2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatieberoep van [eisers] bestaat uit acht onderdelen. Verder is een voorbehoud gemaakt vanwege het ontbreken van het proces-verbaal van het pleidooi in hoger beroep, maar niet gebleken is dat [eisers] daarvan gebruik hebben gemaakt.
De identiteit van verweerster in cassatie
De procesinleiding in cassatie noemt Eigenhuis Keukens Hoofddorp B.V. als verweerster. Deze procesinleiding is betekend aan Eigenhuis B.V. als haar rechtsopvolgster. Nadien is een (herstel)exploot uitgebracht, waarin is vermeld dat Eigenhuis B.V. hangende het hoger beroep door een fusie de rechtsopvolger werd van Eigenhuis Keukens Hoofddorp B.V. en dat waar in de procesinleiding Eigenhuis Keukens Hoofddorp B.V. wordt genoemd Eigenhuis B.V. moet worden gelezen. Eigenhuis B.V. heeft bevestigd dat zij de rechtsopvolgster is van Eigenhuis Keukens Hoofddorp B.V. (s.t. 2, vtn 1). Naar zij moest begrijpen, en heeft begrepen (zie de partij-aanduiding in haar s.t.), is het cassatieberoep tegen Eigenhuis B.V. gericht.
Maatstaf vernietiging bindend advies (art. 7:904 lid 1 BW)
Een bindend advies wordt in de literatuur omschreven als een vorm van een vaststellingsovereenkomst (art. 7:900 BW), waarbij de vaststelling van hetgeen tussen partijen geldt op een beslissing van een derde berust. Daarbij kan het gaan om de vaststelling van een nog niet (volledig) bepaalde rechtsverhouding (“zuiver bindend advies”) of, zoals in onze zaak, om een bindende beslissing over een juridisch geschil (“onzuiver bindend advies”).
De maatstaf voor vernietiging van de bindende beslissing staat in art. 7:904 lid 1 BW. Daarin is bepaald dat de beslissing (slechts) vernietigbaar is indien gebondenheid aan deze beslissing in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
De Toelichting Meijers vermeldt over deze maatstaf onder meer het volgende:
“Als criterium voor de vernietigbaarheid is in dit artikel gekozen, dat aan de inhoud of de wijze van totstandkoming van de beslissing een zo ernstig gebrek kleeft dat het, ook in aanmerking genomen de bindende kracht van de vaststellingsovereenkomst, in strijd is met redelijkheid en billijkheid dat zij blijft gelden. (…) Voldoende is dat een objectieve buitenstaander de binding in strijd met redelijkheid en billijkheid zal achten. Daarbij moet echter wel steeds als zeer belangrijke factor meewegen de bindende kracht van de vaststellingsovereenkomst. Waar immers een overeenkomst is gesloten, is steeds een eerste eis van redelijkheid en billijkheid dat die overeenkomst wordt nageleefd; alleen in uitzonderingsgevallen kan deze eis door een andere worden overtroefd. Alleen ernstige gebreken van de beslissing leiden dus tot haar vernietigbaarheid; evenals in het geldende recht blijft de beslissing onaantastbaar als de grenzen waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen, niet zijn overschreden.”
Dienovereenkomstig is het vaste rechtspraak van Uw Raad dat niet iedere onjuistheid de beslissing vernietigbaar maakt en dat alleen ernstige gebreken tot vernietiging van de beslissing kunnen leiden. In de literatuur wordt deze terughoudende toets algemeen aanvaard.
Op de vraag in hoeverre een bindend advies dient te worden gemotiveerd, valt volgens Uw Raad geen algemeen antwoord te geven. Uw Raad oordeelde dat de beslissing beter dient te worden gemotiveerd naarmate het bindend advies meer het karakter van rechtspraak heeft, terwijl lagere motiveringseisen gelden naarmate de opdracht aan de bindend adviseurs meer het karakter heeft dat zij een niet (volledig) bepaald element van een rechtsverhouding dienen vast te stellen, en het van hen gevraagde oordeel meer op intuïtief inzicht berust.
Bespreking van de klachten
Het cassatiemiddel snijdt de volgende onderwerpen aan. Onderdeel 1 betreft met name de gehanteerde maatstaf. Onderdelen 2-4 zien op de overwegingen over de sinaasappelstructuur op een aantal fronten. Onderdelen 5-7 houden verband met de overwegingen ten aanzien van de stollenwanden en het aanrechtblad. Onderdeel 8 gaat over het incidenteel appel.
Onderdeel 1 is gericht tegen de in rov. 3.4 geformuleerde maatstaf en bestrijdt de passage dat een bindend advies alleen kan worden vernietigd als er ernstige gebreken aan het bindend advies kleven, samengevat, als het advies “apert” onjuist is.
Volgens het onderdeel heeft het hof hier een te strenge norm gehanteerd. Aangevoerd wordt dat de rechter weliswaar terughoudendheid zal moeten betrachten en marginaal moet toetsen, maar dat het bindend advies niet slechts bij een “aperte” onjuistheid voor vernietiging in aanmerking komt. Het bindend advies is, zo betoogt het onderdeel, ook aantastbaar als de bindend adviseurs in de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet tot hun beslissing konden komen of als de uitspraak niet (steekhoudend) is gemotiveerd.
Ik acht deze klacht ongegrond. Het hof heeft in rov. 3.4 vooropgesteld dat de vorderingen dienen te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf van art. 7:904 lid 1 BW en dat vernietiging van een bindend advies alleen mogelijk is indien gebondenheid aan het bindend advies in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat is het juiste criterium (zie hiervoor 2.4). In de bestreden passage heeft het hof volgens mij geen (nadere of strengere) norm geformuleerd of aangelegd, maar is de vooropgestelde juiste norm toegelicht of uitgewerkt in “normaal Nederlands” (of: niet-juridische taal), zoals ook volgt uit het woord “samengevat” en aanhalingstekens bij het woord “apert”.
Dat het hof de juiste maatstaf heeft gehanteerd, volgt denk ik ook uit de afsluitende rov. 3.8. Op die plaats is het hof tot het oordeel gekomen dat de gebondenheid van [eisers] aan het bindend advies in verband met de inhoud en totstandkoming van het bindend advies niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is te achten. Er is met gebruikmaking van de juiste maatstaf getoetst, waarbij volgens mij geen te strenge norm is gehanteerd.
Het onderdeel bevat nog een tweede klacht inhoudende dat het hof de aan een bindend advies te stellen motiveringseisen zou hebben miskend. Volgens de klacht hebben [eisers] uitvoerig toegelicht dat van de Geschillencommissie een (betere) motivering van de beslissing met betrekking tot de sinaasappelstructuur had mogen worden verlangd .
[eisers] wijzen in dat verband op hun betoog dat de fronten van de keukenkasten vanwege de sinaasappelstructuur niet aan de overeenkomst beantwoordden. Naar de vaststelling van het hof heeft ook de Geschillencommissie geoordeeld dat de sinaasappelstructuur op de fronten een gebrek vormt (rov. 3.7). In zoverre zijn [eisers] in hun standpunt gevolgd. Het hof behoefde de motivering op dit punt daarom volgens mij niet nader te onderzoeken.
Verder doen [eisers] een beroep op hun stellingen dat de fronten een aanzienlijk deel van de koopprijs van de keuken betreffen (€ 15.000) en dat de Geschillencommissie niet duidelijk heeft gemaakt waarom een compensatie van € 500 (voor aspectverlies) volstaat.
Als ik het goed zie, hebben [eisers] aan deze stellingen in appel de conclusie verbonden dat de Geschillencommissie niet duidelijk heeft gemaakt waarom zij de tekortkoming niet ernstig genoeg oordeelt voor een (partiële) ontbinding van de overeenkomst (MvG 4.32).
Het hof bespreekt in rov. 3.7 evenwel het oordeel van de Geschillencommissie dat de sinaasappelstructuur niet ernstig genoeg is voor een partiële ontbinding. Naar de vaststelling van het hof heeft de Geschillencommissie bij dit oordeel betrokken (i) dat alle andere klachten van [eisers] niet terecht waren of door Eigenhuis zouden worden hersteld en (ii) dat zij geen twijfel heeft over het oordeel van de deskundige, die de klachten als “onopvallend” heeft gekwalificeerd.
Op die gronden is het hof tot het oordeel gekomen dat niet kan worden gezegd dat de Geschillencommissie haar oordeel niet heeft gemotiveerd of dat dit oordeel de grenzen waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen, voorbijgaat. Die laatste formulering is in overeenstemming met de Toelichting Meijers (zie slotzin citaat in 2.5).
Het hof heeft daarmee dus aan de hand van de juiste maatstaf beoordeeld of de Geschillencommissie haar oordeel toereikend heeft gemotiveerd. De klacht dat het hof de aan een bindend advies te stellen motiveringseisen zou hebben miskend, lijkt mij daarom ongegrond.
Ten overvloede merk ik nog op dat de hoogte van de compensatie voor aspectverlies ook geen nadere motivering behoeft, omdat schade door aspectverlies niet nauwkeurig kan worden vastgesteld en de compensatie dus een schatting is die op intuïtieve inzichten berust.
Dit alles betekent dat onderdeel 1 in mijn ogen geen doel treft.
Onderdeel 2 bestrijdt de vaststelling in rov. 3.5 dat de Geschillencommissie de bezwaren van [eisers] tegen het oordeel van de deskundige over de sinaasappelstructuur heeft gehonoreerd. Volgens het onderdeel is die vaststelling onbegrijpelijk, omdat [eisers] zich hebben verzet tegen de door de deskundige in verband met dit gebrek voorgestelde compensatie (voor aspectverlies) van € 500, waarmee de Geschillencommissie zich heeft verenigd. In dat kader wordt verwezen naar vindplaatsen in de processtukken in feitelijke instanties.
Deze klacht mist feitelijke grondslag. De vindplaatsen bevatten niet het betoog dat [eisers] zich hebben verzet tegen een door de deskundige in verband met de sinaasappelstructuur voorgestelde compensatie (voor aspectverlies) van € 500. In het deskundigenrapport staat ook niet dat de sinaasappelstructuur een gebrek is en hierin wordt evenmin gesproken over een compensatie vanwege aspectverlies. In die zin is het oordeel van de Geschillencommissie voor [eisers] dus daadwerkelijk gunstiger dan het deskundigenrapport.
Het onderdeel bestrijdt verder dat de Geschillencommissie (voldoende) heeft gemotiveerd waarom de tekortkoming gecompenseerd kan worden met een vergoeding voor aspectverlies van € 500. In dat verband refereert het onderdeel aan de stellingen van [eisers] (1) dat gaat om een beeldbepalend, voor hen essentieel onderdeel van de keuken met een waarde van € 15.000, (2) dat, naar Eigenhuis toegaf en door de deskundige is vastgesteld, de kastjes niet in hoogglans waren uitgevoerd en (3) dat zij hun bezwaren tegen de bevindingen van de deskundige voor de Geschillencommissie hebben uiteengezet in hun bezwaarschrift.
De klacht lijkt mij eveneens vergeefs voorgesteld.
Stelling (1) heeft het hof naar mijn mening niet miskend. [eisers] hebben aan deze stelling de conclusie verbonden dat de Geschillencommissie niet duidelijk heeft gemaakt waarom zij de tekortkoming niet ernstig genoeg oordeelt voor een (partiële) ontbinding (MvG 4.32). Het hof heeft dat betoog in rov. 3.7 gemotiveerd verworpen (zie hiervoor in 2.16-2.18).
Stelling (2) behoefde naar mijn mening op de in 2.14 vermelde grond geen nadere bespreking. De stelling is een onderbouwing van het betoog dat de fronten vanwege de sinaasappelstructuur niet aan de overeenkomst beantwoordden. Naar de vaststelling van het hof heeft ook de Geschillencommissie geoordeeld dat de sinaasappelstructuur op de fronten een gebrek vormt (rov. 3.7). In zoverre zijn [eisers] dus in hun standpunt gevolgd.
Aan stelling (3) heeft het hof volgens mij ook niet voorbij gezien. In rov. 3.5 is het hof namelijk uitvoerig ingegaan op het betoog van [eisers] dat de Geschillencommissie hun bezwaarschrift tegen het deskundigenrapport over het hoofd zou hebben gezien.
Ook onderdeel 2 kan in mijn ogen daarom niet tot cassatie leiden.
Onderdeel 3 formuleert – na een weergave van MvG 4.18-4.22 en Pltn HB [eisers] 13 – een rechtsklacht tegen rov. 3.7. Het hof zou zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting indien naar zijn oordeel het bindend advies voor wat betreft de motivering alleen voor vernietiging in aanmerking komt als het bindend advies (in het geheel) niet is gemotiveerd (dan wel de grens voorbijgaat waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen). Gesteld wordt dat het hof miskent dat (ook) moet worden onderzocht of de bindend adviseurs, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, in redelijkheid tot hun beslissing hebben kunnen komen en of het bindend advies toereikend is gemotiveerd.
Deze klacht treft evenmin doel. In rov. 3.7 valt niet te lezen dat vernietiging van het bindend advies wegens een motiveringsgebrek volgens het hof alleen aan de orde kan zijn als het bindend advies helemaal niet is gemotiveerd. Het hof heeft in rov. 3.7 immers ook onderzocht of het betreffende oordeel voorbijgaat aan de grenzen waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen. Deze toets is een invulling van de in art. 7:904 lid 1 BW gegeven maatstaf, zoals blijkt uit de Toelichting Meijers (zie slotzin uit het citaat in 2.5). Het hof heeft dus niet miskend dat de motivering langs de lijnen van art. 7:904 lid 1 BW moet worden beoordeeld.
Tot slot refereert ook dit onderdeel aan de stelling dat de bindend adviseurs niet uitleggen waarom een compensatie voor aspectverlies van € 500 volstaat, althans waarom (partiële) ontbinding niet op zijn plaats is. Die klacht faalt op de in 2.16-2.18 vermelde gronden.
Onderdeel 3 lijkt mij dus ook tevergeefs voorgesteld.
Onderdeel 4 heeft betrekking op de passage in rov. 3.7 “dat alle andere klachten van [eisers] niet terecht waren of door Eigenhuis worden hersteld”.
Het onderdeel stelt dat dit oordeel onbegrijpelijk is. Volgens het onderdeel neemt het destijds toegezegde herstel niet weg dat de keuken op een aantal (significante) punten niet voldeed en dat een aantal van de door [eisers] aangevoerde bezwaren, onder meer over het aanrechtblad, zijn gehonoreerd. In dat verband wordt erop gewezen dat Eigenhuis het aanrechtblad moet vervangen en dat naar de mening van de deskundige (waarvan de Geschillencommissie niet is afgeweken) ook de stollenwanden vervangen dienen te worden.
Deze klacht zie ik ook niet opgaan. De bestreden passage betreft niet de motivering van het hof, maar is een onderdeel van de weergave van de motivering van de Geschillencommissie voor haar oordeel dat de sinaasappelstructuur niet ernstig genoeg is om (partiële) ontbinding te rechtvaardigen. Het hof heeft beoordeeld of deze motivering de toets van art. 7:904 lid 1 BW kan doorstaan, hetgeen volgens het hof het geval is (rov. 3.7 slotzin).
Overigens blijkt uit deze passage ook niet dat de Geschillencommissie miskent dat de keuken op een aantal punten niet voldeed en dat een aantal van de door [eisers] aangevoerde bezwaren zijn gehonoreerd. Het bindend advies houdt immers in dat Eigenhuis het aanrechtblad, de koelkast en de vriezer moet vervangen (zie rov. 2.6 en punt 1.6 van deze conclusie). Ik begrijp uit de aangevallen passage dat de Geschillencommissie aanneemt dat Eigenhuis deze punten zal herstellen en dat de dan nog resterende sinaasappelstructuur niet ernstig genoeg is om een (partiële) ontbinding van de overeenkomst te rechtvaardigen.
Ik meen daarom dat onderdeel 4 ook tevergeefs is voorgesteld.
Onderdelen 5 en 6 komen op tegen rov. 3.6. Deze overweging ziet op het betoog van [eisers] dat de Geschillencommissie niet expliciet is ingegaan op hun klacht over de te smalle stollenwanden. Het hof heeft overwogen dat het niet separaat adresseren van deze klacht een omissie is, maar dat dit verzuim niet een zodanig ernstig (totstandkomings)gebrek vormt dat vernietiging dient te volgen. Volgens het hof ondervinden [eisers] van dit verzuim ook geen nadeel, nu Eigenhuis heeft aangeboden het aanrechtblad en de bijbehorende stollenwanden te herstellen en te leveren conform de overeenkomst, waarbij het hof voorop stelt dat niet in geschil is dat het aanrechtblad en de stollenwanden met elkaar verbonden zijn (waar het hierna te bespreken onderdeel 6 over klaagt). [eisers] hebben zodoende naar het oordeel van het hof onvoldoende belang bij vernietiging van het bindend advies.
Onderdeel 5 valt uiteen in de subonderdelen 5a en 5b. Volgens subonderdeel 5a gaat het hof uit van een onjuiste rechtsopvatting als het hof een vernietiging van het bindend advies niet op zijn plaats acht omdat het totstandkomingsgebrek hiervoor niet ernstig genoeg is. Het hof zou daarmee miskennen dat ook partiële vernietiging van het bindend advies mogelijk is.
Deze klacht faalt. Partiële vernietiging van een bindend advies op de voet van art. 7:904 lid 1 BW is op zichzelf mogelijk. Het in rov. 3.6 bedoelde gebrek is echter niet terug te voeren op een specifiek gedeelte van de beslissing van de Geschillencommissie. Het verzuim betreft immers juist het ontbreken van een beslissing over de stollenwanden. Het ontbreken van een beslissing wordt, lijkt mij, met een vernietiging van een gedeelte van het bindend advies niet verholpen. Overigens hebben [eisers] ook niet toegelicht welk gedeelte van de beslissing van de Geschillencommissie volgens hen dan precies vernietigd zou moeten worden.
Verder acht subonderdeel 5a onbegrijpelijk waarom een (partiële) vernietiging van het bindend advies niet kan worden uitgesproken, nu de sinaasappelstructuur van de fronten het aanzicht van de keuken en daarmee 90% van de keuken betreft en ook de andere erkende tekortkomingen, die Eigenhuis heeft toegezegd te zullen verhelpen, niet bepaald onbelangrijk zijn; zo bedragen de vervangingskosten voor het aanrechtblad alleen al circa EUR 4.000.
Die klacht slaagt evenmin. De beslissingen van de Geschillencommissie over de sinaasappelstructuur en de andere tekortkomingen, waaronder het aanrechtblad, zijn volgens het hof niet gebrekkig; deze kunnen dus geen rol spelen bij de vraag of het geconstateerde gebrek (ontbreken beslissing over de stollenwanden) zo ernstig is dat vernietiging dient te volgen.
Tot slot vermeldt het subonderdeel nog dat het hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting als het miskent dat in beginsel iedere tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt. In zoverre mist het subonderdeel feitelijke grondslag, omdat rov. 3.6 niet gaat over ontbinding.
Subonderdeel 5b is gericht tegen het oordeel dat [eisers] geen (voldoende) belang hebben bij vernietiging van het bindend advies nu Eigenhuis heeft aangeboden het aanrechtblad en de bijbehorende stollenwand te herstellen en te leveren conform de overeenkomst. Volgens de klacht is dit onjuist, omdat ook voor zover is aangeboden om vrijwillig aan de overeenkomst te voldoen, dit het belang bij een rechterlijke uitspraak met een executoriale titel niet wegneemt. Daartoe wordt aangevoerd dat het civiele proces mede een rechtsverschaffingsfunctie heeft. Verder wordt erop gewezen dat Eigenhuis de toegezegde ingrepen niet heeft verricht en de compensatie voor aspectverlies niet heeft betaald.
Dit subonderdeel faalt volgens mij omdat het eraan voorbij ziet dat [eisers] in deze zaak geen nakoming, maar vernietiging van het bindend advies vorderen. Een rechterlijke uitspraak tot vernietiging van het bindend advies van de Geschillencommissie levert geen executoriale titel op voor de nakoming van het door Eigenhuis aangeboden herstelwerk of voor de betaling van de compensatie voor aspectverlies. Het belang bij een uitspraak tot vernietiging van het bindend advies van de Geschillencommissie kan dan ook niet zijn gelegen in het verkrijgen van een executoriale titel voor het herstel of de betaling van de compensatie.
Daarmee acht ik ook onderdeel 5 ongegrond.
Onderdeel 6 bestrijdt met subonderdelen 6a en 6b de passage in rov. 3.6 dat tussen partijen niet in geschil is dat het aanrechtblad en de stollenwanden met elkaar verbonden zijn.
Subonderdeel 6a betoogt dat dit oordeel onbegrijpelijk is voor zover het hof daarmee bedoelt dat de vraag of het aanrechtblad aan de overeenkomst beantwoordde louter samenhing met de (dikte van de) stollenwanden. Het subonderdeel wijst daarbij op het volgende. [eisers] maken Eigenhuis ook het verwijt dat het aanrechtblad niet op de juiste dikte is gesneden, namelijk 5 cm, terwijl zij hebben getekend en betaald voor een blad van 6 cm. De deskundige heeft in zijn rapport vermeld dat het aanrechtblad vervangen diende te worden voor zover dit te dun was en de Geschillencommissie heeft vervanging van het aanrechtblad gelast. Deze beslissing kan volgens het subonderdeel niet op (de maat van) de stollenwanden berusten, nu de deskundige en de Geschillencommissie zich hierover niet hebben uitgelaten.
Deze klachten berusten volgens mij op een verkeerde lezing van het arrest. Het hof licht de verbondenheid van aanrechtblad en stollenwanden als volgt toe: “Ook het deskundigenrapport getuigt van die verbondenheid, daar waar (geciteerd onder 2.5) wordt opgemerkt dat, als de stollenwanden vervangen moeten worden, ook het aanrechtblad moet worden vervangen. Eigenhuis heeft erkend dat er een meetfout is gemaakt bij de installatie van het aanrechtblad en heeft daarom aangeboden het aanrechtblad en de bijbehorende stollenwanden te herstellen en te leveren conform de overeenkomst.” Het hof bedoelt hier met verbondenheid dus dat het aanrechtblad en de stollenwanden bij elkaar horen en niet apart vervangen kunnen worden. Die verbondenheid is relevant omdat het bindend advies inhoudt dat het aanrechtblad vervangen moet worden en dit zodoende meebrengt dat ook de stollenwanden moeten worden aangepast. Nu Eigenhuis heeft aangeboden het aanrechtblad en de bijbehorende stollenwanden te herstellen, acht het hof het niet separaat adresseren van de klacht over de stollenwanden niet ernstig genoeg voor vernietiging.
Subonderdeel 6b acht onbegrijpelijk dat tussen partijen niet in geschil is dat de stollenwanden en het aanrechtblad met elkaar verbonden zijn. [eisers] zouden dit nooit hebben gesteld. Verder wordt aangevoerd dat het door de Geschillencommissie gevolgde deskundigenbericht veeleer op het tegendeel wijst, omdat beide kwesties hierin afzonderlijk worden behandeld.
Deze klacht zie ik ook geen doel treffen. [eisers] hebben in hoger beroep gesteld (MvG 3.6): “Verder bleek onder meer het blad van het kookeiland te kort, als gevolg waarvan de stolwanden onder het aanrecht uitstaken. (…) Eigenhuis heeft nadien getracht dit probleem op te heffen door dunnere stolwanden van 1 cm in plaats van 2,5 cm (zoals afgesproken) te plaatsen met een afwijkende kleurstelling.” Eigenhuis heeft in appel onder meer aangevoerd dat “(…) het werkblad en de stollen als één geheel gezien moet worden” (MvA 35). In cassatie wordt niet gewezen op een betwisting van die laatste stelling in de Pltn HB van [eisers] Het hof mocht daarom uit de gedingstukken begrijpen dat tussen partijen niet in geschil is dat de stollenwanden en het aanrechtblad met elkaar verbonden zijn.
Het deskundigenrapport brengt mij niet op andere gedachten; daarin worden het aanrechtblad en de stollenwanden op de in 2.47 besproken wijze met elkaar in verband gebracht.
Dit betekent dat onderdeel 6 volgens mij ook niet opgaat.
Onderdeel 7 bestrijdt op twee gronden het oordeel in rov. 3.6 dat [eisers] geen nadeel ondervinden van het niet separaat adresseren van de klacht over de stollenwanden.
In de eerste plaats wordt aangevoerd dat deze beslissing onbegrijpelijk is, omdat de deskundige de vraag of het aanrechtblad moet worden aangepast afhankelijk heeft gemaakt van het oordeel van de bindend adviseurs over de stollenwanden, welk oordeel is uitgebleven.
Deze klacht komt mij ongegrond voor. De Geschillencommissie heeft namelijk wel een beslissing over het aanrechtblad gegeven. Zoals het hof in rov. 2.6 heeft vastgesteld, houdt het bindend advies onder meer in dat het aanrechtblad vervangen moet worden. In het bindend advies is daarover als volgt overwogen: “Dat het aanrechtblad bij het kookgedeelte niet de juiste afmeting/dikte had is door de ondernemer reeds erkend (…)”.
In de tweede plaats betoogt het onderdeel dat de overweging over het ontbreken van nadeel onbegrijpelijk is in het licht van een aantal andere feiten en omstandigheden. In dat verband wordt erop gewezen dat [eisers] door de opstelling van Eigenhuis genoodzaakt waren om de bindend advies-procedure te starten, dat zij nog steeds wachten op herstel en dat de toegezegde nakoming van de overeenkomst – onder meer door een juist aanrechtblad te leveren – niet heeft plaatsgevonden, ook niet binnen de in het bindend advies gestelde termijn van tien weken, terwijl het bindend advies én niet voorziet in herstel van de stollen én geen executoriale titel oplevert en het hof [eisers] wel veroordeelt in de proceskosten.
Deze klacht stuit al af op processuele gronden. [eisers] hebben alleen verwezen naar stellingen uit de eerste aanleg en een alinea uit de pleitnota in appel van Eigenhuis. Zij doen daarmee dus geen beroep op eigen stellingen die deel uitmaken van de rechtsstrijd in appel.
Verder gaat deze klacht volgens mij ook om inhoudelijke redenen niet op. In algemene zin geldt dat een bindend advies als zodanig geen executoriale titel oplevert. Een executoriale titel kan worden verkregen door in rechte nakoming van het bindend advies te vorderen. In onze zaak kunnen [eisers] nakoming vorderen van de beslissing dat het aanrechtblad dient te worden vervangen. Vast staat dat het aanrechtblad en de stollenwanden niet afzonderlijk vervangen kunnen worden (rov. 3.6 en hiervoor in 2.47). Vervanging van het aanrechtblad impliceert dus tevens aanpassing van de stollenwanden. Daarom vind ik ook in het licht van de aangehaalde omstandigheden niet onbegrijpelijk dat [eisers] naar het oordeel van het hof geen nadeel ondervinden van het ontbreken van een separate beslissing over de stollenwanden.
Onderdeel 7 slaagt volgens mij daarom ook niet.
Onderdeel 8 bestrijdt het oordeel in rov. 3.9 dat Eigenhuis geen belang meer heeft bij haar incidentele grief en dat een kostenveroordeling in het incidenteel appel achterwege blijft.
Het onderdeel wijst erop dat het incidenteel appel van Eigenhuis een voor het eerst in hoger beroep ingestelde vordering bevat om “voor recht te verklaren dat het gebrek als door de kantonrechter in r.o. 5.4 van het vonnis benoemd, ziet op de (lichte) sinaasappelhuid in relatie tot het bezien daarvan bij strijklicht”. Volgens het onderdeel is hier sprake van een reconventionele vordering en is daarvoor alleen plaats bij conclusie van antwoord (art. 137 jo. 353 lid 1 Rv). Geklaagd wordt dat het hof Eigenhuis in zoverre niet-ontvankelijk had moeten verklaren en haar had moeten veroordelen in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep. Het zou hier namelijk niet slechts gaan om een verweer in de vorm van een incidenteel appel waarvoor volgens rechtspraak van Uw Raad geen kostenveroordeling wordt uitgesproken.
Uitleg van gedingstukken is voorbehouden aan het hof als feitenrechter en kan in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. In onze zaak heeft Eigenhuis in het incidenteel appel een verklaring voor recht gevorderd. Deze vordering beoogt een uitleg van de term “gebrek” in rov. 5.4 van het vonnis. Materieel lijkt mij dus eerder sprake te zijn van een verweer dan van een tegenvordering. Als ik het goed zie, hebben [eisers] het incidenteel appel ook zo begrepen. In hun MvA inc hebben zij niet het verweer gevoerd dat sprake is van een (tardieve) reconventionele vordering. Zij zijn tot de slotsom gekomen dat de incidentele grief tevergeefs is voorgedragen omdat, kort gezegd, de kantonrechter terecht in het bindend advies leest dat de sinaasappelstructuur een gebrek is (MvA inc 3.1). In dat licht acht ik niet onbegrijpelijk dat het hof het incidenteel appel niet heeft opgevat als een reconventionele vordering en gezien de verwerping van het principaal appel heeft geoordeeld dat Eigenhuis geen belang meer heeft bij de incidentele grief. De beslissing om een kostenveroordeling in het incidenteel appel achterwege te laten bouwt daar logisch op voort. Hier ketst onderdeel 8 in mijn ogen op af.
Daarmee acht ik alle onderdelen van het cassatieberoep ongegrond.
3. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep en geef Uw Raad in overweging dat te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G