PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/00450
Zitting 27 augustus 2021
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
Dienst voor het Kadaster en de Openbare Registers (hierna: het Kadaster)
tegen
[verweerder] (hierna: [verweerder])
In deze procedure heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden aan de Hoge Raad de prejudiciële vraag gesteld of het Kadaster voor zijn vorderingen wegens inschrijvingskosten en recherchekosten op de voet van art. 25 lid 3 Wna rechthebbende is op (een aandeel in) de kwaliteitsrekening(en) van een notaris.
1. Feiten
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in rov. 2.1-2.11 van zijn tussenarrest van 22 december 2020 (hierna: het arrest). Deze feiten komen neer op het volgende.
Notariële Diensten Bewind & Executele (N.D.B.E.) B.V. exploiteerde een notariskantoor (hierna: Anotaris). Anotaris is op 5 juli 2016 in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr. H. Dulack tot curator (hierna: de curator).
Een notaris is verplicht (op grond van art. 25 van de Wet op het notarisambt (hierna: de Wna)) een bijzondere rekening aan te houden, ook wel kwaliteitsrekening genoemd (hierna: de kwaliteitsrekening). Die rekening staat op zijn naam met vermelding van zijn hoedanigheid en is uitsluitend bestemd voor gelden die de notaris in verband met zijn werkzaamheden als zodanig onder zich neemt. Ook Anotaris beschikte over een kwaliteitsrekening.
Het Kadaster factureert periodiek aan iedere notaris die aktes ter inschrijving heeft aangeboden de daarvoor verschuldigde kadastrale rechten en de verschuldigde vergoedingen voor inzagen in het kadaster (recherches).
In de periode van 29 maart 2016 t/m 26 september 2016 heeft het Kadaster aan Anotaris voor ongeveer € 140.000,00 gefactureerd wegens kadasterkosten (inschrijvingskosten en recherchekosten). Vanaf 29 maart 2016 zijn de rekeningen van het Kadaster niet meer betaald.
Anotaris zond als regel aan de partij die het aanging een nota van afrekening met daarin onder meer vermeld de overdrachtsbelasting en onder de kosten van levering: honorarium leveringsakte, recherchekosten kadaster en (onbelaste) inschrijvingskosten levering (zie productie 5 bij memorie van antwoord).
Bij Anotaris was mr. Broos de feitelijk handelende notaris. Hij was formeel waarnemer in het protocol van mr. Langerwerf. Mr. Broos is per 19 juni 2016 geschorst als notaris.
[verweerder] is van 27 juni 2016 (om 23.59 uur) t/m 6 juli 2016 als notaris benoemd tot waarnemer in het protocol van mr. Broos.
Na de faillietverklaring heeft de curator op 14 juli 2016 een bedrag van € 316.424,22 overgemaakt van een spaarrekening die gekoppeld was aan een lopende betaalrekening op naam van Anotaris (die de curator niet als kwaliteitsrekening aanmerkte) naar die bijbehorende betaalrekening en vervolgens naar de boedelrekening.
De gelden op die spaarrekening stonden in de boekhouding van Anotaris geadministreerd als derdengeld. Volgens [verweerder] is zo een tekort in de bewaring op de kwaliteitsrekening(-en) ontstaan. Dat tekort is volgens hem per 19 juli 2016 berekend op € 167.265,00.
De curator heeft de onderneming voortgezet tot 22 augustus 2016. Per die datum is [verweerder] , na andere waarnemers, opnieuw benoemd tot waarnemer in het protocol, nu van mr. Langerwerf. Als zodanig was en is [verweerder] beheerder van de kwaliteitsrekening(-en) van Anotaris.
Aan het Kadaster zijn vanaf de kwaliteitsrekening(-en) na faillissement geen betalingen gedaan. Aan cliënten van Anotaris zijn wel betalingen vanaf die rekening(-en) gedaan. Op de kwaliteitsrekening(-en) staat thans nog een bedrag van in totaal € 6.225,51.
2. Procesverloop
In eerste aanleg
Op 15 augustus 2017 heeft het Kadaster [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank), en gevorderd, na wijziging van eis en zakelijk weergegeven:
- primair:(i) een verklaring voor recht dat de kadastrale rechten zoals gefactureerd en onbetaald gelaten, aan het Kadaster toekomende derdengelden zijn als bedoeld in art. 25 Wna, althans aan het Kadaster toekomen c.q. voor hem zijn bestemd, en aan hem dienen te worden vrijgegeven c.q. uitbetaald;(ii) [verweerder] te veroordelen tot vrijgave c.q. (uit)betaling van een (voorlopig beperkt) bedrag van € 63.626,90 aan het Kadaster over te gaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding;
- subsidiair, op grond van onrechtmatige daad:(iii) [verweerder] te veroordelen tot betaling van de kosten gemaakt over de boedelperiode ter grootte van € 34.373,10, vermeerderd met de wettelijke rente;
- primair en subsidiair:(iv) [verweerder] te veroordelen in de proceskosten.
Het Kadaster heeft daartoe aangevoerd, kort gezegd, dat de gelden die de cliënten van Anotaris ten behoeve van de kadastrale rechten op de kwaliteitsrekening(en) hebben gestort zijn aan te merken als derdengelden ex art. 25 Wna, en dat het Kadaster rechthebbende is op het saldo daarop voor zover het geld betreft dat is bestemd voor betaling van kadastrale rechten. [verweerder] heeft ter verweer aangevoerd, kort gezegd, dat de gestorte gelden inzake de kadasterkosten geen derdengelden zijn, dat het Kadaster dus geen deelgenoot is ex art. 25 Wna, dat het Kadaster dus ook geen rechtstreekse aanspraak heeft op de betreffende gelden, en dat evenmin sprake is van “geoormerkt” geld.
Na bij tussenvonnis van 27 december 2017 een comparitie van partijen te hebben bevolen, welke comparitie van partijen op 29 mei 2018 heeft plaatsgevonden (waarvan proces-verbaal is opgemaakt), heeft de rechtbank bij eindvonnis van 10 oktober 2018 (hierna: het eindvonnis) alle vorderingen van het Kadaster afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank heeft in het eindvonnis vooropgesteld dat als het Kadaster ingevolge art. 25 Wna rechthebbende is, hij uitkering kan vorderen van zijn aandeel in het saldo van de kwaliteitsrekeningen(en), maar is tot het oordeel gekomen dat het Kadaster niet als zodanig aan te merken is, waartoe de rechtbank, kort gezegd en voor zover thans nog relevant, heeft overwogen (rov. 2.7-2.8):
(i) dat uit de tekst van art. 25 lid 3 Wna en de relevante wetsgeschiedenis volgt dat de partij die geld heeft gestort op de kwaliteitsrekening rechthebbende is;
(ii) dat in de literatuur in het algemeen wordt aangenomen dat met “te zijnen behoeve” in art. 25 lid 3 Wna wordt bedoeld het geval dat een geldbedrag in contanten in handen van de notaris wordt gesteld die dat bedrag vervolgens op de kwaliteitsrekening stort en daarmee dus niet wordt bedoeld dat een derde-partij rechthebbende wordt op het bedrag dat op de kwaliteitsrekening is gestort en is “geoormerkt” of is bedoeld voor betaling aan die derde partij;
(iii) dat een en ander wordt bevestigd door het Reglement beperking uitbetaling derdengelden (hierna: het Bud) waaruit volgt dat de notaris in bepaalde gevallen gerechtigd is rechtstreeks aan een derde uit te betalen vanaf de kwaliteitsrekening, terwijl die derde geen rechthebbende is ingevolge art. 25 Wna;
(iv) dat bij beslissing van de Notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van het gerechtshof Amsterdam van 24 december 2013 is aangenomen dat de voor het Kadaster bestemde gelden in formele zin geen derdengelden zijn, zoals in eerste aanleg ook de Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-notarissen in Arnhem had gedaan;
(v) dat ook de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (hierna: de KNB), die partij was in die procedure, in die procedure betoogd heeft dat de voor het Kadaster bestemde gelden in formele zin geen derdengelden zijn en daarom niet tot de bewaring horen en moeten worden gezien als kantoorkosten.
Voorts heeft de rechtbank in het eindvonnis nog overwogen dat de stelling van het Kadaster, dat deze uitleg het onwenselijke gevolg heeft dat de rekening van het Kadaster niet wordt betaald terwijl hij zijn diensten niet kan weigeren, het voorgaande niet anders maakt, omdat het Kadaster op grond van de Regeling betaling kadastraal recht in bijzondere gevallen kan verlangen dat voorafgaand aan het verrichten van de werkzaamheden zekerheid wordt gesteld voor de betaling en dat aangenomen mag worden dat een hoge openstaande rekening en een faillissement kwalificeren als dergelijke bijzondere gevallen (rov. 2.9).
In hoger beroep
Bij dagvaarding van 10 januari 2019 is het Kadaster van het eindvonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) van de afwijzing door de rechtbank in het eindvonnis van zijn primaire vorderingen onder (i), (ii) en (iv). Bij memorie van grieven heeft het Kadaster, onder aanvoering van één grief (waarmee het Kadaster betoogt dat de rechtbank onterecht heeft geoordeeld dat het Kadaster niet is aan te merken als rechthebbende ex art. 25 Wna als overwogen en beoordeeld in rov. 2.8-2.9 eindvonnis en dat de primaire vordering van het Kadaster ten onrechte is afgewezen), in welk kader het Kadaster twee opinies van prof. mr. L.C.A. Verstappen in het geding heeft gebracht, geconcludeerd dat het hof voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad het eindvonnis zal vernietigen en de vorderingen van het Kadaster alsnog zal toewijzen met veroordeling van [verweerder] in de kosten van beide instanties, inclusief salaris advocaat en nakosten. [verweerder] heeft bij memorie van antwoord geconcludeerd dat het hof uitvoerbaar bij voorraad het Kadaster in het hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans het hoger beroep zal verwerpen c.q. het eindvonnis zal bekrachtigen met veroordeling van het Kadaster in de kosten van het geding in beide instanties.
Bij tussenarrest van 28 juli 2020 heeft het hof een comparitie van partijen gelast, welke comparitie heeft plaatsgevonden op 16 november 2020. Tijdens deze comparitie hebben partijen, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal, in onderling overleg de procesafspraken gemaakt, zakelijk weergegeven (zie ook onder 2.7 hierna):
1. dat partijen akkoord gaan met het voorstel van het hof om een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen over de kwestie die hen verdeeld houdt, te weten de vraag of het Kadaster voor zijn vorderingen wegens inschrijvingskosten en recherchekosten rechthebbende is in de zin van art. 25 lid 3 Wna;
2. dat indien in rechte komt vast te staan dat het Kadaster ter zake van de inschrijvings- en/of recherchekosten kwalificeert als rechthebbende in de zin van art. 25 Wna, het thans nog aanwezige saldo op de kwaliteitsrekening (een bedrag van € 6.225,51) met inachtneming van de aanspraak van het Kadaster pro rata over de dan nog aanwezige rechthebbenden zal worden verdeeld en het Kadaster op het meerdere geen aanspraak zal maken en geen verdere vorderingen zal instellen.
Bij daaropvolgend en reeds genoemd tussenarrest van 22 december 2020 heeft het hof allereerst art. 25 Wna en de toelichting op het Bud geciteerd weergegeven (rov. 4.1-4.2) en aangegeven waar het in deze zaak om draait (rov. 4.3):
“de regelgeving
4.1 Voor zover van belang houdt artikel 25 Wna in:
“1 De notaris is verplicht bij een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen een of meer bijzondere rekeningen aan te houden op zijn naam met vermelding van zijn hoedanigheid, die uitsluitend bestemd zijn voor gelden, die hij in verband met zijn werkzaamheden als zodanig onder zich neemt. Gelden die aan de notaris in verband met zijn werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden worden toevertrouwd, moeten op die rekening worden gestort.
(…)
2 De notaris is bij uitsluiting bevoegd tot het beheer en de beschikking over de bijzondere rekening. (...) Ten laste van deze rekening mag hij slechts betalingen doen in opdracht van een rechthebbende.
3 Het vorderingsrecht voortvloeiende uit de bijzondere rekening behoort toe aan de gezamenlijke rechthebbenden. Het aandeel van iedere rechthebbende wordt berekend naar evenredigheid van het. bedrag dat te zijnen behoeve op de bijzondere rekening is gestort. (...)
4 Een rechthebbende heeft voor zover uit de aard van zijn recht niet anders voortvloeit, te allen tijde recht op uitkering van zijn aandeel in het saldo van de bijzondere rekening. (...)”
4.2 Het door het bestuur van de KNB opgestelde Reglement beperking uitbetaling derdengelden (BUD) vermeldt in zijn toelichting (onder “nadere uitleg”):
“De notaris is verplicht de opbrengst over te maken naar het rekeningnummer van de partij die krachtens de in de akte neergelegde transactie recht heeft op betaling (hierna te noemen: de rechthebbende). (...)
Onder bepaalde omstandigheden mag op het reglement een uitzondering worden gemaakt. Het betreft dan betalingen die in nauw verband staan met de transactie zelf en waarvan het bestaan ook eenvoudig controleerbaar is. Als uitzonderingen worden genoemd: (...)””
de kernvraag
4.3 Het gaat in deze zaak om de vraag of het Kadaster vanwege de aan Anotaris in rekening gebrachte inschrijvingskosten en recherchekosten (mede-)rechthebbende is op het geld dat door de cliënten van Anotaris is gestort op de kwaliteitsrekening(en) van Anotaris voor onder meer het betalen van die kosten aan het Kadaster.”
[cursivering in origineel, A-G]
Aansluitend heeft het hof in het arrest een zakelijke weergave van de standpunten van partijen laten volgen (rov. 4.4-4.6):
“de standpunten van partijen
4.4 De standpunten van partijen komen in het kort op het volgende neer.
4.5 In de visie van het Kadaster is het de bedoeling van de wetgever geweest te waarborgen dat de op de kwaliteitsrekening gestorte gelden terecht komen bij de persoon voor wie ze bestemd zijn. De partijen bij de akte storten de voor het Kadaster bestemde gelden op de kwaliteitsrekening. Deze gelden worden op deze wijze afgescheiden van het vermogen van de notaris en het is de bedoeling dat deze gelden terecht komen bij de instantie voor wie zij bestemd zijn. Daarom moet [verweerder] dat gestorte geld aan het Kadaster afdragen vanaf de kwaliteitsrekening(-en), die daarvoor is bedoeld. Als partijen wegens de transactie bedragen hebben betaald die bestemd zijn voor derden dan moeten die derden een beroep kunnen doen op de bescherming die de kwaliteitsrekening pleegt te bieden. Het Kadaster bestrijdt het standpunt van [verweerder] dat de notaris de schuldenaar van het Kadaster is. Daartoe verwijst het Kadaster onder meer naar het advies van prof. mr. L.C.A. Verstappen van 19 maart 2019 en zijn opinie van 30 oktober 2020 (producties H1 bij memorie van grieven en H3 bij akte ter comparitie). Verder wijst het Kadaster op de conclusie van AG Wissink ECLI:NL:PHR:2020:800 in 2.11 over de kwaliteitsrekening en in 2.21, 2.23 en 2.28 over de taak van de notaris.
4.6 [verweerder] daarentegen voert aan dat het Kadaster niet rechtstreeks aanspraak kan maken op geld dat zich op die kwaliteitsrekening(-en) bevindt. Het Reglement BUD geeft als hoofdregel dat betaling alleen mag geschieden aan de partij die krachtens de in de akte neergelegde prestatie recht heeft op betaling, en bepaalt dat onder bepaalde omstandigheden een uitzondering op die hoofdregel mag worden gemaakt. Volgens hem is het Kadaster geen andere rechthebbende of schuldeiser van een van partijen bij de akte maar schuldeiser van de notaris, aan wie het Kadaster factureert. Daartoe verwijst [verweerder] naar de opvatting van prof. mr. B.C.M. Waaijer in zijn bewerking van J.C.H. Melis, De Notariswet, negende herziende druk, Deventer 2019, p. 411 en 412 en sub 21.2.4. Dit komt volgens hem ook overeen met beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van het hof Amsterdam van 24 december 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:4744) en het standpunt van de KNB, die partij was in die procedure.”
[cursivering in origineel, A-G]
Daaropvolgend is het hof ingegaan op de prejudiciële vraag (rov. 4.7-4.8):
“de prejudiciële vraag
4.7 Naar het oordeel van het hof is een antwoord op deze vraag nodig om op de vordering te beslissen. Dit antwoord is ook rechtstreeks van belang voor een veelheid aan vorderingsrechten die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten en uit dezelfde of soortgelijke samenhangende oorzaken voortkomen. Op verzoek van notariskantoren schrijft het Kadaster immers vele transportakten in en verstrekt informatie (eerste inzage, herrecherche en narecherche, tezamen: recherches). Het Kadaster had bij voorbeeld per maart 2019 op 830 notariskantoren facturen open staan voor een gemiddeld bedrag van € 30.000,00. Daarnaast kan dit antwoord ook rechtstreeks van belang zijn voor de vraag wie nog meer rechten kunnen doen gelden op de kwaliteitsrekening, waarbij kan worden gedacht aan de belastingdienst voor overdrachtsbelasting, makelaarscourtage en bemiddelingskosten, taxateursloon, verenigingen van eigenaren, de notaris voor zijn honorarium.
4.8 Partijen ondersteunen volgens hun verklaringen ter mondelinge behandeling in hoger beroep het door het hof aan hen voorgelegde voornemen om een prejudiciële vraag te stellen. Zij hebben zich ook uitgelaten over de inhoud van de te stellen vraag. Aan het slot van de zitting hebben partijen namelijk in onderling overleg procesafspraken gemaakt, die als volgt luiden:
“1. Partijen gaan akkoord met het voorstel van het hof om een vraag aan de Hoge Raad te stellen over de kwestie die partijen verdeeld houdt, te weten de vraag of het Kadaster voor zijn vorderingen wegens inschrijvingskosten en recherchekosten rechthebbende is in de zin van artikel 25, derde lid, van de Wet op het notarisambt.
2. Indien in rechte komt vast te staan dat het Kadaster ter zake van de inschrijvings- en/of recherchekosten kwalificeert als rechthebbende in de zin van artikel 25 Wna zal het thans nog aanwezige saldo op de kwaliteitsrekening (het bedrag van € 6.225,51 als genoemd in productie 7 bij de memorie van antwoord) met inachtneming van de aanspraak van het Kadaster pro rata over de dan nog aanwezige rechthebbenden worden verdeeld, en zal het Kadaster op het meerdere geen aanspraak maken en geen verdere vorderingen instellen.”
Deze procesafspraken zijn in een concept-proces-verbaal opgenomen, aan partijen voorgelegd en aangevuld naar aanleiding van hun opmerkingen.”
[cursivering in origineel, A-G]
Het hof heeft vervolgens, voor zover hier nog relevant, de slotsom weergegeven (rov. 5) en, in lijn daarmee, in het dictum onder meer de volgende “rechtsvraag” geformuleerd die door het hof wordt gesteld aan de Hoge Raad ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing:
“is het Kadaster voor zijn vorderingen wegens inschrijvingskosten en recherchekosten rechthebbende in de zin van artikel 25, derde lid, van de wet op het notarisambt op (een aandeel in) de kwaliteitsrekening(-en) van een notaris?”
In cassatie
Begin februari 2021 is een afschrift van de prejudiciële vraag van het hof bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen, gevolgd door een zijdens het hof verstrekte kopie van het procesdossier in feitelijke instanties. Nadat de Hoge Raad, gehoord de procureur-generaal bij de Hoge Raad, groen licht heeft gegeven voor het in behandeling nemen van de onderhavige zaak, zijn partijen in de gelegenheid gesteld schriftelijke opmerkingen te maken. Zowel het Kadaster als [verweerder] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt, waarna zij nog op elkaars schriftelijke opmerkingen hebben gereageerd.
3. Beantwoording van de prejudiciële vraag
(Achtergrond van) de prejudiciële vraag
Aan de vordering van het Kadaster in feitelijke instantie, voor zover nog relevant in hoger beroep, ligt naar de kern genomen ten grondslag dat hij wat betreft de gelden die aan hem toekomen vanwege zijn verrichte diensten verband houdend met, kort gezegd, de overdracht van een registergoed of de vestiging van een beperkt recht daarop,, zoals (periodiek) aan Anotaris in rekening gebracht vanwege de betrokkenheid van dat notariskantoor ter zake,, rechthebbende is op (een aandeel in) het saldo van de kwaliteitsrekening van Anotaris waarop door de cliënten van Anotaris geld is gestort voor onder meer het betalen van die kosten aan het Kadaster, voor zover het saldo op die rekening aldus gestort geld betreft dat is bestemd voor betaling van kadasterkosten, onder verwijzing naar art. 25 Wna.,Door [verweerder] is dit standpunt van het Kadaster in feitelijke instantie bestreden, naar de kern genomen omdat z.i. onder de rechthebbenden op het saldo van de kwaliteitsrekening van Anotaris geen andere (rechts)personen vallen dan de cliënten van de notaris (de partijen die betrokken zijn bij de desbetreffende notariële akte/transactie), dit ongeacht of deze partijen de gelden op de kwaliteitsrekening hebben overgemaakt mede met het oog op toekomstige betalingen aan anderen, daarbij aantekenend dat ten aanzien van genoemde gelden Anotaris (niet genoemde partijen) de schuldenaar is van het Kadaster.Aldus draait dit geschil tussen partijen in feitelijke instantie, voor zover nog relevant in hoger beroep, niet zozeer om de vraag in hoeverre aan het Kadaster genoemde gelden toekomen, Anotaris genoemde betrokkenheid had dan wel door de cliënten van Anotaris genoemde gelden zijn gestort (ook) voor betaling van deze kadasterkosten op die kwaliteitsrekening, als wel om de vraag, kort gezegd en gelet ook daarop (wat in het kader van die vraag gegeven is), in hoeverre het Kadaster vanwege genoemde dienstverlening kan worden aangemerkt als zo’n rechthebbende op (een aandeel in) het saldo van die kwaliteitsrekening in de zin van art. 25 Wna. Tegen die achtergrond bezie, en versta, ik ook de door het hof in het arrest gestelde, meer in algemene zin geformuleerde prejudiciële vraag, waarover onder 2.4-2.8 hiervoor.
Overdracht van een registergoed; vestiging van een beperkt recht daarop
Bij een koopovereenkomst is de verkoper ingevolge art. 7:9 lid 1, eerste zin jo. 7:15 lid 1 BW verplicht de verkochte zaak in eigendom over te dragen en af te leveren, vrij van alle bijzondere lasten en beperkingen met uitzondering van die welke de koper uitdrukkelijk heeft aanvaard. Daartegenover staat de verplichting van de koper om ex art. 7:26 lid 1 jo. lid 2, eerste zin BW ten tijde en ter plaatse van de aflevering de koopsom te betalen. Koper en verkoper zijn aldus in principe gehouden tot ‘gelijk oversteken’. Omdat ‘gelijk oversteken’ bij de (ver)koop van registergoederen problematisch is, nuanceert art. 7:26 lid 3 BW dit uitgangspunt door, conform de in de vastgoedpraktijk bestaande gewoonte, voor te schrijven dat wanneer voor eigendomsoverdracht een notariële leveringsakte en inschrijving daarvan in de daartoe bestemde openbare registers is vereist (zie art. 3:89 BW), de koopsom vóór ondertekening van de leveringsakte uit de macht van de koper dient te zijn en pas ná inschrijving daarvan in de macht van de verkoper hoeft te worden gebracht.Aan art. 7:26 lid 3 BW wordt in de praktijk veelal uitvoering gegeven doordat, kort gezegd, de koper voorafgaand aan de levering de koopsom stort op de door de notaris aangehouden kwaliteitsrekening, die pas tot uitbetaling aan de verkoper overgaat als na passering en inschrijving van de leveringsakte uit raadpleging van het Kadaster gebleken is dat er geen eerdere inschrijvingen als bedoeld in art. 7:3 lid 1 BW of beslagen, hypotheken of leveringen aan (vrije en onbezwaarde) levering (en daarmee overdracht) in de weg staan (narecherche). In een eerder stadium van de transactie verricht de notaris overigens ook recherches. Eerst gaat de notaris de rechtstoestand van het registergoed na, waarbij hij controleert of het registergoed in het Kadaster op naam van de verkoper staat. Daarna rechercheert de notaris op mutaties in de rechtstoestand van het registergoed, zoals een tussenkomend beslag of een tussentijds gevestigd beperkt recht (herrecherche). Vervolgens raadpleegt de notaris na het passeren en inschrijven van de leveringsakte dus nogmaals het Kadaster. Zie nader onder 3.4 hierna.Uit art. 3:98 BW volgt dat, tenzij de wet anders bepaalt, al hetgeen in de daar bedoelde afdeling omtrent de overdracht van een goed is bepaald, overeenkomstige toepassing vindt op de vestiging, de overdracht en de afstand van een beperkt recht op een zodanig goed. Dit brengt mee dat, wat betreft de vestiging van een beperkt recht op een registergoed, (ook) het bepaalde in art. 3:89 BW van overeenkomstige toepassing is (zie ook art. 3:227 BW). Ook in dit verband geldt dus de eis van een daartoe bestemde, tussen partijen opgemaakte notariële akte, gevolgd door de inschrijving van die vestigingsakte in de daartoe bestemde openbare registers, in welk verband de notaris eveneens recherches pleegt te verrichten. In het navolgende stel ik, kortheidshalve, de situatie van een overdracht van een registergoed centraal.
Notaris; nota van afrekening
Ex art. 16 Wna berust het verrichten van werkzaamheden door de notaris op een overeenkomst als bedoeld in titel 5 van Boek 6 van het BW (een overeenkomst van opdracht). Aangenomen wordt dat hij die overeenkomst, bij de overdracht van een registergoed, aangaat met zowel koper als verkoper. In het kader van zijn opdracht verleent de notaris juridische bijstand aan de koper en verkoper bij de door hen te verrichten rechtshandelingen. Zo maakt hij de benodigde notariële akte(n) op. De uitvoering van de opdracht van de notaris vereist mede dat hij recherches verricht (zie onder 3.4 hierna), die zijn gericht op wat nodig is voor de totstandkoming van de rechtsgevolgen die door partijen worden beoogd met de in de akte(n) opgenomen rechtshandelingen. Aangenomen wordt dat de overeenkomst van opdracht ook lastgeving voor de notaris behelst om (rechts)handelingen te verrichten die na het opmaken van de akte(n) nog verricht moeten worden ter uitvoering van de overeenkomst tussen de koper en verkoper, waaronder de last om de akte(n) ter inschrijving aan te bieden bij het Kadaster (zie onder 3.4 hierna) en de last om de op de kwaliteitsrekening gestorte bedragen uit te keren.
De door de notaris aan de koper en verkoper toe te zenden nota van afrekening moet in het licht van deze rechtsverhouding worden gezien. De notaris zal vóór het opmaken van de akte(n) de nota van afrekening naar de koper en verkoper sturen. Hierop wordt voor beide partijen aangegeven welk bedrag door hen uiteindelijk wordt ontvangen dan wel moet worden betaald. Beide nota’s van afrekening beginnen met vermelding van de koopsom voor het registergoed. Er kan ook een bedrag aan zakelijke lasten worden vermeld. Dat is het geval als de zakelijke lasten welke het registergoed betreffen op grond van de koopovereenkomst tussen partijen worden verrekend. Te denken valt bijvoorbeeld aan onroerendezaakbelasting, rioolbelasting en waterschapslasten. Ook kunnen eventuele servicekosten worden verrekend indien het registergoed een appartementsrecht betreft. Op de nota van afrekening wordt voorts, indien verschuldigd, het bedrag aan overdrachtsbelasting vermeld. In de koopovereenkomst is bepaald voor wiens rekening deze belasting komt. Bij de verkoop ‘kosten koper’ komen deze kosten voor rekening van de koper, terwijl bij de verkoop ‘vrij op naam’ de verkoper deze kosten draagt. Als een van partijen zich heeft laten bijstaan door een makelaar, dan zal diens courtage doorgaans ook op de nota van afrekening worden vermeld. De makelaar zal de notaris zijn courtagenota doen toekomen met het verzoek deze bij de levering te verrekenen. Bij de verkoper zal op de nota van afrekening een bedrag aan aflossingen in mindering worden gebracht. Het gaat om aflossingen die moeten geschieden om het registergoed vrij van hypotheken en beslagen te kunnen leveren. Een koper zal de koopsom doorgaans financieren door middel van een hypothecaire geldlening. Alsdan zal deze geldlening worden opgevoerd onder vermelding van de bedragen die de geldverstrekker op de hoofdsom inhoudt. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan afsluitprovisie, kosten Nationale Hypotheek Garantie en borgtochtprovisie. Ook zullen de kosten van het Kadaster en het honorarium voor de notariële werkzaamheden op de nota van afrekening voorkomen., Alvorens tot passering van de akte(n) kan worden overgegaan, controleert de notaris of alle uit de nota van afrekening blijkende gelden op de kwaliteitsrekening zijn bijgeschreven. Een notaris mag niet overgaan tot het passeren van de akte(n) als die gelden door hem niet zijn ontvangen.
Kadaster
Art. 3:16 BW bepaalt dat er openbare registers worden gehouden waarin feiten die voor de rechtstoestand van registergoederen van belang zijn, worden ingeschreven (lid 1), alsmede dat welke deze openbare registers zijn, waar en op welke wijze een inschrijving in de registers kan worden verkregen, welke stukken daartoe aan de bewaarder moeten worden aangeboden, wat deze stukken moeten inhouden, hoe de registers worden ingericht, hoe de inschrijvingen daarin geschieden, en hoe de registers kunnen worden geraadpleegd, wordt geregeld bij de wet (lid 2). Dit is de Kadasterwet, welke naast nadere voorschriften voor de openbare registers een regeling geeft van de basisregistratie kadaster, alsmede nadere regels voor de registratie voor schepen en luchtvaartuigen.
De Dienst voor het kadaster en de openbare registers treedt naar buiten onder de naam Kadaster. Het Kadaster is een zelfstandig bestuursorgaan dat publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid bezit en heeft in de Kadasterwet een zeer ruime doel- en taakomschrijving. De Kadasterwet maakt onderscheid tussen doeleinden en taken van het Kadaster.
Blijkens art. 2a Kadasterwet zijn deze doeleinden: (a) de bevordering van de rechtszekerheid ten aanzien van registergoederen in het rechtsverkeer, in het economisch verkeer, en in het bestuurlijk verkeer tussen burgers en bestuursorganen; (b) de bevordering van een doelmatige geo-informatie-infrastructuur; (c) een doelmatige informatievoorziening van de overheid ten behoeve van de goede vervulling van publiekrechtelijke taken en de nakoming van wettelijke verplichtingen door bestuursorganen; en (d) ondersteuning en bevordering van economische activiteiten. Naast de rechtszekerheid inzake registergoederen vormt de informatievoorziening van overheid en samenleving en de bevordering van een doelmatige geo-informatie-infrastructuur in het algemeen een tweede hoofddoelstelling van het Kadaster. Behalve ten dienste van overheid en rechtsverkeer en de bevordering van de geo-informatie-infrastructuur dient het kadastrale informatiesysteem ook ter ondersteuning en bevordering van economische activiteiten. Zo kan de onroerendgoedmarkt alleen goed functioneren dankzij dit informatiesysteem.
Daarnaast heeft het Kadaster ex art. 3 Kadasterwet verschillende taken. Wat betreft de taken die van belang zijn voor de bevordering van de rechtszekerheid rond registergoederen, gaat het onder meer om: (a) het houden van openbare registers voor registergoederen en (b) het houden en bijwerken van de basisadministratie kadaster. De openbare registers zijn bestemd voor de publicatie van bepaalde rechtsfeiten, zoals deze met name in akten tot overdracht, vestiging of toedeling van zakelijke rechten omschreven zijn. De openbare registers bestaan uit een op chronologische volgorde van inschrijving geordende verzameling van akten en andere stukken waarin rechtsfeiten worden gereveleerd. De basisadministratie kadaster is een registratie van de rechten zelf, waarbij niet alleen de objecten worden geregistreerd maar ook de subjecten in de zin van rechthebbenden en de aard van de rechten als relatie tussen beide. De basisregistratie kadaster dient dus als toegang tot de openbare registers.
Zonder de samenwerking tussen de notaris en het Kadaster is rechtszekerheid met betrekking tot registratie ondenkbaar. De notaris pleegt altijd recherches in dossiers waarbij registergoederen zijn betrokken. Deze recherches worden gedaan om te kunnen vaststellen dat wat in de koopovereenkomst is beschreven, overeenkomt met de juridische werkelijkheid en of de koopovereenkomst zonder meer uitvoerbaar is. In beginsel pleegt de notaris ter zake een registergoed drie recherches. De eerste recherche pleegt de notaris bij binnenkomst van het dossier aan de hand van de in de overhandigde koopakte en daarbij horende bijlagen opgenomen gegevens. De notaris raadpleegt de basisregistratie kadaster en de openbare registers door een kadastraal uittreksel, een hypothecair uittreksel en een kadastrale kaart op te vragen. Het kadastraal uittreksel vermeldt de basisgegevens van het registergoed. Het hypothecair uittreksel vermeldt de hypothecaire inschrijvingen en de ingeschreven beslagen die op het registergoed rusten. Op de kadastrale kaart zijn de kadastrale grenzen en bebouwingslijnen van opstallen aangegeven. Op de dag van het passeren van de leveringsakte, aldus na verzending van de nota van afrekening aan de koper en/of verkoper (zie onder 3.3 hiervoor), vindt een tweede recherche plaats, de herrecherche. Daarbij controleert de notaris of de verkoper, in overeenstemming met zijn leveringsverplichting, het registergoed vrij van hypotheken en beslagen in eigendom kan overdragen aan de koper. De wijze van herrecherche is identiek aan de eerste recherche. Als de leveringsakte door de notaris is gepasseerd, de leveringsakte ter inschrijving is aangeboden bij het Kadaster (zie hieronder) en deze vervolgens is ingeschreven, verricht de notaris een derde recherche, de narecherche, op eventuele onbekende hypotheken en beslagen. Het doel van deze derde recherche is om te controleren of de koper inderdaad de eigendom geleverd krijgt vrij van hypotheken en beslagen. Voor het plegen van recherches maakt de notaris gebruik van de diensten ‘Kadaster On-line’ of ‘KIK Inzage’ van het Kadaster, waarmee informatie van objecten, subjecten en rechten uit de basisregistratie kadaster digitaal kunnen worden opgevraagd. Om van ‘Kadaster On-Line’ en ‘KIK Inzage’ gebruik te kunnen maken, dient de notaris gebruik te maken van de overkoepelende dienst ‘Mijn Kadaster’, waarvoor hij een abonnement dient af te sluiten met het Kadaster waarop de algemene leveringsvoorwaarden van het Kadaster van toepassing zijn. Om van ‘KIK Inzage’ gebruik te kunnen maken moet de notaris aanvullend de ‘gebruiksvoorwaarden KIK Inzage’ van het Kadaster aanvaarden. De abonnementstarieven van ‘Kadaster On-Line’ en ‘KIK Inzage’ en de tarieven voor afzonderlijke inzages via deze diensten zijn geregeld in de Tarievenregeling Kadaster, welke regeling gestoeld is op art. 108 lid 1 en 109 Kadasterwet.
De leveringsakte kan bij het Kadaster in papieren of elektronische vorm ter inschrijving worden aangeboden. Het overgrote deel van de akten wordt inmiddels elektronisch aangeboden. Inschrijving geschiedt, bij aanbieding in papieren vorm, door het plaatsen van een aantekening door het Kadaster op het afschrift van het in papieren vorm aangeboden stuk, dat dit stuk is ingeschreven. Een afschrift in papieren vorm wordt aan de aanbieder teruggezonden, voorzien van de door het Kadaster ondertekende verklaring van inschrijving. Bij een elektronisch aangeboden akte is er slechts sprake van aanbieding van een elektronisch afschrift of uittreksel. In het desbetreffende elektronische gedeelte van de registers vindt vervolgens de aantekening plaats, dat het stuk de status ‘ingeschreven’ heeft, terwijl het bewijs van elektronische inschrijving per post of e-mail aan de notaris wordt toegezonden (art. 12-13 Kadasterwet). Voor het elektronisch ter inschrijving aanbieden van akten maakt de notaris gebruik van de gratis diensten ‘Web-Elan’ of ‘Ketenintegratie Inschrijving Kadaster’ (KIK) van het Kadaster. Om van ‘Web-Elan’ gebruik te kunnen maken, moet de notaris een digitaal aanmeldingsformulier invullen op de website van het Kadaster. Bij KIK wordt gebruikgemaakt van gestandaardiseerde modelakten, zogenoemde stylesheets, met tekstblokken. In het kort komt het erop neer dat de gegevens van de notaris, partijen, het registergoed en de koopsom (of de hypotheeksom) op eenduidige wijze worden weergegeven. Hierdoor hoeven deze akten niet meer te worden gelezen door een medewerker van het Kadaster, maar kunnen zij geautomatiseerd worden verwerkt in de basisregistratie kadaster. Om gebruik te kunnen maken van KIK moet de notaris een gebruiksovereenkomst met het Kadaster aangaan. Voor het gebruik maken van ‘Web-Elan’ en KIK is verder vereist dat de notaris gebruikmaakt van de overkoepelende dienst ‘Mijn Kadaster’ waarop de algemene leveringsvoorwaarden van het Kadaster van toepassing zijn. De tarieven voor het ter inschrijving aanbieden van akten (dus: de inschrijvingskosten, zie ook onder 3.1 hiervoor) via ‘Web-Elan’ of KIK zijn geregeld in de Tarievenregeling Kadaster.
Het Kadaster kan een inschrijving ex art. 3:20 lid 1 jo. 3:19 lid 1 BW alleen weigeren als de akte ter inschrijving niet voldoet aan de wettelijke vereisten en de andere wettelijke vereisten niet zijn vervuld. Als de akte aan de wettelijke eisen voldoet en de andere wettelijke vereisten zijn vervuld, geschiedt de inschrijving overeenkomstig art. 3:19 lid 1 BW terstond (uitgelegd als “onmiddellijk” en “meteen” in de wetsgeschiedenis) na aanbieding. Indien het Kadaster vermoedt dat de in de aangeboden stukken vermelde kenmerken niet overeenstemmen met die welke met betrekking tot het registergoed behoren te worden vermeld, of dat de in te schrijven rechtshandeling door een onbevoegde is verricht of onverenigbaar is met een andere rechtshandeling, mag het Kadaster de inschrijving niet weigeren. Hij is in dat geval slechts bevoegd (niet verplicht) de aanbieder en andere belanghebbenden daarop opmerkzaam te maken. Voorts geldt nog dat het Kadaster conform art. 1 lid 2 van de op art. 108 lid 4 Kadasterwet gestoelde Regeling betaling kadastraal recht in bijzondere gevallen (aldus slechts bij wijze van uitzondering) ten gunste en genoegen van het Kadaster kan vorderen dat voorafgaand aan het verrichten van de werkzaamheden zekerheid wordt gesteld voor betaling. Overeenkomstig art. 1 lid 1 van die regeling dient het verschuldigde kadastraal recht binnen drie weken na dagtekening van de nota (factuur), die ter zake van de door het Kadaster verrichte werkzaamheden wordt verstrekt, kort gezegd, te worden betaald op een op de nota (factuur) vermelde bankrekening (van het Kadaster). Over de door het Kadaster berekende tarieven worden geen omzetbelasting (BTW) en/of andere heffingen van overheidswege geheven.
Over de facturering heeft het Kadaster bij schriftelijke opmerkingen, door [verweerder] in zijn reactie onbestreden, het volgende aangevoerd. Elk(e) product of dienst van het Kadaster afzonderlijk wordt getarifeerd en vermeld op de periodieke verzamelfactuur die wordt gericht aan het kantoor van de notaris. Bij de tarifering wordt onderscheid gemaakt tussen inzage- en inschrijvingskosten. De op de factuur weergegeven inschrijvingskosten zijn tot een individuele transactie herleidbaar omdat het deel en nummer van de betreffende akte op de factuur staat vermeld. Voor de inzagekosten geldt dat dit niet altijd rechtstreeks uit de factuur zelf blijkt, omdat het aan de notaris is of hij bij de bestelling van een informatieproduct een referentie naar een individuele transactie opneemt, maar in alle gevallen vermeldt de factuur een ordernummer voor de geleverde producten of diensten. Op basis van de gegevens zijn de in rekening gebrachte kadasterkosten tot een individuele transactie herleidbaar. Er is nooit sprake van een rekening-courantverhouding tussen de notaris en het Kadaster.
Notariële kwaliteitsrekening
De (algemene) notariële kwaliteitsrekening is neergelegd in de dwingendrechtelijke regeling van art. 25 Wna. Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang (en zoals ook geciteerd door het hof in rov. 4.1 van het arrest), als volgt:
“1. De notaris is verplicht bij een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen een of meer bijzondere rekeningen aan te houden op zijn naam met vermelding van zijn hoedanigheid, die uitsluitend bestemd zijn voor gelden, die hij in verband met zijn werkzaamheden als zodanig onder zich neemt. Gelden die aan de notaris in verband met zijn werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden worden toevertrouwd, moeten op die rekening worden gestort. (…)
2. De notaris is bij uitsluiting bevoegd tot het beheer en de beschikking over de bijzondere rekening. (…) Ten laste van deze rekening mag hij slechts betalingen doen in opdracht van een rechthebbende.
3. Het vorderingsrecht voortvloeiende uit de bijzondere rekening behoort toe aan de gezamenlijke rechthebbenden. Het aandeel van iedere rechthebbende wordt berekend naar evenredigheid van het bedrag dat te zijnen behoeve op de bijzondere rekening is gestort. (…)
4. Een rechthebbende heeft voor zover uit de aard van zijn recht niet anders voortvloeit, te allen tijde recht op uitkering van zijn aandeel in het saldo van de bijzondere rekening. (…).”
Rechtshandelingen verricht in strijd met de bepalingen van art. 25 Wna, waarvan niet kan worden afgeweken, zijn vernietigbaar, zo volgt uit art. 25 leden 6 en 10 Wna.Aanleiding voor de wetgever om in art. 25 Wna een regeling te treffen voor de notariële kwaliteitsrekening vormde het Slis-Stroom-arrest van de Hoge Raad, waarin het geval speelde dat de notaris een onroerendgoedtransactie begeleidde, in dat kader op haar bankrekening gelden had ontvangen en failliet ging voordat ze tot uitkering van het saldo was overgaan. In geschil was aan wie het saldo op de bankrekening toekwam. De Hoge Raad oordeelde dat het saldo in beginsel behoorde tot het vermogen van de notaris en merkte de verkoper aan als concurrent schuldeiser in het faillissement van de notaris. De Hoge Raad overwoog ook dat hierop een uitzondering geldt in geval van “storting van het bedrag op een afzonderlijke rekening ten name van de notaris met vermelding van diens hoedanigheid van opdrachtnemer van de betreffende koper en verkoper,” of “een - voor wat betreft het afgescheiden blijven van het overgemaakte bedrag van het vermogen van de notaris - daarmee gelijk te stellen weg.” Tegen de achtergrond van het Slis-Stroom-arrest wilde de wetgever met de invoering van art. 25 Wna, met het oog op het vertrouwen van het grote publiek in het notariaat, duidelijk maken dat aan de notaris toevertrouwde gelden voortaan niet meer in zijn faillissement zouden kunnen verdwijnen. De ratio hiervan omvat, kort gezegd, dat derden voor wie de notaris in verband met zijn werkzaamheden in zijn hoedanigheid gelden onder zich houdt, beschermd moeten worden tegen het insolventierisico van de notaris. Verder wordt aangenomen dat het doel van het betalingsverkeer via de notaris, kort gezegd, is om partijen tegen elkaars insolventie te beschermen.Ex art. 25 lid 1 Wna is de notaris gehouden op zijn naam en met vermelding van zijn hoedanigheid een (of meer) kwaliteitsrekening(en) aan te houden bij een bank, die uitsluitend bestemd zijn voor gelden die hij in verband met zijn werkzaamheden als zodanig onder zich neemt. De gelden die aan hem in verband met zijn werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden worden toevertrouwd, moeten op de kwaliteitsrekening worden gestort. Wanneer daarop gelden worden gestort, ontstaat er een vordering op de bank welke ex art. 25 lid 3 Wna toebehoort aan de gezamenlijke rechthebbenden. Het aandeel van iedere rechthebbende daarin wordt berekend naar evenredigheid van het bedrag dat te zijnen behoeve op de kwaliteitsrekening is gestort. De vordering op de bank die uit de kwaliteitsrekening voortvloeit, behoort dus niet tot het vermogen van de notaris. Sprake is daarom van een uitzondering op het in art. 3:276 BW verankerde uitgangspunt dat een schuldenaar in beginsel met zijn gehele vermogen instaat voor zijn schulden jegens al zijn schuldeisers. In afwijking op art. 3:170 BW kunnen de rechthebbenden evenwel niet over de gelden op de kwaliteitsrekening beschikken. De notaris is ex art. 25 lid 2 Wna (als lasthebber van de gerechtigden) jegens de bank exclusief bevoegd tot het beheer en de beschikking over de kwaliteitsrekening, terwijl hij tevens bevoegd (en gehouden) is slechts ten behoeve van een rechthebbende betalingen te doen ten laste van de kwaliteitsrekening. Een rechthebbende heeft ex art. 25 lid 4 Wna wel te allen tijde recht op uitkering van zijn aandeel in het saldo van de kwaliteitsrekening, “voor zover uit de aard van zijn recht niet anders voortvloeit”. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat het recht op uitkering steeds toekomt aan de rechthebbenden, maar dat dit recht afhankelijk kan zijn van vervulling van een voorwaarde waaronder een bedrag ten behoeve van hem is gestort (zoals een geslaagde overdracht vrij van beperkingen en lasten, of een voor hem gunstige uitkomst van een geschil).Omdat de vordering op het saldo van de kwaliteitsrekening niet toekomt aan de notaris maar aan de gezamenlijke rechthebbenden, gaat het saldo niet door vermenging op in het vermogen van de notaris en komt het saldo bij een eventueel faillissement van de notaris niet toe aan de faillissementsboedel. Art. 25 Wna bewerkstelligt aldus dat rechthebbenden op het saldo van de kwaliteitsrekening, in de woorden van de wetsgeschiedenis, een “separatisten-positie” krijgen. De rechtvaardiging voor het toekennen van die positie, en daarmee ook het doorbreken van paritas creditorum, wordt in de wetsgeschiedenis gezocht in de bescherming van het publiek dat erop mag vertrouwen en ook daadwerkelijk pleegt te vertrouwen dat de notaris, wiens wettelijke taak in vele gevallen meebrengt dat hem door derden gelden worden toevertrouwd, deze gelden afgescheiden houdt van zijn eigen vermogen. Ter zake van de vordering op het saldo van de kwaliteitsrekening ontstaat bij de meerderheidsopvatting in de literatuur wat betreft de koopsom geen gemeenschap tussen de koper en verkoper; zij zijn ter zake “spiegelbeeldig gerechtigd” tot het saldo van de kwaliteitsrekening, zodat slechts een gemeenschap bestaat tussen de koper respectievelijk verkoper en overige gerechtigden tot het saldo van de kwaliteitsrekening.
Nadere analyse
[verweerder] neemt in essentie het standpunt in dat onder rechthebbenden op het saldo van de kwaliteitsrekening in de zin van art. 25 Wna enkel moet worden verstaan de cliënten van de notaris (de partijen die betrokken zijn bij de notariële akte/transactie), en dat onder rechthebbenden derhalve geen andere (rechts)personen vallen, ongeacht of de betrokken partijen de gelden op de kwaliteitsrekening hebben overgemaakt met het oog op toekomstige betalingen aan die anderen; dus ook niet het Kadaster. Het Kadaster ziet dat dus anders. Voor deze op voorhand beperkte uitleg van “rechthebbenden” zoals voorgestaan door [verweerder] is m.i. in wet, wetsgeschiedenis, rechtspraak van de Hoge Raad en toepasselijke literatuur evenwel geen afdoende steun te vinden. Zie onder 3.7-3.10 hierna.
Op de voet van art. 25 lid 1 Wna houdt de notaris een kwaliteitsrekening aan die uitsluitend is bestemd voor gelden die hij in verband met zijn werkzaamheden als zodanig onder zich neemt en moeten gelden die aan hem in verband met zijn werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden worden toevertrouwd op die rekening worden gestort. Op grond van art. 25 lid 3 Wna behoort het vorderingsrecht voortvloeiende uit de kwaliteitsrekening toe aan de gezamenlijke rechthebbenden en wordt het aandeel van iedere rechthebbende berekend naar evenredigheid van het bedrag dat te zijnen behoeve op de bijzondere rekening is gestort. Het betreft hier dus, in essentie, zogenoemde derdengelden; gelden die de notaris, in verband met zijn werkzaamheden in zijn hoedanigheid, voor derden tijdelijk onder zich neemt via de kwaliteitsrekening. Zie nader onder 3.5 hiervoor. Het door [verweerder] ingenomen standpunt valt hierin niet te lezen, noch overigens in die bepaling (waaronder art. 25 leden 2 en 4 Wna), waarover ook onder 3.5 hiervoor. Men zou toch verwachten dat als dit wel de bedoeling van de wetgever was geweest, zoals [verweerder] in essentie betoogt, dat ook wel zo had gestaan in art. 25 Wna.
Uit de wetsgeschiedenis van de Wna blijkt dat de ratio achter de invoering van de kwaliteitsrekening is, kort gezegd, dat passende bescherming moet worden geboden tegen het insolventierisico van de notaris:
“Het gaat hier om een bescherming van de financiële belangen van de cliënten, die erop moeten kunnen vertrouwen dat de bij de notaris gestorte gelden ten slotte ook terecht komen bij degenen voor wie ze bestemd zijn.”
In de wetsgeschiedenis wordt in dit verband evenwel niet enkel gesproken over de cliënten van de notaris, zoals de partijen bij de notariële akte/transactie, maar ook over van die cliënten van de notaris te onderscheiden derden, zoals de volgende passages illustreren.
“De bedoeling van het artikel is om derden voor wie de notaris in verband met zijn werkzaamheden in zijn hoedanigheid tijdelijk geld onder zich neemt te beschermen tegen déconfitures, fraude daaronder begrepen.”
“Dat de onderhavige groep derden een separatisten-positie wordt toegekend, spreekt niet van zelf, verg. HR 3 februari 1984, NJ 1984, 752, rov. 3.2, waar de nadruk wordt gelegd op de paritas creditorum. Om deze te doorbreken dienen er goede gronden te zijn. In dit geval kunnen die worden gezocht in de bescherming van het publiek dat erop mag vertrouwen en ook daadwerkelijk pleegt te vertrouwen dat de notaris wiens wettelijke taak in vele gevallen meebrengt dat hem door derden gelden worden toevertrouwd, deze gelden afgescheiden houdt van zijn eigen vermogen. Het nieuwe artikel beoogt hem daartoe op eenvoudige wijze in staat te stellen, doordat de storting op een bijzondere rekening voor gelden van derden plaats kan vinden, waaraan de wet het gevolg verbindt dat de betreffende vordering op de bank - kort gezegd - niet in het vermogen van de notaris valt, waardoor wordt voorkomen dat de gestort gelden door vermenging in dit vermogen opgaan.”
“Het lag toen voor de hand die bescherming hierin te zoeken dat de vordering op de bank uit de kwaliteitsrekening zonder meer aan de cliënten c.q. derden toebehoort en dat de notaris slechts beheerder is, met dien verstande dat uitsluitend de notaris de bevoegdheid heeft jegens de bank op te treden.”
“Juist is dat het notariaat aanleiding heeft gezien na de indiening in 1994 van het onderhavige wetsvoorstel met ingang van 1 juli 1995 de voormelde beroepsregel tot stand te brengen. Daaruit blijkt dat ook de KNB van oordeel is dat een dringende noodzaak bestaat om cliëntengelden, gelden van derden daarbij inbegrepen, te beschermen.”
“Op de kwaliteitsrekening zullen vooral gelden worden gestort die de notaris in verband met de overdracht van registergoederen onder zich moet houden, zoals de koopsom, de overdrachtsbelasting en de makelaarscourtage.”
Dat bevreemdt ook niet, omdat die gedachte dat de cliënten van de notaris “erop moeten kunnen vertrouwen dat de bij de notaris gestorte gelden ten slotte ook terecht komen bij degenen voor wie ze bestemd zijn” (waarover ook onder 3.3 hiervoor), niet logisch aansluit op de idee dat de notaris deze voor anderen dan de cliënten bestemde gelden zoals zijdens de cliënten op de kwaliteitsrekening gestort vervolgens wel naar believen mag laten vloeien naar zijn eigen vermogen (kantoorrekening) om van daaruit betalingen te doen, waardoor deze gelden niet langer van dat vermogen afgescheiden zijn anders dan de kwaliteitsrekening nu juist beoogt te bewerkstelligen (opdat die gestorte gelden ten slotte ook terecht komen bij degenen voor wie ze bestemd zijn). Het is m.i., in het verlengde daarvan, dan ook te eenzijdig gedacht om hier, wat betreft het beschermingsbereik van art. 25 Wna, op voorhand alleen strikt te redeneren vanuit de cliënten van de notaris (de partijen bij de notariële akte/transactie) als degenen die slechts aangemerkt kunnen worden als rechthebbenden op het saldo van de kwaliteitsrekening. De wetsgeschiedenis van art. 25 Wna dwingt daartoe volgens mij niet, net zomin dus als de wettekst van die bepaling (zie onder 3.7 hiervoor), zoals de literatuur ter zake ook illustreert (zie onder 3.10 hierna), waartoe de rechtspraak van de Hoge Raad ook de ruimte laat (zie onder 3.9 hierna). Het standpunt van [verweerder] dat de wetgever bij invoering van art. 25 Wna gewezen heeft op het belang van de bescherming van cliëntengelden, waaruit blijkt dat de ratio van de invoering van de kwaliteitsrekening in het bijzonder erin is gelegen om in het belang van de cliënten van de notaris te bewerkstelligen dat de gelden op die rekening buiten het eigen vermogen van de notaris blijven, en dat gezien deze ratio er geen enkele aanleiding is te veronderstellen dat de wetgever zou hebben beoogd ruimte te laten om (ook) anderen dan deze partijen (dus de cliënten van de notaris) zelf te kwalificeren als rechthebbende(n) op het saldo van de kwaliteitsrekening in de zin van art. 25 Wna, volg ik derhalve, mede gelet op het voorgaande, niet: ik lees de wetsgeschiedenis ter zake niet zo eng.
Voor zover [verweerder] zou betogen dat uit het arrest van de Hoge Raad van 16 april 2021 iets anders volgt, deel ik die lezing van dit arrest niet. In dit arrest is door de Hoge Raad, ter zake de vraag wie rechthebbenden zijn op het saldo van de kwaliteitsrekening zoals bedoeld in art. 25 Wna, vooropgesteld, onder verwijzing naar vaste rechtspraak ter zake:
“Rechthebbenden op het saldo van de kwaliteitsrekening zijn degenen ten behoeve van wie gelden op de rekening zijn bijgeschreven, onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden.”
Ik lees ook hierin niet dat het volgens de Hoge Raad ter zake enkel kan gaan om, kort gezegd, de cliënten van de notaris (de partijen bij de notariële akte/transactie): deze contextuele maatstaf impliceert, althans in potentie, een ruimer bereik (wat dus ook strookt met de tekst en wetsgeschiedenis van art. 25 Wna, waarover onder 3.7-3.8 hiervoor, alsmede de literatuur ter zake, waarover onder 3.10 hierna). Vervolgens is, naar ik begrijp, door de Hoge Raad in het genoemde arrest, toegespitst op de koopovereenkomst, meer in het bijzonder de koop en verkoop van een registergoed, en de op de kwaliteitsrekening gestorte koopsom in dat verband, wat betreft de rechtsverhouding tussen de koper en de verkoper (dus de betrokken partijen bij die koopovereenkomst) als rechthebbenden op dat bedrag, het volgende overwogen:
“Of een partij kan worden aangemerkt als rechthebbende in de zin van art. 25 leden 2 en 4 Wna hangt bij een koopovereenkomst af van de rechtsverhouding tussen de betrokken partijen. Die rechtsverhouding wordt bij koop en verkoop van een registergoed in beginsel bepaald door het stelsel van art. 7:26 lid 3 BW. Dit stelsel brengt mee dat na storting van de koopsom op de kwaliteitsrekening zowel de koper als de verkoper tot het beloop van het bedrag van de koopsom voorwaardelijk gerechtigd is tot het saldo op de kwaliteitsrekening. De verkoper is daartoe gerechtigd onder de opschortende voorwaarde van een vrije en onbezwaarde levering (in de veronderstelling dat daarmee ook de overdracht is bewerkstelligd), en de koper onder dezelfde maar dan ontbindende voorwaarde.”
Als bij de narecherche door de notaris (zie onder 3.2 en 3.4 hiervoor) is vastgesteld dat de levering vrij en onbezwaard heeft plaatsgevonden, en op dat moment evenmin blijkt van andere beletselen, kan worden aangenomen dat de overdracht is bewerkstelligd; vanaf dat moment kan de verkoper uitbetaling van de koopsom verlangen., De notaris mag echter niet tot betaling aan de verkoper overgaan als tegen het moment van uitbetaling de veronderstelling dat de vrije en onbezwaarde levering tot eigendomsoverdracht heeft geleid, onjuist is gebleken. Kortom, dit arrest van de Hoge Raad betreft dan naar de kern genomen dus (slechts) de verhouding tussen koper en verkoper bij de koop en verkoop van een registergoed en de vraag wie van deze partijen (dus bij die koopovereenkomst) op welk moment rechthebbende is van de op de kwaliteitsrekening gestorte, voor de verkoper bestemde koopsom., Hiermee is m.i. nog niets gezegd over de gerechtigdheid van anderen dan de koper en de verkoper op eventuele andere op de kwaliteitsrekening gestorte bedragen dan die koopsom, gegeven ook die vooropstelling van de Hoge Raad ten aanzien van de hanteren maatstaf.
Ook uit de literatuur blijkt m.i. niet van een breed gedragen opvatting zoals voorgestaan door [verweerder] , veeleer het tegendeel.Kortmann & Faber merken op: dat door sommige schrijvers wordt verdedigd dat niet de rekeninghouder zelf de schuldeiser is van de vordering op de bankinstelling, maar “degene voor wie de op de rekening gestorte gelden zijn bestemd”, namelijk de belanghebbende; dat als er meerdere belanghebbenden zijn, tussen deze belanghebbenden een gemeenschap bestaat; en dat deze benadering is gekozen voor de notariële kwaliteitsrekening van de Wna. Volgens Steneker moet van geval tot geval worden beoordeeld wie als rechthebbende(n) (“belanghebbende(n)”) moet(en) worden aangemerkt bij een op een kwaliteitsrekening bijgeschreven bedrag, en is de (uiteindelijke) bestemming van het bedrag daarvoor bepalend, niet de herkomst ervan:
“Een algemene kwaliteitsrekening kan ten behoeve van sommige belanghebbenden een enkelvoudige, en ten behoeve van andere belanghebbenden een meervoudige zekerheidsfunctie vervullen. Dit zal zelfs veelal het geval zijn. Een algemene kwaliteitsregeling kent in dat geval twee categorieën belanghebbenden. Sommige belanghebbenden hebben onvoorwaardelijke vorderingen, die niet in relatie staan tot vorderingen van andere belanghebbenden (enkelvoudige zekerheidsfunctie). Andere belanghebbenden hebben vorderingen onder opschortende voorwaarden, welke vorderingen in relatie staan tot de vorderingen van één of meer andere belanghebbenden (meervoudige zekerheidsfunctie). Deze laatste categorie belanghebbenden is onder te verdelen in groepen van (vaak twee) belanghebbenden, bijvoorbeeld een koper en een verkoper. Het bedrag dat ten behoeve van zo’n groep belanghebbenden op de kwaliteitsrekening staat, is te allen tijde bekend. Het bedrag dat ten behoeve van één belanghebbende op de kwaliteitsrekening staat, kan pas worden vastgesteld nadat de gebeurtenis die het onderwerp is van de aan zijn vordering verbonden opschortende voorwaarde, zich heeft voorgedaan.Opmerking verdient dat van geval tot geval moet worden beoordeeld wie als belanghebbende(n) moet(en) worden aangemerkt bij een op de kwaliteitsrekening bijgeschreven bedrag. Daarvoor is de (uiteindelijke) bestemming van het bedrag bepalend, en niet de herkomst ervan. Wanneer een bedrag op een kwaliteitsrekening wordt bijgeschreven, zijn er drie mogelijkheden. De persoon die het bedrag deed bijschrijven, kan daarmee zelf de enige belanghebbende bij dat bedrag zijn geworden. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer hij het beheer over dat bedrag tijdelijk aan de tussenpersoon heeft uitbesteed, en het bedrag uiteindelijk weer aan hemzelf zal worden uitgekeerd. De tweede mogelijkheid is dat de persoon die het bedrag deed bijschrijven, samen met één of meer anderen belanghebbende wordt bij dat bedrag. Dit is meestal het geval wanneer de kwaliteitsrekening ten behoeve van die belanghebbenden een meervoudige zekerheidsfunctie vervult, omdat het bedrag waarop de belanghebbenden een voorwaardelijke aanspraak hebben, meestal door één van die belanghebbenden naar de kwaliteitsrekening wordt overgemaakt. De derde mogelijkheid is dat de persoon die een bedrag doet bijschrijven, daarmee zelf geen belanghebbende wordt bij dat bedrag. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer iemand de inning van zijn vorderingen heeft uitbesteed aan een tussenpersoon. Wanneer een schuldenaar in dat geval op de kwaliteitsrekening van de tussenpersoon betaalt, wordt de schuldeiser belanghebbende bij het bijgeschreven bedrag.”
[cursivering in origineel, zonder verwijzing in origineel, A-G]
Snijders & Rank-Berenschot menen dat de op een kwaliteitsrekening van de notaris gestorte netto-opbrengst niet tot het vermogen van de geëxecuteerde behoort, maar tot dat van de gezamenlijke rechthebbenden “ten behoeve van wie de gelden zijn bijgeschreven”. Van Mierlo & Krzeminski duiden deze gezamenlijke belanghebbenden als degenen “ten behoeve van wie de kwaliteitsrekening wordt aangehouden”.Verstappen schrijft dat uit de bij elke opdracht vooraf geplande stroom van gelden, blijkende uit de nota van afrekening (waarover onder 3.3 hiervoor), de notaris minst genomen niet alleen houdt voor de koper en verkoper, maar ook voor anderen. Hij noemt, naast de betrokken hypothecaire financiers van de (ver)koper, ook de Staat der Nederlanden vanwege overdrachtsbelasting, eventueel betrokken makelaars en het Kadaster vanwege inschrijvingen van akten, kortom: allen die ter zake een overdracht gelden beschikbaar stellen en allen aan wie die gelden via de kwaliteitsrekening worden uitbetaald. Ook in de modelovereenkomst van een onroerende zaak en de modelakte tot levering van een onroerende zaak van de Modellen voor de Rechtspraktijk wordt ervan uitgegaan dat schuldeisers van de koper of verkoper die via de nota van afrekening worden betaald rechthebbenden kunnen zijn op het saldo van de kwaliteitsrekening. In art. 3 sub e van de modelkoopovereenkomst van een onroerende zaak is opgenomen dat bij vervulling van de voorwaarden die gelden voor de levering van de onroerende zaak de notaris de koopprijs houdt voor (i) de verkoper voor het nettobedrag dat hij blijkens de afrekening uit de verkoopopbrengst uitgekeerd krijgt, (ii) zijn eventuele financier voor het bedrag dat deze blijkens de afrekening uit de verkoopopbrengst uitgekeerd krijgt, en (iii) eventuele “overige schuldeisers van de verkoper of de koper”, voor zover zij blijkens de afrekening uit de koopprijs worden voldaan”. Onder “overige schuldeisers” worden enkel verstaan:
“[D]e schuldeisers die - in verband met de correcte afwikkeling van de koop en levering van het verkochte overeenkomstig de voor de notaris geldende beroeps- en beleidsregels - uit de koopprijs worden voldaan zoals blijkt uit de afrekening, zoals bijvoorbeeld de Belastingdienst ter zake van de overdrachtsbelasting en het Kadaster ter zake van de inschrijvingskosten van deze akte.”
In art. 5 van de modelakte tot levering van een onroerende zaak is een nagenoeg gelijkluidende bepaling opgenomen.,Waaijer schrijft dat rechthebbenden op de gestorte gelden op de kwaliteitsrekening degenen zijn die deze gelden hebben gestort (bijvoorbeeld de koper van onroerend goed en hypothecaire geldverstrekker) en degenen voor wie deze gelden bestemd zijn (in elk geval de verkoper, houder van een hypotheekrecht ten laste van het onroerend goed en beslaglegger), naar evenredigheid van het door of voor elk van hen gestorte bedrag en afhankelijk van de voorwaarde waaronder de storting plaatsvond, en schrijft vervolgens dat na overdracht tot de rechthebbenden mede behoren “de debiteuren van de verkoper en koper voor wie zij via de nota van afrekening gelden bestemd hebben ter afbetaling van hun schulden” doordat de notaris zorgdraagt voor uitboeking, dat in dat verband gedacht dient te worden aan de makelaars van de verkoper en koper, en dat zij ingevolge een derdenbeding een eigen recht van de verkoper en koper verkrijgen. Het Kadaster sluit hij evenwel van deze groep uit, nu “[d]ebiteuren van de notaris niet behoren tot de rechthebbenden”; waarom het Kadaster ter zake schuldeiser zou zijn van de notaris, motiveert hij niet. Stokkermans schrijft dat de notaris niet zelf de schuldeiser van de “registratievergoedingen” is en dat de notaris voor de door hem gemaakte kosten wel rechthebbende kan zijn. Ook meent hij dat de instanties die kosten voor registraties in rekening gaan brengen, moeilijk kunnen worden aangemerkt als rechthebbende, daarbij het zwaartepunt leggend (“zeker als”) bij de situatie waarin die registraties nog niet hebben plaatsgevonden; uitsluiten doet hij dit dus niet. Hij vermoedt dat de bedoeling van de wetgever is dat de koper en/of verkoper, al dan niet voorwaardelijk, gerechtigd zijn tot het “tarra-deel” (de kosten die ten laste van de “bruto-koopsom” worden gebracht), voor zolang daarvoor nog geen “derde-rechthebbende” (dus een ander dan de koper of verkoper) aangewezen kan worden, die er z.i. dus wel kunnen zijn. Avezaat schrijft dat de financier van de verkoper en eventueel nog andere betrokkenen, zoals de makelaar en de Ontvanger, als rechthebbenden kunnen worden aangemerkt, als de koper en verkoper in de koopovereenkomst een derdenbeding ten gunste van deze partijen opnemen, waardoor zij, wanneer de koper de koopsom op de kwaliteitsrekening stort, rechtstreeks deelgenoten worden in de uit de kwaliteitsrekening voortvloeiende gemeenschappelijke vordering op de bank.Heyman, Bartels & Tweehuysen nemen het standpunt in dat, als uitgangspunt (zie hierna), derden voor het bedrag aan verschuldigde kosten geen rechthebbenden worden op het saldo van de kwaliteitsrekening. H.i. is voor de afwikkeling van de koopovereenkomst niet noodzakelijk dat de schuldeisers aan wie de kosten moeten worden uitbetaald rechtstreeks gerechtigd worden tot de kwaliteitsrekening. Het zou tot een niet te rechtvaardigen inbreuk op het beginsel van gelijkheid van schuldeisers leiden als door betaling via de kwaliteitsrekening bedoelde schuldeisers de facto een positie als separatist zouden krijgen. Het gestorte bedrag aan verschuldigde kosten blijft daarom, ook na een geslaagde overdracht, in beginsel onvoorwaardelijk tot het vermogen van de koper. Zij maken evenwel diverse uitzonderingen: voor notariskosten, nu art. 25 lid 4 Wna bepaalt dat ook de notaris zelf postconcurrent gerechtigd kan zijn tot de kwaliteitsrekening; voor de overdrachtsbelasting, omdat, kort gezegd, de notaris ex art. 42 lid 1 Invorderingswet 1990 naast de koper hoofdelijk aansprakelijk is jegens de fiscus voor de betaling van overdrachtsbelasting die op de door hem gepasseerde akte van levering verschuldigd is; en voor de schulden van de verkoper waarvoor de koper hoofdelijk aansprakelijk wordt, zoals achterstallige erfpachtcanon en de op een appartementsrecht drukkende servicekosten, nu de koper recht heeft het gekochte vrij van deze lasten te verkrijgen. Dat de fiscus zelf, zodra de overdracht is geslaagd, gerechtigd is tot het saldo op de kwaliteitsrekening, kan h.i. “ook” worden afgeleid uit de formulering van art. 25 lid 3 Wna: het bedrag is “te zijnen behoeve” op de rekening overgemaakt.Wolfert, tot slot, neemt een enger standpunt in, waar zij - kennelijk categorisch - schrijft dat partijen die zijn betrokken bij de overdracht van een onroerende zaak anders dan de koper en verkoper geen rechthebbenden van de vordering uit de kwaliteitsrekening zijn, omdat de rechtstreekse uitkeringen aan deze partijen niet terug te voeren zijn op een opdracht van die andere partijen en de noodzaak ontbreekt om die andere partijen aan te merken als rechthebbenden. Een dergelijke strikte, smalle benadering (die [verweerder] in essentie ook voorstaat) ben ik, zoals het voorgaande laat zien, in de literatuur alleen bij haar tegengekomen.
Uit hetgeen ik heb uiteengezet onder 3.7-3.10 hiervoor volgt m.i. dus dat, naar valt aan te nemen, de kring van rechthebbenden op het saldo van de kwaliteitsrekening in de zin van art. 25 Wna in een concreet geval niet per definitie beperkt is tot de cliënten van de notaris (de partijen bij de notariële akte/transactie), maar ook ruimer kan zijn. Of dit laatste in een concreet geval aan de orde is, zal afhangen van de feiten en omstandigheden van dat geval. Daarbij kan een benadering worden gehanteerd waarin niet op voorhand een in beginsel-beperking is opgenomen met de mogelijkheid van een uitzondering, maar ook een benadering waarin zo’n in beginsel-beperking met de mogelijkheid van een uitzondering wel is opgenomen, met als vertrekpunt dat slechts genoemde partijen tot die kring behoren. Welke benadering men ook kiest, waar het, zoals in de onderhavige zaak, gaat om het Kadaster als betrokken derde meen ik dat, met inachtneming ook van het navolgende, in een concreet geval het Kadaster, wat betreft de inschrijvingskosten, tot die kring kan worden gerekend.
Ter discussie tussen [verweerder] en het Kadaster is tevens of het Kadaster wegens inschrijvings- en recherchekosten een vordering heeft op, en daarmee schuldeiser is van, (het kantoor van) de notaris. [verweerder] voert aan dat de partijen bij de notariële akte/transactie ter zake geen positie als schuldenaar jegens het Kadaster innemen, maar dat de schuld jegens het Kadaster een kantoorverplichting is van de notaris die van de diensten van het Kadaster gebruik maakt, aan welk kantoor het Kadaster de facturering inzake inschrijvings- en recherchekosten richt (betreffende de gerelateerde handelingen van de notarissen van het kantoor) onder hantering van een betalingstermijn. Het Kadaster stelt zich op het standpunt dat die wijze van facturering voor het al dan niet zijn van rechthebbende niet bepalend is. Het Kadaster richt weliswaar de facturering van de kadasterkosten aan het kantoor van de notaris (onder hantering van een betalingstermijn), maar de (materiële) schuldenaren ter zake zijn de partijen bij de notariële akte/transactie (zijdens wie de kadasterkosten zijn gestort op de kwaliteitsrekening, ten behoeve van het Kadaster), nu, kort gezegd, de notaris de desbetreffende kadasterkosten namens hen heeft gemaakt, en de notaris fungeert slechts als ‘doorgeefluik’ voor de gelden die deze partijen aan het Kadaster willen (en moeten) doen toekomen waar hij deze zijdens partijen op de kwaliteitsrekening gestorte gelden uiteindelijk overmaakt aan het Kadaster (wat dan ook rechtstreeks vanaf die, door de notaris beheerde, kwaliteitsrekening dient te geschieden).
In de onder 3.10 hiervoor weergegeven literatuur wordt, expliciet dan wel impliciet, zowel het standpunt ingenomen dat (het kantoor van) de notaris geen schuldenaar is van het Kadaster, als dat (het kantoor van) de notaris dat wel is. Deze aannames worden echter nauwelijks tot niet gemotiveerd. Dit punt is m.i. van belang, aangezien, zoals ook volgt uit wetsgeschiedenis en literatuur, uitgangspunt is dat het saldo van de kwaliteitsrekening niet blootstaat aan verhaal door schuldeisers van de notaris, zodat als aangenomen moet worden dat (het kantoor van) de notaris voor de inschrijvingskosten en/of recherchekosten zelf de schuldenaar is van het Kadaster, het Kadaster ter zake logischerwijs ook geen rechthebbende kan zijn op het saldo van de kwaliteitsrekening in de zin van art. 25 Wna. Het door het Kadaster ingenomen standpunt, dat het gegeven dat de koper en verkoper een deel van de gelden op de kwaliteitsrekening uitdrukkelijk voor het Kadaster bestemd hebben (zie ook onder 3.3 hiervoor) reeds meebrengt dat hij rechthebbende is op het saldo van de kwaliteitsrekening, is dan ‘te kort door de bocht’. Ik meen evenwel dat dit laatste ook opgaat voor het onder 3.12 hiervoor weergegeven standpunt van [verweerder] , althans waar het gaat om de inschrijvingskosten, waarmee ik aanvang.Ingevolge art. 16 Wna berust het verrichten van de wettelijke werkzaamheden en werkzaamheden die de notaris in samenhang daarmee pleegt te verrichten op een overeenkomst tussen de notaris en zijn cliënt(en) (de partijen bij de notariële akte/transactie), zoals bedoeld in titel 5 van Boek 6 BW; aangenomen wordt dat daarbij niet alleen sprake is van een opdrachtrelatie, maar ook lastgeving een rol speelt (zie onder 3.3 hiervoor).Zo schrijft Van Es dat de notaris de aanbieding van de leveringsakte ter inschrijving zoals bedoeld in art. 3:89 lid 1 BW (zie onder 3.2 hiervoor) namens partijen doet, als lasthebber, en dat aangenomen dient te worden dat het niet per se nodig is om uitdrukkelijk in de leveringsakte op te nemen dat partijen de notaris die last geven tot inschrijving of iets van gelijke strekking, nu het adiëren van de notaris voor het maken van een leveringsakte die last omvat. Wat Van Es hier schrijft over het handelen van de notaris ter zake (ook) namens partijen in het kader van die last, hetgeen tevens een daartoe strekkende volmacht aan de notaris (art. 3:60 lid 1 BW) impliceert, vindt ook bevestiging in andere bronnen. Zo schrijft Huijgen dat ieder der partijen geheel zelfstandig, en doorgaans de notaris namens hen, de inschrijving van een afschrift van de leveringsakte in de openbare registers kan doen plaatsvinden. Zo schrijft Van Velten dat de vervreemder of de verkrijger de akte kan doen inschrijven in de openbare registers, maar dat in de praktijk altijd de notaris namens partijen voor inschrijving, en dus voor overdracht, zorgdraagt. En zo schrijft Van Drunen dat de notaris de leveringsakte namens zowel de verkoper als de koper aanbiedt aan het Kadaster ter inschrijving in de openbare registers. Dit vindt ook steun in de gangbare modelakte tot levering van een onroerende zaak van de Modellen voor de Rechtspraktijk, waarin in art. 17 is opgenomen:
“Elk van partijen geeft volmacht aan mij, notaris, om een afschrift of uittreksel van deze akte in te schrijven in de openbare registers gehouden door de Dienst voor het kadaster en de openbare registers.”
[cursivering toegevoegd, A-G]
Dit strookt voorts ook met de wetsgeschiedenis van art. 3:24 BW, waarin onder meer het volgende te lezen valt:
“Het ontwerp bevat geen algemene regel met betrekking tot de vraag wie bevoegd is aan de bewaarder van de registers inschrijving van een feit te verzoeken. Gaat het om een overdracht, dan is van belang het bepaalde in de slotzin van het eerste lid van artikel 3.4.2.4 [art. 3:89 lid 1 BW, A-G], volgens welke een leveringsakte zowel door de verkrijger als de vervreemder ingeschreven kan worden. In het algemeen zal men kunnen zeggen dat ieder die bij de inschrijving van een feit dat voor inschrijving vatbaar is, belang heeft, aan de bewaarder der registers inschrijving kan verzoeken, mits hij de daartoe nodige stukken overlegt. Gaat het om een feit, zoals de overdracht van een registergoed, waarvan het doen inschrijven aan bepaalde personen is voorbehouden (artikel 3.4.2.4 lid 1), dan zal men uiteraard van een volmacht van een dezer personen moeten zijn voorzien.”
Door [verweerder] is hieraan geen noemenswaardige aandacht besteed, ook niet in reactie op het daartoe door het Kadaster aangevoerde. Het ligt in de rede dat waar de notaris de leveringsakte aldus namens de koper (verkrijger) en verkoper (vervreemder) ter inschrijving aanbiedt bij het Kadaster zoals bedoeld in art. 3:89 lid 1 BW en hij de desbetreffende rechtshandeling aldus in naam van deze partijen bij de notariële akte/transactie (zijn cliënten) verricht, niet de notaris maar deze partijen de contractuele wederpartij worden van het Kadaster in het kader van de daaropvolgende, aldus door hen verzochte dienstverlening door het Kadaster inzake die inschrijving, en niet (het kantoor van) de notaris maar deze partijen uit dien hoofde schuldenaar worden van het Kadaster wat betreft de door laatstgenoemde in verband met die dienstverlening in rekening te brengen inschrijvingskosten. Hoe dit een en ander niettemin anders zou kunnen zijn, is, gegeven het voorgaande, wat mij betreft moeilijk voorstelbaar. M.i. staat daaraan niet in de weg dat, zoals genoemd door [verweerder] , het Kadaster de facturering aan (het kantoor van) de notaris richt onder hantering van een betalingstermijn, wat het Kadaster overigens ook niet ontkent, nu een dergelijke, kennelijk op praktische leest geschoeide werkwijze, waarbij sprake is van periodieke verzamelfacturen, als zodanig naar de aard nog niet maakt dat ‘dus’ de werkelijke rechtsverhouding ter zake een andere zou zijn dan die tussen het Kadaster en genoemde partijen zoals hiervoor weergegeven waar de notaris, conform ook genoemde zienswijze van het Kadaster, geacht kan worden namens genoemde partijen te hebben gehandeld. Daarbij valt mede te bedenken dat het ook de notaris is, hier optredend namens diens cliënten, met wie het Kadaster feitelijk contact heeft in dossiers inzake inschrijving van een leveringsakte in de zin van art. 3:89 lid 1 BW (in verbinding met art. 3:98 BW) en dat het ook de notaris is die toegang heeft tot het zijdens de partijen bij de notariële akte/transactie (als onderdeel van het op basis van de relevante nota van afrekening op de kwaliteitsrekening bijgeschreven totaalbedrag) op de kwaliteitsrekening gestorte bedrag dat bedoeld is voor voldoening van deze inschrijvingskosten aan het Kadaster. Zie over zo’n aan de notaris gerichte factuur inzake inschrijvingskosten ook onder 3.14 hierna.De zaken liggen wat mij betreft anders met betrekking tot de recherchekosten. Art. 3:89 lid 1 BW (in verbinding met art. 3:98 BW) vergt op zichzelf niet dat de notaris recherchewerkzaamheden verricht, dit laatste is geen constitutief vereiste voor een rechtsgeldige overdracht van een registergoed (of vestiging daarop van een beperkt recht). Iets anders is dat normaliter de koper en verkoper in de koopovereenkomst overeenkomen dat de verkoper verplicht is het registergoed vrij van beslagen en beperkte rechten aan de koper over te dragen, gevolgd door een overeenkomst (van opdracht) met de notaris met het oog op de nakoming van die contractuele verplichting, welke overeenkomst mede erop gericht is dat de notaris rechercheert of conform die contractuele verplichting het registergoed vrij van beslagen en beperkte rechten door de verkoper kan worden overgedragen (zie ook onder 3.2 en 3.4 hiervoor), welke recherche door de notaris als aspect van de opdracht dermate essentieel wordt geacht dat zij niet kan worden ‘weg-gecontracteerd’. Bij zijn werkzaamheden dient de notaris de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen (art. 7:401 BW). Voorts rust op hem beroepsmatig een zorgplicht uit hoofde van art. 17 lid 1 Wna en heeft hij blijkens vaste rechtspraak van de Hoge Raad een zwaarwegende zorgplicht ter zake wat nodig is voor het intreden van de rechtsgevolgen welke zijn beoogd met de in de notariële akte opgenomen rechtshandelingen, waaronder het onderzoek doen in registers. Uit de door mij bestudeerde bronnen is mij niet gebleken dat de notaris in het kader van deze recherchewerkzaamheden, die dus ook nauw samenhangen met zijn taak als notaris en genoemde beroepsmatige zorgplicht (uit hoofde van art. 17 lid 1 Wna), geacht wordt namens zijn cliënten daarmee verband houdende rechtshandelingen te verrichten (zoals het verzoeken aan het Kadaster om inzagen in de openbare registers) wat ook niet vereist is, dit niettegenstaande het feit dat dergelijke werkzaamheden, net als het ter inschrijving in de openbare registers aanbieden door de notaris (dus namens partijen, zie hiervoor) aan het Kadaster van de desbetreffende leveringsakte (of vestigingsakte), verband houden met, en een standaardonderdeel zijn van, genoemde transactie (overdracht van een registergoed, althans bezwaring daarvan). Illustratief is dat ook in de door het Kadaster in hoger beroep overgelegde opinies van prof. mr. L.C.A. Verstappen nadrukkelijk en ongeclausuleerd ervan wordt uitgegaan dat met dergelijke inzageverzoeken verband houdende recherchekosten, anders dan genoemde inschrijvingskosten, door (het kantoor van) de notaris aan het Kadaster verschuldigd zijn en dat de notaris het daarmee verband houdende bedrag zoals gestort zijdens partijen bij de notariële akte/transactie op de kwaliteitsrekening mag overboeken van die rekening naar zijn kantoorrekening, wat veronderstelt dat de notaris dergelijke inzageverzoeken op eigen naam geacht wordt te doen bij het Kadaster (waarbij tussen het Kadaster en partijen bij de notariële akte/transactie dus niet (ook) een rechtsverhouding ter zake tot stand komt). Dit strookt ook met het ontbreken van een volmachtbepaling ter zake in de gangbare modelakte tot levering van een onroerende zaak van de Modellen voor de Rechtspraktijk (waarvan art. 17, zoals hiervoor geciteerd, dus wel een bepaling bevat met betrekking tot het ter inschrijving in de openbare registers aanbieden door de notaris (dus namens partijen) aan het Kadaster van de desbetreffende leveringsakte) en in de gangbare vestigingsakten van de Modellen voor de Rechtspraak als genoemd in noot 137 hiervoor (waarin dus ook met art. 17 van de modelakte tot levering van een onroerende zaak vergelijkbare volmachtbepalingen zijn opgenomen), alsmede met het ontbreken van enige verwijzing door het Kadaster naar een bron die in een andere richting wijst.
Dit een en ander leidt ertoe dat het Kadaster dan wel wat betreft de inschrijvingskosten maar niet wat betreft de recherchekosten aangemerkt kan worden als schuldeiser van de partijen bij de notariële akte/transactie (wat betreft de recherchekosten is het Kadaster dan schuldeiser van (het kantoor van) de notaris), waarvan ik in het vervolg uitga.
Waar aldus, kort gezegd, aan te nemen valt dat zijdens de partijen bij de notariële akte/transactie als onderdeel van het op basis van de relevante nota van afrekening op de kwaliteitsrekening bijgeschreven totaalbedrag een bedrag op die rekening is gestort met het oog op voldoening aan het Kadaster van de onder 3.1 en 3.13 hiervoor bedoelde, te maken inschrijvingskosten (zie onder 3.3 hiervoor), en dat tussen enerzijds het Kadaster en anderzijds deze partijen de onder 3.13 hiervoor bedoelde rechtsverhouding bestaat waaruit volgt dat het Kadaster ter zake van die inschrijvingskosten niet aan te merken valt als schuldeiser van (het kantoor van) de notaris maar wel van genoemde partijen, rijst de vraag of het Kadaster dan ter zake ook te kwalificeren valt als rechthebbende op het saldo van de kwaliteitsrekening in de zin van art. 25 Wna. Ik zie, gelet op hetgeen ik heb uiteengezet onder 3.1-3.13 hiervoor, geen goede reden voor ontkennende beantwoording daarvan, veeleer het tegendeel. Daarbij betrek ik, samengevat en ook puttend uit dat voorgaande, in het bijzonder het volgende:
- het Kadaster, onderdeel van de overheid, heeft blijkens art. 2a, aanhef en onder a Kadasterwet mede tot doel de bevordering van de rechtszekerheid ten aanzien van registergoederen in het rechtsverkeer, in het economisch verkeer en in het bestuurlijk verkeer tussen burgers en bestuursorganen, en vervult (ook) daarmee een belangrijke maatschappelijke functie;
- het Kadaster is dé instantie waar leveringsaktes inzake overdracht van registergoederen (althans vestigingsaktes ter zake beperkte rechten daarop) worden aangeboden ter inschrijving en die inschrijving (door het Kadaster) vervolgens plaatsvindt, en waar inzage wordt geboden in de openbare registers wat betreft de daaruit blijkende juridische status van het desbetreffende registergoed;
- blijkens art. 3:89 BW (in verbinding met art. 3:98 BW) is zo’n inschrijving door het Kadaster constitutief en daarmee essentieel voor het realiseren van de normaaltypisch door de genoemde partijen beoogde overdracht (of bezwaring) van het desbetreffende registergoed;
- recherche naar de juridische status van het desbetreffende registergoed, in welk verband genoemde inzagen worden verzocht en door het Kadaster worden verschaft, is, hoewel niet wettelijk vereist als constitutief element voor zo’n overdracht (of bezwaring) als zodanig, in de praktijk wel een standaardonderdeel van een dergelijke transactie;
- verzoeken tot inschrijving door het Kadaster van dergelijke aktes en inzagen bij het Kadaster komen veelvuldig voor: dat is, zo gezegd, voor het Kadaster ‘aan de orde van de dag’;
- gelet op art. 3:19 lid 1 BW (in verbinding met art. 3:20 lid 1 BW) geschiedt de inschrijving van dergelijke aktes door het Kadaster “terstond” na aanbieding daarvan als aan de daar bedoelde voorwaarden is voldaan, het Kadaster kan een inschrijving ter zake dan niet weigeren;
- gelet ook op de Regeling betaling kadastraal recht (waaruit volgt dat enkel in “bijzondere gevallen” het Kadaster kan verlangen, kort gezegd, dat voorafgaand aan het verrichten van de werkzaamheden zekerheid wordt gesteld voor betaling; zie art. 1 lid 2) dient het Kadaster in beginsel zijn werkzaamheden te verlenen zonder, kort gezegd, daaraan voorafgaand zekerheid te (kunnen) verlangen voor betaling van de met genoemde verzoeken gepaard gaande inschrijvingskosten respectievelijk recherchekosten;
- de partijen bij een notariële akte/transactie inzake de overdracht van een registergoed (althans de vestiging van een beperkt recht daarop) hebben in verband met genoemde inschrijving en inzagen duidelijk belang bij een relatief laagdrempelige/betaalbare toegang tot het Kadaster en vlotte/ongecompliceerde afwikkeling van verzoeken tot inschrijving en inzage door het Kadaster;
- het is bevorderlijk te achten voor het maatschappelijke belang van voorkoming van een verminderd laagdrempelige/betaalbare toegang tot het Kadaster althans vlotte/ongecompliceerde afwikkeling van verzoeken tot inschrijving en inzage door het Kadaster, en daarmee ook voor zijn maatschappelijke functie en eigen gerechtvaardigde belang, als het Kadaster ten minste wat betreft genoemde inschrijvingskosten in concrete dossiers de zekerheid heeft van voldoening daarvan die gepaard gaat met het ter zake worden/zijn van rechthebbende op het saldo van de kwaliteitsrekening in de zin van art. 25 Wna (wat insluit, maar niet beperkt is tot, betaling aan het Kadaster van genoemde inschrijvingskosten door tussenkomst van de notaris vanaf de kwaliteitsrekening);
- aan dit laatste is inherent dat dat zijdens de partijen bij de notariële akte/transactie op de kwaliteitsrekening gestorte bedrag met het oog op voldoening van genoemde inschrijvingskosten, op welke rekening dat bedrag dan ook thuishoort, niet door de notaris mag worden overgeboekt naar (een andere (niet-kwaliteits)rekening, waaronder) diens eigen kantoorrekening, nu (het kantoor van) de notaris dan ter zake niet valt aan te merken als rechthebbende op het saldo van de kwaliteitsrekening, daarmee een ontoelaatbare doorkruising van die (voorzienbare) positie van het Kadaster als wel-rechthebbende ter zake wordt vermeden, en dit ook recht doet aan de in de wetsgeschiedenis van art. 25 Wna geuite gedachte dat de cliënten erop moeten kunnen vertrouwen dat de bij de notaris gestorte gelden “ten slotte ook terecht komen bij degenen voor wie ze bestemd zijn” (hier dus, wat betreft de inschrijvingskosten, het Kadaster), waarvoor een onverkort over de kwaliteitsrekening lopende route, ook voor partijen, als de meest veilige en eenvoudige valt aan te merken;
- in het licht hiervan valt ook niet in te zien welk rechtens te respecteren belang van (het kantoor van) de notaris tot een andere uitkomst zou dwingen, waarbij nog zij opgemerkt dat voor de notaris duidelijk moet zijn welke aktes door hem zijn aangeboden ter inschrijving aan het Kadaster (gevolgd door inschrijving daarvan door het Kadaster), wat de daarmee gepaard gaande en door de desbetreffende partijen bij de notariële aktes/transacties aan het Kadaster verschuldigde inschrijvingskosten zijn, dat de notaris als beheerder zelf het inzicht heeft in de door hem gebruikte kwaliteitsrekening(en), alsmede dat het hier gaat om betalingen aan het Kadaster, een overheidsinstantie, als schuldeiser.
Kort en goed: m.i. strookt het met dit een en ander, inclusief 3.1-3.13 hiervoor, een bevestigende beantwoording van genoemde vraag te aanvaarden en daarmee het Kadaster, als rechthebbende ter zake op het saldo van de kwaliteitsrekening, onder het beschermingsbereik van art. 25 Wna te laten vallen (oftewel hem die positie niet te ontzeggen). Ik zou menen dat dit dan voor het Kadaster volgt uit (het stelsel van) art. 25 Wna in verbinding met de contractuele rechtsverhouding tussen het Kadaster en de partijen bij de notariële akte/transactie ter zake (zie onder 3.13 hiervoor), zonder dat dit (ook nog) vergt dat sprake is van een daartoe strekkend derdenbeding dat is overeengekomen tussen de partijen bij de notariële akte/transactie en aanvaarding daarvan door het Kadaster of afhankelijk is van een andere vorm van specifiek partijconsent ter zake, nu, wat er verder zij van zo’n constructie en de werkbaarheid daarvan in een dergelijk geval, in het licht van het voorgaande (dat een en ander, inclusief 3.1-3.13 hiervoor) beantwoording van genoemde vraag reeds objectief gerechtvaardigd en aangewezen te achten valt.Wat betreft de te onderscheiden vraag naar het moment waarop het Kadaster dan ter zake rechthebbende wordt, komt mij als een hanteerbaar aanknopingspunt voor, kort gezegd, het moment waarop het Kadaster de werkzaamheden heeft voltooid (dus de inschrijving) waarop de kosten zien die hij in rekening brengt (dus de inschrijvingskosten) en aldus aan zijn verplichting ter zake heeft voldaan waardoor die kosten verschuldigd worden, per welk moment het Kadaster dan ter zake, dus ten belope van het desbetreffende bedrag, rechthebbende op het saldo van de kwaliteitsrekening zou worden, oftewel de notaris dat bedrag als beheerder van de kwaliteitsrekening voor het Kadaster zou houden. Het ligt voor de hand dat de notaris als beheerder van de kwaliteitsrekening eerst overgaat tot uitkering van het desbetreffende aandeel van het Kadaster in dat saldo van de kwaliteitsrekening aan het Kadaster (dus het corresponderende bedrag overboekt naar de door het Kadaster opgegeven rekening, door art. 25 lid 2, tweede zin Wna “betaling” genoemd) op een later moment, want, in essentie, na een daartoe strekkende opdracht (van het Kadaster) zoals bedoeld in art. 25 lid 2, tweede zin Wna en met inachtneming ook van art. 25 lid 4, eerste zin Wna (welke opdracht m.i. besloten kan liggen in een nota (factuur) van het Kadaster inzake inschrijvingskosten gericht aan (het kantoor van) de notaris, waarover ook onder 3.4 en 3.13 hiervoor), op welk moment de onderliggende transactie waarmee die kosten verband houden (de overdracht van het registergoed, althans de vestiging van een beperkt recht daarop) normaliter zal zijn afgewikkeld, volgend op de voltooide inschrijving.
[verweerder] stelt zich nog op het standpunt dat de notaris ingevolge het Bud slechts gelden mag overmaken naar de partijen bij de notariële akte/transactie als direct rechthebbenden (de “enige werkelijke verplichting” voor de notaris betreft het overmaken van de opbrengst - dat wil zeggen: het nettobedrag - naar de bankrekening van de rechthebbende “zijnde een van de partijen bij de notariële akte”) en buiten zo’n specifieke overboeking naar een bankrekening van een van die rechthebbenden “geen betalingen [kan/mag] verrichten” vanaf de kwaliteitsrekening. Hierop bestaan wel enkele uitzonderingen, maar die uitzonderingen houden niet in dat de notaris verplicht is betalingen aan derden te verrichten vanaf de kwaliteitsrekening; dit betreft een bevoegdheid en door de uitoefening daarvan gaan de betreffende derden niet (ook) kwalificeren als rechthebbende op het saldo van de kwaliteitsrekening in de zin van art. 25 Wna. Op grond van art. 1 Bud betaalt de notaris die bij transacties betrokken is alleen geld uit vanaf de kwaliteitsrekening aan degene die partij is bij de notariële akte en aanspraak kan maken op uitbetaling op grond van een rechtshandeling die in de notariële akte is neergelegd, en mag de notaris aan een ander dan de rechthebbende uitbetalen indien sprake is van omstandigheden waarbij (een deel van) het geld dat de notaris onder zich heeft, moet worden aangewend om bepaalde schulden te voldoen. De gedachte achter deze regel, waarin kennelijk alleen de partijen bij de notariële akte/transactie worden aangemerkt als rechthebbende op het saldo van de kwaliteitsrekening, is volgens de toelichting op het Bud dat strakkere regels ter zake van het uitbetalen van gelden vanaf de kwaliteitsrekening nodig zijn om belastingfraude en andere malafide praktijken te voorkomen. Verder is toegelicht dat het bij betaling aan anderen dan de (daar bedoelde) rechthebbende gaat om betalingen die in nauw verband staan met de transactie zelf en waarvan het bestaan ook eenvoudig controleerbaar is. Het Bud, en daarmee dit betoog van [verweerder] , maakt het voorgaande wat mij betreft niet anders. Wat er zij van de juridische status van het Bud, en nog daargelaten dat het hier gaat om dienstverlening door het Kadaster (en vergoeding aan het Kadaster van de daarmee gepaard gaande kosten) waarbij voorkoming van belastingfraude en andere malafide praktijken niet aan de orde is, welke dienstverlening door het Kadaster bovendien direct verband houdt met een door partijen bij de notariële akte/transactie beoogde overdracht (of bezwaring) van een registergoed: het Bud hanteert daarmee dan m.i., in ieder geval voor zover dit ook van toepassing zou zijn op een dergelijk geval van dienstverlening door het Kadaster en wat betreft de inschrijvingskosten, waarover nader onder 3.1-3.13 hiervoor, een te restrictieve en daarmee rechtens onjuiste uitleg van rechthebbende op het saldo van de kwaliteitsrekening in de zin van art. 25 Wna, waarbij dan geldt dat het Bud niet aldus kan derogeren aan hetgeen rechtens is.,De uitspraak van de Raad van State van 26 november 2014, waarop door [verweerder] nog is gewezen in het kader van diens betoog dat het Kadaster geen rechthebbende is op het saldo van de kwaliteitsrekening in de zin van art. 25 Wna, noopt m.i. evenmin tot een andere uitkomst. In die procedure, waarin de Raad van State onder meer oordeelde dat de rechtbank terecht de cliënt van de notaris als belanghebbende had aangemerkt in relatie tot een beslissing over de tarifering van het Kadaster (inzake, kort gezegd, meettarieven) en het niet ging om inschrijvingskosten (of recherchekosten) zoals hier aan de orde, lag niet de vraag voor die onderwerp is van de onderhavige procedure en was het partijdebat in die procedure dus ook niet gericht op deze vraag, terwijl, zo in die uitspraak van de Raad van State al een door het Kadaster in de specifieke context van die procedure ingenomen standpunt te lezen zou zijn dat niet parallel loopt aan wat het Kadaster in de onderhavige procedure aanvoert vanwege de daarin voorliggende en te onderscheiden kwestie, wat ik niet zie, daarmee, in het licht ook van 3.1-3.13 hiervoor, nog niet gegeven zou zijn dat het Kadaster wat betreft de inschrijvingskosten ‘dus’ niet aangemerkt kán worden als rechthebbende op het saldo van de kwaliteitsrekening in de zin van art. 25 Wna. Ook de verwijzing door [verweerder] in het kader van genoemd betoog naar de uitspraak van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van het gerechtshof Amsterdam van 24 december 2013 kan hem niet baten, reeds omdat het gerechtshof in die procedure, waarbij het Kadaster geen partij was, ervan uitging dat voor het Kadaster bestemde gelden in formele zin geen derdengelden zij nu dit tussen partijen in die procedure niet in geschil was. Hetzelfde geldt voor de verwijzing door [verweerder] in het kader van genoemd betoog naar de uitspraak van het gerechtshof Leeuwarden van 27 maart 2012, specifiek wat betreft de “interne richtlijn” van het desbetreffende notariskantoor inzake gebruik van de kwaliteitsrekening. Nog daargelaten dat het gerechtshof in die procedure, welke eveneens niet van doen had met de onderhavige procedure voorliggende kwestie en waarbij het Kadaster evenmin partij was, louter in beschrijvende zin naar die richtlijn (“instructie”) verwees in het kader van het daar voorliggende arbeidsrechtelijke geschil, brengt het bestaan van een dergelijke richtlijn (instructie), ook als deze bij meer notariskantoren te vinden zou zijn (geweest) en in die zin van een zekere praktijk sprake zou zijn (geweest) (in lijn met het Bud, waarover hiervoor), nog niet mee dat hetgeen daarin tot uitdrukking is gebracht rechtens juist is; wat m.i. dus, in ieder geval wat betreft genoemd geval van dienstverlening door het Kadaster zoals in de onderhavige procedure voorligt en wat betreft de inschrijvingskosten, niet zo is.Voor zover [verweerder] nog heeft aangevoerd, kort gezegd, dat het voor het Kadaster “beter is” de notaris als schuldenaar te hebben, omdat het debiteurenrisico van de koper of verkoper “beduidend groter” zal zijn, merk ik ten eerste op dat waar sprake is van een door de notaris jegens het Kadaster verrichte rechtshandeling namens partijen bij de notariële akte/transactie de juridische consequentie daarvan is dat ter zake deze partijen schuldenaar van het Kadaster worden (zie onder 3.13 hiervoor), en ten tweede op dat in het gebruikelijke geval zijdens deze partijen de voor het Kadaster bestemde gelden (inzake de inschrijvingskosten) reeds op de kwaliteitsrekening gestort zullen zijn (conform de nota van afrekening) ten tijde van het verrichten door het Kadaster van de desbetreffende werkzaamheden (zie onder 3.3 hiervoor), waaruit volgt dat dit argument van [verweerder] niet opgaat. Voor zover [verweerder] nog heeft aangevoerd, kort gezegd, dat wanneer niet de notaris maar de partijen bij de notariële akte/transactie de schuldenaar van het Kadaster zouden zijn, het Kadaster bij faillissement van de notaris deze partijen op betaling zou kunnen aanspreken, welke mogelijkheid “evident” niet zou bestaan, miskent dit onder meer dat het faillissement van de notaris het Kadaster (en deze partijen) juist niet regardeert waar, zoals gebruikelijk, zijdens deze partijen de desbetreffende voor het Kadaster bestemde gelden (inzake de inschrijvingskosten) reeds op de kwaliteitsrekening gestort zullen zijn (conform de nota van afrekening) ten tijde van het verrichten door het Kadaster van de desbetreffende werkzaamheden, waaruit het Kadaster dan voldaan kan worden. Gelet hierop, maakt ook dit argument het voorgaande m.i. niet anders. Ik wijs er tot slot nog op dat volgens [verweerder] te gelden heeft dat als het Kadaster ter zake van de recherchekosten geen rechthebbende is op het saldo van de kwaliteitsrekening in de zin van art. 25 Wna, niet valt in te zien dat hij ter zake van de inschrijvingskosten wel zo’n rechthebbende zou zijn. Een dergelijk negatief verband is er m.i. niet, nu, zoals volgt uit het voorgaande, hoe dan ook grond bestaat om aan te nemen dat het Kadaster wat betreft die inschrijvingskosten rechthebbende kan zijn op het saldo van de kwaliteitsrekening zoals bedoeld in art. 25 Wna. Dit is niet lotsafhankelijk van het antwoord op de vraag of hetzelfde geldt wat betreft die recherchekosten, ook niet vanuit praktisch oogpunt. [verweerder] legt trouwens ook niet uit waarom dat wel zo zou zijn.
Slotsom
Ik kom tot een slotsom. De door het hof aan de Hoge Raad voorgelegde prejudiciële vraag luidt, als gezegd (zie onder 2.8 hiervoor), als volgt:
“is het Kadaster voor zijn vorderingen wegens inschrijvingskosten en recherchekosten rechthebbende in de zin van artikel 25, derde lid, van de wet op het notarisambt op (een aandeel in) de kwaliteitsrekening(-en) van een notaris?”
Met inachtneming van hetgeen ik heb uiteengezet onder 3.1-3.15 hiervoor, laat deze vraag zich m.i. kort gezegd aldus beantwoorden dat het Kadaster voor zijn vordering wegens inschrijvingskosten wel aangemerkt kan worden als rechthebbende op het saldo van de kwaliteitsrekening in de zin van art. 25 Wna (per het moment waarop het Kadaster de desbetreffende werkzaamheden heeft voltooid) en voor zijn vordering wegens recherchekosten niet aangemerkt kan worden als rechthebbende op het saldo van de kwaliteitsrekening in de zin van art. 25 Wna.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot beantwoording van de aan de Hoge Raad voorgelegde prejudiciële vraag als voorgesteld onder 3.16 hiervoor.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G