ECLI:NL:PHR:2021:781

ECLI:NL:PHR:2021:781, Parket bij de Hoge Raad, 03-09-2021, 20/02746

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 03-09-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/02746
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2022:588
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 6 zaken
Aangehaald door 2 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001838 BWBR0005289 BWBR0005290

Samenvatting

Verzekeringsrecht. Asbest. Zijn de kosten van verwijdering van asbesthoudende dakplaten en plaatsing van nieuwe daken op de stallen van verzekerde aan te merken als bereddingskosten in de zin van art. 7:957 BW en de verzekering? Bijzondere maatregel in verband met onmiddellijk dreigend gevaar of normale voorzorgsmaatregel?

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/02746

Zitting 3 september 2021

CONCLUSIE

T. Hartlief

In de zaak

[de V.O.F.] V.O.F. (hierna: ‘ [de V.O.F.] ’)

tegen

Achmea Schadeverzekeringen N.V. h.o.d.n. Interpolis (hierna: ‘Interpolis’)

Uit onderzoek is gebleken dat de grond rondom de stallen van [de V.O.F.] met asbestdeeltjes vervuild is. De oorzaak hiervan is gelegen in de asbesthoudende dakplaten op die stallen. Daarom heeft [de V.O.F.] op 22 december 2015 Interpolis verzocht om onder de bij haar lopende verzekeringen zowel de kosten van bodemsanering als de kosten van vervanging van de daken te vergoeden. Onder ‘vervanging’ verstaat [de V.O.F.] verwijdering van de huidige dakplaten en plaatsing van nieuwe daken. De kosten van bodemsanering moeten volgens [de V.O.F.] door Interpolis worden vergoed, omdat bodemvervuiling onder de dekking van de milieuverzekering valt. De kosten van vervanging van de asbestdaken zijn volgens [de V.O.F.] bereddingskosten die op grond van art. 7:957 BW voor vergoeding door Interpolis in aanmerking komen.

Interpolis heeft de verzoeken van [de V.O.F.] afgewezen, waarop [de V.O.F.] Interpolis in rechte heeft betrokken en gelijkaardige vorderingen in rechte heeft ingesteld. Het hof heeft de vorderingen van [de V.O.F.] toegewezen, afgezien van de vordering tot vergoeding door Interpolis van de kosten van vervanging van de asbestdaken. Het hof ziet de vervanging van de daken onder de gegeven omstandigheden als een normale voorzorgsmaatregel die [de V.O.F.] in het maatschappelijk verkeer als eigenaar behoort te treffen en waarvan de kosten voor zijn rekening behoren te komen. Ten overvloede heeft het hof hieraan toegevoegd dat de kosten van het plaatsen van nieuwe daken bovendien niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat hiermee, anders dan bij de kosten van het verwijderen van de asbesthoudende dakplaten het geval is, geen belang van Interpolis is gediend. Onder art. 7:957 BW komen alleen voor vergoeding in aanmerking bereddingskosten die mede in het belang van de verzekeraar zijn gemaakt omdat met het maken van die kosten verzekerde schade is voorkomen of beperkt.

In cassatie bestrijdt [de V.O.F.] het oordeel van het hof dat het vervangen van de daken als een normale voorzorgsmaatregel is aan te merken. Het gaat volgens hem om een bijzondere maatregel waarvan de kosten op grond van art. 7:957 BW door Interpolis moeten worden vergoed. Interpolis heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld, kort gezegd omdat zij, als het arrest van het hof vernietigd zou worden en de procedure bij een ander hof moet worden voortgezet, een beroep wenst te doen op de asbestuitsluiting die zij per 1 januari 2016 in haar polisvoorwaarden heeft opgenomen.

1. Feiten

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.

[de V.O.F.] exploiteert een gemengd agrarisch bedrijf (veeteelt, akkerbouw en tuinbouw). Op het perceel van [de V.O.F.] staan stallen en een woonhuis. De daken van de stallen, die geen dakgoot hebben, bestaan uit asbesthoudende golfplaten. In de grond rondom de stallen zijn asbesthoudend materiaal en asbestvezels aangetroffen, afkomstig van de asbesthoudende daken. De hoeveelheid asbest in de bodem overschrijdt de wettelijke normen.

[de V.O.F.] heeft verschillende verzekeringsovereenkomsten gesloten met Interpolis. De verzekeringen zijn ondergebracht in een zogenaamde Bedrijven Compact Polis (hierna: ‘BCP’). Op de verzekeringen waren in 2015 de Verzekeringsvoorwaarden Bedrijven Compact Polis Agrarisch, versie 5.3 van januari 2014 van toepassing (hierna: ‘de polisvoorwaarden’).

Tot de verzekeringen behoren een milieuschadeverzekering en een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering.

De polisvoorwaarden luiden onder meer als volgt:

Begrippenlijst

(...)

Bereddingskosten

Kosten die verbonden zijn aan maatregelen die tijdens de contractsduur van de verzekering door of vanwege de verzekerde worden getroffen en die redelijkerwijs geboden zijn om het onmiddellijk dreigende gevaar van schade af te wenden en/of om de schade te beperken en de schade aan zaken die daarbij zijn ingezet.

(...)

Emissie

Het vrijkomen van gassen, vloeistoffen en/of fijn verdeelde vaste stoffen.

(…)

Sanering

Het ongedaan maken van een verontreiniging van de bodem, het oppervlaktewater, of enig(e) al dan niet ondergronds(e) water(gang).

Onder ongedaan maken wordt verstaan onderzoek, reiniging, opruiming, transport, opslag, vernietiging en vervanging van grond en/of (grond-)water en/of isolatie van een verontreiniging.

(…)

Verontreiniging

De aanwezigheid van een stof in een zodanige concentratie dat toepasselijke overheidsnormen (streefwaarde of een overeenkomstige waarde) die gelden op het moment dat de aanwezigheid van de stof zich manifesteert, worden overschreden.

(...)

Hoofdstuk 5: Aansprakelijkheid

Paragraaf I

Bedrijfsaansprakelijkheid

agrariërs

(...)

Omvang van de verzekering

Algemeen

Wij vergoeden – in het geval van een gedekte schade – voor alle verzekerden samen per aanspraak en per verzekeringsjaar tot maximaal de op het verzekeringsbewijs vermelde limieten.

Hierbij gelden de voorwaarden:

• dat de betreffende aanspraak tijdens de geldigheidsduur van de verzekering voor de eerste maal is ingesteld en ook dat deze aanspraak tijdens de geldigheidsduur van de verzekering schriftelijk bij ons is aangemeld;

• dat de aanspraak dan wel de betreffende omstandigheid bij het aangaan van de verzekering niet bekend was bij u als verzekeringnemer of bij de verzekerde die aansprakelijk is gesteld.

(…)

Aansprakelijkheid

Verzekerd is de aansprakelijkheid van verzekerde voor schade.

(...)

Uitsluitingen

Elke bepaling van dit artikel heeft een zelfstandige betekenis. Behalve als uitdrukkelijk iets anders is bepaald, stelt een bepaling uit dit artikel andere bepalingen van deze voorwaarden niet terzijde.

Van de uitsluiting waar een * bij is geplaatst, is de volledige tekst aan het eind van dit hoofdstuk te vinden.

Van de dekking op deze voorwaarden is uitgesloten:

• (...)

• asbest *(10);

• (...)

(...)

Uitsluitingen

(...)

10 Asbest

Uitgesloten is de aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door, voortvloeiend uit of verband houdend met asbest.

(...)

Hoofdstuk 7: Milieu

Paragraaf 1

Milieudekking Basis

(...)

Omvang van de verzekering

Wij verzekeren het risico van verontreiniging van de bodem, het oppervlaktewater of één of meer al dan niet ondergronds(e) water(gangen), die rechtstreeks en uitsluitend het gevolg is van een emissie die veroorzaakt is door het verzekerde gevaar:

• brand;

• blikseminslag;

• ontploffing.

Het verzekerde gevaar moet zich tijdens de looptijd van de verzekering hebben verwezenlijkt.

Omvang van de dekking

Omschrijving van de dekking

• Schade aan de verzekerde locatie

Wij verzekeren de kosten van sanering van de verzekerde locatie.

Voorwaarde hierbij is dat binnen één jaar nadat het verzekerde gevaar zich heeft verwezenlijkt, onder deze verzekering aanspraak is gemaakt op vergoeding.

(...)

(…)

Meeverzekerde kosten

Binnen de grenzen van het verzekerde bedrag zijn meeverzekerd:

• expertisekosten;

• bereddingskosten;

• kosten van preventieve opruiming;

• kosten in verband met het opruimen en afvoeren van asbest of van met asbest verontreinigde materialen;

• kosten van herstel van beschadiging van bestrating en beplanting, als de beschadiging is veroorzaakt door de sanering;

• kosten die noodzakelijk gemaakt worden om de sanering te kunnen uitvoeren. Hieronder worden ook verstaan de kosten van hulpconstructies;

• kosten van herstel van schade die een noodzakelijk[e] gevolg is van de sanering. Hieronder worden ook verstaan de kosten van afbraak en herbouw;

• kosten van herstel of vervanging van ondergrondse pijpen, leidingen en of kabels die als gevolg van de verontreiniging beschadigd zijn.

(…)

Paragraaf 2

Milieudekking Uitgebreide Evenementen

(...)

Paragraaf 3

Milieudekking Top

Omvang van de verzekering

Met inachtneming van hetgeen bepaald is in de voorwaarden ‘Milieudekking Basis’ geldt voor deze verzekering het volgende.

Naast de in de Milieu Basismodule en de Milieudekking Uitgebreide Evenementen genoemde verzekerde gevaren verzekeren wij:

• ieder ander van buiten komend onheil;

• het eigen gebrek van opstallen en roerende zaken dat veroorzaakt is door fouten in ontwerp, constructie, uitvoering of materiaalkeuze. Deze dekking geldt alleen als voldaan is aan de onderhoudsverplichtingen die op het verzekeringsbewijs vermeld zijn en als de verontreiniging zich manifesteert binnen de looptijd van de verzekering.

(…)

(…)

Omschrijving van de dekking

In geval van schade aan de verzekerde locatie verzekeren wij ook de zaakschade die op de verzekerde locatie is voorgevallen als gevolg van een verontreiniging van de bodem, het oppervlaktewater of één of meer al dan niet ondergrondse watergangen.

(...)”

In opdracht van de provincies Overijssel en Gelderland hebben adviesbureaus [A] BV en [B] BV in deze provincies inventariserend onderzoek uitgevoerd naar erosie van asbesthoudende daken. Dat onderzoek – het rapport dateert van 29 september 2014 – heeft uitgewezen dat ter plaatse van de afwateringszone van dakgootloze asbesthoudende daken asbesthoudend materiaal en respirabele (inadembare) vezels in de bodem voorkomen.

[de V.O.F.] heeft ruim een jaar later, op 22 december 2015, Interpolis verzocht om onder de milieuschadeverzekering zowel de kosten van bodemsanering als de kosten van vervanging van de asbestdaken te vergoeden. Verder heeft [de V.O.F.] Interpolis verzocht te bevestigen dat zij eventuele (letselschade)claims van derden onder de dekking van haar aansprakelijkheidsverzekering in behandeling zal nemen.

Bij brief van 14 januari 2016 heeft Interpolis aan [de V.O.F.] onder meer meegedeeld dat zij als aan de voorwaarden van de milieuschadeverzekering is voldaan de kosten van sanering van de verontreinigde bodem zal vergoeden. De kosten van het verwijderen en afvoeren van de asbestdaken zijn volgens Interpolis niet onder de milieuschadeverzekering gedekt, ook niet onder de noemer van bereddingskosten:

Wat is er gedekt op de Milieuschadeverzekering?

(…) De Milieuschadeverzekering dekt het risico van verontreiniging van de bodem, het oppervlaktewater of 1 of meer al dan niet ondergronds(e) water(gangen). Van een verontreiniging van de bodem/water is sprake als asbest zich daarin bevindt in een zodanige concentratie dat toepasselijke overheidsnormen worden overschreden. De verontreiniging moet het rechtstreeks en uitsluitende gevolg zijn van een emissie. De emissie moet zijn veroorzaakt door een verzekerd gevaar. Als aan deze – en de overige – voorwaarden van de Milieuschadeverzekering is voldaan, vergoeden wij de kosten van sanering van de verontreinigde bodem. De kosten van het verwijderen en afvoeren (saneren) van de asbestdaken zelf zijn niet onder de Milieuschadeverzekering gedekt, ook niet via de door u genoemde clausule Bereddingskosten. Dit is namelijk de verantwoordelijkheid van de ondernemer/bezitter van het gebouw.

(...)

Aanspraak onder uw aansprakelijkheidsverzekering

Op basis van uw melding kan niet worden aangenomen dat u geconfronteerd zult worden met een letselschadeclaim. Hiermee bedoelen we een claim van één of meerdere derden vanwege letselschade door asbest, veroorzaakt door uw handelen of nalaten voor de einddatum van uw verzekering met asbestdekking. Hiervoor bevat uw melding onvoldoende concrete informatie. Op de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering is voor dekking vereist dat een claim tegen de verzekerde tijdens de geldigheidsduur van de verzekering voor de eerste maal door de derde is ingesteld en bij ons is gemeld. Ook voor een ‘omstandigheid’ die tijdens de geldigheidsduur van de verzekering is gemeld bestaat dekking. Het begrip ‘omstandigheid’ is op de volgende manier omschreven: “Feiten, die voortvloeien uit of verband houden met een handelen of nalaten van verzekerde(n) waarvan in redelijkheid kan worden aangenomen dat deze zullen leiden lot een aanspraak legen verzekerde(n).” Uw melding voldoet niet aan deze omschrijving. Daarom neem ik deze melding niet in behandeling.”

[de V.O.F.] heeft vervolgens onderzoeksbureau [C] B.V. opgedragen om onderzoek te doen naar eventuele asbestverontreiniging rondom de stallen van haar bedrijf.

Over de kosten heeft [C] B.V. bij brief van 11 november 2016 aan [de V.O.F.] onder meer meegedeeld:

“De daken (en plaatselijk wanden) van asbesthoudende golfplaat bevatten “veel losse vezels”. Deze kunnen/zullen ten gevolge van afstromend regenwater op de bodem terechtkomen (1). Vastgesteld is dat de in matige tot slechte staat verkerende daken veelal een sterke mosgroei kennen. Aan de onderzijde van dit mos doen zich veel losse vezels voor. Bij harde wind of regen komt dit mos los van het dak en verspreid[t] zich dit in de omgeving (2). Ook is vastgesteld dat onder de in slechte staat verkerende daken asbesthoudend afgebrokkeld plaatmateriaal wordt aangetroffen (3).

(...)

Uitgaande van een sanering door vervangen van een dak dient u rekening te houden met een kostenpost van circa € 8,00 /m2 (voor een dak zonder isolatie hieronder) tot € 12,00 /m2 (voor een geïsoleerd dak). Deze bedragen zijn exclusief eventuele subsidies. Hierna zal alsnog een nieuw dak moeten worden aangebracht, hiervoor dient u rekening te houden met prijzen in de ordegrootte van circa € 35,00 per m2.

Er zijn mogelijkheden om een dak te fixeren door dit te behandelen met een speciale coating. (...) De kosten hiervoor bedragen circa € 7,50 per m2. Alvorens dit product kan worden toegepast dient het mos (en ander materiaal) verwijderd te zijn van de daken. Aangezien dit mos aan de onderzijde vezels bevat dient dit door een erkende asbest-verwijderaar te worden uitgevoerd. Hiervoor is een indicatief tarief afgegeven van € 6,00 per m2.

Echter, dit fixeren is vanzelfsprekend niet mogelijk voor asbestplaten welke, zoals in [plaats 1] het geval is, verticaal in de grond staan of voor platen waarin grote gaten aanwezig zijn zoals in [plaats 2] het geval was.”

[C] B.V. heeft op 4 januari 2017 gerapporteerd. In dat rapport staat onder ‘samenvatting’ onder meer vermeld dat uit het onderzoek volgt dat de daken zich in matige tot slechte staat van onderhoud bevinden, dat in de bodem rond de bebouwing sprake is van verontreiniging door asbest die is toe te schrijven aan de het aanwezige daken en dat mitigerende maatregelen worden geadviseerd:

“Uit het onderzoek volgt dat de daken en andere asbesthoudende (plaat)materialen zich in matige tot slechte slaat van onderhoud bevinden. Op de asbesthoudende daken is een sterke mosbegroeiing zichtbaar. Op het maaiveld rond de bebouwing wordt asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen, ook worden asbesthoudende mossen, afkomstig van de daken, aangetroffen.

In de toplaag van de bodem (0-2 cm) wordt aan de lijzijde de interventiewaarde voor asbest overschreden door de aanwezigheid van losse vezels, ook in de laag van 2-5 cm-mv wordt de interventiewaarde overschreden.

Onder de toplaag van de bodem wordt asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen, plaatselijk wordt hierbij tevens de interventiewaarde overschreden ten gevolge van hechtgebonden materiaal. Uit onderzoek van het dak blijkt dat sprake is van veel losse vezelbundels.

De verontreiniging in de toplaag van de bodem is dan ook evident toe te schrijven aan het aanwezige dak. De resultaten zijn in overeenstemming met de bevindingen van het onderzoek van [A] .

Teneinde verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen adviseren wij mitigerende maatregelen te nemen. Door een bronaanpak wordt tevens de verspreiding van asbestvezels in de omgeving voorkomen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het vervangen van de asbesthoudende materialen (dient uiterlijk in 2024 te gebeuren) of aan het immobiliseren van de vezels door het aanbrengen van een coating.

De aanwezige bodemverontreiniging mag alleen door een daartoe erkend bedrijf gesaneerd worden op basis van een BUS-melding of een door het bevoegd gezag WBB goedgekeurd saneringsplan.”

[de V.O.F.] heeft bij brief van 24 januari 2017 het rapport van [C] B.V. aan Interpolis gestuurd en Interpolis gesommeerd om te bevestigen dat zij (i) dekking biedt voor schade gemeld onder de milieuschadeverzekering en de aansprakelijkheidsverzekering, (ii) zorgdraagt voor (vergoeding van de kosten van) de bodemsanering en, in het kader van beredding, het wegnemen van de vervuilingsbron (dat wil zeggen: de asbestdakplaten met een aangetaste toplaag vervangen) en (iii) de expertisekosten vergoedt.

In opdracht van Interpolis heeft [D] B.V. vervolgens een asbestinventarisatie uitgevoerd ter plaatse van de schuren van [de V.O.F.] . [D] B.V. heeft op 23 mei 2017 gerapporteerd. Volgens het rapport zijn potentieel risicovolle asbesthoudende toepassingen aangetroffen met betrekking tot de dakbedekking van enkele schuren. [D] B.V. beveelt aan op (zeer) korte termijn te saneren.

2. Procesverloop

Op 22 december 2017 heeft [de V.O.F.] Interpolis gedagvaard voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Bij vonnis van 22 augustus 2018 heeft de rechtbank Interpolis veroordeeld tot vergoeding van de kosten die zijn gemoeid met (i) de sanering van de bodem van het perceel van [de V.O.F.] en (ii) de vervanging van de aangetaste dakplaten op de stallen van [de V.O.F.] . Met betrekking tot de onder (ii) genoemde kosten, waar het in cassatie over gaat, heeft de rechtbank geoordeeld dat deze kosten als bereddingskosten moeten worden beschouwd die onder de milieuschadeverzekering voor vergoeding in aanmerking komen (rov. 3.6. en 3.6.1.-3.6.2.).

Interpolis is bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in hoger beroep opgekomen tegen het vonnis van de rechtbank. Het hoger beroep is (onder meer) gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Interpolis de kosten voor vervanging van de aangetaste dakplaten moet vergoeden. In rov. 5.24.-5.29. heeft het hof geoordeeld dat de in dit verband door Interpolis aangevoerde grieven slagen, omdat de kosten van het verwijderen en vervangen van de dakplaten geen bereddingskosten zijn:

“5.24. De grieven 4 tot en met 8 betreffen de bereddingskosten. Het geschil tussen partijen gaat op dit onderdeel met name om de kosten van het vervangen van de daken van de stallen. Interpolis stelt dat [de V.O.F.] geen bereddingskosten heeft gemaakt, zodat zij die niet behoeft te vergoeden. Voor het vergoeden van dergelijke kosten is volgens Interpolis bovendien geen plaats, omdat er geen onmiddellijk dreigend gevaar is voor het ontstaan van verzekerde schade en het vervangen van het dak geen bijzondere en tevens redelijke en doelmatige maatregel is om dreigende, verzekerde schade te voorkomen. Het behoort volgens Interpolis tot de eigen verantwoordelijkheid van [de V.O.F.] als eigenaar van de stallen om de oude daken tijdig te vervangen en daarmee schade te voorkomen. [de V.O.F.] bepleit dat Interpolis de bereddingskosten moet voorfinancieren, omdat hijzelf daartoe niet in staat is. Het onmiddellijk dreigend gevaar is volgens [de V.O.F.] het verergeren of na sanering opnieuw ontstaan van verontreiniging. Dit gevaar kan alleen worden voorkomen door de dakplaten te vervangen. De dakplaten zijn volgens [de V.O.F.] nog functioneel en behoeven daarom niet in het kader van normaal onderhoud te worden vervangen.

5.25. Art. 7:957 lid 1 BW bepaalt dat zodra de verzekeringnemer of de verzekerde van de verwezenlijking van het risico of het ophanden zijn daarvan op de hoogte is, of behoort te zijn, elk hunner, naar mate hij daartoe in de gelegenheid is, binnen redelijke grenzen verplicht is alle maatregelen te nemen, die tot voorkoming of vermindering van de schade kunnen leiden. Art. 7:957 lid 2 BW bepaalt dat de verzekeraar de kosten van die maatregelen vergoedt. Volgens de polisvoorwaarden zijn bereddingskosten, voor zover hier relevant, de kosten die verbonden zijn aan maatregelen die tijdens de contractduur van de verzekering door of vanwege de verzekerde worden getroffen en die redelijkerwijs geboden zijn om het onmiddellijk dreigende gevaar van schade af te wenden en/of om de schade te beperken. Het betreft dan schade waarvoor de milieuschade- of aansprakelijkheidsverzekering dekking biedt. Dat is in dit geval schade door de bodemverontreiniging of schade die derden lijden door de aanwezigheid van asbest, waarvoor [de V.O.F.] jegens hen aansprakelijk is.

5.26. Bereddingskosten zien op het voorkomen van het verwezenlijken van het verzekerde risico, in het belang van de verzekeraar, zodat de te vergoeden schade wordt voorkomen of beperkt. Het moet gaan om kosten voor maatregelen die in zoverre bijzonder zijn dat deze noodzakelijk zijn om onmiddellijk dreigende schade af te wenden. Deze bijzondere maatregelen moeten worden onderscheiden van normale voorzorgmaatregelen om het intreden van schade te voorkomen. De normale in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid brengt mee dat de verzekerde dergelijke maatregelen op eigen kosten neemt, zodra hij ontdekt dat een gevaarssituatie ontstaat. Slechts indien en voor zover de bijzondere maatregel samenvalt met de normale voorzorgsmaatregelen, kan plaats zijn voor het vergoeden van de kosten daarvan als bereddingskosten.

5.27. De daken van de stallen van [de V.O.F.] zijn oude daken. De daken dateren volgens de onweersproken stelling van Interpolis van 1929 en 1965. De daken verkeren volgens [C] in matige tot slechte staat (zie 3.8 en 3.9). Onder invloed van weersomstandigheden zijn de daken aan slijtage onderhevig, waardoor geleidelijk asbestdeeltjes vrijkomen en vervolgens op en in de bodem terechtkomen. Het is de eigen verantwoordelijkheid van [de V.O.F.] om de daken te onderhouden en zo nodig tijdig te vervangen, als deze door de slechte staat tot schade of verdere schade dreigen te leiden. Nu [de V.O.F.] weet dat asbestdeeltjes van de daken van de stallen losraken en schade kunnen veroorzaken, is het aan hem om maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat de schade wordt voorkomen. Dit vloeit voort uit zijn verantwoordelijkheid en plicht als eigenaar en heeft niet te maken met beredden ten behoeve van Interpolis. In aanmerking genomen dat volgens partijen onderhoud door de geldende regels niet meer mogelijk is, is het vervangen van de daken de normale voorzorgsmaatregel die [de V.O.F.] in het maatschappelijk verkeer als eigenaar behoort te treffen. De gestelde omstandigheid dat hij de kosten daarvan, die hij begroot op € 160.000,00, niet kan dragen, levert geen grondslag op om de kosten in het kader van de verzekeringsovereenkomst af te wentelen op Interpolis. In die zin zijn de asbesthoudende dakplaten niet anders dan andere onderdelen waaruit een gebouw is opgebouwd, zoals dakpannen. Als dakpannen door ouderdom losraken en schade aan voorbijgangers opleveren of dreigen op te leveren, zullen de kosten van het vervangen van de versleten dakpannen geen bereddingskosten zijn, ook al brengt het vervangen daarvan mee dat (verdere) schade wordt voorkomen. Het hof laat dan nog in het midden dat [de V.O.F.] eraan voorbij ziet dat alleen het verwijderen van de dakplaten nodig is om de verzekerde schade te voorkomen en niet het plaatsen van nieuwe daken. [de V.O.F.] dient niet het belang van Interpolis bij het voorkomen of verminderen van schade door zijn stallen weer functioneel te maken met het plaatsen van nieuwe daken.

5.28. Uit het voorgaande volgt dat het oordeel dat de kosten van het verwijderen en vervangen van de dakplaten geen bereddingskosten zijn, geldt voor zowel de milieuschadeverzekering als de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering. Voor zover [de V.O.F.] bij memorie van antwoord nog een beroep heeft willen doen op de verzekering tegen ‘aansprakelijkheid particulier’ (polisvoorwaarden, hoofdstuk 5, paragraaf 2), geldt hetzelfde, daargelaten of [de V.O.F.] een dergelijke verzekering bij Interpolis had afgesloten.

5.29. De conclusie is dat de grieven 4 tot en met 8 in zoverre slagen en voor het overige geen behandeling meer behoeven.”

Het hof heeft op basis van dit oordeel de veroordeling door de rechtbank van Interpolis, tot vergoeding van de kosten die zijn gemoeid met de vervanging van de aangetaste dakplaten op de stallen van [de V.O.F.] , ongedaan gemaakt (rov. 6.1.). Opnieuw rechtdoende heeft het hof Interpolis veroordeeld om (i) onder de milieuschadeverzekering de kosten te vergoeden van het saneren van de bodem van het perceel van [de V.O.F.] voor zover de bodem is verontreinigd met asbest en om (ii) onder de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering de schade te vergoeden die derden lijden als gevolg van de verontreiniging van de bodem van het perceel van [de V.O.F.] met asbest en waarvoor [de V.O.F.] jegens die derden aansprakelijk is (rov. 6.2.).

[de V.O.F.] heeft bij procesinleiding van 8 september 2020, derhalve tijdig, cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden arrest. Interpolis heeft een verweerschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Vervolgens heeft [de V.O.F.] een verweerschrift in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingediend, tevens inhoudende een schriftelijke toelichting in het principaal én het incidenteel cassatieberoep. Interpolis heeft gelijktijdig een schriftelijke toelichting ingediend. Ten slotte heeft [de V.O.F.] gerepliceerd in het principaal cassatieberoep en gedupliceerd in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep en heeft Interpolis gedupliceerd in het principaal cassatieberoep.

3. Bereddingsplicht en bereddingskosten

Inleiding

In de onderhavige zaak tussen [de V.O.F.] en Interpolis gaat het in de eerste plaats om sanering: de bodem rondom de stallen van [de V.O.F.] is vervuild met asbestdeeltjes. Het hof heeft vergoeding van de saneringskosten toegewezen onder de milieuschadeverzekering. Onder de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering moet Interpolis bovendien de schade vergoeden die derden lijden als gevolg van de verontreiniging van de bodem van het perceel van [de V.O.F.] met asbest en waarvoor [de V.O.F.] jegens die derden aansprakelijk is. In cassatie draait het nu nog om de kosten van verwijdering en vervanging van de dakplaten.

[de V.O.F.] meent recht op vergoeding van deze kosten te hebben, omdat naar zijn oordeel sprake is van bereddingskosten: met sanering van de bodem is de oorzaak van de ellende – de asbesthoudende dakplaten op de stallen van [de V.O.F.] – nog niet weggenomen. Daarom dreigt niet alleen opnieuw vervuiling van de grond, maar bestaat ook nog steeds het risico van het ontstaan van letselschade van derden waarvoor [de V.O.F.] mogelijk aansprakelijk is. Volgens [de V.O.F.] is daarom sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor het ontstaan van verzekerde schade dat met verwijdering en vervanging van de dakplaten kan worden weggenomen. Interpolis op haar beurt betoogt dat van een recht op vergoeding van de kosten van verwijdering en vervanging van de dakplaten onder de noemer van beredding geen sprake is en gaat daarbij voor verschillende ankers liggen. Zo betoogt Interpolis onder meer het volgende:

- van een onmiddellijk dreigend gevaar voor het ontstaan van verzekerde schade is geen sprake;

- het vervangen van het dak is geen bijzondere en tevens redelijke en doelmatige maatregel om dreigende schade te voorkomen: het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van [de V.O.F.] als eigenaar van de stallen om de oude daken tijdig te vervangen en daarmee schade te voorkomen;

- het beroep van [de V.O.F.] op de polis wat betreft het vervangen van de daken is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, omdat sprake is van misbruik van verzekering; en

- vergoeding van de kosten van vervanging van de daken is in strijd met het indemniteitsbeginsel.

Zo komt in deze zaak het leerstuk van de bereddingsplicht in al zijn facetten aan de orde. Voordat ik toekom aan bespreking van de in cassatie naar voren gebrachte klachten, ga ik daarom in op de regeling van de bereddingsplicht en de bereddingskosten in titel 7.17 BW (‘Verzekering’). Daarbij komen de volgende thema’s voorbij:

- wettelijke regeling, strekking en toepassingsbereik (randnummers 3.6-3.12);

- op wie rust de bereddingsplicht? (randnummers 3.13-3.15);

- verwezenlijking en op handen zijnde verwezenlijking van het risico (randnummers 3.16-3.23);

- wat kan van de verzekerde worden verlangd? (randnummers 3.24-3.25);

- recht op vergoeding van de bereddingskosten (randnummers 3.26-3.28);

- sancties bij schending van de bereddingsplicht (randnummers 3.29-3.30);

- samenloop met de eigen schuldregeling (randnummers 3.31-3.35); en

- is sprake van regelend of dwingend recht? (randnummers 3.36-3.40).

Nadat de hoofdlijnen van de wettelijke regeling zijn besproken, bespreek ik een tweetal relevante arresten van Uw Raad, waarin het ook ging om de vraag of en, zo ja, in hoeverre onder de noemer van beredding aanspraak kon worden gemaakt op vergoeding van de kosten van maatregelen in verband met aan asbest verbonden risico’s (randnummers 3.41-3.47). Daarna ‘zoom’ ik ‘in’ op enkele specifieke thema’s, die van belang zijn in het kader van de door [de V.O.F.] naar voren gebrachte klachten (randnummers 3.48-3.58). Het gaat daarbij in het bijzonder om de afgrenzing tussen bereddingsmaatregelen, waarvan de kosten voor rekening van de verzekeraar kunnen worden gebracht, en gewone voorzorgsmaatregelen, waarvan de verzekerde de kosten zelf draagt. Ik sluit deze paragraaf af met een bespreking van de verschillende gronden waarop een verzekeraar vergoeding van de bereddingskosten kan weigeren (randnummers 3.59-3.66) en een afrondende samenvatting (randnummer 3.67).

Leeswijzer

Wie deze paragraaf te lang vindt of reeds bekend is met de inhoud van het thema beredding in het verzekeringsrecht, kan zich ter voorbereiding op de bespreking van de klachten in deze zaak concentreren op de volgende randnummers:

- 3.19 (criterium onmiddellijk dreigend gevaar);

- 3.23 (onmiddellijk dreigend gevaar in de zaak tussen [de V.O.F.] en Interpolis);

- 3.26-3.27 (de door de verzekerde getroffen bereddingsmaatregelen moeten het belang van de verzekeraar hebben gediend);

- 3.43-3.47 ((kernoverweging uit) het Staedion-arrest);

- 3.48-3.55 (het onderscheid tussen bijzondere maatregelen en normale voorzorgsmaatregelen);

- 3.56-3.58 (de situatie dat verzekerde uit anderen hoofde jegens anderen dan verzekeraar verplicht is om de desbetreffende maatregelen te nemen); en

- 3.59-3.67 (de weigeringsgronden voor verzekeraar en de afrondende samenvatting).

De bereddingsplicht: wettelijke regeling, strekking en toepassingsbereik

Art. 7:957 BW luidt als volgt:

“1. Zodra de verzekeringnemer of de verzekerde van de verwezenlijking van het risico of het ophanden zijn daarvan op de hoogte is, of behoort te zijn, is elk hunner, naar mate hij daartoe in de gelegenheid is, verplicht binnen redelijke grenzen alle maatregelen te nemen, die tot voorkoming of vermindering van de schade kunnen leiden.

2. De verzekeraar vergoedt de kosten aan het nemen van de in lid 1 bedoelde maatregelen verbonden, en de schade aan zaken die daarbij worden ingezet.

3. Indien de verzekerde de in lid 1 bedoelde verplichting niet is nagekomen, kan de verzekeraar de uitkering verminderen met de schade die hij daardoor lijdt.”

De strekking van art. 7:957 BW is dezelfde als die van art. 283 Wetboek van Koophandel (hierna: ‘WvK’), waarin tot 1 januari 2006 (de datum waarop titel 7.17 BW in werking is getreden) de regeling voor de bereddingsplicht en de bereddingskosten was opgenomen. Literatuur en rechtspraak met betrekking tot art. 283 WvK zijn daarmee ook van betekenis voor art. 7:957 BW.

Over de strekking van art. 283 WvK heeft Uw Raad zich uitgelaten in het bekende Amercentrale-arrest:

“ O. omtrent het middel II:

dat het de strekking van art. 283K. is: enerzijds – met de bepaling van lid 1 – te voorkomen dat de verzekerde in geval van een evenement tegen de gevolgen waarvan hij verzekerd is, vertrouwend op het bestaan van die verzekering de maatregelen tot beperking of voorkoming van die gevolgen achterwege laat, welke hij bij normale zorgvuldigheid zonder die verzekering zou hebben genomen, en anderzijds – met de bepaling van lid 2 – aan de verzekerde de garantie te geven dat de kosten van zulke maatregelen, mits redelijkerwijs verantwoord, ten laste van de verzekeraar komen, ook al zouden de maatregelen uiteindelijk blijken vergeefs te zijn geweest, en ook al zouden de kosten ervan tezamen met het bedrag van de geleden schade het beloop van de verzekerde som te boven gaan;”

Net als art. 283 WvK beoogt art. 7:957 BW dus een regeling te treffen voor een zeker moreel risico. Een verzekerde zou geneigd kunnen zijn om een (op handen zijnde) risicoverwezenlijking ongemoeid te laten, vanuit de gedachte: “Ik kan de schade met een gerust hart laten ontstaan/verergeren, want ik ben voor die schade toch verzekerd”. De wettelijke bereddingsplicht steekt daar een stokje voor. Tegelijkertijd is beoogd de verzekerde tegemoet te komen. De redelijkerwijs verantwoorde kosten van de verzekerde, gemaakt in het kader van zijn bereddingsplicht, komen ten laste van de verzekeraar, die er immers belang bij heeft dat de verzekerde aan zijn bereddingsplicht voldoet.

In de kern komt de regeling er op neer dat de verzekeraar aan de ene kant ‘aanspraak’ kan maken op beredding, maar aan de andere kant de daarmee gemoeide kosten voor zijn rekening zal moeten nemen. Schendt de verzekerde zijn bereddingsplicht dan heeft dat consequenties ofwel in termen van aansprakelijkheid voor door de verzekeraar geleden schade dan wel in termen van (de omvang van) zijn recht op uitkering (randnummers 3.29-3.30 hierna).

Met de bereddingsplicht is dus primair het belang van de verzekeraar gediend, maar ook het algemeen belang is gebaat bij beredding. Het is bijvoorbeeld kapitaalvernietiging om bruikbare zaken nodeloos verloren laten gaan.

Art. 7:957 BW betreft elke schadeverzekering, ook aansprakelijkheidsverzekering.

Op wie rust de bereddingsplicht?

Wanneer we art. 7:957 BW onder de loep nemen, springt een aantal zaken in het oog. Zo blijkt uit het eerste lid dat zowel de verzekeringnemer als de verzekerde in beeld kunnen komen.

De verzekeringnemer is degene die de verzekeringsovereenkomst met de verzekeraar heeft gesloten. De verzekerde is, kort gezegd, degene die bij schadeverzekering in geval van (verzekerde) schade recht heeft op uitkering. De verzekeringnemer en de verzekerde zijn niet altijd één en dezelfde persoon. De verzekerde kan ook iemand anders dan de verzekeringnemer zijn. Dit doet zich voor bij verzekering (mede) ten behoeve van een derde, waarbij de verzekeringnemer (ook) verzekeringsdekking voor een derde – een verzekerde – heeft bedongen. Te denken valt aan aansprakelijkheidsverzekeringen waarop werknemers, onderaannemers of gezinsleden van de verzekeringnemer zijn meeverzekerd.

De bereddingsplicht rust, zo volgt uit het eerste lid van art. 7:957 BW, op zowel de verzekeringnemer als de verzekerde, afhankelijk van de vraag wie van hen tot beredding in de gelegenheid is. In de memorie van toelichting is een verhelderende uitleg gegeven:

“Naast de verzekerde is ook de verzekeringnemer genoemd, omdat zich zeer wel omstandigheden kunnen voordoen, waarin hij en niet de verzekerde maatregelen kan nemen. Indien (…) een museum de inzendingen voor een tentoonstelling ten behoeve van de inzenders heeft verzekerd, zijn de inzenders de verzekerden, maar bij dreigend gevaar is alleen personeel van het museum in staat maatregelen te treffen.”

Gemakshalve zal ik hierna enkel nog spreken van de verzekerde, tenzij het specifiek gaat om de verzekeringnemer. Het belang van het onderscheid blijkt bijvoorbeeld nog bij de bespreking van de sancties bij schending van de bereddingsplicht (randnummers 3.29-3.30 hierna).

Verwezenlijking en op handen zijnde verwezenlijking van het risico

Bij bestudering van art. 7:957 BW valt verder op dat de bereddingsplicht ziet op twee mogelijke gevallen. Heeft een verzekerd risico zich verwezenlijkt, dan moet de verzekerde binnen redelijke grenzen maatregelen nemen om de omvang van de schade te beperken. Is het nog niet zover, maar dreigt een verzekerd risico zich juist te verwezenlijken, dan moet de verzekerde binnen redelijke grenzen maatregelen nemen die tot voorkoming van de schade kunnen leiden of tot beperking van de omvang van de schade.

Bij het eerste geval waarin een bereddingsplicht geldt – er heeft zich een verzekerd risico verwezenlijkt – kan worden gedacht aan de verzekerde die constateert dat de motor van zijn tegen cascoschade verzekerde Volkswagen (met allrisk dekking) in brand staat. Van deze verzekerde mag verwacht worden, in zijn verhouding tot zijn autoverzekeraar, dat hij, ervan uitgaande uiteraard dat hij dat op een veilige manier zou kunnen doen, gebruikmaakt van de brandblusser die hem ter beschikking staat en/of dat hij de brandweer belt.

Bij de tweede mogelijke situatie – er dreigt zich een verzekerd risico te verwezenlijken – kan worden gedacht aan het geval dat na een hevige storm de schoorsteen van de woning van de verzekerde wankelt. De schoorsteen dreigt bovenop de tegen cascoschade verzekerde Porsche van de verzekerde te vallen. Ook is er een risico dat een eventuele voorbijganger door de vallende schoorsteen wordt getroffen, in welk geval de verzekerde op grond van art. 6:174 BW aansprakelijk zou zijn voor de letselschade van die voorbijganger. Van de verzekerde mag onder deze omstandigheden worden verwacht, in zijn verhouding tot de autoverzekeraar, dat hij zijn Porsche elders parkeert, totdat de schoorsteen is gestabiliseerd. In zijn verhouding tot zijn aansprakelijkheidsverzekeraar mag van hem worden verwacht dat hij het gedeelte van de stoep/straat waarop de schoorsteen kan vallen, afzet met bijvoorbeeld linten en/of pylonen.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met het ophanden zijn van de verwezenlijking van het risico bedoeld is dat sprake moet zijn van onmiddellijk dreigend gevaar. Deze opvatting heeft zich gevormd in de (oudere) literatuur over art. 283 WvK. Aanvankelijk was de lijn in de literatuur dat de verplichting van de verzekerde enkel ziet op beperking van de schade na de verwezenlijking van het verzekerde risico. Op die lijn zat eerst ook Nolst Trenité die de volgende verklaring voor dit standpunt gaf:

“Het zou toch niet aangaan den assuradeur aansprakelijk te stellen voor alle maatregelen, welke een verzekerde neemt om een gevaar te vermijden waaruit wellicht schade zou kunnen ontstaan, of om een onheil te voorkomen, hetwelk misschien kan voorvallen, maar dat evengoed kan uitblijven. Daarom zal men behalve op wettelijke gronden, ook om praktische overwegingen moeten vasthouden aan de leer, dat artikel 283 K. het oog heeft op maatregelen nadat het onheil waartegen verzekerd is, zich heeft voorgedaan, niet op die welke strekken om het eventueel voorvallen daarvan te voorkomen. In overeenstemming met deze opvatting noemt men de kosten van die maatregelen gewoonlijk „reddings- en bergingskosten”.”

Nolst Trenité zag later echter ruimte voor een uitbreiding van het temporeel toepassingsgebied van art. 283 WvK:

“Aan den eisch dat het onheil zich moet hebben voorgedaan, mag intusschen deze uitbreiding worden gegeven, dat daarmede gelijk is te stellen een onheil hetwelk onmiddellijk en onmiskenbaar dreigend is.”

Ook andere auteurs zaten later op het spoor van ‘onmiddellijk dreigend gevaar’. Deze opvatting is ook door Uw Raad overgenomen.

In de meer recente verzekeringsrechtelijke literatuur bestaat er geen discussie over dat onder ‘het ophanden zijn van de verwezenlijking van het risico’ in art. 7:957 lid 1 BW moet worden verstaan dat sprake is van een onmiddellijk dreigend gevaar.

Deze zaak staat in de sleutel van de vraag of van een onmiddellijk dreigend gevaar sprake is: [de V.O.F.] betoogt dat, Interpolis bestrijdt dat. Hoewel zich al een risico heeft verwezenlijkt – de bodem is verontreinigd met asbest – gaat het hier nu om de vraag of [de V.O.F.] recht heeft op vergoeding van de kosten van verwijdering en vervanging van de dakplaten in verband met de dreiging van het ontstaan van nieuwe schade na sanering van de bodem. Het gaat dus niet om het beperken van schade die het gevolg is van een risico dat zich reeds heeft verwezenlijkt. In dat laatste geval geldt niet het vereiste van een onmiddellijk dreigend gevaar.

Wat kan van de verzekerde worden verlangd?

Optreden van de verzekerde kan niet alleen worden verlangd wanneer hij op de hoogte is van de ingetreden schade of het op handen zijn daarvan, maar ook wanneer hij, zo blijkt uit art. 7:957 lid 1 BW, daarvan op de hoogte behoorde te zijn. Wist de verzekerde echter niet dat hij schade had geleden of dat zich een schadegeval dreigde voor te doen, en behoorde hij dit ook niet te weten, dan kan hem later geen schending van de bereddingsplicht worden tegengeworpen door de verzekeraar. In art. 7:957 lid 1 BW is zo een zekere objectivering tot uitdrukking gebracht. Bij het antwoord op de vraag of de verzekerde op de hoogte behoorde te zijn, wordt de behoorlijke en zorgvuldige verzekerde als maatstaf genomen en moet met alle omstandigheden van het geval rekening worden gehouden.

De verzekerde is, zo blijkt nog steeds uit het eerste lid van art. 7:957 BW, gehouden om binnen redelijke grenzen bereddingsmaatregelen te nemen. Heb ik het goed, dan ligt hierin een begrenzing ten gunste van de verzekerde besloten. Kan bijvoorbeeld de verzekerde weliswaar de schade voorkomen, maar enkel tegen direct te maken zeer hoge, boven de verzekerde som uitstijgende kosten of bijvoorbeeld met gevaar voor eigen leven, dan kan de verzekeraar de verzekerde niet tegenwerpen dat hij deze bereddingsmaatregel niet heeft genomen.

Recht op vergoeding van de bereddingskosten

Voor de verzekerde is van belang dat de kosten van de door hem genomen maatregelen als gezegd voor rekening van de verzekeraar komen, evenals de schade aan zaken die bij de beredding zijn ingezet (art. 7:957 lid 2 BW). Dit recht op vergoeding heeft hij ook wanneer dit, tezamen met de vergoeding van de schade die tot uitkering aanleiding geeft, de verzekerde som zou overschrijden (art. 7:959 lid 1 BW). Voorwaarde voor vergoeding op basis van art. 7:957 BW is wel dat het gaat om kosten van maatregelen die verzekerde schade beogen te voorkomen of beperken. Met de maatregelen moet immers het belang van de verzekeraar gediend zijn geweest.

De kosten van maatregelen die de verzekerde heeft gemaakt na het voorkomen of beperken van de verzekerde schade, komen niet voor rekening van de verzekeraar, omdat dan van beredding in de zin van art. 7:957 BW ook geen sprake meer is. In het zojuist gegeven voorbeeld van de schoorsteen (randnummer 3.18 hiervoor) hoeft de verzekeraar na het stabiliseren of slopen van de schoorsteen niet de kosten van de bouw van een nieuwe schoorsteen te vergoeden, althans niet uit hoofde van art. 7:957 BW:

“Niet genoeg kan worden benadrukt dat de bereddingsplicht zich beperkt tot wat ik zou willen noemen: Eerste Hulp Bij (Bijna) Ongelukken. Zodra het gevaar van het intreden van het evenement of van het toenemen van de schade is geweken, houdt de bereddingsplicht op.”

De verzekeraar is slechts verplicht de bereddingskosten van de verzekerde te vergoeden voor zover het redelijk is dat die kosten zijn gemaakt. In het kader van art. 7:957 lid 2 BW dient, net als bij art. 6:96 lid 2, aanhef en onder a, BW, een dubbele redelijkheidstoets te worden gehanteerd: de bereddingsmaatregel moet redelijkerwijs verantwoord zijn geweest en de hoogte van de daaraan verbonden kosten moet redelijk zijn. Daarbij kan richtinggevend zijn hetgeen Uw Raad heeft overwogen in het Staedion-arrest met betrekking tot art. 283 WvK: de door de verzekerde genomen maatregelen moeten redelijk en doelmatig zijn, beoordeeld naar het tijdstip waarop de verzekerde tot het nemen van maatregelen heeft besloten. En net zo min als bij art. 6:96 lid 2, aanhef en onder a, BW is bij art. 7:957 BW vereist dat de bereddingsmaatregelen het beoogde effect hebben gehad: de redelijke kosten moeten worden vergoed “ook indien de maatregelen geen succes hebben”.

Sancties bij schending van de bereddingsplicht

Welke remedie heeft de verzekeraar in het geval dat de bereddingsplicht niet wordt nagekomen? In het kader van de vraag welke sanctie staat op schending van de bereddingsplicht, moet een viertal situaties worden onderscheiden. Daarbij zijn de al eerder besproken begrippen verzekeringnemer, verzekerde en verzekering ten behoeve van een derde van belang (randnummer 3.14 hiervoor). De vier te onderscheiden situaties zijn de volgende:

(i) de verzekeringnemer die niet ook de verzekerde is, omdat sprake is van een verzekering ten behoeve van een derde, is de op hem ingevolge art. 7:957 lid 1 BW rustende bereddingsplicht niet nagekomen;

(ii) de verzekerde is de bereddingsplicht niet nagekomen op een moment waarop hij als verzekerde was aan te merken;

(iii) de verzekerde is de bereddingsplicht niet nagekomen op een moment waarop hij nog niet als verzekerde was aan te merken omdat hij zijn aanwijzing als zodanig nog niet had aanvaard;

(iv) zowel de verzekeringnemer als de verzekerde waren in de gelegenheid om bereddingsmaatregelen te treffen maar zij hebben dat beiden nagelaten.

Voor het geval onder (i) geldt dat de verzekeraar de schade die hij door de niet-voldoening aan de bereddingsplicht heeft geleden, kan verhalen op de verzekeringnemer op grond van art. 6:74 BW. De verzekerde behoudt dan zijn recht op uitkering. Voor het geval onder (ii) geldt dat de verzekeraar jegens de verzekerde hetzelfde (op art. 6:74 BW gebaseerd) recht op schadevergoeding toekomt als in het geval genoemd onder (i). De verzekeraar komt echter ook een beroep toe op art. 7:957 lid 3 BW (randnummer 3.6 hiervoor) als zelfstandige remedie, zodat hij de uitkering ook mag verminderen met de schade die hij als gevolg van het nalaten van de verzekerde heeft geleden. Het geval onder (iii) ligt iets ingewikkelder. Op de onder (iii) genoemde verzekerde rustte ten tijde van de (op handen zijnde) risicoverwezenlijking geen bereddingsplicht ten gunste van de verzekeraar, omdat hij op dat moment nog geen partij bij de verzekeringsovereenkomst was. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat voor deze verzekerde de bereddingsplicht niet als een verbintenis, maar als een Obliegenheit moet worden opgevat, die bij verzaking aanleiding geeft tot vermindering van de uitkering. Om zeker te stellen dat de verzekeraar ook in deze situatie een dergelijke sanctie toekomt, is lid 3 van art. 7:957 BW in het leven geroepen. Voor het geval onder (iv) geldt dat de verzekeraar jegens de verzekerde de onder (ii) en (iii) genoemde remedies toekomt, al naar gelang de verzekerde zijn aanwijzing al wel respectievelijk nog niet had aanvaard.

Samenloop met de eigen schuldregeling

Of de verzekeraar bij schending van de bereddingsplicht (art. 7:957 BW) ook een beroep openstaat op eigen schuld, is de vraag. Verzekeraars hebben daar belang bij: in geval van een succesvol beroep op de wettelijke of een contractuele eigen schuld(regeling) hoeven zij niets uit te keren, terwijl art. 7:957 lid 3 BW ‘slechts’ voorziet in een vermindering van de verschuldigde uitkering met het bedrag van de door de verzekeraar geleden schade.

In de literatuur is door vele auteurs opgemerkt dat ‘samenloop’ van art. 7:957 BW (thema: beredding) en art. 7:952 BW (thema: eigen schuld) mogelijk is, waarmee zij in eerste instantie bedoelen dat zich gevallen kunnen voordoen die zowel onder het toepassingsbereik van art. 7:957 BW als onder het toepassingsbereik van art. 7:952 BW vallen. Daarmee is nog niet gezegd dat verzekeraar dan vrij is te kiezen welk regime hij inroept (randnummers 3.34-3.35 hierna). Niet iedereen ziet deze feitelijke samenloop overigens voor zich. Van der Feltz bijvoorbeeld acht samenloop niet alleen onmogelijk maar ook onwenselijk. Blom en Hendrikse zien samenloop wel voor zich, maar alleen in de situatie waarin de verwezenlijking van het verzekerde risico zich dreigt voor te doen en dus niet meer in de situatie waarin het verzekerde risico zich reeds heeft verwezenlijkt.

Steun voor de opvatting dat samenloop mogelijk is, wordt in de literatuur steevast gevonden in het arrest G./Nationale Nederlanden, dat in het teken staat van art. 294 WvK, dat samen met art. 276 WvK de wettelijke eigen schuldregeling vormde onder het verzekeringsrecht dat tot 1 januari 2006 heeft gegolden. Dit arrest had betrekking op een geval waarin (een bestuurder van) de verzekeringnemer het verzekerde, in brand staande pand verliet zonder iets te doen. Het hof oordeelde dat er sprake was van merkelijke schuld in de zin van art. 294 WvK, “daar hij weggegaan is terwijl er in een of meer bedrijfsruimten brand woedde zonder de brandweer te waarschuwen en/of zelf te trachten te brand te blussen.” In cassatie werd aangevoerd dat het hof hiermee het toepassingsbereik van art. 294 WvK te ver had opgerekt, omdat voor toepassing van deze bepaling zou zijn vereist dat de merkelijke schuld van de verzekerde de oorzaak van de brand is. Uw Raad verwierp deze klacht, omdat, kort samengevat, het hof óók in de hiervoor omschreven situatie tot merkelijke schuld mocht oordelen.Hoewel Uw Raad zich in dit arrest niet heeft uitgesproken over art. 283 WvK, waarop de verzekeraar klaarblijkelijk geen beroep had gedaan, wordt in de literatuur uit dit arrest afgeleid dat samenloop mogelijk is. Dat is kennelijk het geval, omdat in het arrest G./Nationale Nederlanden een situatie aan de orde was die zich voor toepassing van (een beroep op schending van) de bereddingsplicht [plaats 1] : de desbetreffende persoon wist dat er een brand woedde en van hem mocht verwacht worden dat hij de brandweer zou waarschuwen en/of zelf zou proberen de brand te blussen. Hem had net zo goed verweten kunnen worden dat hij geen bereddingsmaatregelen had getroffen. De verzekeraar deed echter een succesvol beroep op art. 294 WvK (eigen schuld), dat dus niet enkel van toepassing is bij schadeveroorzaking, maar ook bij (verwijtbare) nalatigheid om de gevolgen van een reeds aangevangen schadegeval (hier: een brand) te beperken.

Interessant is natuurlijk de vraag welk regime geldt in geval van samenloop: kan de verzekeraar dan kiezen of gaat één van de twee regelingen voor? En in dat laatste geval: heeft dan de regeling van art. 7:957 BW voorrang of juist die met betrekking tot eigen schuld? Ook hier lopen de opvattingen uiteen. Scheltema/Mijnssen, Wansink, Frenk en Mijnssen & Engel lijken van opvatting te zijn dat de verzekeraar in geval van samenloop kan kiezen. Dat geldt ook voor Blom en Hendrikse, zij het dat zij van opvatting zijn dat samenloop zich alleen kan voordoen in de situatie waarin de verwezenlijking van het verzekerde risico zich dreigt voor te doen (randnummer 3.32 hiervoor).Brevet lijkt art. 7:957 BW echter te zien als een storende factor op het terrein van art. 7:952 BW. Hij is van opvatting, kort samengevat, dat voor de vraag wie – verzekerde of verzekeraar – de schade moet dragen die is ontstaan doordat de verzekerde geen bereddingsmaatregelen heeft genomen, hetzelfde criterium moet gelden als voor schade door ander handelen of nalaten van de verzekerde: “Kortom, de polisdekking en de daarvoor relevante mate van schuld dient ook bepalend te zijn voor de gevolgen van niet-beredding.” Dit kan volgens hem worden bereikt door schrapping van lid 1 en lid 3 van art. 7:957 BW, zodat enkel lid 2 met betrekking tot de vergoeding van de bereddingskosten overblijft. In wezen bepleit Brevet daarmee exclusiviteit van het eigen schuld-regime. Volgens Mendel en de bewerkers van het Asser-deel over het verzekeringsrecht daarentegen prevaleert art. 7:957 BW juist bij samenloop, omdat deze bepaling te zien is als een lex specialis ten opzichte van art. 7:952 BW.

Dat laatste lijkt mij niet het geval: art. 7:957 BW biedt weliswaar een specifieke regeling, maar nergens blijkt uit dat deze regeling exclusief werkt in de beperkte categorie gevallen waarin ook van eigen schuld sprake is. Meer voor de hand ligt dat de verzekeraar in geval van samenloop kan kiezen tussen een beroep op eigen schuld en een beroep op schending van de bereddingsplicht. Heb ik het goed, dan bestaat deze keuzemogelijkheid eigenlijk alleen in een geval als dat in het arrest G./Nationale Nederlanden aan de orde was. Het gaat om (vermoedelijk zeldzame) gevallen waarin vast is komen staan dat de verzekerde, hoewel hij moet hebben gezien dat er schade ontstond (er woedde een brand bijvoorbeeld), niets onderneemt om de schade te beperken, terwijl, als hij wel iets had ondernomen, de schade (aanzienlijk) beperkt zou zijn gebleven. Die verzekerde valt in dat geval net zo goed eigen schuld (aan het ontstaan van de schade) te verwijten als een schending van de bereddingsplicht. In zo’n geval zal vaak ook een verdenking van verzekeringsfraude aan de orde zijn, waarbij een eigen schuld-verweer van de verzekeraar beter past dan een beroep op schending van de bereddingsplicht.

Is sprake van regelend of van dwingend recht?

In art. 7:963 BW wordt voor de afdeling met betrekking tot schadeverzekering (afdeling 2 van titel 7.17 BW) aangegeven van welke artikelen of artikelleden niet kan worden afgeweken. Het eerste lid van art. 7:957 BW wordt in deze bepaling niet genoemd, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat deze bepaling in zoverre van regelend recht is. Veel betekenis heeft dat echter vermoedelijk niet: verzekeraars zullen niet snel geneigd zijn om de wettelijke bereddingsplicht in hun voorwaarden weg te schrijven.

Van het tweede lid van art. 7:957 BW, waarin is bepaald dat de verzekeraar de kosten verbonden aan de binnen redelijke grenzen genomen bereddingsmaatregelen vergoedt, kan niet ten nadele van de verzekeringnemer of de verzekerde worden afgeweken (art. 7:963 lid 5 BW). De verzekeraar kan dus niet bedingen dat eventuele door de verzekerde te maken bereddingskosten niet voor zijn rekening komen. De aard van de verzekering – consument- of bedrijfsverzekering – maakt hierbij geen verschil. Op een enkel ander punt is dat wel het geval.

In art. 7:959 lid 1 BW is bepaald dat de bereddingskosten en de redelijke kosten die zijn gemaakt tot het vaststellen van de schade ten laste van de verzekeraar komen, ook al zou daardoor, tezamen met de vergoeding van de schade, de verzekerde som worden overschreden. Van deze bepaling kan ingevolge art. 7:963 lid 6 BW niet ten nadele van de verzekeringnemer of de verzekerde worden afgeweken voor zover de in art. 7:959 lid 1 BW genoemde kosten niet het bedrag overschrijden dat gelijk is aan de verzekerde som en de verzekeringnemer een natuurlijk persoon is die de verzekering anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gesloten. Dit betekent dat de verzekeraar, als de verzekeringnemer een consument is, de hoogte van de eventueel door hem te vergoeden bereddingskosten kan maximeren tot een bedrag gelijk aan de verzekerde som. Heeft de verzekeraar dat gedaan, dan is hij in het voor hem meest ongunstige geval, waarin de verzekerde zonder succes hoge bereddingskosten heeft gemaakt, gehouden de verzekerde som uit te keren (ter vergoeding van de schade) én ook nog een bedrag gelijk aan de verzekerde som ter vergoeding van de bereddingskosten.

Gaat het om een verzekering die in de uitoefening van een beroep of bedrijf is gesloten, dan mist art. 7:963 lid 6 BW toepassing. In dat geval mag de verzekeraar in de verzekeringsvoorwaarden afwijken van art. 7:959 lid 1 BW. De verzekeraar zou dan bijvoorbeeld in de verzekeringsovereenkomst kunnen bedingen dat hij eventuele bereddingskosten vergoedt tot een bedrag gelijk aan maximaal de helft van de verzekerde som. Hij kan echter niet bedingen dat hij helemaal geen bereddingskosten vergoedt, nu art. 7:957 lid 2 jo. art. 7:963 lid 5 BW hieraan in de weg staat.

Met het voorgaande heb ik de regeling van de bereddingsplicht en de bereddingskosten in art. 7:957 BW geïntroduceerd en zijn ook de belangrijkste thema’s aan de orde gekomen. Hierna volgt een verdieping, die is toegespitst op de vragen die opkomen naar aanleiding van de in cassatie naar voren gebrachte klachten. Daarbij komt eerst een tweetal arresten aan bod, waarin het ook om beredding en asbestproblematiek ging: het Forbo-arrest (randnummers 3.41-3.42 hierna) en het Staedion-arrest (randnummers 3.43-3.47). Ik leg de nadruk op de vraag of sprake is van een onmiddellijk dreigend gevaar, op het onderscheid tussen bijzondere maatregelen en gewone voorzorgsmaatregelen, waarvan de kosten respectievelijk wel en niet voor vergoeding door de verzekeraar in aanmerking komen en op de vraag of een eventuele gehoudenheid tot het treffen van de bewuste maatregelen op een andere grondslag aan toepassing van art. 7:957 BW in de weg staat. Die laatste twee thema’s krijgen ten slotte nog specifieke aandacht (randnummers 3.48-3.58).

Het Forbo-arrest

In het Forbo-arrest, dat ook wel bekend staat als het Novilon-arrest, heeft Uw Raad aangegeven dat bij de vraag of in een bepaalde situatie sprake is van onmiddellijk dreigend gevaar, betekenis toekomt aan de opvatting van de overheid daarover. Het ging in deze zaak om een producent (Forbo) van vloerbedekking met een asbesthoudende onderlaag (Novilon). In de periode 1969-1979 had Forbo Novilon op de markt gebracht. Naar aanleiding van alarmerende berichten omtrent de risico’s verbonden aan het onoordeelkundig verwijderen van Novilon besloot Forbo waarschuwingen te publiceren, onderzoek te verrichten naar een methode voor deugdelijke verwijdering en brochures te vervaardigen met daarin adviezen omtrent de wijze van verwijdering. Forbo maakte dus kosten. De vraag was echter of Forbo mocht uitgaan van een onmiddellijk dreigend gevaar van aansprakelijkheid jegens een of meer onfortuinlijke koper(s) van Novilon. Bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeraar Centraal Beheer bestreed dat. Het hof oordeelde echter dat de rechtbank tot het oordeel kon komen dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar:

“De tweede grief van Centraal Beheer richt zich, kort geformuleerd, tegen het oordeel van de rechtbank dat in het onderhavige geval sprake was van onmiddellijk dreigend gevaar voor het ontstaan van letselschade die onder de dekking valt. Deze grief faalt. Gezien de uiteenlopende meningen omtrent het risico verbonden aan het inademen van asbestdeeltjes en het overheidsbeleid, dat in verband met het risico voor het ontstaan van mesothelioom de uiterste terughoudendheid bij het verwijderen van asbesthoudend materiaal voorstond, moet worden geoordeeld dat sprake was van een zodanige kans op het ontstaan van door de polis gedekte schade dat maatregelen tot voorkoming of vermindering van die schade van de zijde van Forbo geboden waren.”

In cassatie liet Uw Raad dit oordeel van het hof in stand.

In het Forbo-arrest overwoog Uw Raad bovendien het volgende:

“De omstandigheid dat het waarschuwen van de consumenten door Forbo te gelden heeft als ‘normale voldoening aan een normale zorgvuldigheidsplicht’ neemt niet weg dat de kosten hiervan ten laste van de verzekeraar kunnen komen. Of dit het geval is, hangt hiervan af of – tevens – is voldaan aan het bepaalde in art. 4.2 AVB-2 resp. art. 283K. (…)”

Uw Raad reageerde hiermee op de stelling in cassatie van Centraal Beheer dat het door Forbo onder de aandacht van het publiek brengen van de mogelijke gezondheidsrisico’s van (het onvakkundig verwijderen van) Novilon, te gelden heeft als ‘normale voldoening aan een normale maatschappelijke zorgvuldigheidsplicht’ en derhalve niet als ‘bijzondere maatregel’ c.q. ‘buitengewone uitgave’ kan gelden.

Het Staedion-arrest

In dit verband is ook het Staedion-arrest van belang, dat ook een asbest-kwestie en een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering betreft. Het ging in deze zaak om woningbouwvereniging Staedion, die op basis van rapporten van het in asbestonderzoek gespecialiseerde bureau BME, waarin stond dat sanering op korte termijn dringend noodzakelijk was, overging tot het saneren van 309 door haar verhuurde woningen. Zij stelde zich op het standpunt dat zij jegens verzekeraars op grond van art. 283 WvK recht had op vergoeding van de na de sanering gemaakte kosten van reiniging en vervanging van inboedelgoederen van de bewoners van de gesaneerde woningen, omdat sprake zou zijn van bereddingskosten ter voorkoming van personenschade, althans (verdere) zaakschade. De verzekeraars betwistten (onder meer) dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar, welk verweer door het hof zo werd begrepen (en mocht worden begrepen) dat zij daarmee bedoelden dat de in de woningen aangetroffen asbestconcentraties zo gering waren dat slechts van een verwaarloosbaar gezondheidsrisico sprake was en sanering niet noodzakelijk was. Het hof oordeelde dat Staedion ervan mocht uitgaan dat er een onmiddellijk dreigend gevaar was dat alleen door directe sanering kon worden opgeheven:

“5. (…) Naar het oordeel van het hof kon Staedion op basis van dit advies [het advies van BME, A-G] en gezien de al ontstane grote maatschappelijke onrust, in redelijkheid tot de beslissing komen tot (directe) sanering over te gaan. Staedion kon en mocht op het moment van het nemen van haar beslissing uitgaan van een reëel gevaar voor de gezondheid van de bewoners van de onderhavige woningen, dat alleen door het treffen van een bijzondere maatregel (te weten directe sanering) kon worden opgeheven. Als eigenaar/verhuurder van een groot aantal woningen rustte op Staedion in dit verband een (dringende) maatschappelijke zorgvuldigheidsplicht ten opzichte van derden (zowel huurders als overige bewoners) om gezondheidsschade in de woningen te voorkomen. Latere inzichten of ontwikkelingen met betrekking tot het daadwerkelijke gevaar van asbestbesmetting zijn daarbij niet van belang, zelfs niet wanneer uiteindelijk (objectief) vastgesteld zou kunnen worden dat er in werkelijkheid geen (of een verwaarloosbaar) gevaar van besmetting heeft bestaan en de sanering derhalve niet noodzakelijk was. Dit alles betekent dat in dit geval sprake is van bereddingskosten in de zin van artikel 283 K die naar het oordeel van het hof voor vergoeding in aanmerking komen.”

In cassatie heeft Uw Raad wat de toepassing van art. 283 WvK betreft het volgende tot uitgangspunt genomen:

“(…) De kosten die een verzekerde heeft gemaakt ter voldoening aan zijn verplichting het intreden van schade te voorkomen of ingetreden schade te beperken, komen voor vergoeding in aanmerking als de verzekerde in redelijkheid heeft mogen aannemen dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar dat slechts door het treffen van bijzondere maatregelen kon worden weggenomen en als deze maatregelen, die, ook als daartoe een andere verplichting bestond, ten bate van de verzekeraar moeten zijn gemaakt, redelijk en doelmatig zijn. Een en ander moet worden beoordeeld naar het tijdstip waarop de verzekerde tot het nemen van maatregelen heeft besloten. De verzekerde mag daarbij in beginsel afgaan op het advies van ingeschakelde deskundigen, tenzij de verzekerde wist of had behoren te weten dat dit advies niet op deugdelijke gronden berustte.”

Voor het bestaan van een recht op vergoeding van de kosten van bereddingsmaatregelen is dus vereist dat de verzekerde:

- in redelijkheid heeft mogen aannemen;

o dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar;

o dat slechts door het treffen van bijzondere maatregelen kon worden weggenomen;

- en deze bijzondere maatregelen;

o ten bate van de verzekeraar zijn gemaakt (waarbij het niet uitmaakt dat de verzekerde de maatregelen ook uit hoofde van een andere verplichting moest treffen);

o en redelijk en doelmatig zijn.

De beoordeling van het een en ander geschiedt naar het tijdstip waarop de verzekerde tot het nemen van die maatregelen heeft besloten. Daarbij mag hij in beginsel afgaan op het advies van ingeschakelde deskundigen.

De omstandigheid dat de verzekerde ook op een andere grond verplicht was om de desbetreffende maatregelen te treffen, bijvoorbeeld in de contractuele verhouding met zijn huurders of in het kader van de maatschappelijke zorgvuldigheid jegens derden, staat dus niet in de weg aan het recht op vergoeding van de met de maatregelen gemoeide kosten jegens de verzekeraar.

Verrassend is dit overigens niet. Behalve de hiervoor (in randnummer 3.42) geciteerde overweging in het Forbo-arrest gaf ook de volgende overweging in het Amercentrale-arrest daarvoor al een indicatie:

“dat ook het feit dat de verzekerde in geval van aansprakelijkheidsverzekering de maatregelen tot voorkoming of beperking van de schade ten gevolge van het evenement veelal (mede) treft, omdat hij uit andere hoofde tot het nemen van deze maatregelen gehouden is dan wel daarbij zelf belang heeft, geen reden is om art. 283 niet van toepassing te achten op aansprakelijkheidsverzekering, aangezien dit feit zich ook bij andere vormen van schadeverzekering kan voordoen en ook dan niet in de weg staat aan de toepasselijkheid van voormeld artikel;

Bijzondere maatregelen en gewone voorzorgsmaatregelen

Voor de praktijk is natuurlijk van belang wat onder ‘bijzondere maatregelen’ moet worden verstaan. Is daarvan immers geen sprake, dan kan de verzekerde geen recht doen gelden op vergoeding van de kosten van de door hem getroffen maatregelen. In de toelichting op art. 7.17.2.18 (thans art. 7:957 BW) van het voorontwerp van Dorhout Mees valt het volgende te lezen:

“Dit artikel bevat in hoofdzaak hetzelfde als hetgeen het tegenwoordige artikel 283 WvK omtrent te nemen maatregelen bepaalt. De aanhef dient om het terrein af te bakenen tussen de bijzondere maatregelen waarvan de verzekeraar de kosten wèl en de algemene voorzorgen waarvan hij de kosten niet heeft te vergoeden. Het voorgestelde artikel doelt op afweer van onmiddellijk dreigend gevaar, op bestrijding van een reeds aangevangen schadeoorzaak of op beperking van de gevolgen. Zo kan bij dreigende brand of overstroming overbrenging van het verzekerde goed naar elders geboden zijn. De brand zelf zal men trachten te blussen. De normale voorzorgen behoren belanghebbenden evenzeer te treffen, wil de schade hun niet kunnen worden toegerekend, maar de kosten daarvan vergoedt de verzekeraar niet.” (cursivering van mij, A-G)

Niet toevallig had Dorhout Mees, de ontwerper van art. 7.17.2.18, het al eerder over ‘bijzondere maatregelen’:

“Ten eerste moet, zo het onheil niet reeds is geschied[t], tenminste een toestand van dreigend gevaar bestaan. De gewone voorzorgsmaatregelen moet de verzekerde krachtens de regel, dat hij door eigen nalatigheid en schuld veroorzaakte schade zelf draagt, in ieder geval nemen zonder dat hij de kosten aan de verzekeraar in rekening kan brengen. Doet zich echter een onzeker voorval voor, waartegen verzekerd is, of is de kans dat het zich zal voordoen zo groot dat het alleen door bijzondere maatregelen kan worden afgewend of bestreden, dan is aan de voorwaarde van art. 283 voldaan. Zo vallen daaronder de kosten van het opvissen van onbeheerd in een rivier drijvend hout; van het verhalen van schepen wegens zware ijsgang; van het vernieuwen van onderweg beschadigde verpakking, behoudens bewijs dat deze reeds bij het beding van de reis ondeugdelijk was.” (cursivering van mij, A-G)

Zoals uit beide citaten is af te leiden, staan ‘bijzondere maatregelen’ tegenover ‘algemene voorzorgen’ en ‘gewone voorzorgsmaatregelen’. Bij ‘bijzondere maatregelen’ gaat het om specifieke maatregelen die geëigend zijn in de dreigende situatie die aan de orde is. Bij gewone voorzorgsmaatregelen daarentegen gaat het om maatregelen met het oog op algemene gevaren waarvan de kosten voor rekening van de verzekerde zelf komen. Van Zandvoort noemt in dit verband, in één adem met het nemen van gewone voorzorgsmaatregelen, het plegen van onderhoud om te voorkomen dat een gedekt evenement intreedt.

In de literatuur worden in dit verband regelmatig voorbeelden gegeven van kosten die niet en kosten die juist wel voor rekening van de verzekeraar komen, waarbij (soms) wordt verwezen naar jurisprudentie. Illustratief is Van Barneveld:

“Voorts zijn niet gedekt de kosten van normale veiligheidsmaatregelen. Snelblussers, sprinklers, verbeteringen enz. De verzekerde moet de normale veiligheidsmaatregelen nemen, evenalsof hij niet verzekerd was. Daar is de premie op gebaseerd. Maar doet zich het evenement voor, gaat de verzekerde dat voorkomen of in zijn gevolgen beperken en maakt hij daarvoor onkosten, dan is de verzekeraar present. Hij is dus niet aansprakelijk voor gewone exploitatiekosten, wel voor de kosten van – door de polis gedekte – onheilen. De verzekerde betaalt zelf de snelblusser; de assuradeur betaalt de vullingen, die ter voorkoming of vermindering van schade zijn gebruikt.”

In dezelfde lijn hebben Mijnssen & Engel benadrukt dat:

“(…) niet voor vergoeding in aanmerking komen, het spreekt vanzelf, normale kosten ter voorkoming van schade. Voorbeelden zijn deursloten en/of brandblusapparatuur. Het aanbrengen hiervan houdt geen verband met een situatie waarin het risico zich heeft verwezenlijkt of waarin sprake is van een onmiddellijk dreigend gevaar. Dergelijke maatregelen dienen om in het algemeen schade te voorkomen of te verminderen, maar niet om ‘de’ schade te voorkomen of te verminderen.”

A-G Bloembergen lijkt op hetzelfde spoor te zitten in zijn conclusie voor het Forbo-arrest:

“Iedereen, en zeker iedereen die in een dicht bevolkt land als het onze woont, moet voortdurend veiligheidsmaatregelen (waaronder eventueel ook waarschuwingen) nemen: hij moet zorgen dat de pannen niet van zijn dak waaien en dat de bomen in zijn tuin niet omwaaien, dat de remmen van zijn auto het doen en dat het achterlichtje van zijn fiets brandt, en wat al niet meer. Doet hij dat niet, dan pleegt hij door dat nalaten een onrechtmatige daad (waarvoor eventueel een aansprakelijkheidsverzekeraar moet opkomen).

Doet hij dat wel, dan zullen de kosten van deze maatregelen voor zijn eigen rekening komen, tenzij hij een aansprakelijkheidsverzekering heeft en het gaat om bijzondere maatregelen met het oog op een (onmiddellijk) dreigend gevaar, dat door zijn verzekering wordt gedekt. Ook in dit laatste geval zal er krachtens geschreven of ongeschreven recht een verplichting tot het nemen van maatregelen op hem rusten, maar dat staat aan toepassing van art. 283K niet in de weg. Vergelijk het arrest over de Amercentrale, b.a. (voorlaatste alinea): dat de verzekerde uit andere hoofde tot het nemen van maatregelen gehouden is, staat aan toepassing van art. 283 niet in de weg.

De vraag is nu hoe we de grens moeten trekken tussen algemene voorzorgen waarvan de kosten niet voor rekening van verzekeraar komen en bijzondere maatregelen waarbij dat wel zo is. (…)”

Uit het vervolg blijkt dat hij instemt met de keuze voor de beperking (buiten het geval van het zich reeds verwezenlijkt hebbende risico) van de bereddingsplicht tot het geval van een onmiddellijk dreigend gevaar:

“Wat hiervan zij, ik zou het met het Ontwerp BW (…) op het onmiddellijk dreigende gevaar willen houden, vooral ook omdat het niet aangaat de verzekeraar te belasten met allerlei kosten van normale algemene voorzorgen.”

Zowel in de wetsgeschiedenis als in de literatuur wordt, in het kader van het maken van onderscheid tussen bijzondere maatregelen en gewone voorzorgsmaatregelen, dus een verband gelegd met het onmiddellijk dreigend gevaar. Maatregelen zijn ‘bijzonder’ inzien zij zijn gericht tegen een specifiek, zich voordoend dreigend gevaar. Maatregelen zijn ‘gewoon’ indien zij meer in het algemeen zijn gericht op voorkoming van gevaar. Als het goed is, heeft de verzekerde deze maatregelen dan ook al eerder genomen. In de wetsgeschiedenis is bovendien een verband gelegd met het (verzekeringsrechtelijke) thema eigen schuld: gewone voorzorgsmaatregelen moet de verzekerde nemen ongeacht of sprake is van een onmiddellijk dreigend gevaar, omdat hij anders op grond van eigen schuld (in de zin van art. 7:952 BW of in de zin van de verzekeringsvoorwaarden) geen recht op uitkering heeft (randnummer 3.48 hiervoor).

Daarmee is overigens niet gezegd dat het in individuele gevallen steeds eenvoudig is een grens te trekken tussen enerzijds normale voorzorgen en anderzijds bereddingsmaatregelen waarvan de kosten door de verzekeraar worden vergoed. Daar is de onderhavige zaak een goed voorbeeld van.

Bereddingsplicht jegens verzekeraar en gehoudenheid jegens anderen?

De vraag of sprake is van normale voorzorgen (in welk geval geen aanspraak kan worden gemaakt op vergoeding van bereddingskosten), moet worden onderscheiden van de vraag of sprake is van een uit anderen hoofde op de verzekerde rustende zorgvuldigheidsverplichting jegens derden tot het treffen van bepaalde maatregelen (dat staat als zodanig niet in de weg aan toepassing van art. 7:957 BW). Dat gebeurt in de literatuur echter niet altijd.

In een artikel gewijd aan het al eerder genoemde Staedion-arrest merken Krenning & Vloemans bijvoorbeeld op dat een verzekerde ook een “algemene maatschappelijke zorgvuldigheidsplicht” heeft om tegen het ontstaan van schade te waken, waarmee zij kennelijk bedoelen: jegens derden, uit onrechtmatige daad of uit overeenkomst (zoals Staedion jegens de huurders). Vervolgens stellen zij dat buitengewone maatregelen en gewone maatregelen elkaar kunnen overlappen en dat in dat geval de kosten van die maatregelen wel degelijk door de verzekeraar moeten worden vergoed:

“(…) de omstandigheid dat bepaalde bereddingsmaatregelen (ook) te gelden hebben als ‘normale voldoening aan een normale zorgvuldigheidsplicht’ neemt niet weg dat de kosten hiervan ten laste van de verzekeraar kunnen komen (…)”.”

Zij verwijzen hierbij naar het Forbo-arrest (randnummers 3.41-3.42 hiervoor). Uit rov. 5. van het hof-arrest in de Staedion-zaak (randnummer 3.43 hiervoor) leiden Krenning & Vloemans af dat het antwoord op de vraag of in een concreet geval algemene voorzorgsmaatregelen tevens bijzondere maatregelen vormen, waarvan de kosten voor vergoeding in aanmerking komen, afhangt van het antwoord op de vraag of de maatregelen strekken ter bescherming tegen een onmiddellijk dreigend gevaar.

Als ik het goed heb, lopen hier twee zaken door elkaar: enerzijds het onderscheid tussen normale voorzorgen (kosten blijven voor rekening van de verzekerde) en bijzondere maatregelen (kosten komen voor rekening van de verzekeraar) en anderzijds de regel dat het voor de vergoedingsplicht van de verzekeraar niet uitmaakt dat de verzekerde ook uit anderen hoofde gehouden is om de betreffende (bijzondere) bereddingsmaatregel(en) te treffen. Uit rov. 3.4.4 van het Forbo-arrest (randnummer 3.42 hiervoor) kan mijns inziens niet worden afgeleid dat buitengewone maatregelen en gewone maatregelen kunnen samenvallen of elkaar kunnen overlappen. In die overweging heeft Uw Raad het weliswaar over ‘normale voldoening aan een normale zorgvuldigheidsplicht’, maar daarmee werd slechts gereageerd op de door Centraal Beheer aangevoerde klacht waarin die woorden werden gebruikt, hetgeen ook blijkt uit het feit dat deze woorden tussen aanhalingstekens zijn geplaatst. Uw Raad oordeelde dus niet dat de door Forbo getroffen maatregelen als ‘normale voorzorgen’ ten behoeve van anderen dan de verzekeraar moesten worden aangemerkt en evenmin dat van overlap sprake was. Ik heb ook niet de indruk dat Uw Raad dat bedoeld heeft in het Forbo-arrest. Veeleer lijkt bedoeld dat het voor de vergoedingsplicht van Centraal Beheer niet uitmaakt dat Forbo ook uit hoofde van een maatschappelijke verplichting was gehouden om het publiek te waarschuwen voor de gezondheidsrisico’s verbonden aan (het onvakkundig verwijderen van) Novilon. In het Staedion-arrest heeft Uw Raad bevestigd dat de kosten van de door de verzekerde gemaakte kosten van bijzondere maatregelen voor vergoeding door de verzekeraar in aanmerking komen “ook als daartoe een andere verplichting bestond” (randnummer 3.43 hiervoor).

Weigeringsgronden voor verzekeraar

De verzekeraar die wordt geconfronteerd met een vordering tot vergoeding van bereddingskosten kan zich (uiteraard al naar gelang de omstandigheden met meer of minder kans op succes) daartegen op verschillende manieren verweren. De onderhavige zaak is daarvan een mooie illustratie (randnummer 3.2 hiervoor). Hij kan de verzekerde bijvoorbeeld tegenwerpen dat niet aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan, omdat:

- geen sprake is van een onmiddellijk dreigend gevaar;

- geen sprake is van bijzondere maatregelen, maar juist van normale voorzorgsmaatregelen;

- de verzekeraar niet bij de maatregelen is gebaat, bijvoorbeeld omdat geen sprake is van verzekerde schade;

- niet is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets.

De verzekeraar kan daarnaast, opnieuw al naar gelang de omstandigheden, eventueel nog een beroep doen op eigen schuld. Wanneer de verzekerde schuld heeft aan de schade die is ontstaan en de oorzaak van de schade (en de mate van schuld waarmee de verzekerde heeft gehandeld) van de verzekeringsdekking is uitgesloten, hoeft de verzekeraar de schade niet te vergoeden. De kosten van de door verzekerde getroffen bereddingsmaatregelen zijn dan niet in het belang van de verzekeraar gemaakt: de verzekeraar hoefde toch al niet uit te keren. Die kosten komen dan dus ook niet voor vergoeding in aanmerking.

Specifieke aandacht verdient, in het kader van deze paragraaf over weigeringsgronden waarop de verzekeraar een beroep kan toekomen, het thema onderhoud. De kosten van regulier onderhoud kunnen niet onder de noemer van bereddingskosten bij de verzekeraar in rekening worden gebracht. De kosten van normaal onderhoud komen juist voor rekening van de verzekerde. Die kosten hoeft de verzekeraar niet te vergoeden. Van een andere orde is de situatie waarin juist slecht onderhoud de oorzaak is van een ingetreden schade of van een onmiddellijk dreigende schade. Een slecht onderhouden boot kan bijvoorbeeld zinken. Kunnen, als slecht onderhoud als oorzaak van de schade van de dekking is uitgesloten door de verzekeraar, de kosten van de door schipper gemaakte bereddingskosten in aanmerking komen voor vergoeding door diens verzekeraar? Dat lijkt mij niet het geval, net zo min als in de volgende casus. Een verzekerde heeft de aan hem toebehorende waterkering rondom zijn aan de Maas gelegen kapitale woning in Zuid-Limburg niet goed onderhouden. Vervolgens komt het tot een overstroming. De verzekerde gaat over tot bereddingsmaatregelen om verzekerde schade (opstal, inboedel) te voorkomen. Hij huurt meerdere pompen en hij schaft zandzakken aan. Hij vraagt de verzekeraar vervolgens de kosten van die maatregelen te vergoeden. De verzekeraar kan hem nu tegenwerpen dat hij deze schade door slecht onderhoud zelf heeft laten ontstaan; schade door slecht onderhoud heeft de verzekeraar niet zonder reden van de dekking uitgesloten. Aan de verzekerde die nu stelt bereddingsmaatregelen te hebben genomen, kan worden tegengeworpen dat de verzekeraar de schade sowieso al niet hoefde te vergoeden, omdat hem een beroep zou toekomen op de uitsluiting in de polisvoorwaarden voor slecht onderhoud. Daarmee zijn de genomen bereddingsmaatregelen ook niet in het belang van verzekeraar genomen. Dat is een belangrijk element in het leerstuk beredding: alleen kosten die in het belang van verzekeraar zijn gemaakt, moeten door hem worden vergoed (randnummers 3.9 en 3.26 hiervoor). De kosten van de hier gepresenteerde maatregelen komen dus ook niet voor vergoeding in aanmerking.

In de onderhavige zaak is het zojuist opgemerkte niet van belang. In rov. 5.27. van het bestreden arrest heeft het hof overwogen dat volgens [C] de daken op de stallen van [de V.O.F.] in matige tot slechte staat verkeren, maar het hof heeft in het arrest niet vastgesteld dat dit [de V.O.F.] te verwijten valt omdat hij geen onderhoud heeft verricht.

In de literatuur zijn, veelal in het kader van besprekingen van de eerder besproken arresten van Uw Raad (Forbo en Staedion), ook nog enkele andere specifieke gronden aan de orde gekomen, waarop de verzekeraar (wellicht) vergoeding van de gemaakte bereddingskosten zou kunnen weigeren. Het gaat daarbij in de eerste plaats om misbruik van verzekering en in de tweede plaats om strijd met het indemniteitsbeginsel. In de onderhavige zaak heeft Interpolis beide weigeringsgronden ook in beeld gebracht, maar aan het beoordelen van het beroep van Interpolis op misbruik van verzekering is het hof niet toegekomen (rov. 5.30.) en over (strijd met) het indemniteitsbeginsel heeft het hof zich niet uitgelaten. Wordt het arrest door Uw Raad vernietigd op grond van het door [de V.O.F.] ingestelde cassatieberoep en wordt de zaak verwezen, dan zal het verwijzingshof zich mogelijk alsnog moeten uitspreken over dit beroep van Interpolis.

Bij misbruik van verzekering wordt gedacht aan gevallen waarin de verzekerde het bewust laat aankomen op schade c.q. het moeten treffen van bereddingsmaatregelen, omdat hij weet dat hij daarvoor is verzekerd respectievelijk de verzekeraar daarvan de kosten moet vergoeden, en waarin het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de verzekeraar die schade/kosten zou moeten vergoeden.

In verband met de mogelijkheid dat strijd met het indemniteitsbeginsel bestaat, wordt door Vloemans het geval genoemd waarin een verzekerde nalatig is in het onderhoud van zijn eigendom en daardoor uiteindelijk met spoed een reparatie moet plaatsvinden om onmiddellijk dreigend gevaar af te wenden. In zo’n geval zou de vraag kunnen opkomen of het niet in strijd is met het indemniteitsbeginsel indien een verzekerde op deze wijze de kosten van reparatie vergoed krijgt, terwijl hij deze kosten op enig moment eigenlijk zelf had moeten maken. Mijns inziens zou in zo’n geval overigens eerder een beroep van de verzekeraar op eigen schuld aan de orde zijn, dan wel een beroep op de uitsluiting in de polisvoorwaarden van dekking voor schade ontstaan door slecht onderhoud (randnummer 3.61 hiervoor).

Het is niet voor niets dat ik de bespreking van deze laatste weigeringsgronden (misbruik van verzekering, strijd met het indemniteitsbeginsel) betrekkelijk kort heb gehouden. Dat heeft uiteraard te maken met het gegeven dat zij in de onderhavige zaak (tot nu toe) geen rol van betekenis spelen, maar ook dat is geen toeval. Dat vindt (mede) zijn verklaring in de beperkte zelfstandige betekenis van deze weigeringsgronden naast, de verschillende andere aan (de inhoud van) art. 7:957 BW, eigen schuld en eventuele polisbepalingen te ontlenen weigeringsgronden. Het arsenaal is dus al groot genoeg; dat een afwijzing van vergoeding van geclaimde bereddingskosten werkelijk alleen op misbruik van recht of strijd met het indemniteitsprincipe kan worden gebaseerd, kan ik mij moeilijk voorstellen.

Afronding

Ik vat het voorgaande als volgt samen:

(i) In de kern komt de regeling van art. 7:957 BW erop neer dat de verzekeraar aan de ene kant ‘aanspraak’ kan maken op beredding, maar aan de andere kant de daarmee gemoeide kosten voor zijn rekening zal moeten nemen.

(ii) Wat het bereik van het regime van art. 7:957 BW betreft, is in de eerste plaats van belang dat het in uitgangspunt ziet op elke schadeverzekering, ook op de aansprakelijkheidsverzekering. In de tweede plaats is van belang dat art. 7:957 BW niet alleen het geval betreft dat een verzekerd risico zich heeft verwezenlijkt, maar ook dat van het ophanden zijn daarvan. Van dat laatste geval is sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar.

(iii) De verzekerde is in dergelijke gevallen gehouden om binnen redelijke grenzen maatregelen te nemen die, al naar gelang de situatie, tot voorkoming van de schade kunnen leiden of tot beperking van de omvang van de schade.

(iv) Optreden van de verzekerde kan niet alleen worden verlangd wanneer hij op de hoogte is van de ingetreden schade of het op handen zijn daarvan, maar ook wanneer hij daarvan op de hoogte behoorde te zijn. Wist de verzekerde echter niet dat hij schade had geleden of dat zich een schadegeval dreigde voor te doen, en behoorde hij dit ook niet te weten, dan kan hem later geen schending van de bereddingsplicht worden tegengeworpen door de verzekeraar.

(v) Voor de verzekerde is van belang dat de kosten van de door hem genomen maatregelen voor rekening van de verzekeraar komen (art. 7:957 lid 2 BW). Voorwaarde voor vergoeding op basis van art. 7:957 BW is wel dat het gaat om kosten van maatregelen die verzekerde schade (schade waarvoor de verzekering dekking biedt) beogen te voorkomen of beperken.

(vi) In het kader van art. 7:957 lid 2 BW wordt een dubbele redelijkheidstoets gehanteerd: de bereddingsmaatregel moet redelijkerwijs verantwoord zijn geweest en de hoogte van de daaraan verbonden kosten moet redelijk zijn. In het Staedion-arrest heeft Uw Raad overwogen dat de door de verzekerde genomen maatregelen redelijk en doelmatig moeten zijn, beoordeeld naar het tijdstip waarop de verzekerde tot het nemen van maatregelen heeft besloten. Niet vereist is dat de bereddingsmaatregelen het beoogde effect hebben gehad.

(vii) Art. 7:957 BW kent zijn eigen remedies bij schending van de bereddingsplicht. Is daarvan sprake dan heeft dat consequenties ofwel in termen van aansprakelijkheid voor door de verzekeraar geleden schade dan wel in termen van (de omvang van) het recht op uitkering.

(viii) Het is niet uitgesloten dat naast schending van de bereddingsplicht ook sprake is van eigen schuld aan het ontstaan/verergeren van de schade. In dat geval is de verzekeraar niet gehouden een beroep te doen op de remedies van art. 7:957 BW, maar kan hij ook een beroep doen op de wettelijke of contractuele eigen schuldregeling.

(ix) Voor de praktijk is van groot belang wat onder ‘bijzondere maatregelen’ moet worden verstaan. Is daarvan geen sprake, dan kan de verzekerde geen recht doen gelden op vergoeding van de kosten van de door hem getroffen maatregelen. Bijzondere maatregelen staan tegenover ‘algemene voorzorgen’ en ‘gewone voorzorgsmaatregelen’. Maatregelen zijn ‘bijzonder’ indien ze zijn gericht tegen een specifiek, zich voordoend dreigend gevaar. Maatregelen zijn ‘gewoon’ indien ze meer in het algemeen zijn gericht op voorkoming van gevaar. In dat geval heeft de verzekerde de maatregelen als het goed is ook al eerder genomen. Als dat niet is gebeurd, kunnen de kosten van dergelijke maatregelen uiteraard in een inmiddels ontstane situatie van onmiddellijk dreigend gevaar niet als bereddingskosten ten laste van verzekeraar worden gebracht.

(x) Voor het bestaan van een recht op vergoeding van de kosten van bereddingsmaatregelen is (buiten het geval van een zich reeds verwezenlijk hebbend risico) vereist dat de verzekerde in redelijkheid heeft mogen aannemen dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar dat slechts door het treffen van bijzondere maatregelen kon worden weggenomen. Deze bijzondere maatregelen moeten redelijk en doelmatig zijn en ten bate van de verzekeraar zijn gemaakt. Daarbij maakt het niet uit dat de verzekerde de maatregelen ook uit hoofde van een andere verplichting jegens anderen moest treffen (hierna onder (xi)). De beoordeling van het een en ander geschiedt naar het tijdstip waarop de verzekerde tot het nemen van die maatregelen heeft besloten. Daarbij mag hij in beginsel afgaan op het advies van ingeschakelde deskundigen.

(xi) Een zelfstandige vraag betreft de betekenis van een eventuele gehoudenheid van verzekerde jegens derden in een situatie van een onmiddellijk dreigend gevaar. Een dergelijke gehoudenheid, waarvan de inhoud dezelfde kan zijn als die van de bereddingsplicht jegens de verzekeraar, staat als zodanig niet in de weg aan toepassing van art. 7:957 BW en aan een recht op vergoeding van de bereddingskosten.

(xii) De verzekeraar die wordt geconfronteerd met een vordering tot vergoeding van bereddingskosten kan zich daartegen (uiteraard al naar gelang de omstandigheden met meer of minder kans op succes) op verschillende manieren verweren. De regeling van de bereddingsplicht als zodanig biedt verzekeraar al een reeks mogelijkheden tot verweer (hiervoor ook weigeringsgronden genoemd). De verzekeraar kan daarnaast, opnieuw al naar gelang de omstandigheden, eventueel nog een beroep doen op eigen schuld. Soms komt hem, bijvoorbeeld bij slecht onderhoud, een beroep toe op een specifieke uitsluiting in de polisvoorwaarden.

(xiii) Juist vanwege dit ruime arsenaal komt in dit verband in de praktijk beperkte betekenis toe aan de weigeringsgronden misbruik van verzekering en strijd met het indemniteitsbeginsel: dat een afwijzing van vergoeding van geclaimde bereddingskosten alleen op misbruik van recht of strijd met het indemniteitsprincipe kan worden gebaseerd, is moeilijk voor te stellen.

4. Bespreking van het middel in het principaal cassatieberoep

Het door [de V.O.F.] voorgestelde cassatiemiddel bestaat uit een rechts- en een motiveringsklacht die zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 5.28., dat de kosten van het verwijderen en vervangen van de dakplaten op de stallen van [de V.O.F.] geen bereddingskosten zijn in het kader van de verzekeringen van [de V.O.F.] bij Interpolis, alsmede tegen de overwegingen van het hof in rov. 5.26. en 5.27. die aan dit oordeel ten grondslag liggen. [de V.O.F.] heeft deze klacht voorzien van een toelichting, waarin verschillende sub-klachten naar voren worden gebracht.

De inzet van het door [de V.O.F.] ingestelde cassatieberoep is dat het hof had moeten beslissen dat (de rechtbank terecht heeft beslist dat) de kosten van vervanging van de asbesthoudende platen op de daken van de stallen van [de V.O.F.] bereddingskosten zijn.

Onder ‘vervanging’ verstaat [de V.O.F.] : het verwijderen van de asbesthoudende dakplaten en het plaatsen van nieuwe dakplaten. Duidelijkheidshalve merk ik hier op dat dit onderscheid als volgt terugkomt in rov. 5.27.: het hof heeft het in de achtste zin van rov. 5.27. over “het vervangen van de daken”, waarbij het hof onder vervanging hetzelfde lijkt te verstaan als [de V.O.F.] , maar voegt hier vervolgens ten overvloede aan toe, in de laatste twee zinnen van rov. 5.27., dat de kosten van het plaatsen van nieuwe daken bovendien niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat met het maken van deze kosten geen belang van Interpolis is gediend, hetgeen een vereiste is voor het bestaan van een recht op vergoeding van de kosten van een getroffen bereddingsmaatregel (randnummers 3.26 en 3.27 hiervoor, alsmede randnummer 3.67, onder (v) hiervoor).

De in de toelichting naar voren gebrachte sub-klachten houden het volgende in.

Schijntegenstelling

Volgens [de V.O.F.] heeft het hof in rov. 5.27. miskend dat de omstandigheid dat het de verantwoordelijkheid van [de V.O.F.] als eigenaar zelf is om de daken te onderhouden en zo nodig tijdig te vervangen, geen valide grond is voor afwijzing van de vordering van [de V.O.F.] . Het hof heeft volgens [de V.O.F.] een schijntegenstelling gecreëerd, die tegen de achtergrond van de slotzin van rov. 5.26. verbaast. Het hof suggereert in rov. 5.27. onverenigbaarheid van belangen die in werkelijkheid volgens [de V.O.F.] samenlopen: de omstandigheid dat [de V.O.F.] weet dat de daken van zijn stallen asbestdeeltjes en asbestvezels loslaten en maatregelen van zijn kant vergen die schade voorkomen, sluit niet uit dat [de V.O.F.] met die maatregelen een belang van Interpolis dient, omdat de te voorkomen schade onder de dekking van de verzekeringen valt. De overweging dat het treffen van schadevoorkomende maatregelen niets te maken heeft met beredden ten behoeve van Interpolis, is daarom volgens [de V.O.F.] onjuist en onbegrijpelijk.

Deze klachten falen. Het hof heeft geen rechtsregel miskend door in rov. 5.27. te overwegen dat de kosten van een normale voorzorgsmaatregel, zoals hier – volgens het hof – het vervangen van de asbesthoudende dakplaten op de stallen, voor rekening van de verzekerde (hier: [de V.O.F.] ) blijven. Het is juist dat de kosten van een normale voorzorgsmaatregel voor rekening van de verzekerde komen (randnummers 3.48-3.55 en randnummer 3.67, onder (ix), hiervoor). Het hof heeft dus een valide afwijzingsgrond gehanteerd. Een andere vraag is of hier sprake is van een normale voorzorgsmaatregel. Deze vraag wordt onder het kopje Bijzondere maatregelen (randnummers 4.12 e.v. hierna) naar voren gebracht. Het antwoord op die vraag, waarvan de uitwerking aldaar volgt, luidt wat mij betreft dat, anders dan het hof heeft geoordeeld, niet van een normale voorzorgsmaatregel sprake is, maar van een bijzondere maatregel.

Er is ook geen sprake van strijd tussen enerzijds het oordeel van het hof dat voor een kostenvergoeding geen plaats is, omdat het hier (volgens het hof) om een normale voorzorgsmaatregel gaat en anderzijds de slotzin van rov. 5.26. Uit slotzin van rov. 5.26. volgt immers slechts dat (volgens het hof) ingeval een normale voorzorgsmaatregel samenvalt met een bijzondere maatregel, plaats kan zijn voor het vergoeden van de kosten van die maatregel. Daar hoeft dus niet altijd plaats voor te zijn volgens het hof. Van onbegrijpelijkheid is dus geen sprake, al is de slotzin wel wat ongelukkig geformuleerd, omdat een bijzondere maatregel niet met een normale voorzorgsmaatregel kan samenvallen (wel kan een maatregel uit hoofde van de bereddingsplicht samenvallen met een verplichting van de verzekerde tot het treffen van die maatregel uit anderen hoofde (randnummers 3.56-3.58 hiervoor)), maar die ongelukkigheid doet hier verder niet ter zake.

Evenmin heeft het hof in rov. 5.27. miskend dat de door [de V.O.F.] te treffen maatregel een belang van Interpolis dient, omdat daarmee schade wordt voorkomen die onder de dekking van de verzekeringen valt. Ik wijs in dit verband op de laatste twee zinnen van rov. 5.25., waaruit blijkt dat het hof heeft gezien dat het hier gaat om het voorkomen/beperken van door Interpolis verzekerde schade. In rov. 5.27. heeft het hof enkel tot uitdrukking willen brengen dat, ook al wordt met de maatregel een belang van Interpolis gediend, de kosten van de te treffen maatregel onder de omstandigheden van het geval (oud dak, in matige tot slechte staat verkerend, slijtage, [de V.O.F.] weet nu dat het dak tot asbestvervuiling leidt) voor rekening van [de V.O.F.] behoren te blijven.

De overweging van het hof in rov. 5.27. dat [de V.O.F.] uit hoofde van zijn verantwoordelijkheid en plicht als eigenaar maatregelen moet nemen en dat dit niet heeft te maken met beredden ten behoeve van Interpolis, is dan ook hoogstens wat ongelukkig. Daaruit valt niet af te leiden dat het hof niet gezien heeft dat Interpolis geen belang heeft bij de door [de V.O.F.] te treffen maatregelen.

De vervangingskosten zijn bereddingskosten

[de V.O.F.] klaagt verder dat de vraag of de kosten van vervanging van de dakplaten voor rekening komen van Interpolis, in de eerste plaats een vraag van uitleg van de verzekeringsovereenkomsten is. Volgens hem moet die vraag bevestigend worden beantwoord. In de verzekeringsvoorwaarden heeft Interpolis bereddingskosten gedefinieerd als de “(K)osten die verbonden zijn aan maatregelen die tijdens de contractsduur van de verzekering door of vanwege de verzekerde worden getroffen en die redelijkerwijs geboden zijn om het onmiddellijk dreigende gevaar van schade af te wenden en/of om schade te beperken (…)” (randnummer 1.5 hiervoor). Deze definitie, net als die van art. 7:957 lid 1 BW, bestrijkt de kosten waarvan [de V.O.F.] vergoeding heeft gevorderd. Het staat immers vast dat het verwijderen van de asbesthoudende dakplaten een noodzakelijke, want de enige, maatregel is die voorkomt dat er asbestdeeltjes en asbestvezels van de dakplaten op de stallen loskomen en rondzweven over het perceel van [de V.O.F.] , met als gevolg dat de bodem rondom de stallen opnieuw verontreinigd raakt en dat personen de asbestvezels inademen. In het licht hiervan is de beslissing van het hof dat de kosten waarvan [de V.O.F.] vergoeding vraagt, geen bereddingskosten zijn, onhoudbaar en in elk geval rechtens onjuist.

Ook deze klacht faalt. Het hof heeft de definitie van bereddingskosten in de polisvoorwaarden niet miskend. Evenmin heeft het hof de wettelijke definitie van bereddingskosten in art. 7:957 lid 1 en lid 2 BW miskend. Het hof heeft immers gezien dat de kosten verbonden aan de maatregel die [de V.O.F.] moet treffen (ook) het belang van Interpolis dienen nu daarmee verzekerde schade wordt voorkomen/beperkt (zie de laatste twee zinnen van rov. 5.25., zoals ik al opmerkte in mijn bespreking van de vorige klacht). Dat het hof desalniettemin heeft geoordeeld dat de kosten van die maatregel voor rekening van [de V.O.F.] behoren te blijven, omdat het onder de omstandigheden van het geval volgens het hof om een normale voorzorgsmaatregel gaat, is vervolgens niet onhoudbaar of rechtens onjuist. Bij normale voorzorgsmaatregelen in het kader van het thema beredding doet zich immers voor dat, ook al wordt met die voorzorgsmaatregelen (mede) in het belang van de verzekeraar bepaalde schade voorkomen of beperkt, net als bij ‘echte’ bereddingsmaatregelen dus, de kosten van die normale voorzorgsmaatregelen toch, gezien de aard van de maatregelen, voor rekening van de verzekerde blijven. Dit blijkt uit de wetsgeschiedenis, de literatuur en de jurisprudentie (randnummers 3.48-3.55 hiervoor). In rov. 5.27. heeft het hof dit onderwerp van het bredere verzekeringsrechtelijke leerstuk beredding toegepast, waarmee het hof dus geen contractuele of wettelijke definitie van bereddingskosten heeft miskend of onjuist heeft toegepast.

Bijzondere maatregelen

Onder deze noemer klaagt [de V.O.F.] dat het van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk is als het hof heeft geoordeeld dat de kosten van vervanging van de daken geen bereddingskosten zijn, omdat ze zijn te kwalificeren als kosten van normale voorzorgsmaatregelen die niet samenvallen met de bijzondere maatregelen die zijn verbonden aan de bereddingsplicht van [de V.O.F.] . [de V.O.F.] vestigt daarbij de aandacht op de laatste zin van rov. 5.26.

[de V.O.F.] wijst op bepaalde omstandigheden. Tot 2014 bestond er geen aanleiding voor vervanging van de asbesthoudende dakplaten: de functionaliteit van de dakplaten was goed. Tot september 2014 was de overtuiging heersend dat asbest een sterk, duurzaam en slijtvast materiaal is waaraan pas risico's kleven als het wordt verwerkt of geruimd. Gebleken is echter, uit onderzoek van [A] , dat asbestplaten onder invloed van weersomstandigheden slijten, desintegreren en asbestdeeltjes en asbestvezels loslaten. Onderzoeken die vervolgens in opdracht van (eerst) [de V.O.F.] en (daarna) Interpolis zijn verricht, hebben de vervangingsurgentie bij [de V.O.F.] aangetoond. Die urgentie houdt verband met de (gedekte) zaak- en personenschade die de platen blijken te (kunnen) veroorzaken, te weten bodemverontreiniging en letselschade.

Volgens [de V.O.F.] is in het licht van deze omstandigheden niet vol te houden dat de volledige vervanging van de dakplaten – waarvoor dus tot 2014 geen aanleiding bestond – is te kwalificeren als een “normale voorzorgsmaatregel” van € 160.000. Los daarvan valt volgens [de V.O.F.] niet in te zien waarom de vervanging van de dakplaten niet zou zijn te kwalificeren als “in zoverre bijzonder (...) dat deze noodzakelijk zijn [hier te lezen als: is, A-G] om onmiddellijk dreigende schade af te wenden” (rov. 5.26.), zoals bedoeld in art. 7:957 BW, meer precies als “redelijkerwijs geboden (...) om het onmiddellijk dreigende gevaar van schade af te wenden en/of om schade te beperken”, zoals bedoeld in de verzekeringsvoorwaarden. De onderzoeken die in opdracht van beide partijen zijn verricht, hebben immers aangetoond dat de vervanging van de dakplaten strekt tot voorkoming van meer en ernstigere schade, die aanzienlijk hoger kan uitvallen dan de vervangingskosten, dat de risico's urgent en acuut zijn, en dat het onaanvaardbaar is om geen maatregelen te treffen. Vervanging van de dakplaten is dus geboden, doelmatig en (weliswaar kostbaar maar bij gebrek aan een alternatief) redelijk.

Deze klachten slagen.

Het hof heeft in rov. 5.27. overwogen dat het vervangen van de daken moet worden aangemerkt als een normale voorzorgsmaatregel die [de V.O.F.] in het maatschappelijk verkeer als eigenaar behoort te treffen. Daarvoor is voor het hof het volgende redengevend geweest:

(i) het gaat om oude daken, uit de periode 1929-1965;

(ii) de daken verkeren in matige tot slechte staat;

(iii) de daken zijn onder weersomstandigheden aan slijtage onderhevig, waardoor geleidelijk asbestdeeltjes vrijkomen, die vervolgens op de bodem terechtkomen;

(iv) het is de eigen verantwoordelijkheid van [de V.O.F.] om de daken te onderhouden en zo nodig tijdig te vervangen, als deze door de slechte staat tot schade of verdere schade dreigen te leiden; en

(v) het is aan [de V.O.F.] om maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat de schade wordt voorkomen, omdat hij weet dat asbestdeeltjes van de daken van de stallen losraken en schade kunnen veroorzaken.

Dit oordeel van het hof geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Bij normale voorzorgsmaatregelen gaat het om maatregelen die de verzekerde op eigen kosten moet nemen om een weinig concreet, niet-onmiddellijk dreigend gevaar te voorkomen, omdat hem anders, in geval van schade, (een vorm van) eigen schuld kan worden tegengeworpen. In de literatuur is het aanbrengen van brandblusapparatuur als voorbeeld genoemd (randnummer 3.52 hiervoor). Een normale voorzorgsmaatregel is een maatregel waarvan de verzekeraar met recht kan zeggen dat de kosten daarvan voor rekening van de verzekerde behoren te blijven, omdat hij deze maatregelen gezien hun aard al eerder had behoren te nemen (randnummer 3.54 hiervoor). Zo’n maatregel is hier echter niet aan de orde. Hier is sprake van een specifiek, onmiddellijk dreigend gevaar voor (verdere) verwezenlijking van een verzekerd risico: vervuiling van de bodem rondom de stallen van [de V.O.F.] door asbesthoudende dakplaten die asbestdeeltjes ‘lekken’. Het gevaar van eventuele letselschade die kan ontstaan, is misschien minder tastbaar aanwezig, maar dit zou zomaar een misrekening kunnen blijken te zijn. Ik wijs er in dit verband op dat [de V.O.F.] heeft gesteld dat hij de asbest graag zou willen verwijderen om gezondheidsrisico’s te voorkomen, dit ook met het oog op zijn drie jonge kinderen.

Aan het oordeel van het hof, dat de kosten van de door [de V.O.F.] te treffen maatregel niet voor vergoeding door Interpolis in aanmerking behoren te komen, maar voor zijn rekening behoren te blijven, kleeft bovendien een motiveringsgebrek. Er blijft ook onder de door het hof genoemde omstandigheden ((i) tot en met (v)) sprake van een maatregel die (mede) het belang van Interpolis dient: er wordt verzekerde schade (bodemvervuiling) en derhalve een uitkeringsplicht van Interpolis mee voorkomen. Dat desalniettemin de kosten voor rekening van [de V.O.F.] behoren te blijven, op grond van de door het hof genoemde omstandigheden, is vervolgens niet evident. Dat zou het geval kunnen zijn als [de V.O.F.] al eerder maatregelen had kunnen en behoren te nemen. Daarvan is echter niet gebleken: uit het arrest van het hof blijkt niet dat [de V.O.F.] de bodemvervuiling rondom de stallen had kunnen (en daarmee had moeten) voorkomen door onderhoud te verrichten aan de daken op die stallen. [de V.O.F.] heeft gesteld dat asbest van oudsher als sterk, duurzaam en slijtvast materiaal werd aangemerkt en dat hij pas na het in rov. 3.5. genoemde onderzoek bekend raakte met het gevaar van bodemvervuiling. Uit het arrest van het hof blijkt niet anders dan dat [de V.O.F.] er pas in 2014 mee bekend raakte dat de grond rondom zijn stallen met asbestdeeltjes vervuild was geraakt door de asbesthoudende dakplaten op die stallen. Ik verwijs in dit verband naar rov. 3.5. van het bestreden arrest (randnummer 1.6 hiervoor), waarin het hof refereert aan een onderzoek van adviesbureaus [A] BV en [B] BV, dat eind september 2014 is gepubliceerd.

Een onbegrijpelijke parallel

Volgens [de V.O.F.] heeft het hof in rov. 5.27. ten onrechte een vergelijking gemaakt met de situatie waarin dakpannen door ouderdom losraken en schade aan voorbijgangers opleveren. Volgens [de V.O.F.] gaat deze vergelijking om verschillende redenen mank.

De vergelijking die het hof met losgeraakte dakpannen heeft gemaakt, betreft geen overweging die dragend is voor het oordeel van het hof dat het vervangen van de dakplaten een normale voorzorgsmaatregel is waarvan de kosten niet voor vergoeding door Interpolis in aanmerking komen. Het gaat enkel om een voorbeeld waarmee het hof heeft beoogd de eerder gegeven redenering te illustreren. Deze klacht behoeft daarom geen bespreking.

Verwijdering in plaats van vervanging?

[de V.O.F.] klaagt vervolgens over de overweging van het hof dat [de V.O.F.] eraan voorbijziet dat alleen het verwijderen van de dakplaten nodig is om de verzekerde schade te voorkomen en niet het plaatsen van nieuwe daken (rov. 5.27., laatste twee zinnen). [de V.O.F.] stelt dat dit niet klopt, omdat hij heeft aangevoerd dat hij niet met het enkele verwijderen van de dakplaten kan volstaan omdat de stallen zonder dak niet als zodanig dienst kunnen doen, hetgeen aan zijn bedrijfsvoering in de weg staat. Hij doet in dit verband een beroep op het Staedion-arrest, waarin Staedion vergoeding vorderde van (onder meer) de kosten van reiniging en/of vervanging van de inboedelgoederen in verband met daarop neergeslagen asbestvezels. In die zaak werd volgens [de V.O.F.] evenmin beslist dat met de enkele verwijdering van de desbetreffende inboedel het gevaar van schade zou zijn weggenomen zodat de verzekeraars daarom met vergoeding van die kosten konden volstaan.

Deze klacht faalt. De kosten van maatregelen die de verzekerde heeft gemaakt na het voorkomen of beperken van de verzekerde schade, komen niet voor rekening van de verzekeraar, omdat dan van beredding in de zin van art. 7:957 BW geen sprake meer is (randnummer 3.27 hiervoor). Zodra [de V.O.F.] de asbesthoudende dakplaten heeft verwijderd, is het belang van Interpolis gediend. De kosten die [de V.O.F.] daarna maakt voor het plaatsen van een nieuw dak, worden niet in het belang van Interpolis gemaakt en kunnen dus ook niet op grond van art. 7:957 BW voor rekening van Interpolis worden gebracht. Het hof heeft het dus bij het rechte eind gehad.

Dat [de V.O.F.] het niet zonder nieuwe daken op zijn stallen kan stellen, kan er niet toe leiden dat Interpolis daarom ook de kosten van het plaatsen van nieuwe daken moet vergoeden. Dat zou een te ruime uitleg van art. 7:957 BW vergen. De ratio van deze regeling is juist dat bereddingskosten moeten worden vergoed, omdat met het maken van die kosten een belang van de verzekeraar gediend is (geweest). Dat is hier, voor zover het om vervanging van de daken gaat, niet het geval.

Het beroep op het Staedion-arrest treft geen doel. In die zaak dreigde aansprakelijkheid van Staedion jegens huurders, omdat door de sanering de inboedels met asbestdeeltjes vervuild waren geraakt. Dat Staedion had kunnen volstaan met verwijdering van de inboedels van de huurders, is bij mijn weten in die zaak niet door de verzekeraar als verweer gevoerd en dus ook niet aan de orde gekomen. Dat Staedion daarmee had kunnen volstaan, ligt overigens niet voor de hand. Dan zouden de huurders vermoedelijk hun inboedels kwijt zijn, waarvoor Staedion dan weer aansprakelijk zou zijn geweest. In ieder geval zouden die inboedels met het enkele verwijderen niet asbestvrij zijn gemaakt. [de V.O.F.] leidt hier, kortom, teveel af uit het Staedion-arrest.

Het voorgaande betekent dat [de V.O.F.] wel recht heeft op vergoeding door Interpolis van de kosten van het verwijderen van de asbesthoudende dakplaten, maar niet op vergoeding van de kosten van het plaatsen van nieuwe daken op zijn stallen. Op het eerste gezicht ligt dit minder voor de hand: heeft [de V.O.F.] dan wel daadwerkelijk nut van zijn verzekering? Bij nader inzien is het resultaat echter wel degelijk te verklaren. Vertrekpunt is namelijk hetgeen partijen zijn overeengekomen betreffende de (omvang van de) dekking van de verzekering, waarop ook, naar mag worden aangenomen, de hoogte van de door [de V.O.F.] aan Interpolis verschuldigde premie is gebaseerd. Onder de tussen partijen overeengekomen dekking vallen de kosten van bodemsanering en de kosten van beredding (randnummer 1.5 hiervoor). De kosten van het plaatsen van nieuwe daken op de stallen vallen echter niet onder de dekking. Hiervoor hebben partijen geen voorziening getroffen in hun overeenkomst van verzekering. Zij zijn weliswaar overeengekomen dat bereddingskosten (in het algemeen) zijn meeverzekerd, maar, zoals ik hiervoor heb uiteengezet, kunnen de kosten van het plaatsen van nieuwe daken op de stallen niet onder die noemer worden gebracht (randnummer 4.22 hiervoor).

Voortbouwklacht

Het slagen van de klacht over de ‘bijzondere maatregelen’ (randnummers 4.12-4.18 hiervoor) heeft volgens [de V.O.F.] tot gevolg dat ook rov. 5.39. van het bestreden arrest niet in stand kan blijven. Daarin heeft het hof beslist dat de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep moeten worden gecompenseerd. Hetzelfde geldt voor het dictum van het arrest, voor zover daarbij de vordering van [de V.O.F.] alsnog is afgewezen (rov. 6.3.).

Deze voortbouwklacht treft doel, nu de klacht onder het kopje Bijzondere maatregelen (randnummers 4.12-4.18 hiervoor) slaagt.

Het voorgaande leidt er wat mij betreft toe dat het oordeel van het hof, dat de kosten van het vervangen van de daken op de stallen van [de V.O.F.] niet in aanmerking komen voor vergoeding door Interpolis, niet in stand kan blijven, voor zover het hof daarmee heeft bedoeld dat de kosten van verwijdering van de asbesthoudende dakplaten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Na vernietiging en verwijzing door Uw Raad zal het verwijzingshof hierover een nieuw oordeel moeten vellen. Vergoeding van de kosten gemoeid met het plaatsen van nieuwe daken op de stallen is niet aan de orde. Het min of meer impliciete, ten overvloede gegeven oordeel van het hof aan het slot van rov. 5.27. dat [de V.O.F.] geen recht heeft op vergoeding door Interpolis van die kosten is wat mij betreft juist.

5. Bespreking van het middel in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep

Nu het principaal cassatieberoep terecht is ingesteld, is voldaan aan de voorwaarde waaronder het door Interpolis ingestelde incidenteel cassatieberoep is ingesteld.

Het door Interpolis ingestelde incidenteel cassatieberoep richt zich tegen de volgende overweging van het hof aan het slot van rov. 5.27.:

“Het hof laat dan nog in het midden dat [de V.O.F.] eraan voorbij ziet dat alleen het verwijderen van de dakplaten nodig is om de verzekerde schade te voorkomen en niet het plaatsen van nieuwe daken.” (hierna: ‘de overweging’)

Interpolis voert in dit verband aan dat, hoewel het om een niet-dragende overweging gaat, deze niettemin relevant kan worden in het geval het principale cassatieberoep zou slagen. De overweging kan volgens Interpolis relevant worden, omdat zij, als het principale cassatieberoep zou slagen en Uw Raad de zaak naar een ander hof zou verwijzen, in de procedure bij dat hof een beroep wenst te doen op ‘de asbestuitsluiting’ die per 1 januari 2016 in haar polisvoorwaarden is opgenomen, waaruit volgens haar volgt dat ook het verwijderen van de dakplaten niet in haar belang is omdat van verzekerde schade geen sprake is. Interpolis wenst te voorkomen dat zij in dat verband krijgt tegengeworpen dat zij in cassatie geen klacht heeft gericht tegen de overweging.

In de korte toelichting die aan het cassatiemiddel voorafgaat, wijst Interpolis erop – terecht, zie rov. 3.2. en rov. 3.6. van het bestreden arrest – dat ten tijde van [de V.O.F.] schademelding van 22 december 2015 versie 5.3 van de polisvoorwaarden van toepassing was. Na de melding zijn (per 1 januari 2016) de polisvoorwaarden gewijzigd naar versie 5.4 en is schade ten gevolge van asbest zoals in deze procedure wordt gevorderd uitgesloten van dekking. Interpolis heeft het in dit verband over de ‘asbestuitsluiting’. In haar dupliek heeft Interpolis naar voren gebracht dat [de V.O.F.] wist, toen hij op 22 december 2015 zijn schademelding deed, dat de schade waar hij melding van maakte in de toekomst in ieder geval niet meer onder de dekking van de polisvoorwaarden zou vallen.

Het door Interpolis aangevoerde cassatiemiddel bestaat uit vier subonderdelen.

Subonderdeel 2.1

Volgens Interpolis heeft het hof miskend dat (ook) het verwijderen van de dakplaten er niet toe leidt dat gedekte/verzekerde schade wordt voorkomen, nu iedere nog te ontstane schade door asbestvervuiling niet meer is gedekt vanwege de asbestuitsluiting in de polisvoorwaarden, die een kleine twee weken na de melding zijn gewijzigd. De te vergoeden saneringswerkzaamheden zien op de grond zoals die is op dat moment. Alles wat ná sanering eventueel nog aan asbestvervuiling vanuit de dakplaten zal ontstaan, moet opnieuw bij Interpolis worden gemeld en komt op grond van de inmiddels toepasselijke polisvoorwaarden niet voor vergoeding in aanmerking vanwege de daarin opgenomen asbestuitsluiting. Daarmee kan van het voorkomen van gedekte schade door het in de toekomst (laten) verwijderen van dakplaten geen sprake zijn.

Begrijp ik het goed, dan bedoelt Interpolis hiermee aan te voeren dat de verwijdering van de asbesthoudende dakplaten geen belang van Interpolis dient (zodat de kosten daarvan niet vergoed hoeven te worden), omdat na [de V.O.F.] schademelding van 22 december 2015, nieuwe polisvoorwaarden van toepassing zijn geworden, op grond waarvan schade ten gevolge van asbest zoals in deze procedure wordt gevorderd, is uitgesloten van dekking. Volgens Interpolis kan worden volstaan met bodemsanering. Eventueel daarna opnieuw ingetreden asbestvervuiling in de grond rondom de stallen van [de V.O.F.] , moet volgens Interpolis opnieuw door [de V.O.F.] bij Interpolis worden gemeld en valt dan dus buiten de dekking.

Deze klacht faalt. Bij de vraag of met het verwijderen van de dakplaten door [de V.O.F.] een belang van Interpolis is gediend, moet worden uitgegaan van versie 5.3 van de polisvoorwaarden, die van toepassing was toen [de V.O.F.] op 22 december 2015 Interpolis verzocht de kosten van bodemsanering en de kosten van vervanging van de asbestdaken te vergoeden. Zou kunnen worden uitgegaan van een latere versie met daarin de asbestuitsluiting (randnummer 5.3 hiervoor), dan zou het onredelijke gevolg daarvan zijn dat Interpolis door een eenzijdige wijziging van de polisvoorwaarden ontsnapt aan een onder versie 5.3 van de polisvoorwaarden bestaand recht op vergoeding van bereddingskosten. Dit laatste zou dan het recht op vergoeding van de bereddingskosten dat [de V.O.F.] had onder versie 5.3 van de polisvoorwaarden, waarop hij ten tijde van zijn uitkeringsverzoek mocht vertrouwen, teniet doen.

Subonderdeel 2.2

Interpolis klaagt dat het hof essentiële stellingen, waarmee zij een beroep heeft gedaan op de asbestuitsluiting, ten onrechte niet (kenbaar) bij de overweging heeft betrokken. Als het hof deze stellingen niet relevant achtte, is het hof volgens Interpolis uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting (Interpolis verwijst hierbij naar subonderdeel 2.3). In ieder geval is de overweging onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd nu hieruit niet (kenbaar) volgt waarom het verwijderen van dakplaten in dit geval toch nodig zou zijn om verzekerde schade te voorkomen.

Uit de schriftelijke toelichting op dit subonderdeel blijkt dat het Interpolis om de volgende stellingen gaat:

“Aangezien het systeem van de polisvoorwaarden is dat alleen dekking bestaat voor milieuschade als die tijdens de looptijd van de verzekering is ontstaan, zal op het moment dat deze nieuwe verontreiniging ontstaat, bekeken moeten worden of er op dat moment op basis van de dan geldende polisvoorwaarden dekking verleend moet worden.”

En:

“Op basis van de thans geldende polisvoorwaarden is bodemverontreiniging als gevolg van asbestvezels of asbeststukken niet meer gedekt. Er kan derhalve na een dergelijke sanering in de toekomst, geen bodemverontreiniging meer ontstaan die is gedekt onder de polis. (…).”

Ik zie hierin geen essentiële stellingen waarop het hof heeft moeten reageren. Als gezegd moet bij de vraag of met het verwijderen van de dakplaten door [de V.O.F.] een belang van Interpolis is gediend, worden uitgegaan van versie 5.3 van de polisvoorwaarden, die van toepassing was toen [de V.O.F.] op 22 december 2015 Interpolis verzocht de kosten van bodemsanering en de kosten van vervanging van de asbestdaken te vergoeden (randnummer 5.7 hiervoor). De stelling van Interpolis dat, uitgaande van “de thans geldende polisvoorwaarden” (zie het tweede citaat), na sanering in de toekomst, geen ‘gedekte’ bodemverontreiniging kan ontstaan, is dus van geen belang, omdat niet van die polisvoorwaarden moet worden uitgegaan, maar van versie 5.3.

Subonderdeel 2.3

In dit subonderdeel voert Interpolis aan dat de overweging van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof heeft miskend dat door een verzekerde gemaakte (bereddings)kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen indien zij voortvloeien uit maatregelen die het door de verzekering gedekte belang hebben gediend c.q. dienen ter voorkoming van verzekerde schade (waarvan gelet op de asbestuitsluiting geen sprake kan zijn). Als het hof dit heeft miskend, is het arrest volgens Interpolis voorts innerlijk tegenstrijdig, gelet op rov. 5.25.

Deze klacht faalt. Het hof heeft geenszins miskend dat door een verzekerde gemaakte (bereddings)kosten alleen voor vergoeding in aanmerking indien met het maken van die kosten het belang van de verzekeraar is gemoeid. Met de voorlaatste zin van rov. 5.25. en met de eerste zin van rov. 5.26. refereert het hof hier nadrukkelijk aan en met de bestreden overweging in rov. 5.27. grijpt het hof hierop terug.

Subonderdeel 2.4

Interpolis klaagt ten slotte dat de overweging onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, omdat uit de overweging niet kenbaar volgt waarom in dit geval dan toch sprake zou kunnen zijn van het voorkomen van verzekerde schade door het weghalen van de dakplaten. Ook heeft het hof volgens Interpolis een onbegrijpelijke uitleg aan de polisvoorwaarden gegeven, waarmee het hof bovendien buiten de rechtsstrijd is getreden, omdat partijen die uitleg niet hebben gesteld.

Deze klachten falen om de hiervoor in randnummers 5.7 en 5.9 genoemde redenen, dus in het spoor van subonderdelen 2.1 en 2.2.

6. Slotsom

Het principaal cassatieberoep is terecht ingesteld. Het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep leidt niet tot cassatie.

7. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?