt (rov. 3.6 en 3.8). Het hof stelt in rov. 3.9 vast dat [eiser] in het studiejaar 2010/2011 met de vierjarige deeltijdstudie Werktuigbouwkunde is begonnen en dat hij in ieder geval bij e-mail van 10 september 2012 te horen heeft gekregen dat zijn opleiding wordt uitgefaseerd. Het hof overweegt in rov. 3.9 ook dat [eiser] de opleiding normaal gesproken zou hebben moeten kunnen afronden in het studiejaar 2013/2014 en, vermeerderd met een jaar, uiterlijk in het vijfde studiejaar 2014/2015. Die overwegingen zijn volgens mij zo te verstaan dat het hof de redelijke tijd gelijkstelt aan de nominale studieduur plus één jaar, dat de nominale studieduur voor [eiser] bij ontvangst van de mail over de uitfasering in september 2012 nog twee jaar bedroeg en dat de redelijke tijd daarom loopt tot en met het studiejaar 2014/2015.

De tweede klacht betoogt dat het hof het einde van de redelijke tijd had moeten stellen op het einde van het eerste semester van het studiejaar 2015/2016. Dit wordt als volgt toegelicht. De door het hof vastgestelde feiten laten geen andere uitleg toe dan dat de redelijke tijd is gaan lopen in september 2012, toen [eiser] door HZ is geïnformeerd over de aanstaande beëindiging van de opleiding. Voor het bepalen van de termijn is primair de voor de student resterende studieduur van de opleiding relevant. [eiser] was op dat moment net begonnen aan zijn derde studiejaar. Hij had daarom in ieder geval nog twee jaar te gaan. Daarnaast had hij een achterstand uit het tweede jaar van 7 vakken. Niet meer eenvoudig te achterhalen is hoeveel studiepunten met die zeven onderdelen waren gemoeid. Gaat men uit van 30 studiepunten dan is dit een aanvullende resterende studieduur van een half jaar. Een en ander vermeerderd met een jaar is 3,5 jaar. Het einde van de “redelijke tijd” zou daarom moeten zijn: na het eerste semester van het studiejaar 2015/2016.

Ik zie deze klacht niet opgaan. Het hof heeft de redelijke tijd gelijk gesteld aan de resterende nominale studietijd van [eiser] plus een jaar en is aldus tot het oordeel gekomen dat de redelijke tijd loopt tot en met het studiejaar 2014/2015 (zie hiervoor 2.8). Het aanhouden van de resterende nominale studieduur vindt steun in de parlementaire geschiedenis (zie hiervoor 2.5). [eiser] verwijst niet naar stellingen in feitelijke instanties waarin hij naar voren heeft gebracht dat de studiebelasting van de zeven door hem nog te herkansen vakken uit het tweede jaar moet worden opgeteld bij deze nominale studieduur, terwijl het gebruik maken van herkansingen de totale studieduur ook niet zonder meer behoeft te beïnvloeden.

Volgens de derde klacht heeft het hof niet vastgesteld op welke datum de opleiding van [eiser] door HZ is beëindigd. De klacht betoogt dat het hof dit wel had moeten doen. De beëindiging is immers het moment waarop moet worden beoordeeld of HZ niet langer het vertrouwen behoefde te hebben dat [eiser] de opleiding binnen redelijke tijd zou kunnen voltooien. Volgens de klacht is de opleiding op 1 september 2013 geheel beëindigd. Als wordt uitgegaan van die datum en een redelijke tijd van nominaal plus één jaar, dan had [eiser] nog twee jaar (tot en met het studiejaar 2014/2015) om de opleiding te voltooien. Volgens de klacht valt niet in te zien waarom [eiser] geen 52,5 studiepunten zou hebben kunnen behalen in twee jaar (een nominale studievoortgang is 60 studiepunten per jaar), laat staan dat dit zo evident is dat de HZ eenzijdig zijn opleiding mocht beëindigen.

Deze klacht mist feitelijke grondslag. Naar de vaststelling van het hof heeft HZ [eiser] bij e-mail van 26 augustus 2014 gevraagd zich voor het vijfde studiejaar (2014/2015) niet meer in te schrijven, heeft [eiser] zich niettemin opnieuw ingeschreven voor het vijfde studiejaar, maar is hij van verdere deelname uitgesloten (rov. 3.1). Daarin ligt besloten dat de opleiding van [eiser] door HZ met ingang van zijn vijfde studiejaar is beëindigd. De klacht licht niet toe wat de grondslag is voor de stelling dat de opleiding op 1 september 2013 geheel is beëindigd. Hiervoor heb ik in het arrest geen aanknopingspunt gevonden en het staat ook haaks op de door het hof aangehaalde e-mail van docent [betrokkene 2] van 30 september 2013 over lessen en tentamens in het studiejaar 2013/2014 (rov. 3.9, laatste zin).

De vierde klacht houdt in dat het hof bij de beoordeling van de redelijke verwachtingen ten aanzien van de kansen van [eiser] om de opleiding binnen redelijke tijd af te ronden niet zijn essentiële stellingen over de afbouw van het onderwijs heeft betrokken. Het hof heeft, zo blijkt volgens de klacht uit rov. 3.10, bij de bepaling van de redelijke tijd en de beoordeling dat HZ de opleiding jegens [eiser] mocht beëindigen, uitsluitend gelet op hetgeen HZ [eiser] nog heeft aangeboden. Het hof zou geen acht hebben geslagen op de stellingen van [eiser] (1) dat het uitsluitend tentamengelegenheden en vragenuurtjes betrof en dat hem geen inhoudelijk onderwijs is aangeboden dat hem in staat zou kunnen stellen om de tentamens te behalen en (2) dat al deze tentamens en vragenuurtjes tijdens kantooruren zijn aangeboden, terwijl [eiser] voltijd werkzaam is en juist daarom een deeltijdopleiding volgde, terwijl die feiten redengevend waren voor het oordeel van de rechtbank.

Ook deze klacht zie ik niet slagen. Het hof heeft niet voorbij gezien aan de genoemde stellingen over de aard van het onderwijs en de tijden waarop de lessen werden gegeven, maar heeft de feiten anders gewogen. In rov. 3.9 heeft het hof vastgesteld (a) dat HZ op verschillende momenten opfriscursussen/vragenuren heeft gehouden (zoals blijkt uit rov. 2.8 van het vonnis), (b) dat in het studiejaar 2012/2013 diverse mogelijkheden zijn geboden om (her)tentamen te doen en (c) dat uit de mail van docent [betrokkene 2] van 30 september 2013 (prod. 9 bij dagvaarding) blijkt dat ook in het tweede semester van het vierde studiejaar 2013/2014 lessen zouden worden gegeven, dat er twee tentamens voor het vak Regeltechniek zouden worden gegeven, dat er weliswaar geen avondprogramma’s meer waren, maar dat de theorie van CU04448 overdag zou worden gegeven en dat er nog twee tentamens zouden komen. Het hof heeft rov. 3.10 geconcludeerd dat HZ daarmee voldoende mogelijkheden aan [eiser] heeft geboden om zijn deeltijdstudie af te ronden. Deze weging is voorbehouden aan het hof als feitenrechter en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst.

Dit betekent dat onderdeel I geen doel treft.

Onderdeel II is gericht tegen het in rov. 3.10 gegeven oordeel dat niet gezegd kan worden dat HZ in strijd met de op haar rustende zorgplicht, en daarmee onrechtmatig, heeft gehandeld door [eiser] in het vijfde studiejaar niet langer de gelegenheid te geven de opleiding voort te zetten. Ook dit onderdeel is voorzien van een nadere uitwerking en toelichting. De eerste drie alinea’s van de uitwerking en toelichting bevatten geen klacht. In de laatste twee alinea’s van de uitwerking en toelichting zijn volgens mij drie klachten geformuleerd.

De eerste klacht acht onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat HZ [eiser] in het vijfde studiejaar niet langer de gelegenheid behoefde te geven om de opleiding voort te zetten, ook indien moet worden uitgegaan van de constateringen in rov. 3.10 van het arrest (1) dat [eiser] na september 2013 geen goedgekeurd studieplan heeft ingeleverd, (2) dat [eiser] van de openstaande “courses” niet heeft deelgenomen aan de reguliere herkansingen en (3) dat binnenkort de deelresultaten van “je courses” komen te vervallen. De klacht wijst erop dat HZ het volgens haar reeds in 2011 genomen besluit om de opleiding af te bouwen pas aan het begin van het derde studiejaar 2012/2013 aan de studenten kenbaar heeft gemaakt en dat [eiser] ten tijde van de e-mail van 26 augustus 2014 al 187,5 van de 240 studiepunten had gehaald. Geklaagd wordt dat zonder nadere redengeving niet valt in te zien dat [eiser] de vereiste 240 studiepunten niet zou hebben behaald.

Deze klacht lijkt mij ongegrond. Het hof heeft bij zijn beoordeling betrokken dat HZ het besluit om de opleiding af te bouwen pas aan het begin van het derde studiejaar 2012/2013 aan [eiser] kenbaar heeft gemaakt (rov. 3.5, 3.9 en 3.10) en dat [eiser] bij het stoppen van de opleiding nog 52,5 van de in totaal 240 studiepunten diende te halen (rov. 3.9 en 3.10). Het hof heeft echter tevens overwogen dat [eiser] in het eerste jaar is begonnen met een vrijstelling van 22,5 punten, dat hij niettemin vanaf het eerste studiejaar achterstanden heeft laten ontstaan en dat bij de beëindiging van de opleiding nog steeds een niet geringe achterstand van 52,5 punten bestond. Uit die overwegingen volgt dat [eiser] een structurele achterstand had die hij ook na de aankondiging van de uitfasering niet heeft kunnen inlopen. In dat licht mocht het hof volgens mij mede op grond van de achterstand van 52,5 studiepunten oordelen dat HZ [eiser] in het vijfde studiejaar (2014/2015) niet de gelegenheid behoefde te geven om de opleiding voort te zetten, omdat niet langer het vertrouwen bestond dat hij de opleiding binnen redelijke tijd zou kunnen voltooien.

In de tweede klacht wordt aangevoerd dat het hof heeft miskend dat van HZ, als redelijk bekwame en redelijk handelende hogeschool, in de gegeven omstandigheden had mogen worden verwacht dat zij de nog niet afgeronde cursussen niet direct zou stopzetten en dat zij ook in de latere jaren (tot en met het studiejaar 2014/2015) naast het reguliere deeltijdonderwijs nog zou voorzien in het onderwijs voor die nog niet afgeronde vakken.

Deze klacht faalt op dezelfde gronden als besproken bij de vierde klacht van het eerste onderdeel. In rov. 3.9 heeft het hof vastgesteld (a) dat HZ op verschillende momenten opfriscursussen/vragenuren heeft gehouden (zoals blijkt uit rov. 2.8 van het vonnis), (b) dat in het studiejaar 2012/2013 diverse mogelijkheden zijn geboden om (her)tentamen te doen en (c) dat uit de mail van docent [betrokkene 2] van 30 september 2013 (prod. 9 bij dagvaarding) blijkt dat ook in het tweede semester van het vierde studiejaar 2013/2014 lessen zouden worden gegeven, dat er twee tentamens voor het vak Regeltechniek zouden worden gegeven, dat er weliswaar geen avondprogramma’s meer waren, maar dat de theorie van CU04448 overdag zou worden gegeven en dat er nog twee tentamens zouden komen. Het hof heeft rov. 3.10 geconcludeerd dat HZ daarmee voldoende mogelijkheden aan [eiser] heeft geboden om zijn deeltijdstudie af te ronden. Deze weging is voorbehouden aan het hof als feitenrechter en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst.

De derde klacht ziet op de passage in rov. 3.10 dat niet onbegrijpelijk is dat bij HZ niet langer het vertrouwen bestond dat [eiser] de opleiding binnen de aan de orde zijnde redelijke tijd zou kunnen voltooien. Dat dit vertrouwen (mogelijk) niet langer bestond, zou onvoldoende zijn om de beslissing van het hof te kunnen dragen. Ook wordt geklaagd dat HZ dit niet heeft aangevoerd en dat dit niet is te lezen in de mail van 26 augustus 2014, zodat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden of een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft genomen.

Volgens mij slaagt deze klacht evenmin. Het oordeel van het hof dat geen sprake is van een zorgplichtschending van HZ berust op twee overwegingen: (1) HZ heeft [eiser] voldoende mogelijkheden gegeven om zijn deeltijdstudie tijdig af te ronden en (2) niet onbegrijpelijk is dat bij HZ niet langer het vertrouwen bestond dat [eiser] de deeltijdopleiding binnen de aan de orde zijnde redelijke termijn zou kunnen voltooien. Op grond van deze twee overwegingen kon het hof tot de slotsom komen dat HZ niet in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld door [eiser] in het vijfde studiejaar niet langer de gelegenheid te geven om de opleiding voort te zetten. Evenmin is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden en er is ook geen sprake van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing. Naar de vaststelling van het hof heeft HZ in de (als prod. 17 bij cva overgelegde) mail van 26 augustus 2014 aan [eiser] gevraagd om zich niet meer in te schrijven gelet op de gebrekkige studievoortgang en de voorgenomen uitfasering van de opleiding (rov. 3.1). Verder heeft HZ aangevoerd dat aan het einde van het vierde studiejaar voor [eiser] de nog steeds niet afgeronde cursussen uit het tweede studiejaar, de derdejaars cursus CSE en het afstudeertraject resteerden en dat hij in het vierde studiejaar nagenoeg geen punten behaalde (cva 33 en mva/mvg inc 29). Uit de genoemde mail en de aangehaalde stelling mocht het hof begrijpen dat HZ er geen vertrouwen meer in had dat [eiser] zijn opleiding binnen de aan de orde zijnde redelijke tijd zou kunnen afronden.

Ook onderdeel II acht ik daarom ongegrond.

Onderdeel III is een louter voortbouwende klacht zonder zelfstandige betekenis.

Het principaal cassatieberoep treft zodoende volgens mij geen doel.

Het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep

Het incidenteel cassatieberoep, dat uit twee onderdelen bestaat, is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principaal cassatieberoep in enig onderdeel gegrond wordt bevonden en die voorwaarde wordt volgens mij niet vervuld. Slechts volledigheidshalve bespreek ik ook het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep.

Het eerste onderdeel is gericht tegen rov. 3.5 waarin het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat [eiser] pas bij e-mail van 10 september 2012 is geïnformeerd over de uitfasering van de (deeltijd) opleiding Werktuigbouwkunde. Volgens het onderdeel is dat oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het onderdeel bestaat uit twee subonderdelen.

Subonderdeel 1.1 voert aan dat HZ (kort samengevat) heeft gesteld dat (i) de onderwijs- en examenregeling (“OER”) alle informatie bevat die voor studenten van belang is bij het volgen van een opleiding, (ii) in de OER 2011/2012 was opgenomen dat geen nieuwe studenten werden toegelaten tot de deeltijdopleiding Werktuigbouwkunde en dat deze deeltijdvariant niet meer startte vanaf dat studiejaar en (iii) de OER 2011/2012 met deze informatie eind 2011 is gepubliceerd op de website van HZ. Zonder nadere motivering is volgens het subonderdeel onbegrijpelijk waarom daaruit niet volgt dat [eiser] eind 2011 (en dus niet pas op 10 september 2012) is geïnformeerd over de uitfasering van de opleiding Werktuigbouwkunde. In ieder geval had het hof kenbaar op deze stellingen moeten ingaan en duidelijk moeten maken waarom het niettemin tot uitgangspunt neemt dat [eiser] pas bij e-mail van 10 september 2012 is geïnformeerd over de uitfasering van deze opleiding.

Dit subonderdeel lijkt mij ongegrond. De aangehaalde stellingen zien op de vermelding in de OER 2011/2012 dat geen nieuwe studenten werden toegelaten tot de deeltijdopleiding Werktuigbouwkunde en dat deze deeltijdvariant niet meer startte. Uit die vermelding volgt volgens mij niet zonder meer dat deze opleiding voor al gestarte studenten zal worden uitgefaseerd. De stellingen maken niet duidelijk waarom [eiser] de vermelding in de OER wel in die zin had moeten opvatten. Zo bezien gaat het dan ook niet om essentiële stellingen die het hof tot het oordeel hadden kunnen brengen dat [eiser] eind 2011 (en dus niet pas op 10 september 2012) is geïnformeerd over de uitfasering van zijn opleiding.

Subonderdeel 1.2 klaagt dat het oordeel in rov. 3.5 over het moment waarop [eiser] is geïnformeerd over de beëindiging van zijn opleiding ook onbegrijpelijk is in het licht van het oordeel in rov. 3.11 dat (onder meer) grief 7 in het incidenteel hoger beroep slaagt.

Deze klacht wordt als volgt toegelicht. Grief 7 hield (onder meer) in dat de rechtbank in rov. 4.9 ten onrechte heeft overwogen dat het besluit om de opleiding af te bouwen pas aan het begin van het derde studiejaar 2012/2013 aan de studenten kenbaar is gemaakt. Verder is deze grief volgens het subonderdeel gericht tegen de beslissing in rov. 4.9 dat het feit dat de op de website van HZ gepubliceerde OER 2011/2012 vermeldde dat de deeltijdvariant van de opleiding niet zou starten, niet als informatieverstrekking ex art. 7.15 Whw aan zittende studenten kan worden aangemerkt. Ook wijst het subonderdeel op de toelichting bij deze grief met daarin de drie in subonderdeel 1.1 genoemde stellingen. Betoogd wordt dat uit het slagen van deze grief, gelezen in het licht van de toelichting bij de grief, geen andere conclusie kan volgen dan dat [eiser] al eind 2011, en dus niet pas op 10 september 2012, is geïnformeerd over de uitfasering van de opleiding Werktuigbouwkunde. Zonder nadere motivering acht het subonderdeel onbegrijpelijk waarom dat niet uit het slagen van de grief volgt en hoe rov. 3.5 zich verhoudt tot het oordeel in rov. 3.11 dat die grief slaagt.

Dit zie ik geen doel treffen. Punt 113 van de mva/mvg inc vermeldt dat grief 7 zich richt tegen “rechtsoverweging 4.9 integraal”. In rov. 4.9 heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het aan HZ valt toe te rekenen dat het volgens haar reeds in 2011 genomen besluit om de opleiding af te bouwen pas aan het begin van het derde studiejaar 2012/2013 aan de studenten kenbaar is gemaakt. Die overweging is één van de pijlers van het oordeel van de rechtbank dat HZ in de periode 2011-2012 en 2012-2013 onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] (vonnis, rov. 4.12). Anders dan de rechtbank is het hof tot het oordeel gekomen dat HZ haar zorgplicht niet heeft geschonden. Het komt mij voor dat de incidentele grief 7 volgens het hof doel treft in die zin dat het tijdstip waarop [eiser] is geïnformeerd over de beëindiging van de opleiding er in de gegeven omstandigheden niet toe leidt dat HZ in strijd met de op haar rustende zorgplicht, en daarmee onrechtmatig, heeft gehandeld.

Het eerste onderdeel treft dan ook in mijn ogen geen doel.

Het tweede onderdeel is geformuleerd voor het geval het oordeel in rov. 3.5 aldus moet worden gelezen dat daarin besloten ligt dat het informeren van studenten over de uitfasering van een door hen gevolgde opleiding door middel van publicatie van een OER (zoals bedoeld in art. 7.13 Whw) met deze informatie op de website van de onderwijsinstelling, niet kan worden aangemerkt als (behoorlijke) informatieverstrekking in de zin van art. 7.15 Whw.

Dit onderdeel mist feitelijke grondslag. Ik lees een dergelijk oordeel niet in het arrest.

Ook de klachten van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep falen in mijn ogen zodoende.

3. Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het principaal cassatieberoep en geef Uw Raad in overweging dat te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?