Inleiding
Het middel
3. Het middel is gericht tegen de beslissing van het hof om de verdachte in het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 mei 2020 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“De voorzitter deelt mede dat uit de stukken van het dossier blijkt dat de verdachte op 23 januari 2020 op tegenspraak is veroordeeld door de rechtbank Amsterdam. Het hoger beroep dat op 20 februari 2020 is ingesteld zou derhalve niet ontvankelijk zijn.
De verdachte voert aan dat hij tijdens de zitting heeft gevraagd of hij in hoger beroep mag gaan. De rechter heeft gezegd dat dit mag. Toen heeft hij aangegeven bij deze hoger beroep in te stellen.
Verder geeft de verdachte aan dat hij zonder zijn advocaat was en er van uit ging op de juiste wijze hoger beroep te hebben ingesteld. Hij wist niet welke procedure hij verder moest volgen. Hij ging ervan uit dat alles goed is gegaan. Het klopt, aldus de verdachte, dat hij dezelfde dag nog contact heeft gehad met zijn advocaat, maar die heeft niet geïnformeerd of op de juiste wijze hoger beroep was ingesteld. Die ging ervan uit dat dat correct was gedaan.
De advocaat-generaal voert het woord en leest zijn vordering voor. Hij vordert dat de verdachte, wegens overschrijding van de appeltermijn, niet ontvankelijk zal worden verklaard in het ingestelde hoger beroep. De dagvaarding heeft de verdachte in persoon ontvangen. De verdachte is op 23 januari 2020 bekend geworden met het vonnis en heeft niet binnen veertien dagen appel ingesteld. De advocaat-generaal verwijst in dat verband naar de informatie op de achterzijde van de dagvaarding.
De raadsman voert aan dat de verdachte in persoon heeft laten weten dat hij in hoger beroep ging, zoals hem dit is voorgehouden. Men had hem er op moeten wijzen dat hij beneden, dat wil zeggen bij de griffie, hoger beroep moest instellen. Hij mocht er op vertrouwen op de juiste wijze hoger beroep te hebben ingesteld.
De verdachte voegt daaraan toe dat het meer dan duidelijk was dat hij hoger beroep aantekende.
Na beraad in raadkamer wordt het onderzoek ter terechtzitting gesloten en deelt de voorzitter de uitspraak direct mede […].”
5. De bestreden uitspraak houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 23 januari 2020 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. De verdachte is op 23 januari 2020 ter terechtzitting verschenen en is bij vonnis op tegenspraak veroordeeld.
Tegen dit vonnis heeft de verdachte niet binnen veertien dagen nadien hoger beroep ingesteld, maar eerst op 20 februari 2020.
Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld zal de verdachte daarin niet ontvankelijk worden verklaard.”
6. Het middel zelf behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte te laat hoger beroep heeft ingesteld, onjuist is, aangezien de verdachte door ter terechtzitting in eerste aanleg, na de behandeling van de zaak en nadat hem mondeling de uitspraak (het vonnis) is meegedeeld en hem de mogelijkheid is geboden van dat vonnis binnen veertien dagen in beroep te komen, onmiddellijk ten overstaan van eenieder heeft verklaard dat hij hoger beroep wilde instellen, zodat de verdachte dit rechtsmiddel tijdig en op de juiste wijze heeft aangewend.
7. Het middel is in zoverre tevergeefs voorgesteld. Art. 449, eerste lid, Sv houdt in dat hoger beroep wordt ingesteld door een verklaring af te leggen “op de griffie” van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gegeven. In HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6742 heeft de Hoge Raad naar aanleiding van een soortgelijke klacht geoordeeld dat de stelling dat de verdachte, door ter terechtzitting ten overstaan van de politierechter en de griffier te kennen te geven dat hij tegen het vonnis van de politierechter hoger beroep wilde instellen, tijdig en rechtsgeldig hoger beroep heeft ingesteld, niet als juist kan worden aanvaard. Ik zie geen reden van de in die zaak gevolgde lijn thans af te wijken en verwijs daarvoor graag naar de lezenswaardige en aan dat arrest voorafgaande conclusie van mijn toenmalige ambtgenoot Knigge.
8. De toelichting op het middel volgt evenwel nog een ander spoor. Daarin valt onder meer te lezen dat bij de verdachte “het gerechtvaardigd vertrouwen [is] ontstaan dat hij tijdig en juist hoger beroep heeft ingesteld”. De steller van het middel heeft zeven bijlagen bijgevoegd die dat standpunt willen onderbouwen. In dat licht bezien – en met enige welwillendheid – meen ik dat in het middel de klacht moet worden gelezen dat het oordeel van het hof dat de termijnoverschrijding bij het instellen van het hoger beroep niet verontschuldigbaar is geweest, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk is of ontoereikend is gemotiveerd.
9. Deze in het middel vervatte klacht heeft beduidend betere papieren. Ik licht dit hieronder toe.
10. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep door de verdachte in de regel betekent dat hij niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen, en dat dit gevolg daaraan uitsluitend niet kan worden verbonden indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Is duidelijk en gemotiveerd het verweer gevoerd dat een termijn voor het instellen van hoger beroep verontschuldigbaar is overschreden, dan is de rechter verplicht bij verwerping van dit verweer zijn beslissing uitdrukkelijk en met redenen omkleed te nemen.
11. De Hoge Raad heeft zich er niet ongevoelig voor getoond dat ter terechtzitting in eerste aanleg bij de niet van rechtsbijstand voorziene verdachte verwarring kan ontstaan, doordat de rechter hem op de voet van art. 381, eerste lid, Sv opmerkzaam zal maken op zijn recht om afstand te doen van de mogelijkheid hoger beroep in te stellen, doch, indien de verdachte zegt daarvan geen afstand te doen, de wet de rechter er dan niet toe verplicht de verdachte er op te wijzen op welke wijze het hoger beroep dient te worden ingesteld. Een dergelijk misverstand werd ter beoordeling aan de Hoge Raad voorgelegd in diens arrest van 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7694, NJ 2010/585, m.nt. Buruma. De verdachte voerde ter terechtzitting in hoger beroep aan dat hij tegenover de politierechter op de vraag of hij afstand deed van zijn recht op het instellen van hoger beroep had gezegd dat hij in hoger beroep ging, en dat hij dacht dat dit toereikend was. Vervolgens had de verdachte pas nadat hij contact had gehad met zijn raadsman en hij erachter was gekomen dat zijn verklaring ter terechtzitting onvoldoende was, alsnog hoger beroep ingesteld, aldus het verweer. Het hof verklaarde de verdachte op de voet van art. 408, eerste lid aanhef en onder b, Sv niet-ontvankelijk omdat het beroep te laat was ingesteld. Het hof had daarbij evenwel verzuimd te responderen op het verweer van de verdachte, welk verweer bezwaarlijk anders kon worden verstaan dan als een beroep op verontschuldigbaarheid van de termijnoverschrijding. Het voorgestelde cassatiemiddel was, voor zover het daarover klaagde, dan ook gegrond. Daarbij merkte de Hoge Raad op dat het hof bij de beoordeling van het verweer had behoren te betrekken dat de verdachte in eerste aanleg niet door een raadsman werd bijgestaan en voorts dat de wet er niet in voorziet dat een verdachte die, nadat hem op de voet van art. 381 Sv de gelegenheid is geboden om afstand te doen van het openstaande rechtsmiddel, ten overstaan van de politierechter verklaart dat hij het rechtsmiddel wenst aan te wenden, door die rechter wordt ingelicht omtrent de formaliteiten die daartoe moeten worden vervuld.
12. In de zaak die leidde tot de hiervoor (in een wat ander verband) al genoemde uitspraak van 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6742 had de verdediging in hoger beroep eveneens, subsidiair, het standpunt ingenomen dat bij de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen was gewekt dat hij door middel van een verklaring ter terechtzitting hoger beroep kon instellen. Het hof had op het gevoerde verweer wel gerespondeerd en overwogen dat, al aangenomen dat de politierechter de door de raadsman genoemde woorden had uitgesproken, dit niet meebrengt dat daardoor bij de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen was gewekt dat hij rechtsgeldig hoger beroep had ingesteld. Daarbij had het hof gewezen op de wettelijke bepalingen omtrent de wijze waarop hoger beroep moet worden ingesteld en op de informatie die ten aanzien van het instellen van hoger beroep was vermeld op de achterzijde van de inleidende dagvaarding. De Hoge Raad achtte deze verwerping ontoereikend gemotiveerd. Het hof had bij de beoordeling van het verweer immers behoren te betrekken dat de verdachte in eerste aanleg niet door een raadsman werd bijgestaan en voorts dat de wet er niet in voorziet dat een verdachte die, nadat hem op de voet van art. 381 Sv de gelegenheid is geboden om afstand te doen van het openstaande rechtsmiddel, ten overstaan van de politierechter verklaart dat hij het rechtsmiddel wenst aan te wenden, door die rechter wordt ingelicht omtrent de formaliteiten die daartoe moeten worden vervuld. Aan het motiveringsgebrek deed niet af de door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat op de achterzijde van de inleidende dagvaarding aan de verdachte reeds op voorhand bekend was gemaakt op welke wijze en op welke locatie hij hoger beroep kon instellen.
13. In de onderhavige zaak heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd (i) dat hij ter terechtzitting in eerste aanleg is verschenen zonder advocaat, (ii) dat hij ten overstaan van de politierechter heeft aangegeven “bij deze” hoger beroep in te stellen en (iii) dat hij ervan uitging dat hij daarmee op de juiste wijze hoger beroep had ingesteld. De raadsman van de verdachte heeft op diezelfde terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte had moeten worden geïnformeerd over de wijze waarop hij hoger beroep diende in te stellen en dat hij erop mocht vertrouwen op de juiste wijze hoger beroep te hebben ingesteld.
14. Hetgeen de verdachte en zijn raadsman ter terechtzitting in hoger beroep hebben aangevoerd, kan in mijn lezing bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een verweer dat de termijn voor het instellen van hoger beroep verontschuldigbaar is overschreden. Het hof heeft dat verweer verworpen, maar heeft nagelaten deze beslissing met redenen omkleed te nemen. Bovendien merk ik op dat in deze zaak niet kan worden gezegd dat het hof het gevoerde verweer slechts had kunnen verwerpen.
15. Voor zover het middel klaagt over de motivering van het kennelijke oordeel van het hof dat de termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar is geweest, is het terecht voorgesteld.
Slotsom
16. Het middel slaagt.
17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG