12. Zowel het eerste als het tweede middelfaalt.
13. Het derde middel klaagt over de strafmotivering, meer in het bijzonder dat daarin is opgenomen dat de verdachte eerder ter zake soortgelijke feiten als thans bewezenverklaard tot straf is veroordeeld.
14. Het hof heeft de opgelegde straffen als volgt gemotiveerd:
“De verdachte heeft zich samen met anderen of een ander schuldig gemaakt aan het kweken van een hoeveelheid hennep in een woning die hij in eigendom had en aan de diefstal van stroom door middel van een illegale aansluiting. De verdachte heeft zich hierbij laten leiden door gemakkelijk eigen financieel gewin en heeft geen oog gehad voor de nadelige gevolgen van de hennepteelt voor omwonenden in het bijzonder en de samenleving in het algemeen, zoals overlast en schade, brandgevaar, verloedering en het ontstaan van andere vormen van criminaliteit. Het hof rekent dit de verdachte aan en is van oordeel dat de straffen zoals opgelegd door de politierechter, mede gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), in dit geval passend en geboden zijn.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 juli 2019 is hij eerder ter zake soortgelijke feiten als thans bewezenverklaard tot straf veroordeeld.
Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.”
15. In zijn arrest van 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2391, NJ 2017/400 m.nt. J.M. Reijntjes heeft de Hoge Raad enige overwegingen gewijd aan het betrekken van een niet tenlastegelegd feit bij de strafoplegging. Deze overwegingen luiden:
"2.4.1. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het staat de rechter vrij om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet tenlastegelegd feit, onder meer wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (vgl. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968, NJ 2010/586). Daarbij wordt, mede gelet op het bepaalde in art. 78b Sr, met een onherroepelijke veroordeling gelijkgesteld een onherroepelijke strafbeschikking.
2.4.2. Indien in zulke gevallen het vermelden van een niet tenlastegelegd - al dan niet soortgelijk - feit aanleiding geeft tot strafverzwaring, dient de veroordeling dan wel de strafbeschikking ter zake van dat feit in beginsel onherroepelijk te zijn op het moment dat deze in het vonnis of het arrest bij de strafoplegging in aanmerking wordt genomen. Wanneer evenwel met de vermelding van het niet tenlastegelegde feit bij de strafoplegging in het bijzonder gewicht wordt toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte niettegenstaande een eerdere veroordeling of een eerdere strafbeschikking zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan zo een strafbaar feit - bijvoorbeeld doordat in de strafmotivering wordt vermeld dat die veroordeling of die strafbeschikking de verdachte niet heeft weerhouden opnieuw zo een strafbaar feit te begaan - dient de veroordeling of de strafbeschikking ter zake van dat niet tenlastegelegde feit reeds onherroepelijk te zijn ten tijde van het begaan van het feit waarop de strafoplegging betrekking heeft.
2.4.3. Indien de rechter in verband met de strafoplegging melding maakt van een niet tenlastegelegd feit mag ervan worden uitgegaan dat die omstandigheid in strafverzwarende zin is betrokken in de strafoplegging. Dit kan anders zijn indien uit de strafmotivering blijkt dat de vermelding van een niet tenlastegelegd feit niet tot strafverzwaring aanleiding heeft gegeven, bijvoorbeeld omdat die vermelding is opgenomen naar aanleiding van hetgeen door de verdediging over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder begrepen de justitiële documentatie, is aangevoerd.”
16. Het in de strafmotivering van het hof vermelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 juli 2019 bevindt zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding. Onder het kopje ‘Volledig afgedane zaken betreffende misdrijven’ zijn een tweetal rechterlijke beslissingen vermeld: het vonnis van 24 oktober 2017 van de politierechter in de rechtbank Amsterdam en als beslissing op het daartegen ingestelde hoger beroep een arrest van 11 juli 2018 van het hof Amsterdam. Het genoemde vonnis is niet onherroepelijk geworden en het arrest is wel onherroepelijk, maar bevat geen veroordeling. Daarmee is het middel gegrond nu niet blijkt dat verdachte eerder ter zake soortgelijke feiten als thans bewezenverklaard onherroepelijk tot straf is veroordeeld.
17. Het derde middelslaagt.
18. Het eerste en tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de motivering als bedoeld in art. 81, eerste lid, RO. Het derde middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing naar het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG