44. Het tweede middelfaalt.
45. Het derde middel betreft het onder 3 bewezenverklaarde, voor zover is bewezenverklaard dat verdachte van “een hoeveelheid geld (€ 216.000,=), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft (gehad), terwijl hij wist dat voornoemd geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf”. Ook hier is de kern van het middel dat de grondslag van het bewijs voor het verbergen, verhullen of voorhanden hebben van het geld aangetroffen onder grond in het bamboebos op het terrein van verdachte niet toereikend is, althans dat de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd. Die grondslag ziet het hof, zoals ook bij de bespreking van de vorige middelen al naar voren kwam, in de omstandigheid dat - in de woorden van de steller van het middel - “requirant verantwoordelijk kan worden gehouden voor de producten die in zijn loods zijn aangetroffen en die gerelateerd kunnen worden aan de productie van XTC”.
46. In de overwegingen van het hof lees ik de grondslag die de steller van middel meent te zien voor de vaststelling dat verdachte het in de grond aangetroffen geld aanwezig of voor handen had niet met zoveel woorden. De motivering houdt immers voor het aangetroffen geld slechts in: “Het hof gaat er van uit dat verdachte winst die behaald is met de verkoop heeft trachten te verhullen door dit te verstoppen in een plastic ton onder de grond in het bamboebos op zijn terrein.” In deze motivering specificeert het hof het bewezenverklaarde “afkomstig uit enig misdrijf” zonder overigens te beslissen dat het verdachte is geweest die de synthetische drugs heeft geproduceerd, verkocht en de winst heeft behaald. Voor zover het middel op uitgangspunt berust dat het telkens ging om handelen van verdachte behoeft het geen bespreking.
47. In de bewijsmotivering ligt als niet onbegrijpelijk oordeel van het hof besloten dat verdachte het geld heeft verborgen, verhuld en voorhanden gehad. Kennelijk heeft het hof namelijk uit de omstandigheid dat verdachte voorwerpen die in verband kunnen worden gebracht met de productie van synthetische drugs voorhanden had, afgeleid dat er ook daadwerkelijk synthetische drugs zijn geproduceerd, dat die drugs zijn verkocht, daarmee winst is behaald en verdachte dientengevolge het aangetroffen geld voorhanden heeft gehad dat hij heeft verborgen en verhuld. Daarbij zijn de omstandigheden van het geval waaronder de aard en hoeveelheid van de voorwerpen die in verband kunnen worden gebracht met de productie van synthetische drugs, de aangetroffen vele kilo’s MDA, de vindplaats van deze voorwerpen en het geld (een terrein met opstallen die door verdachte - die op die locatie ook is ingeschreven in het GBA - zijn ingericht en onderhouden) en het ontbreken van een (aannemelijke) verklaring van de kant van verdachte voor de herkomst van het aangetroffen geld in het bijzonder van betekenis. Dat heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk gezien als een toereikende grondslag voor het voorhanden hebben van het geld door verdachte. Het subjectieve bestanddeel (opzet) is hier gelet op de aard van de gedraging niet problematisch. Men bewaart een zeer aanzienlijke som geld nu eenmaal niet uit onachtzaamheid, nonchalance of toevallig onder de grond. Dat het hof in de overwegingen onder 5 spreekt van zich in meerdere of mindere mate bewust zijn is niet gelukkig, maar doet niet af aan de omstandigheid dat de opzet voldoende in de bewijsvoering ligt besloten. De bewustheid fungeert als een bouwsteen voor het bewezen opzet.
48. Het derde middelheeft geen kans van slagen.
49. Het vierde middel klaagt over de motivering van het vierde feit. Ook hier gaat het om op het terrein van verdachte in de grond aangetroffen voorwerpen te weten een Riot gun en twee soorten munitie. Ik citeer de kern van het middel: “De overweging van het hof dat het onaannemelijk is dat anderen verantwoordelijk kunnen zijn voor het vuurwapen en de munitie, is niet begrijpelijk. Het feit dat requirant volgens het hof verantwoordelijk kan worden gehouden voor de aanwezigheid van producten die zijn aangetroffen in zijn loods en die gerelateerd kunnen worden aan de productie van XTC, kan niet redengevend zijn voor het voorhanden hebben van het vuurwapen en de munitie die in de grond werden aangetroffen, terwijl ook het feit dat het hof geen geloof hecht aan de verklaring van requirant dat hij nooit een wapen heeft gehad niet redengevend kan zijn voor een bewezenverklaring van feit 4 op dit onderdeel.”
50. In dit kader roep ik de slotzin van de overweging van het hof onder punt 4 (zie randnummer 33) in herinnering:
“Bij de fitnessruimte op het terrein van verdachte is in de grond tussen bamboebos en de Romneyloods een vuurwapen en munitie gevonden. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij nooit een wapen heeft gehad. Het hof hecht geen geloof aan deze verklaring. Daarbij betrekt het hof dat in de woning van de verdachte in zijn slaapkamer twee ploertendoders zijn aangetroffen alsmede vier bussen pepperspray.”
51. Zowel het oordeel van het hof over de onaannemelijkheid van anderen voor de aanwezigheid van de wapens en munitie als het oordeel over de ongeloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte dat hij nooit een wapen heeft gehad, moet worden gezien in het licht van het basisvereiste voor het voorhanden hebben van een wapen en munitie. Het hof heeft (onder 2) vastgesteld dat verdachte toegang had tot alle onderdelen van het terrein en de zich daarop bevindende gebouwen. Overigens blijkt uit de bewijsvoering dat verdachte het terrein en daarop geplaatste loodsen heeft ingericht. Het hof is er daarmee kennelijk van uitgegaan dat het wapen en de munitie gelet op de vindplaats op het terrein van de verdachte onder het gemakkelijke bereik en/of tot de feitelijke beschikking van verdachte was. Deze vaststelling van het hof is niet onbegrijpelijk.
52. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof kennelijk aan de onaannemelijkheid van de verantwoordelijkheid van anderen voor de aanwezigheid van de wapens en munitie en uit de ongeloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte dat hij nooit een wapen heeft gehad, aanvullende bewijsbetekenis heeft toegekend. Die omstandigheden versterken het gemakkelijke bereik van verdachte en/of de feitelijke beschikking door verdachte. Er komen immers volgens het hof geen andere personen in aanmerking die voor handen hebben gehad en bovendien is het anders dan verdachte verklaart niet zo dat hij nooit wapens voorhanden heeft gehad.
53. Anders dan de steller van het middel lees ik niet met zoveel woorden in de overwegingen van het hof dat de aanwezigheid van de overige aangetroffen voorwerpen bewijsbetekenis heeft voor de aanwezigheid van wapen en munitie, zodat de klacht daarover feitelijke grondslag mist. Voor zover daarover anders wordt gedacht en het hof uit de aanwezigheid van MDA, de in art. 10a OW bedoelde voorwerpen en het geld mede afleidt dat verdachte het wapen de munitie voorhanden heeft, is dat niet onbegrijpelijk. Het is immers een ervaringsgegeven dat in het drugsmilieu de drugs, de productiemiddelen voor drugs en de opbrengst daarvan zo nodig met (wapen)geweld worden beschermd. Daartoe heeft men dan een wapen en munitie voorhanden.
54. Als ik het goed zie, legt de toelichting op het middel het accent voor het overige vooral op de bewustheid van de aanwezigheid. Dat accent sluit enigszins moeizaam aan bij het middel zelf. Desondanks het volgende. Eerder kwam naar voren dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad voor een veroordeling ter zake van art. 26 WWM is vereist dat wordt bewezen dat verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is van de aanwezigheid van het wapen en de munitie. De aanwezigheid van wapens en munitie op het terrein staat vast en het hof heeft kennelijk geoordeeld dat verdachte zich er gelet op alle omstandigheden van het geval wel in meerdere of mindere mate bewust van moet zijn geweest dat hij een wapen en munitie voor handen had. Dat is niet onbegrijpelijk.
55. Ook het vierde middelheeft geen kans van slagen.
56. Het vijfde middel richt zich tegen de motivering van het opzet op het voorbereiden en/of bevorderen in feit 2. In het bijzonder zou het hof niet hebben gereageerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid, Sv in dat kader.
57. Al eerder werd door mij gewezen op een passage in de wetgeschiedenis waaruit naar voren komt dat voor een veroordeling ter zake van art. 10a Opiumwet het voorbereiden en/of bevorderen opzettelijk moet geschieden. De steller van het middel wijst terecht op die passage.
58. De steller van het middel wijst op de volgende passage in de pleitnota in hoger beroep die hij aanmerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt:
“Primair: ontbreken opzet/geen sprake van medeplegen: vrijspraak. Gelet op de verklaring van cliënt ter terechtzitting is er sprake geweest van opruimen van goederen die in verband kunnen worden gebracht met het vervaardigen van harddrugs. Het voorhanden hebben had derhalve niet als doel de opzet om voor te bereiden. Van medeplegen is geen sprake nu het opzet van een cliënt op een ander doel was gericht dan de opzet van de pleger. Verwezen wordt naar bijlage 4 van de pleitnota in eerste aanleg waaruit blijkt van een feest in de basement op 27 februari 2015.
Verder bijlage 5 van de pleitnota in eerste aanleg waaruit blijkt van etentje op 28 februari 2015 met lachende gezichten, waar bij sommige het lachen niet snel hierna zal vergaan.”
59. Het hof heeft daarop gereageerd als weergegeven onder 8 in de overweging van het hof geciteerd onder randnummer 33. Daaruit blijkt dat het hof heeft gereageerd op hetgeen in feitelijke aanleg naar voren is gebracht te weten - in de woorden van het hof – dat verdachte niet de intentie had om de goederen nogmaals te gebruiken. Daaronder is uiteraard begrepen dat volgens het verweer in hoger beroep verdachte de goederen juist wilde opruimen. In de overweging van het hof is het hof vooral ingegaan op de bestemming van de goederen: ze waren volgens het hof naar hun aard geschikt om te gebruiken bij de bereiding of bewerking van synthetische drugs. Over die vaststelling van het hof wordt in het kader van dit middel niet geklaagd. Aan de conclusie van het hof valt ook wel heel moeilijk te ontkomen.
60. Ik neem ondanks dat de onderbouwing van het standpunt in de geciteerde passage uit de pleitnota schamel is tot uitgangspunt dat er sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. In een eerdere overweging geciteerd onder randnummer 33 oordeelde het hof al het verhaal over de ‘paardenman’ niet geloofwaardig te vinden. Dat verdachte alleen maar wilde opruimen is daarmee van alle onderbouwing ontdaan. In de onderhavige overweging wijst het hof op de hoeveelheid en de waarde van de goederen en oordeelt dat verdachte over die goederen beschikte. Het hof concludeert dat de aanwezigheid van de goederen als zodanig, als een zogenaamde voorbereidingshandeling kan worden gezien. Daarmee doelt het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk op een voorbereidingshandeling vereist voor strafbaarheid als bedoeld in art. 10a OW en daarmee op een opzettelijke voorbereidingshandeling.
61. Het hof heeft hiermee voldoende inzicht gegeven in de bewijsredenering omtrent het opzettelijke karakter van art. 10a OW. Anders dan de steller van het middel meen ik dat het hof heeft gereageerd op het onderbouwde standpunt en voeg daaraan toe dat die reactie niet ontoereikend of onbegrijpelijk is.
62. Het vijfde middelfaalt.
63. Het zesde middel richt zich opnieuw tegen de motivering van het tweede bewezenverklaarde feit, nu in het bijzonder voor zover het de bestemming van de voorwerpen betreft. Ik citeer het middel: “Uit de bewijsmiddelen die het hof heeft gehanteerd kan niet worden afgeleid met welk doel requirant de in de bewezenverklaring genoemde goederen voorhanden heeft gehad, terwijl het hof daar ook in de nadere bewijsoverwegingen geen aandacht aan heeft besteed, zodat de in het arrest opgenomen bewijsmiddelen geen feiten en omstandigheden omvatten die redengevend kunnen zijn voor een bewezenverklaring van feit 2 op dit onderdeel.”
64. Bij de zojuist al gedeeltelijke besproken overweging onder 8 van het hof (randnummer 33) wordt in de toelichting op het middel de vraag gesteld of daarmee het oordeel van het hof dat de voorwerpen bestemd waren om een opiumfeit te plegen toereikend is gemotiveerd. Daarbij wordt een beroep gedaan op r.o. 2.4 uit een arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2018:
“Blijkens de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis is voor een bewezenverklaring van de bestemming als bedoeld in art. 11a Opiumwet vereist dat de gedragingen strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van hennepteelt, waarbij het uiteindelijke doel ten behoeve waarvan de handeling wordt verricht van belang is. Gelet daarop heeft het Hof de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd, nu het voor het bewijs onder meer heeft gebezigd de verklaring van de verdachte voor zover die inhoudt: "De goederen zijn aangetroffen in de oude ruimte, waar vroeger een hennepplantage is aangetroffen. Ik heb die spullen gewoon niet opgeruimd. Ik heb de kelder waarin de goederen zijn aangetroffen dichtgemaakt. Ik heb het luik nog wel eens geopend, maar maakte dat vervolgens dicht. Ik vind het goed zo dacht ik.”
65. Met de steller van het middel meen ik dat deze passage die de voorbereiding van een softdrugsdelict betreft eveneens toepasselijk is bij de voorbereiding van een harddrugsdelict zoals de productie van synthetische harddrugs. De bestemming van voorwerpen wordt niet alleen objectief bepaald, maar tevens is van betekenis wat verdachte met die voorwerpen voor ogen staat. Ik val hier in herhaling, maar wijs opnieuw op de overweging van het hof over de ‘paardenman’ waaruit blijkt dat verdachte volgens het hof niet ogen stond om de voorwerpen op te ruimen. In het licht van de hoeveelheid en het karakter van de voorwerpen kon het hof oordelen dat de voorwerpen bestemd waren voor de productie van synthetische drugs en dat verdachte dat wist.
66. Het zesde middelfaalt.
67. Het zevende middel ten slotte klaagt over de redelijke termijn in de cassatiefase.
68. Dit middel is terecht voorgesteld nu er tussen het instellen van beroep in cassatie op 7 november 2019 en het binnenkomen van het dossier ter griffie van de Hoge Raad op 6 januari 2021 meer dan acht maanden zijn verstreken. Een voortvarende behandeling, te weten een afdoening van de zaak binnen 16 maanden na het instellen van cassatie, behoort niet meer tot de mogelijkheden. Dit dient te leiden tot strafvermindering.
69. De eerste zes middelen falen en het vierde, vijfde en zesde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het zevende middel is terecht voorgesteld.
70. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
71. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG