ECLI:NL:PHR:2021:922

ECLI:NL:PHR:2021:922, Parket bij de Hoge Raad, 05-10-2021, 20/01725

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 05-10-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/01725
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2020:1459
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2021:1701
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 4 zaken
6 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0002063 BWBR0020368 CELEX:32007L0064 EU:32007L0064

Samenvatting

Conclusie AG. Bedrieglijke bankbreuk (art. 343 (oud) Sr en art. 344a Sr) en opzettelijk zonder vergunning optreden als betaaldienstverlener, terwijl hiervan een gewoonte is gemaakt (art. 2:3a.1 Wft). Klachten over bewezenverklaring van opzet op bedrieglijke bankbreuk en van 'het een gewoonte maken van het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener'. Daarnaast een klacht inzake veranderde wetgeving en een kwalificatieklacht betreffende het bestanddeel 'met zetel in Nederland'. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

III. Het tweede middel

Wettelijk kader

17. Het tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt met betrekking tot het onder 1 primair bewezenverklaarde, voor zover zulks betrekking heeft op de bewaar- en administratieplicht van de verdachte, dat het hof de verdachte heeft veroordeeld op grond van art. 343 (oud) Sr en het ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in art. 344a Sr (op 1 juli 2016 in werking getreden), zodat, nu het hof heeft verzuimd bij de strafoplegging het ten gunste van de verdachte gewijzigde sanctierecht toe te passen, de strafoplegging ontoereikend is gemotiveerd.

18. De bewezenverklaring is hiervoor opgenomen onder randnummer 4. Zoals hierboven in randnummer 10 reeds opgemerkt, is de tenlastelegging onder feit 1 primair toegesneden op art. 343, aanhef en onder 1° en 4°, (oud) Sr. In randnummer 11 is de inhoud van dit artikel, voor zover relevant, weergegeven. Ik verwijs daarnaar en herhaal hier slechts dat de maximumstraf in art. 343 (oud) Sr was bepaald op zes jaar gevangenisstraf of een geldboete van de vijfde categorie.

19. Op 1 juli 2016 is de Wet van 8 april 2016 (herziening strafbaarstelling faillissementsfraude) in werking getreden.7 Met die wetswijziging zijn de in art. 343, aanhef en onder 4°, (oud) Sr strafbaar gestelde gedragingen – die kort gezegd inhouden het opzettelijk niet-voldoen aan de administratie-, bewaar- en/of afgifteplicht – ondergebracht in het nieuwe art. 344a Sr. De artikelen 343 en 344a Sr luiden sindsdien, voor zover hier van belang:

Artikel 343 Sr

“Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft de bestuurder of commissaris van een rechtspersoon die wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld:

1°. voor de intreding van het faillissement, indien dit is gevolgd, of tijdens het faillissement enig goed aan de boedel heeft onttrokken of onttrekt;

2°. voor de intreding van het faillissement, indien dit is gevolgd, buitensporig middelen van de rechtspersoon heeft verbruikt, uitgegeven of vervreemd, dan wel hieraan heeft meegewerkt of daarvoor zijn toestemming heeft gegeven;

3°. voor de intreding van het faillissement, indien dit is gevolgd, of tijdens het faillissement een van de schuldeisers van de rechtspersoon op enige wijze wederrechtelijk heeft bevoordeeld of bevoordeelt.”

Artikel 344a Sr

“1. Hij die in staat van faillissement is verklaard, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste

vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:

[…]

2. Met dezelfde straf wordt gestraft de bestuurder of commissaris van een rechtspersoon, indien: 1°. hij tijdens het faillissement van de rechtspersoon desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator verstrekt;

2°. hij tijdens het faillissement van de rechtspersoon, of voor het faillissement indien dit is gevolgd, opzettelijk niet heeft voldaan aan of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt.”

20. De betreffende memorie van toelichting houdt over deze wijziging, voor zover hier van belang, het volgende in:8

“3. Algemene uitgangspunten

Dit wetsvoorstel ziet op verbetering van de faillissementsbepalingen in het Wetboek van Strafrecht. In 1886 zijn de faillissementsdelicten opgenomen in het wetboek als bijzondere vorm van bedrog. Het aspect van benadeling van schuldeisers stond hierbij voorop. Nauw verwant hieraan was de bescherming van kredietverlening, die van essentieel belang werd geacht voor een gezonde economie. De bankbreukbepalingen zijn opgenomen in een aparte titel, gewijd aan benadeling van schuldeisers of rechthebbenden. Een uitzondering hierop vormt de schending van de inlichtingenplicht die strafbaar is gesteld als misdrijf tegen het openbaar gezag

[…]

De voorgestelde modernisering van de bepalingen krijgt vorm over de hele linie van Titel XXVI van Boek 2. Bijna alle bepalingen worden aangepast met het oog op verbetering van de bruikbaarheid (in de zin van leesbaarheid, eenvoudigere toepassing) en effectiviteit. Het kabinet zet evenwel niet in op een volledig nieuw strafrechtelijk faillissementsrecht. Er wordt, voor zover niet uitdrukkelijk anders vermeld, geen breuk geforceerd met bestaande rechtspraak en indien mogelijk wordt de wettelijke terminologie gehandhaafd. Dit betekent dat ten aanzien van de in het voorstel gehandhaafde en onbesproken bestanddelen van de strafbepalingen inzake faillissementsfraude ook in het vervolg de uitleg zal gelden die daaraan bij invoering of sindsdien door wijziging of als gevolg van verduidelijking in de rechtspraak is gegeven.

[…]

4. De inlichtingenplicht en de administratieve verplichtingen

Inleiding

Het is voor de afwikkeling van een faillissement van groot belang dat de curator kan beschikken over de volledige administratie van de failliet. Ook dienen de failliet en andere direct betrokkenen beschikbaar te zijn om vragen van de curator en andere betrokkenen (bij de verificatievergadering) te beantwoorden. Deze medewerking is essentieel voor de mogelijkheden tot vereffening: zonder adequate informatie en medewerking kan de boedel van de failliet niet worden verdeeld en worden schuldeisers benadeeld. De curator zal immers niet kunnen vaststellen welke activa de onderneming nog bezit, of er vorderingen uitstaan etc.

[…]

De sleutelpositie van de administratie-, bewaar- en afgifteplicht bij bestrijding van faillissementsfraude

De handhaving van de administratie-, bewaar- en afgifteplicht is thans verspreid over verschillende delictsomschrijvingen, de artikelen 340 tot en met 343 Sr. De huidige bepalingen – in het bijzonder de artikelen 341, onderdeel a, onder 4°, en 343, onderdeel 4°, Sr – laten te wensen over, vooral omdat deze bepalingen alleen gedragingen strafbaar stellen indien het vooruitzicht op het intreden van het faillissement, en in het verlengde daarvan opzet op de benadeling van schuldeisers, kan worden bewezen. Buiten die omstandigheden is de instandhouding van een onvolkomen administratie, en daarmee ook bewuste onwetendheid, straffeloos. Dit wetsvoorstel wil hierin verandering brengen vanuit de gedachte dat een onvolledige administratie vrijwel altijd nadelige gevolgen voor de rechten van schuldeisers kan hebben. Belangrijk is voorts dat hierdoor vaak zowel in praktische als formele zin geen aanknopingspunten te vinden zijn om verder te rechercheren: door de lacuneuze boekhouding ontbreekt niet zelden cruciale informatie die bijvoorbeeld zou kunnen wijzen op strafbare onttrekking van goederen aan de boedel. Dit leidt in de praktijk tot het risico dat fraudeurs niet kunnen worden aangepakt.

Een strafbaarstelling van het niet naleven van de administratieve verplichtingen vervult in dit opzicht een sleutelpositie bij de bestrijding van faillissementsfraude. Het voorschrift gaat laakbaar handelen tegen dat een adequate afhandeling van het faillissement frustreert en biedt daarnaast een aangrijpingspunt om de gang van zaken rond een faillissement te kunnen onderzoeken en mogelijke fraudepraktijken bloot te leggen. Voorgesteld wordt de aangescherpte strafbaarstelling gewijd aan de administratie-, bewaar- en afgifteplicht op te nemen in nieuwe artikelen 344a en 344b Sr. Deze strafbepalingen worden in artikel 67, eerste lid, Sv aangemerkt als misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis kan worden toegepast, waardoor adequate bevoegdheden tot opsporing voorhanden zijn.

In de voorgestelde nieuwe delictsomschrijvingen wordt gesproken van de «wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers». Hiermee wordt gedoeld op de civielrechtelijke normen die ter zake zijn neergelegd in de artikelen 2:10 en 3:15i BW, alsmede artikel 5, eerste lid, juncto artikel 1, tweede lid, van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen, die thans alle afzonderlijk worden genoemd in de artikelen 340 tot en met 343 Sr.

[…]

De administratieplicht en bewaarplicht

In de huidige artikelen 341, onderdeel a, onder 4°, en 343, onderdeel 4°, Sr is handhaving van de administratieplicht en bewaarplicht strafbaar gesteld als bedrieglijke bankbreuk. Voor deze misdrijven geldt het vereiste dat de dader opzet moet hebben gehad, in die zin dat hij met de gedraging bewust tenminste de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op benadeling van schuldeisers. Dit betekent dat ten tijde van de strafbaar gestelde gedraging – het niet voeren of bewaren van de administratie – het vooruitzicht van een faillissement moet bestaan (vgl. Hoge Raad 5 april 2011, LJN:BP4391; Hoge Raad 16 februari 2010, LJN:BK4797). Dit laatste zal niet altijd gemakkelijk zijn te bewijzen, terwijl die omstandigheid voor de verwijtbaarheid van het nalatig gedrag minder van betekenis is. Prof. Hilverda heeft daarom het voorstel gedaan om overtreding van de boekhoud- en bewaarplicht zonder het opzet op het intreden van het faillissement strafbaar te stellen (Hilverda 2012, p. 25-43). In het voorgestelde artikel 344a Sr is het beschermde belang van het waarborgen van een betrouwbare basis voor afwikkeling van het faillissement vooropgesteld. Dit komt tot uitdrukking door het gevolg in de delictsomschrijving een plaats te geven. Opzet op het benadelen van de schuldeisers is niet langer vereist. Ten aanzien van het gevolg zal een eenvoudig bericht van de curator volstaan dat hij wordt gehinderd in zijn werkzaamheden.

Het centraal stellen van het gevolg laat ook de ruimte om overtredingen van de administratie- en bewaarplicht (anders dan de afgifteplicht) die weinig tot geen schade opleveren voor de afwikkeling van het faillissement buiten beschouwing te laten. In meerdere adviezen werd bepleit dat kleine overtredingen van de administratieplicht niet strafrechtelijk zouden moeten worden vervolgd. Verder kan, indien dit is aangewezen wegens afwezigheid van kwade bedoelingen, van strafrechtelijke vervolging van kleine en iets grotere onzorgvuldigheden worden afgezien op grond van het opportuniteitsbeginsel. Dat kan het geval zijn in het door de NVB genoemde voorbeeld, waarin door nijpend geldgebrek een laatste update door een boekhouder of controller niet meer heeft plaatsgevonden.

[…]

Artikel 343

De strafbepaling van artikel 343 Sr wordt eveneens gewijzigd. De bepaling die thans bestaat uit vier onderdelen, wordt gereduceerd tot drie onderdelen die zich concentreren op gedragingen van bestuurders en commissaris verricht met (voorwaardelijk) opzet op benadeling van schuldeisers van de rechtspersoon.

In het eerste onderdeel van artikel 343-nieuw Sr wordt het onttrekken van enig goed aan de boedel strafbaar gesteld. Omdat onder dit begrip ook zowel het verdichten van lasten als het niet verantwoorden van baten (thans naast het onttrekken als gedraging opgenomen in onderdeel 1°) als het om niet of klaarblijkelijk beneden de waarde vervreemden (thans opgenomen in onderdeel 2°) worden geschaard – zie de toelichting op artikel 341 Sr in paragraaf 5 –, komen laatstgenoemde onderdelen niet meer terug in de nieuwe delictsomschrijving.

In artikel 343 Sr zijn verder wijzigingen doorgevoerd op het punt van tot uitdrukking brengen van het vereiste aanvullend opzet. Dit geschiedt wederom door opneming van het bestanddeel

«wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers (van de rechtspersoon) in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld». Ook is in de nieuwe delictsomschrijving expliciet aangegeven dat het gaat om handelingen die kunnen plaatsvinden tijdens het faillissement of vóór het faillissement, zoals die eerder in deze toelichting zijn besproken in het kader van het gewijzigde artikel 341 Sr. Naast de wijzigingen die in dat verband worden voorgesteld, worden de strafbare handelingen in artikel 343 Sr meer gericht op de specifieke situatie en context van de rechtspersoon. Daartoe wordt in een nieuw onderdeel 2° het opzettelijk «buitensporig verbruiken, uitgeven of vervreemden van middelen van de rechtspersoon» strafbaar gesteld. Het gaat om een gedraging die identiek is aan het hierboven besproken artikel 342-nieuw Sr, en waaraan dezelfde uitleg toekomt, zij het dat het hier gaat om een strafbaarstelling waarbij de bestuurder bij zijn handelen het opzet moet hebben gehad op de benadeling van schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden.”

21. Voorts dient het volgende te worden vooropgesteld. Ingeval na het begaan van het feit de delictsomschrijving is gewijzigd in voor de verdachte gunstige zin, is art. 1, tweede lid, Sr toepasselijk indien die wetswijziging voortvloeit uit een verandering van inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het vóór de wetswijziging begane strafbare feit. Hieronder moeten onder meer worden begrepen veranderingen in de bestanddelen van de delictsomschrijving en het vervallen van strafbaarstellingen. Voor regels van sanctierecht, die zowel het specifieke strafmaximum als meer algemene regels met betrekking tot de sanctieoplegging kunnen betreffen, geldt dat een sinds het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang moet worden toegepast indien en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt.9 Dat betekent dat niet hoeft te worden getoetst aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de strafwetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten. Ook eventueel door de wetgever geformuleerde bijzondere overgangsbepalingen zullen moeten passen binnen art. 7 EVRM, art. 15, eerste lid, en – voor zover van toepassing

– art. 49 , eerste lid, Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Indien dat laatste niet het geval is, zal de rechter deze bepalingen buiten toepassing moeten laten.10

22. Met de invoering van art. 344a Sr per 1 juli 2016 is zowel de daarop betrekking hebbende delictsomschrijving bijgesteld, alsook het op de aldaar strafbaar gestelde gedragingen gestelde strafmaximum aangepast. Uit de memorie van toelichting blijkt dat met de zelfstandige strafbaarstelling van de administratie- en bewaarplicht in het nieuwe art. 344a Sr is beoogd het belang van het waarborgen van een betrouwbare basis voor afwikkeling van het faillissement voorop te stellen. Daarbij is opzet op het benadelen van de schuldeisers niet langer vereist. Dit heeft een lagere bewijslast voor het openbaar ministerie tot gevolg, en zal voor de verdachte in de regel nadeliger zijn. Tegen die achtergrond is het maximum van de gevangenisstraf van zes jaren verlaagd naar vier jaren en dus naar een milder sanctieregime.

Bespreking van het middel

23. In het bestreden arrest valt onder het kopje “Toepasselijke wettelijke voorschriften” het volgende te lezen:

“De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 57, 343 en 349 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht en de artikelen 2a, 3 en 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren terrorisme.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.”

24. Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:

“Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 80 dagen, waarvan 75 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast heeft de rechtbank een taakstraf opgelegd van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis. Voorts heeft de rechtbank de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde ontzet van de uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 3 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen, waarvan 165 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts heeft zij gevorderd dat de verdachte zal worden ontzet van de uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 3 jaren.

De raadsman heeft verzocht om de verdachte bij een bewezenverklaring van ook feit 1 een straf op te leggen gelijk aan hetgeen de rechtbank heeft opgelegd en heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte zijn lesje wel geleerd heeft.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. Hij heeft aanzienlijke geldbedragen onttrokken aan de boedel. Voorts heeft de verdachte zijn administratieve verplichtingen ernstig verzaakt en aldus kwam er voor de curator onvoldoende zicht op de boedel om de belangen van crediteuren te kunnen behartigen. De verdachte heeft op doelbewuste en frauduleuze wijze een jaar lang uit de opbrengsten van de B.V. zichzelf verrijkt. Daarbij heeft hij niet alleen instanties benadeeld, maar ook zijn eigen werknemers.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de verdachte op geen enkele wijze zijn verantwoordelijkheid genomen heeft of berouw heeft getoond. Daar komt nog bij dat de verdachte voor bank heeft gespeeld en zich ook van de daarbij behorende regels niets heeft aangetrokken. De verdachte lijkt de mening te zijn toegedaan dat de door de overheid gestelde regelgeving niet voor hem geldt. Het hof acht de handelwijze van de verdachte dermate ernstig dat de door de rechtbank opgelegde straf geen recht doet aan de ernst van de feiten. Het hof ziet voorts in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen strafverminderende factoren.

Het hof heeft acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt bij een benadelingsbedrag zoals thans aan de orde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9-12 maanden genoemd. Dit geldt voor een first offender, hetgeen de verdachte blijkens het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 mei 2020 is.

Gelet op het vorenstaande ziet het hof geen enkele aanleiding van de oriëntatiepunten in het voordeel van de verdachte af te wijken en acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden passend en geboden. Voorts acht het hof de ontzetting van de verdachte van de uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon noodzakelijk voor na te noemen duur.”

25. Ik meen dat het hof ten onrechte aan de hiervoor genoemde wetswijziging is voorbijgegaan. Aangaande het onder 1 primair bewezenverklaarde had het hof in elk geval ook art. 344a Sr ten grondslag moeten leggen.11 Omdat per 1 juli 2016 de regels van het sanctierecht ten gunste van de verdachte zijn veranderd, had het hof wat betreft (kort gezegd) de administratie- en bewaarplicht er blijk van moeten geven van het uit art. 344a Sr voortvloeiende mildere sanctieregime met een strafmaximum van vier jaren gevangenisstraf te zijn uitgegaan en had het dit artikel dus bij de toepasselijke wettelijke voorschriften moeten vermelden.12

26. Tot cassatie hoeft dit verzuim in het onderhavige geval evenwel niet te leiden. Naast het niet voldoen aan de administratie- en bewaarplicht die op de verdachte rustte, is immers bewezenverklaard dat de verdachte ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers grote geldbedragen aan de boedel heeft onttrokken. Op dit onderdeel van de bewezenverklaring zijn de pijlen van het middel (uiteraard) niet gericht. En hoewel ook ten aanzien van dat onderdeel in art. 343 Sr enkele wijzigingen zijn aangebracht met de invoering van de Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude, zijn die mijns inziens slechts van taalkundige aard. Géén verandering is aangebracht in het strafmaximum dat geldt voor dit strafbaar onttrekken van goederen aan de boedel terwijl (in de bewoordingen van de nieuwe bepaling) de bestuurder of commissaris van een rechtspersoon weet dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden wordt of worden benadeeld. De strafbedreiging betreft te dien aanzien nog altijd zes jaren gevangenisstraf.13

27. Het tweede middel faalt.

IV. Het derde middel

Tenlastelegging, bewezenverklaring, bewijsvoering en kwalificatie

28. Het derde middel komt met twee deelklachten op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener; de bewezenverklaringen en/of kwalificatiebeslissingen van de feiten 2, 3 en 4 zouden onvoldoende met redenen zijn omkleed.

29. Aan de verdachte is respectievelijk onder 2, 3 en 4 tenlastegelegd:

“2. hij, in of omstreeks de periode van 28 april 2015 tot en met 29 april 2016 te Amsterdam en/of (elders) in Nederland meermalen,

althans eenmaal, (telkens)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk, zonder vergunning van De Nederlandsche Bank het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

bedrijfsmatig betaaldiensten verricht, door (o.a.) (telkens) opzettelijk,

op verzoek van en/of ten behoeve van

- Alnhua Agricultural Company en/of een groot aantal onbekend gebleven [...] boeren/personen en/of een of meer anderen, in elk geval een of meer betaler(s) en/of

- Hi Tech Seeds en/of Bayer Crop Science en/of Detia Degesch, in elk geval een of meer begunstigde(n),

- een groot aantal geldbedrag(en) (in contanten) in ontvangst genomen, (in totaal ongeveer 934.540,- euro) en/of

- (vervolgens) die/een groot aantal geldbedrag(en) gestort op de bankrekening van [G]

B.V. en/of de bankrekening van [verdachte] h/o [G] eenmanszaak en/of

- (vervolgens) die/een groot aantal geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 926.940,- euro) overgemaakt naar de bankrekeningen) van Hi Tech Seeds en/of Bayer Crop Science en/of Detia Degesch,

althans (telkens) een of meergeldtransfers, uitgevoerd,

van welk misdrijf verdachte en/of zijn mededader(s) een gewoonte heeft/hebben gemaakt.

[…]

3. hij, in of omstreeks de periode van 28 april 2015 tot en met 29 april 2016 te Amsterdam en/of (elders) in Nederland, meermalen/althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als instelling, te weten als betaaldienstverlener,

opzettelijk, in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, geen dan wel onvolledig, cliëntenonderzoek heeft verricht,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk geen identiteit vastgesteld en/of gecontroleerd en/of geen uittreksel van de kamer van koophandel aangevraagd en/of gecontroleerd ten aanzien van een of meer (verrichte) transacties, althans in elk geval ten aanzien van twee contante stortingen/betalingen op 11 augustus 2015 met een gezamenlijke waarde van

15.000 euro, van welk misdrijf verdachte en/of zijn mededader(s) een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

4. hij, in of omstreeks de periode van 28 april 2015 tot en met 29 april 2016 te Amsterdam en/of (elders) in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, (telkens)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

als instelling, te weten als betaaldienstverlener,

opzettelijk, in strijd met de verplichting, geformuleerd in artikel 16 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme,

een of meer (verrichte) ongebruikelijke transactie(s) niet onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van deze transactie(s) bekend is geworden heeft gemeld aan het meldpunt/de Financiële Inlichtingen eenheid, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) opzettelijk geen melding gedaan van een groot aantal geldtransfers voor een bedrag van 2000,- euro of meer,

van welk misdrijf verdachte en/of zijn mededader(s) een gewoonte heeft/hebben gemaakt.”

30. Daarvan is ten laste van de verdachte onder 2, 3 en 4 bewezenverklaard dat:

“2. hij in de periode van 28 april 2015 tot en met 29 april 2016 te Amsterdam opzettelijk, zonder vergunning van De Nederlandsche Bank, het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend, immers heeft hij, verdachte bedrijfsmatig betaaldiensten verricht, door telkens opzettelijk, op verzoek van en/of ten behoeve van Alnhua Agricultural Company en/of onbekend gebleven [...] boeren en Hi Tech Seeds en/of Bayer Crop Science en/of Detia Degesch, een groot aantal geldbedragen in contanten in ontvangst genomen, (in totaal ongeveer 934.540,- euro) en vervolgens die geldbedragen gestort op de bankrekening van [G] of de bankrekening van [verdachte] h/o [G] eenmanszaak en vervolgens een groot aantal geldbedragen (in totaal ongeveer 926.940,- euro) overgemaakt naar de bankrekeningen van Hi Tech Seeds en Bayer Crop Science en Detia Degesch, van welk misdrijf verdachte een gewoonte heeft gemaakt;

3. hij in de periode van 28 april 2015 tot en met 29 april 2016 te Amsterdam meermalen als instelling, te weten als betaaldienstverlener, opzettelijk, in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, geen dan wel onvolledig, cliëntenonderzoek heeft verricht, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk geen identiteit vastgesteld en gecontroleerd en geen uittreksel van de Kamer van Koophandel aangevraagd en gecontroleerd ten aanzien van een of meer (verrichte) transacties, van welk misdrijf verdachte een gewoonte heeft gemaakt;

4. hij in de periode van 28 april 2015 tot en met 29 april 2016 te Amsterdam meermalen, telkens als instelling, te weten als betaaldienstverlener, opzettelijk, in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 16 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, (verrichte) ongebruikelijke transacties niet onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van deze transacties bekend is geworden, heeft gemeld aan het meldpunt/de Financiële Inlichtingen eenheid, immers heeft hij opzettelijk geen melding gedaan van een groot aantal geldtransfers voor een bedrag van 2000,- euro of meer, van welk misdrijf verdachte een gewoonte heeft/hebben gemaakt.”

31. Deze bewezenverklaringen steunen op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van bevindingen betreffende analyse bankrekeningen Hi Tech Seeds B.V. van 28 juni 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , werkzaam bij de Belastingdienst/FIOD, met documentcode AMB-027 (pagina 131 tot en met 132):

Aanleiding

Op 8 december 2015 is [G] door de Rechtbank Amsterdam in staat van faillissement verklaard. Hierbij is mr. TD.J. Oosterink als curator benoemd. Enig aandeelhouder en algemeen bestuurder die zelfstandig bevoegd is namens [G] is [verdachte] . Zowel de statutaire- als de handelsnaam van de onderneming is [G] die als activiteit heeft ‘Het (doen) exploiteren van een schoonmaakbedrijf’.

Bij de analyse van de ABNAMRO bankrekening, [007] , op naam van [G] alsmede de ABNAMRO bankrekening, [008] , van [betrokkene 3] h/o [G] hebben wij betalingen aangetroffen aan Hi Tech Seeds B.V.. Volgens de Kamer van Koophandel is Hi Tech Seeds BV. een onderneming die gespecialiseerd is in de handel van zaden.

2. Een proces-verbaal van bevindingen betreffende transacties Western Union Bank van 24 juli 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , werkzaam bij de Belastingdienst/FIOD, met documentcode AMB-029 (pagina 137 tot en met 139):

De transacties hebben betrekking op de periode 22 februari 2012 tot en met 18 juni 2016. Het onderzoek loopt vanaf 1 januari 2014 tot en met heden.

Van 25 april 2015 (de eerste mutatie die valt in de onderzoeksperiode) tot en met 19 augustus 2015 is er middels acht transacties in totaal € 2.317,71 aan geld verzonden naar diverse personen in het buitenland.

Over de periode van 24 maart 2016 tot en met 18 juni 2016 is er in totaal, verdeeld over vijf verschillende transacties, € 9.549,- verzonden.

Uit de transacties van de opgevraagde bankrekeningen van verdachte, [verdachte] , komt naar voren dat er veelvuldig pinopnames plaatsvonden op de desbetreffende bankrekeningen. Echter deze pinopnames met bedragen vanaf € 1.500 zien op de periode tot 19 januari 2016. Vanaf 19 januari 2016 tot en met 17 maart 2016 werd er nog totaal € 1.600,- opgenomen verdeeld over elf verschillende mutaties.

Via de Western Union Bank is er over de periode maart 2016 tot en met juni 2016 € 9.549 verzonden naar diverse personen, terwijl verdachte [verdachte] over deze periode geen pinopnames heeft gedaan van de bankrekeningen waarover hij de beschikking had.

3. Een geschrift, zijnde een brief van De Nederlandsche Bank van 30 oktober 2017 aan [verbalisant 1] , met documentcode DOC-136b (pagina 1360 tot en met 1361).

Geachte [verbalisant 1] ,

In verband met een lopend strafzaak heeft u DNB op 15 september 2017 verzocht om u te informeren of, en in hoeverre, het de navolgende (rechts)personen toegestaan is om betaaldiensten (i.h.b. geldtransfers) te verrichten in of vanuit Nederland gedurende 1 januari 2014 tot op heden:

Van de natuurlijke persoon,

Naam: [verdachte]

Voornaam: [verdachte]

Geboortedatum: [geboortedatum] 1985

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

Adres: [a-straat 1]

Postcode: [plaats]

Ondernemer: [verdachte]

van de rechtspersoon, Statutaire naam: [G] BV. Rechtsvorm: Besloten Vennootschap Vestigingsplaats: Amsterdam

Adres: [a-straat 1] , [postcode] Statutaire zetel: [plaats]

Nr. Handelsregister: [009]

Bestuurder: [verdachte]

Conclusie DNB:

Ik kan u melden dat alle hierboven genoemde (rechts)personen tenminste gedurende 1 januari 2014 tot dagtekening van dit bericht niet beschikten over een vergunning als betaalinstelling.

Uit de ons ter beschikking staande informatie blijkt verder niet dat het deze Datum (rechts)personen op enig moment in of vanuit Nederland toegestaan was om 30 oktober 2017 zonder vergunning betaaldiensten, in het bijzonder geldtransfers, te verrichten

4. Een geschrift, zijnde een verzoek verstrekking gegevens uit Databestand Ongebruikelijke Transacties van [betrokkene 21] , met documentcode DOC-137a (pagina 1362 tot en met 1365):

In de periode van 28 april 2015 tot en met 9 maart 2016 in totaal een bedrag van € 894.480,- contant geld is gestort middels 161 stortingen.

5. Een geschrift, zijnde een antwoordformulier van de Financial Intelligence Unit - Nederland van 26 oktober 2017, opgemaakt door [betrokkene 22] , hoofd FIU-Nederland, met documentcode DOC-137b (pagina 1366):

1) Genoemde entiteiten

- [verdachte] [geboortedatum] 1985

- [familienaam] [geboortedatum] 1985

- [G] KvK [009]

- [G] KvK [010]

staan niet als melder geregistreerd

2) Er zijn door hen geen transacties gemeld

6. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 23] van 13 december 2017 bij de rechter- commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam.

Ik ken [verdachte] sinds 2012. Sinds 2012, toen ik voor [verdachte] werkte, heb ik hem veel gezien.

U vraagt naar de bankpas. De FIOD heeft mij verteld dat er 800.000,00 euro op de rekening is gestort. Ik heb geld op die rekening gestort. [verdachte] belde mij. Hij vroeg of ik langs kon komen. Hij zei dat hij veel vergaderingen had in [plaats] en hier. Hij had het druk. Hij zei dat hij geen andere persoon had die hij vertrouwde en dat hij soms mijn hulp nodig had. Ik ging geld voor hem storten. Ik haalde de bankpas bij [verdachte] en het geld zat erbij. Daarna gaf ik de pas terug. Het pasje haalde ik op bij de winkel bij het Mercatorplein. Ook wel op andere plaatsen. Als ik klaar was, deed ik de bankpas in een laatje in de winkel of in een envelop in de brievenbus bij de [b-straat ] . Soms zei [verdachte] ook dat iemand geld zou brengen en dat de pas in het laatje in de winkel lag.

U vraagt naar de zaden en de Belgische meneer over wie ik verklaard heb. Die Belgische meneer zocht iemand voor een kennis in [plaats] . Die man in [plaats] wilde geld overmaken naar een

bedrijf hier. Ik zei tegen [verdachte] : “Misschien kan je iets betekenen voor die persoon.” Ik heb het nummer van [verdachte] aan de Belgische meneer gegeven en het nummer van de Belg aan [verdachte] . Zij hebben contact gehad. [verdachte] heeft dat verteld. Ik heb [verdachte] gezegd dat hij iemand hier werk had tussen [plaats] en Nederland en ik vroeg of hij misschien kon helpen met samenwerken. Wat dat was? Hij had facturen om te betalen; [verdachte] ging akkoord en ik heb [verdachte] en de Belg elkaars nummer gegeven.

Dat [verdachte] mij dat vroeg ging op verschillende manieren. Soms belde hij. Soms gaf hij zelf het pasje en het geld. Soms kwam iemand anders met het geld en de pas. Soms kreeg ik geld van iemand die zei: [verdachte] gaat je bellen en je vertellen wat je moet doen. De stortingen waren in heel Amsterdam, Ik werkte als pizzabezorger. Overal waar ik een order bezorgde, stortte ik geld. Ik herinner mij ook dat ik in Schiedam en in Nieuwegein heb gestort. U vraagt om hoeveel geld het steeds ging. Het ging om grote bedrag/es, tussen 5 en 12 duizend euro.

U vraagt hoe vaak ik geld heb overgemaakt. Waarheen het is overgemaakt? Ik herinner het mij niet, ik denk AI-Nuha of zoiets. High Tech Seeds? Ja die ook. Hoe vaak? Ik kan het niet schatten, meer dan een keer. Ik heb nooit contact gehad met iemand van HTS en ook niet van Al Nuha. U vraagt of [verdachte] erbij was als er werd overgeboekt. Nee, niet altijd. Als hij er niet bij was, gaf hij aan dat ik het moest doen. Vaak ging dat telefonisch maar soms stuurde hij iemand. Het kwam ook voor dat hij zei dat ik het geld dat de komende tien dagen zou komen, moest storten en gelijk overmaken. Ik maakte het over via internetbankieren. Dat deed ik in internetcafés, maar ook thuis. Soms maakte ik het over op een computer bij de bank meteen als ik het gestort had. Het was trouwens niet een bepaald internetcafé maar overal. Ik herinner mij dat HTS en Al Nuha in het adresboek stonden. Ik hoefde dat alleen maar aan te klikken, het bedrag in te vullen en te verzenden. Als ik thuis was deed ik dat met mijn eigen telefoon of op de laptop van iemand anders in huis. U vraagt of ik betaald kreeg voor het overboeken van geld.

Wie die mensen waren die geld gaven? Dat heb ik toch al verteld. Mensen uit [plaats] die voor een kort bezoek hier waren en belden dat zij geld voor [verdachte] hadden. Het is niet zo ingewikkeld. Het kwam ook voor dat ik het op mijn eigen rekening stortte als ik bijvoorbeeld geen geld op mijn rekening had staan. Ik stortte het dan en ik maakte het meteen over. Hoe groot die bedragen waren? 5.000 euro, zoiets. [verdachte] is absoluut en zeker weten op de hoogte geweest van alle gebeurtenissen met zijn bankpas.

7. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank Amsterdam van 23 november 2018, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang:

U vraagt mij of ik of mijn bv een vergunning had voor het verlenen van betalingsdiensten. Nee.

8. Een proces-verbaal van verhoor inhoudende de verklaring van de verdachte (V-001-03):

Wat is Hi Tech Seeds? Wat betekent Seeds? U vertelt mij dat Seeds een Engels woord is voor zaden. Dan gaat dit over een aankoop van zaden van aardappelen, tomaten en zaden voor een soort van komkommer die groeit in tropische landen. Deze zaden worden gebruikt in [plaats] . Boeren mogen in [plaats] wel euro's opnemen, maar zij mogen vanuit [plaats] geen banktransacties doen naar Nederland. Dus wat die boeren dan doen, is dat ze naar Nederland komen. Maar die zaden-bedrijven nemen geen contant geld aan. Dus wat ze dan doen, is dat ze mij het geld geven en dat ik dan het geld overmaak naar het zaden-bedrijf. U vraagt mij hoe ze mij dat geld geven. Dat geld krijg ik contant en misschien is dat ook wel dat contante geld dat is gestort waar we het net over hadden.

U vraagt mij of ik ook contacten met Hi Tech Seeds heb. Ik heb geen contacten met Hi Tech Seeds. Ik heb contacten met een tussenpersoon. Zijn voornaam is [betrokkene 24] (FON) en zijn achternaam is [betrokkene 24] (FON). Hij woont in Beverwijk samen mijn vrouw. Hij heeft de contacten met mij, met Hi Tech Seeds en met de boeren in [plaats] . Ik heb bewijsstukken, facturen van Hi Tech Seeds en opnamebewijzen van het geld in [plaats] . Die facturen liggen bij [betrokkene 24] . Zo’n opnamebewijs is een papier dat de bank in [plaats] afgeeft en waarop staat hoeveel geld er is opgenomen en waarvoor ze dat geld gaan gebruiken. Die opnamebewijzen nemen die personen met het geld mee naar Nederland.”

32. Het hof heeft de bewijsoverwegingen van de rechtbank ten aanzien van deze feiten bevestigd. Deze houden, voor zover hier van belang, in:

“3.2. Bedrijfsmatig zonder vergunning van de Nederlandse Bank verlenen van betaaldiensten.

Verdachte wordt onder 2 in de kern verweten dat hij zonder vergunning bedrijfsmatig betaaldiensten (geldtransfers) heeft verricht door op verzoek van Alnhua Agricultural Company en/of [...] boeren contante geldbedragen in ontvangst te nemen, en die geldbedragen op de bankrekening van [G] of de bankrekening van [verdachte] h/o [G] eenmanszaak te storten en vervolgens geld over te maken naar de bankrekeningen van Hi Tech Seeds, Bayer Crop Science en/of Detia Degesch.

Uit het dossier blijkt dat in de periode van 28 april 2015 tot en met 22 april 2016 door middel van 162 stortingen in totaal € 895.000,- op de bankrekening van [betrokkene 3] h/o [G] is bijgeschreven en dat vervolgens kort na elke storting geld werd overgemaakt naar Hi Tech Seeds, Bayer Crop Science of Detia Degesch. In de periode van 21 tot en met 23 september 2015 werd in totaal € 39.500,- aan contante bedragen gestort op de rekening die op naam van [verdachte] en/of [G] stond. Op de dag dat er geldbedragen werden gestort, werd door middel van verschillende overboekingen in totaal een soortgelijk bedrag (€ 39.550,-) overgemaakt naar Hi Tech Seeds telkens met omschrijving: Alnhua Agricultural Company.

Verdachte heeft in zijn derde verhoor bij de Fiod verklaard dat het voor boeren in [plaats] niet mogelijk is om in Nederland zaden te kopen. De boeren mogen wel euro’s opnemen, maar zij kunnen vanuit [plaats] geen banktransacties doen naar Nederland. De zadenbedrijven nemen echter geen contant geld aan, aldus verdachte. Hij heeft verder verklaard dat de boeren hem contant geld hebben gegeven dat hij vervolgens op een van zijn rekeningen stortte en dat hij ten slotte betalingen overmaakte naar de zadenbedrijven.

Artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) verbiedt het zonder vergunning van de Nederlandsche Bank uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener. Een betaaldienstverlener is degene die zijn bedrijf maakt van het verlenen van betaaldiensten (art. 1:1 Wft). Wat betaaldiensten zijn, wordt nader gespecificeerd in de bijlage van de Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007. Tot de betaaldiensten die deze bijlage noemt, behoren ‘geldtransfers’. De definitie van een ‘geldtransfer’ luidt: “een betalingsdienst waarbij, zonder opening van betaalrekeningen op naam van de betaler of de begunstigde, van een betaler geldmiddelen worden ontvangen met als enig doel het daarmee corresponderende bedrag over te maken aan een begunstigde of aan een andere, voor rekening van de begunstigde handelende betalingsdienstaanbieder en/of waarbij de geldmiddelen voor rekening van de begunstigde worden ontvangen en aan de begunstigde beschikbaar worden gesteld” (artikel 4 lid 13 van de Richtlijn 2007/64/EG).

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte kan worden aangemerkt als betaaldienstverlener als bedoeld in artikel 1:1 Wft. Verdachte beschikte niet over een vergunning van de Nederlandsche Bank om betalingsdiensten te mogen verlenen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde - het zonder vergunning bedrijfsmatig verrichten van betaaldiensten - kan worden bewezen. Verdachte heeft toegegeven dat hij contant geld ontving, dat op een van zijn rekeningen stortte en vervolgens overmaakte naar het bedrijf waarvoor het geld was bestemd. Zijn verklaring wordt ondersteund door die van [betrokkene 23] . Gezien de omvang, de duur en de frequentie is de rechtbank tevens van oordeel dat verdachte daarvan een gewoonte heeft gemaakt.

Opzettelijke overtredingen van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme

Verdachte wordt samengevat onder 3 verweten als betaaldienstverlener opzettelijk geen cliëntenonderzoek te hebben verrichten en onder 4 dat hij als betaaldienstverlener opzettelijk geen melding heeft gedaan bij de Financiële inlichtingen eenheid van een groot aantal ongebruikelijke transacties (geldtransfers van 2000,- euro of meer). Hem wordt tevens verweten dat hij van die misdrijven een gewoonte heeft gemaakt.

Uit artikel 1, lid 1, onderdeel a, sub 20° van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft) zoals dat luidde ten tijde van het ten laste gelegde volgt dat onder ‘instelling’ onder meer wordt verstaan een betaaldienstverlener als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht.

Zoals onder 3.2. is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verdachte kan worden aangemerkt als een betaaldienstverlener. Verdachte heeft erkend dat hij de (ongebruikelijke) transacties, zoals ten laste gelegd, heeft verricht. De rechtbank ziet geen aanleiding om verdachte niet aan zijn (bekennende) verklaring te houden, mede omdat die verklaring wordt ondersteund door de verklaring van [betrokkene 23] . Verdachte heeft echter geen cliëntenonderzoek verricht en de ongebruikelijke transacties niet gemeld bij het meldpunt, hoewel hij daartoe verplicht was. Hij kan zich er niet op beroepen dat hij niet wist dat hij dat moest doen. De voorschriften van de Wwft betreffen ordeningsrecht. In het ordeningsrecht is niet vereist dat het opzet van verdachte ook is gericht op het niet naleven van de op de verdachte rustende wettelijke verplichting zoals het melden van ongebruikelijke transacties te melden aan het meldpunt. Het gaat om zogenoemd kleurloos opzet. Er hoeft met andere woorden niet te worden bewezen dat er wetenschap was van het feit dat sprake was van een ongebruikelijke transactie (Hoge Raad 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8783 en HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2684). De rechtbank is ten slotte van oordeel dat verdachte, gezien de duur (een jaar lang) en de hoeveelheid (gelijksoortige) transacties, er een gewoonte van heeft gemaakt geen cliëntenonderzoek te doen en ongebruikelijke transacties niet te melden.”

33. Het hof heeft het onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde gekwalificeerd als:

“2. Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:3a, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan, terwijl van het plegen van het misdrijf een gewoonte wordt gemaakt.

3. Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, opzettelijk begaan, terwijl van het plegen van het misdrijf een gewoonte wordt gemaakt.

4. Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren terrorisme, opzettelijk begaan, terwijl van het plegen van het misdrijf een gewoonte wordt gemaakt.”

Wettelijk kader

34. Voor de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende bepalingen relevant:

Wet op het financieel toezicht (Wft):

Artikel 1:1 (voor zover hier van belang):

“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, voorzover niet anders is bepaald, verstaan onder:

[…]

betaaldienst: bedrijfswerkzaamheid als bedoeld in de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten;

[…]

betaaldienstverlener: degene die zijn bedrijf maakt van het verlenen van betaaldiensten;

[…]

zetel: de plaats waar een onderneming volgens haar statuten of reglementen is gevestigd of, indien

zij geen rechtspersoon is, de plaats waar die onderneming haar hoofdvestiging heeft.”

Artikel 2:3a, eerste lid:

“Het is een ieder met zetel in Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche

Bank verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen van betaaldienstverlener.”

Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft):

Artikel 1, eerste lid onder a (oud):

“1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. instelling: […]

20°. betaaldienstverlener als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;”

Artikel 3, eerste lid:

“1. Een instelling verricht ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme cliëntenonderzoek.”

Artikel 16, eerste lid:

“1. Een instelling meldt een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden, aan de Financiële inlichtingen eenheid.”

Wet op de economische delicten (WED):

Artikel 1:

“Economische delicten zijn:

[…]

2° overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:

[…]

de Wet op het financieel toezicht, de artikelen […] 2:3a, eerste lid […] de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, de artikelen […] 3, eerste lid, […] 16 […].”

Artikel 2, eerste lid:

“De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 1° en 2°, en artikel 1a, onder 1° en 2°, zijn misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan; voor zover deze economische delicten geen misdrijven zijn, zijn zij overtredingen.”

Artikel 6, eerste lid:

“Hij, die een economisch delict begaat, wordt gestraft:

1° in geval van misdrijf, voor zover het betreft een economisch delict, bedoeld in artikel 1, onder 1°, of in artikel 1a, onder 1°, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, taakstraf of geldboete van de vijfde categorie;

2° in geval van een ander misdrijf met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, taakstraf of geldboete van de vierde categorie;

3° indien hij van het plegen van het misdrijf als bedoeld onder 2° een gewoonte heeft gemaakt, met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren, taakstraf of geldboete van de vijfde categorie; […].”

35. Artikel 1:1 Wft is ingevoerd bij de Wet van 28 september 2006, houdende regels met betrekking tot de financiële markten en het toezicht daarop (Stb. 2006, 475). De vierde nota van wijziging bij het wetsvoorstel dat tot deze wet heeft geleid, houdt onder meer het volgende in:

“Het element «in de uitoefening van een beroep of bedrijf» maakt duidelijk dat de betreffende activiteit alleen onder het bereik van dit voorstel valt voorzover het plaatsvindt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. In het merendeel van de gevallen zal eenvoudig vast te stellen zijn dat sprake is van de uitoefening van een beroep of bedrijf, bijvoorbeeld bij een onderneming die de financiële dienstverlening tot doel heeft. In andere gevallen zullen de specifieke omstandigheden van belang zijn bij de vaststelling of sprake is van professionele dienstverlening. Aanknopingspunten kunnen onder andere zijn de wijze waarop degene die een financiële dienst verleent zich aan de buitenwereld presenteert, de omstandigheid dat verlening van financiële diensten niet slechts incidenteel plaatsvindt of het feit dat degene die de financiële dienst verleent een beloning ontvangt voor zijn diensten, van de cliënt zelf of van een derde (bijvoorbeeld in de vorm van provisie). Een financiële dienst die op incidentele basis wordt verleend in het kader van een andere beroepswerkzaamheid van de dienstverlener, valt niet onder het bereik van dit voorstel.”

(Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 19, p. 356-357)

36. Art. 2:3a, eerste lid, Wft richt het verbod tot een ieder met een ‘zetel’ in Nederland. Art. 1:1

Wft verstaat, voor zover niet anders is bepaald, onder ‘zetel’ de plaats waar een

onderneming volgens haar statuten of reglementen is gevestigd of, indien zij geen rechtspersoon is, de plaats waar die onderneming haar hoofdvestiging heeft.

37. In de memorie van toelichting bij de Wft is het begrip ‘zetel’ in deze bepaling als volgt toegelicht:

“De financiële toezichtrichtlijnen verschillen als het gaat om de rechtsvorm die kan worden voorgeschreven om gereguleerde activiteiten te mogen uitoefenen. Zo dient op grond van de verzekeringsrichtlijnen een verzekeraar met zetel in Nederland de rechtsvorm N.V. of onderlinge waarborgmaatschappij te hebben. Andere financiële toezichtrichtlijnen staan toe dat ook niet- rechtspersonen (dus: natuurlijke personen en personenvennootschappen) gereguleerde activiteiten mogen uitoefenen. Daarom worden in de diverse richtlijnen en sectorale wetten de termen «vestiging», «gevestigd» en «zetel» verschillend gebruikt. Dit onderdeel beoogt te bewerkstelligen dat in het wetsvoorstel voor alle gevallen met de term zetel kan worden volstaan. Het onderdeel geeft aan dat een rechtspersoon zijn zetel daar heeft waar deze volgens zijn statuten of reglementen is gevestigd. Het is – voor zover het om EU-ondernemingen gaat – van belang in welke lidstaat de zetel zich bevindt, omdat de lidstaat van de zetel toezicht moet houden op bepaalde activiteiten die de rechtspersoon binnen de Unie verricht. Een rechtspersoon kan immers slechts één zetel hebben, maar wel meer vestigingen.

Eenzelfde duidelijkheid moet bestaan ten aanzien van de activiteiten verricht door niet- rechtspersonen. Zij zullen veelal geen zetel hebben.

Toch moet ook in zo’n geval eenduidig worden vastgesteld welke lidstaat toezicht moet houden op de activiteiten. Daarom is bij niet-rechtspersonen bepalend de plaats waar de financiële onderneming haar hoofdvestiging heeft. Dit zal kunnen blijken uit het handelsregister. Dit sluit aan bij artikel 3, tweede lid, van de zgn. BCCI-richtlijn waar is bepaald dat het hoofdbestuur van andere kredietinstellingen zich bevindt in de lidstaat waar de vergunning is afgegeven en waar zij feitelijk werkzaam zijn». Een financiële onderneming zal immers in één lidstaat vergunning aanvragen en bij latere uitbereiding van de werkzaamheden door middel van een bijkantoor in een andere lidstaat zal de eerstbedoelde lidstaat toezicht houden. Omdat een natuurlijke persoon meer woonplaatsen kan hebben, zou het gebruik van woonplaats als criterium tot onduidelijkheid leiden. Door aan te sluiten bij de plaats waar de onderneming haar hoofdvestiging heeft, wordt dit voorkomen. Onder hoofdvestiging valt in voorkomende gevallen: hoofdkantoor.”14

38. Het ‘gewoonte maken’ als bedoeld in art. 6, eerste lid aanhef en onder 3°, WED – in de memorie van toelichting (bij de ‘Wet verruiming mogelijkheden bestrijding financieel- economische criminaliteit’) ook wel aangeduid als het “stelselmatig plegen van economische delicten” – is aangemerkt als een strafverzwarende omstandigheid, omdat daardoor “de strafwaardigheid van dergelijk handelen, de omvang van de wetsovertreding en de kwalijke gevolgen daarvan, beter tot uitdrukking [worden] gebracht.”15

Bespreking van het derde middel: de eerste deelklacht

39. De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend, van welk misdrijf de verdachte een gewoonte heeft gemaakt, onvoldoende met redenen is omkleed, nu uit de bewijsmiddelen niet (zonder meer) kan volgen dat van het bedrijf van betaaldienstverlener een gewoonte is gemaakt aangezien uit het uitoefenen van een bedrijf reeds volgt dat de verdachte meermalen de bewezenverklaarde handelingen heeft verricht.

40. De stellers van het middel richten deze deelklacht tegen respectievelijk het onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde. Voor die laatste twee feiten geldt dat krachtens art. 1, eerste lid onder a sub 20°, (oud) Wft onder instelling ook de betaaldienstverlener (degene die zijn bedrijf maakt van het verlenen van betaaldiensten) valt als bedoeld in art. 1:1 Wft. Het is daarom niet nodig om hier op elk van deze feiten afzonderlijk in te gaan.

41. In het arrest van HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1906, NJ 2021/48 (Hawalabankieren), m.nt. Vellinga kwam het cassatiemiddel in de eerste plaats op tegen de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde voor zover inhoudend dat van het plegen van (hawala)bankieren zonder vergunning “een gewoonte” was gemaakt doordat “meermalen” het bedrijf van betaaldienstverlener was uitgeoefend. Aan deze bewezenverklaring had het hof blijkens zijn bewijsoverwegingen kennelijk ten grondslag gelegd dat de verdachte in de tenlastegelegde periode van drie maanden “om de twee à drie dagen” contante geldbedragen betaalbaar had gesteld. Het hof had het bewezenverklaarde vervolgens gekwalificeerd als “medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2:3a, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan terwijl hiervan een gewoonte is gemaakt”. Dit leverde (en levert) een economisch delict op (art. 1, aanhef en onder 2°, WED). Het middel was gegrond. De Hoge Raad overwoog dat uit de betreffende wetsgeschiedenis naar voren komt dat voor het bewijs van het “uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener” in ieder geval is vereist dat de desbetreffende betaaldiensten “niet slechts incidenteel” zijn verleend en dat het verlenen van betaaldiensten dus meermalen heeft plaatsgevonden. De enkele omstandigheid dat de verdachte in deze periode meermalen betaaldiensten had verleend en zich aldus schuldig had gemaakt aan het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener, volstaat niet voor het oordeel dat de verdachte van de uitoefening van dat bedrijf ook een gewoonte had gemaakt, aldus de Hoge Raad. De bewezenverklaring was daarom ontoereikend gemotiveerd.16

42. Met de in die zaak geformuleerde vooropstelling van de Hoge Raad blijft de zelfstandige betekenis van de strafverzwaringsgrond in art. 6, eerste lid aanhef en onder 3°, WED (‘een gewoonte hebben gemaakt’) in tact, met behoud van het onderscheid tussen bedrijfsuitoefening en het daarvan een gewoonte maken. Richtsnoeren voor toepassing van de strafverzwaringsgrond in verband met het bedrijfsmatig uitoefenen van betaaldiensten worden in het arrest van 1 december 2020 evenwel niet gegeven. Het zal dan ook van de omstandigheden van het concrete geval afhangen of van die combinatie sprake is, zoals uit het hiernavolgende zal blijken.

43. Eerst kort iets over de gewoonte. In Noyon/Langemeijer/Remmelink valt in aantekening 7 op art. 250 Sr, met aanhaling van Hazewinkel-Suringa/Remmelink,17 te lezen: “Onder gewoonte pleegt men te verstaan een pluraliteit van feiten die niet slechts toevallig op elkaar volgen, maar onderling in zeker verband staan en wel (objectief) wat de aard van de feiten betreft, en (subjectief) wat de psychische gerichtheid van de dader aangaat: de neiging om telkens weer zo'n feit te begaan”. Daarmee overeen komt de omschrijving van gewoonte in Handelingen II 2000/01, 27 159, p. 59-4236: “Een herhaling van feiten waaruit de subjectieve neiging van de dader blijkt het feit steeds te begaan”. Toenmalig A-G Bleichrodt meent in zijn conclusie van 28 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1469 dat aan het bewijs van ‘gewoonte’ geen zware eisen lijken te worden gesteld. Tot adstructie haalt hij Handelingen II 1927/28, 60, nr. 1, p. 4 aan, waarin minister van Justitie Donner bij de introductie van de

strafbaarstelling van flessentrekkerij benadrukt dat "gewoonlijk de gelijksoortigheid van meerdere handelingen, gedurende een betrekkelijk kort tijdsverloop verricht, het bestaan van een gewoonte voldoende aanwijst”.18 Bleichrodt vervolgt, ik citeer: “De omstandigheid dat binnen een bepaald tijdsbestek meermalen hetzelfde strafbare feit is begaan, kan voldoende zijn voor het bewijs van de gewoonte. Er is geen minimumduur waarbinnen het desbetreffende strafbare feit moet zijn begaan. Evenmin lijkt er een groot aantal ten laste gelegde handelingen te zijn vereist om van een gewoonte te kunnen spreken, al zal het om minimaal twee handelingen moeten gaan.” Eerder was advocaat-generaal Aben al begripsmatig op het delictsbestanddeel ‘gewoonte’ ingegaan. Mijn voormalige ambtgenoot Vellinga haalt in zijn conclusie van 1 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1244 met instemming het volgende uit de conclusie van Aben d.d. 11 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:793 aan: “Bij een herhaling van delicten die door een herhaling van feitelijke handelingen tot stand komt, en waarbij telkens de intentie of de neiging het desbetreffende delict te plegen tot uitdrukking wordt gebracht, kan die herhaling onder omstandigheden worden aangemerkt als ‘het maken van een gewoonte’ van het plegen van de bedoelde delicten. Wat betreft de vereiste duur van de periode waarin deze herhalingen optreden is niet zonder meer een ondergrens gegeven. Een gewoonte kan zich zelfs hebben gemanifesteerd indien de betreffende handelingen hebben plaatsgehad binnen een tijdsbestek van twee weken. Een hoge frequentie in een korte periode kan eventueel een gewoonte opleveren, terwijl een lage frequentie in een lange periode wellicht nog niet kan worden geduid als een gewoonte. De vastgestelde omstandigheden zijn telkens doorslaggevend.”19

44. De vraag wanneer (bewijsrechtelijk) wel en wanneer niet van ‘gewoonte’ sprake is, laat zich niet met voldoende nauwkeurigheid in zijn algemeenheid beantwoorden, maar is afhankelijk van de concrete feiten en omstandigheden van het voorliggende geval. In dat verband is de aard van het delict een relevante factor. Zo kan van belang zijn of (in de economische sfeer) bedrijfsmatig is gehandeld. In het economisch strafrecht levert het strafbaar ‘uitoefenen van een bedrijf’ op zich geen strafverzwarende omstandigheid op, maar als gezegd wel het daarvan ‘een gewoonte hebben gemaakt’ (art. 6, eerste lid aanhef en onder 3°, WED). Voor de beoordeling of al dan niet sprake is van een ‘gewoonte’ zijn naar mijn inzicht naast de aard van het delict de volgende factoren relevant: de frequentie van de handelingen, de intentie van de verdachte en de duur van de periode waarin de handelingen zijn te situeren. Als de rechter aan de hand van deze beoordelingsfactoren gemotiveerd heeft vastgesteld dat binnen een bepaald tijdsbestek meermalen, bij herhaling dus, (naar hun aard) gelijksoortige handelingen zijn begaan, is dat mijns inziens in de regel voldoende om het oordeel te kunnen dragen dat sprake is van een gewoonte.20

45. Daarmee zijn we er echter nog niet. Het gaat ook nog om de bedrijfsmatige uitoefening. Daarop toegespitst is de meer specifieke vraag wanneer wel en wanneer niet van een ‘gewoonte hebben gemaakt’ van het uitoefenen van een bedrijf als hier bedoeld kan worden gesproken. Kernachtig schrijft Vellinga in zijn noot onder het hierboven aangehaalde arrest van HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1906, NJ 2021/48 (Hawalabankieren):

“15. […]. Het gewoonte maken van een economisch delict is een strafverzwarende omstandigheid (art. 6 lid 1 onder 3° WED). Bedrijfsmatig uitoefenen is daarvoor niet voldoende. Zou het meermalen verlenen van betaaldiensten voor het bewijs van het gewoonte maken van het bedrijfsmatig uitoefenen van betaaldiensten voldoende zijn, dan zou het bedrijfsmatig uitoefenen van betaaldiensten betekenen dat daarvan ook in de zin van de strafverzwarende omstandigheid een gewoonte wordt gemaakt. Dan zou de aanwezigheid van die strafverzwarende omstandigheid samenvallen met het bedrijfsmatig uitoefenen van betaaldiensten. De strafverzwaringsgrond zou dan zelfstandige betekenis missen.”

46. In het ‘Hawalabankieren-arrest’ van 1 december 2020 leverde het gedurende een periode van drie maanden om de twee of drie dagen geldbedragen betaalbaar stellen nog niet een gewoonte op van het bedrijfsmatig uitoefenen van een betaaldienst. De memorie van toelichting bij de ‘Wet verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit’ over de strafverzwarende omstandigheid ‘een gewoonte hebben gemaakt’ in de zin van art. 6, eerste lid aanhef en onder 3°, WED verschaft geen helderheid, of het zou moeten zijn dat daarin als synoniem voor ‘gewoonte maken’ het “stelselmatig plegen” van economische delicten wordt gebruikt. Voor het maken van een beroep is volgens De Graaf, in navolging van Machielse,21 bepalend vooral het oogmerk van de verdachte om het strafbare feit te herhalen om zich op die manier een bron van inkomsten te verschaffen.22 Dat laat ruimte voor zowel incidenteel als niet-incidenteel handelen. De intentie van de verdachte wordt in de overwegingen van het meergenoemde arrest van 1 december 2020 niet genoemd. De Hoge Raad refereert overwegend aan de betreffende wetsgeschiedenis. Vellinga lijkt in zijn noot onder dit arrest ook in een geval als het onderhavige evenwel enig oog te hebben voor de intentie van de verdachte:

“20. Zoals De Graaf schrijft (Meervoudige aansprakelijkstelling, diss. VU 2018, p. 122) moet voor het bewijs van het begaan van een strafbaar feit als gewoonte vaststaan dat het betreffende feit meermalen is begaan. De onderhavige zaak laat zien dat voor gewoonte maken van uitoefenen van een bedrijf in de regel meer nodig zal zijn. Zo zou daarvoor aan verdachtes intentie een aanwijzing kunnen worden ontleend als ook aan zijn gedrag in het economisch verkeer. Heeft hij gedurende een aantal jaren meermalen in bepaalde perioden een hawala-bank gedreven dan ligt daarin een sterke aanwijzing besloten voor het gewoonte maken van het bedrijfsmatig uitoefenen van betaaldienstverlening.”

47. Op het voorgaande voortbouwend stel ik mij voor dat van die ‘intentie’ van de verdachte om een gewoonte te maken van het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener zonder meer sprake is als hij over een bepaalde periode meermalen (aaneengesloten of op verschillende momenten) het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgevoerd. Daarvan zal in de regel sprake zijn, lijkt mij, als daarvoor meerdere bedrijven zijn ingezet die elk meermalen betaaldiensten hebben verleend. Maar ik acht dus geenszins uitgesloten, dat ook het met tussenpozen (herhaaldelijk) meermalen verlenen van betaaldiensten door één bedrijf kan leiden tot een bewezenverklaring van het gewoonte maken van de uitoefening van het bedrijf van betaaldienstverlener. Het hangt af van de omstandigheden van het geval, met dien verstande dat wel telkens de ‘meervoudigheid’ van zowel het ‘gewoonte maken van iets’ als van het handelen ‘in de uitoefening van een bedrijf’ moet kunnen worden vastgesteld.

48. Tot slot wijs ik in deze aanloop op HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1398. Voor zover ik dit kan beoordelen, lijkt in de overwegingen van de Hoge Raad in dat arrest (rov. 3.4) toch ook iets aangaande de intentie van de verdachte door te klinken. De Hoge Raad overweegt namelijk:

“3.1 Het cassatiemiddel klaagt in de eerste plaats dat het hof het bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als meermalen te zijn gepleegd.

Artikel 343, aanhef en onder 4°, (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit:

“[…]

Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte (kort gezegd) in de periode van 28 juli 2014 tot en met 1 juni 2016 geen deugdelijke administratie heeft gevoerd of doen voeren en niet alle administratie, in elk geval niet de voorraadadministratie en/of de crediteurenadministratie, aan de curatoren heeft afgegeven. Uit de bewijsvoering blijkt dat in die periode van bijna twee jaar, meerdere voor de bewezenverklaring relevante strafbare gedragingen van de verdachte op uiteenliggende tijdstippen kunnen worden onderscheiden die de delictsomschrijving zelfstandig vervullen. Zo blijkt uit de bewijsmiddelen onder meer dat voorafgaand aan het faillissement van [A] BV geen crediteuren- en geen voorraadadministratie is bijgehouden en dat de administratie in 2014 ondoorzichtig is gemaakt door een stelselwijziging ten opzichte van 2013 waarbij per 2014 geen omzet per vestiging meer werd verantwoord, en dat na het faillissement van die BV de verdachte bij de curator als de administratie van de BV een grote hoeveelheid dozen met los gestorte ordners en papieren heeft ingeleverd, terwijl dit niet de gehele administratie van [A] BV betrof en dat de verdachte – nadat hij de vragen van de curatoren over de ontbrekende administratie niet afdoende had beantwoord – geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden gelegenheid om zijn administratie op orde te brengen. Gelet op een en ander getuigt het oordeel van het hof dat het bewezenverklaarde meermalen is gepleegd niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

3.5

Het cassatiemiddel faalt in zoverre.”

49. Ik keer terug naar de eerste deelklacht. De rechtbank heeft bij het oordeel dat de verdachte van het in de uitoefening van een bedrijf verlenen van betaaldiensten zonder vergunning van de Nederlandse Bank ‘een gewoonte’ heeft gemaakt, de omvang, de duur en de frequentie als factoren betrokken. Wat deze omvang, duur en frequentie concreet inhouden, blijkt uit haar vonnis onder 3.2.2. Ik herhaal voor de leesbaarheid:

“3.2.2. Uit het dossier blijkt dat in de periode van 28 april 2015 tot en met 22 april 2016 door middel van 162 stortingen in totaal € 895.000,- op de bankrekening van [betrokkene 3] h/o [G] is bijgeschreven en dat vervolgens kort na elke storting geld werd overgemaakt naar Hi Tech Seeds, Bayer Crop Science of Detia Degesch. In de periode van 21 tot en met 23 september 2015 werd in totaal € 39.500,- aan contante bedragen gestort op de rekening die op naam van [verdachte] en/of [G] stond. Op de dag dat er geldbedragen werden gestort, werd door middel van verschillende overboekingen in totaal een soortgelijk bedrag (€ 39.550,-) overgemaakt naar Hi Tech Seeds telkens met omschrijving: Alnhua Agricultural Company.”

50. Dit door het hof bevestigde oordeel is voldoende gemotiveerd. De verdachte heeft gedurende een relatief lange periode meermalen betaaldiensten verricht en daarbij gebruik gemaakt van de bankrekeningen van zowel de eenmanszaak als van de B.V. op de wijze als onder 2, 3 en 4 is bewezenverklaard. Hij heeft aldus de betaaldiensten verricht in de uitoefening van een bedrijf, dan wel als instelling/betaaldienstverlener. Met name de frequentie en de omstandigheid dat de transacties verspreid over twee bedrijven plaatsvonden, leiden tot de slotsom dat de verdachte daarvan telkens een gewoonte heeft gemaakt.

51. De eerste deelklacht mist dan ook doel. De bewezenverklaringen en kwalificatiebeslissingen zijn met betrekking tot de feiten 2, 3 en 4 naar de eisen van de wet voldoende met redenen omkleed.

Bespreking van het derde middel: de tweede deelklacht

52. Volgens de tweede deelklacht ontbreekt in de bewezenverklaring van feit 2 het bestanddeel ‘zetel in Nederland’, terwijl dit bestanddeel ook niet kan worden ingelezen in de tenlastelegging en bewezenverklaring, en heeft het hof de verdachte te dier zake ten onrechte niet van alle rechtsvervolging ontslagen en/of de kwalificatiebeslissing onvoldoende met redenen omkleed.

53. In de voorliggende zaak is het bestanddeel ‘met een zetel in Nederland’ inderdaad niet in de tenlastelegging en de bewezenverklaring opgenomen. Ook heeft het hof in zijn arrest daaraan niet afzonderlijk aandacht besteed. Kennelijk heeft het hof de tenlastelegging aldus begrepen dat daarin het in art. 2:3a. eerste lid, Wft genoemde bestanddeel ‘met zetel in Nederland’ voldoende duidelijk tot uitdrukking is gebracht doordat in de tenlastelegging is vermeld dat de verdachte “te Amsterdam en/of (elders) in Nederland” het feit heeft gepleegd. In dit verband verdient opmerking dat de uitleg van de tenlastelegging is voorbehouden aan de feitenrechter en in cassatie moet worden geëerbiedigd zolang die uitleg niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.23

54. De betaaldiensten werden door de verdachte verleend via zowel zijn B.V. – zijnde een rechtspersoon – als via de eenmanszaak. Voor zover het middel beoogt te klagen over de zetel van de B.V, heeft de klacht al direct geen kans van slagen. De rechtspersoon heeft immers zijn zetel daar waar deze volgens zijn statuten of reglementen is gevestigd. Uit het (weliswaar voor het bewijs van feit 1 gebruikte) uittreksel van de Kamer van Koophandel van 10 februari 2017 (bewijsmiddel 9) volgt dat de B.V. toentertijd was gevestigd in Amsterdam.

55. Wat betreft de eenmanszaak geldt dat blijkens het (eveneens voor het bewijs van feit 1 gebruikte ) uittreksel van de Kamer van Koophandel van 10 februari 2017 (bewijsmiddel 11) voldoende duidelijk is dat Nederland de plaats was waar de onderneming haar hoofdvestiging, en daarmee haar zetel, had. Daaruit volgt dat de vestigingsplaats van deze eenmanszaak Amsterdam was. Omdat een eenmanszaak geen rechtspersoon is, zal wel ook moeten vaststaan dat de plaats van hoofdvestiging samenvalt met de plaats waar de feitelijke werkzaamheden die als bedrijfsmatige betaaldienstverlening worden aangemerkt, in overwegende mate worden uitgeoefend en aangestuurd.24 Welnu, uit de bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 (zie randnummer 31) kan worden afgeleid dat de feitelijke werkzaamheden overwegend werden verricht in Amsterdam. Dat het geld contant zou zijn aangeleverd door [...] boeren met het verzoek dit per bank over te boeken, doet daaraan niet af. Dat zijn immers geen opdrachten die betrekking hebben op de uitoefening of aansturing van de betaaldienstverlening.25

56. De tweede deelklacht treft evenmin doel.

57. Het derde middel faalt in beide onderdelen.

Slotsom

58. Het eerste, het tweede en het derde middel falen. Het eerste en het tweede middel kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.

59. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

60. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden AG

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1 De advocaat heeft enkele citaten van de verdachte opgenomen die klaarblijkelijk zijn afgelegd bij eerdere verhoren. Kennelijk zijn citaten geknipt en in de pleitnota geplakt, als gevolg waarvan enkele zinnen zijn afgebroken. Die heb ik zo laten staan.

2 De Hoge Raad refereert ook wel aan de ‘uiterlijke verschijningsvorm’ waaruit het opzet kan worden afgeleid. Zie Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, Inleiding, aant. 5.4. bij Opzet (bewerkt door prof. mr. A.J. Machielse; bijgewerkt t/m 15 augustus 2018). Zie ook J. de Hullu, Materieel strafrecht, Kluwer: Deventer 2021, p. 222. De Hullu merkt in zijn voetnoot 130, waarin naar relevante rechtspraak van de Hoge Raad wordt verwezen, op: “Het spreekt ook uit de rechtspraak over de aanmerkelijke kans uit de voorwaardelijk opzetformule […] waarin werd overwogen: ‘bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard’.”

3 Zie o.a. HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BI4691, NJ 2010/104; HR 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4797, NJ 2010/119; HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5446; HR 14 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:54, NJ 2014/80; HR 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:166, NJ 2017/376, m.nt. Keulen; HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:430, NJ 2017/150; HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2019; HR 21september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1261.

4 HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BI4691, NJ 2010/104.

5 HR 14 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:54, NJ 2014/80; HR 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:166, NJ 2017/376, m.nt. Keulen; HR 21 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1261.

6 Vgl. ook HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:430, NJ 2017/150 en (de conclusie van de voormalige A-G Knigge voorafgaand aan) HR 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4797, NJ 2010/119.

7 Voluit: Wet van 8 april 2016 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten met het oog op het verbeteren van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging, alsmede het voorkomen van faillissementsfraude (herziening strafbaarstelling faillissementsfraude), Stb. 2016/154.

8 Kamerstukken II 2013/14, 33 994, nr. 3, p. 4-11 en 17.

9 Zie ook HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1398: “3.7 Nu uit het in de conclusie van de advocaat-generaal onder 20 tot en met 23 genoemde wettelijk kader blijkt dat de regels van het sanctierecht ten gunste van de verdachte zijn veranderd ten aanzien van de ten laste van hem bewezenverklaarde gedragingen, die tot 1 juli 2016 strafbaar waren op grond van artikel 343 (oud) Sr en sindsdien op grond van artikel 344a Sr, had het hof het uit artikel 344a Sr voortvloeiende mildere sanctieregime met een strafmaximum van vier jaren gevangenisstraf behoren toe te passen in plaats van dat uit artikel 343 (oud) Sr met een strafmaximum van zes jaren gevangenisstraf (vgl. HR 11 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8193, rechtsoverweging 2.8). Gelet hierop is het cassatiemiddel in zoverre terecht voorgesteld.”

10 Vgl.: HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878, NJ 2012/78, m.nt. Keijzer; HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, NJ 2020/409, m.nt. Ten Voorde; en HR 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:845.

11 Er zijn geen aanknopingspunten die doen veronderstellen dat het hof aanhaling van art. 343 (oud) Sr én art. 344a Sr per abuis achterwege heeft gelaten.

12 Vgl. HR 18 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1683. Zie ook HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878, NJ 2012/78, m.nt. Keijzer, rov. 3.6.1; HR 29 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2716, NJ 2017/104, m.nt. Wolswijk (onder NJ 2017/105), rov. 2.4.1; en HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, NJ 2020/409, m.nt. Ten Voorde, rov. 4.3.

13 Daarom hoeft aan de verwerping van het middel niet de overweging ten grondslag te worden gelegd dat de door het hof opgelegde gevangenisstraf van tien maanden nog ver ligt onder het sinds 1 juli 2016 bestaande strafmaximum van vier jaren gevangenisstraf in art. 344a Sr en de verdachte in zoverre onvoldoende belang zou hebben bij vernietiging van de bestreden uitspraak op dit punt (vgl. HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1398). Terzijde zij erop gewezen dat blijkens ‘s hofs strafmotivering vooral de hoogte van het benadelingsbedrag, naast de zucht naar zelfverrijking en het gebrek aan berouw en verantwoordelijkheid, maatgevend is geweest voor de in deze zaak opgelegde straf. Vgl. HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen, rov. 2.5.1 en 2.5.2, en HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:133.

14 Kamerstukken II 2004/05, 29 708, nr. 3, p. 27-28.

15 Kamerstukken II 2012/13, 33 685, nr. 3, p. 8.

16 Zie voor ‘het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener’ als bedoeld in art. 2:3a, eerste lid, Wft ook: HR 10 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1753, NJ 2021/47, m.nt. Vellinga. Zie voorts het proefschrift van F.C.W. de Graaf, Meervoudige aansprakelijkstelling, Den Haag: Boom Juridisch 2018, p. 122.

17 D. Hazewinkel-Suringa, Inleiding tot de studie van het Nederlandse strafrecht, 15e druk, bewerkt door J. Remmelink, Deventer: Gouda Quint 1996, p. 122-123.

18 Zie ook De Graaf, a.w., p. 127.

19 Vgl. ook De Graaf, a.w., p. 126: “Er is niet een bepaalde minimumduur waarbinnen of frequentie waarmee de strafbare feiten moeten zijn begaan. Een terugkerend actief handelen van de verdachte is niet vereist. Gewoontewitwassen kan aldus plaatsvinden door gedurende een bepaalde periode herhaaldelijk uit misdrijf afkomstige gelden voorhanden te hebben. Het is ook mogelijk dat verschillende soorten handelingen, die elk een geval van witwassen opleveren, gezamenlijk een gewoonte vormen.”

20 Ik wijs daarvoor ook op HR 5 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8351, NJ 1990/316 (gewoonteheling; art. 417 Sr): “Immers, van een 'gewoonte' in voormelde zin kan ook sprake zijn indien het in evenvermeld artikel bedoelde 'kopen' herhaaldelijk geschiedt binnen een tijdsbestek van niet meer dan twee weken (zoals te dezen is bewezen verklaard) en van een persoon als verkoper (zoals uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt)”. En op HR 6 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0898, NJ 1998/423 (flessentrekkerij; art. 326a Sr): “Door aldus te oordelen heeft het Hof geen blijk gegeven van miskenning van het woord 'gewoonte', dat in de telastelegging kennelijk is gebezigd in de zin, die daaraan toekomt in art. 326a Sr. Het Hof heeft hetgeen is telastegelegd en bewezenverklaard klaarblijkelijk aldus verstaan en ook kunnen verstaan dat dit een pluraliteit van handelingen inhoudt die als een gewoonte in de zin van art. 326a Sr is te kwalificeren”.

21 Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 7 bij art. 250 (bewerkt door prof. mr. A.J. Machielse; bijgewerkt t/m 1 februari 2005).

22 Er bestaat volgens De Graaf in haar proefschrift (p. 122) een verschil tussen het maken van een beroep en het maken van een gewoonte van het begaan van strafbare feiten. Zij wijst erop dat om van het begaan van een strafbaar feit een beroep te maken, de verdachte het oogmerk dient te hebben om het strafbare feit te herhalen, om zich op die manier een bron van inkomsten te verschaffen. Voor het bewijs van dat oogmerk kan één daad voldoende zijn, zolang deze daad wijst op het voornemen hetzelfde feit uit winstbejag nogmaals te begaan. Voor het bewijs van het begaan van een strafbaar feit als gewoonte moet vaststaan dat het desbetreffende feit meermalen is begaan, aldus De Graaf in haar analyse.

23 HR 27 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0095, NJ 1996/126 (rov. 6.2.2); HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2526; HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2187, NJ 2016/436; en HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1015. Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 206.

24 Zie HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1906, NJ 2021/48, m.nt. Vellinga:

“2.8.1 Ingevolge artikel 2:3a lid 1 Wft is bestanddeel van het desbetreffende delict dat “met zetel in Nederland” het bedrijf van betaaldienstverlener is uitgeoefend. In aanmerking genomen dat de tenlastelegging en de bewezenverklaring niet het bestanddeel “met zetel in Nederland” bevatten, heeft het hof het bewezenverklaarde ten onrechte gekwalificeerd als “medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2:3a lid 1 Wft, opzettelijk begaan terwijl hiervan een gewoonte is gemaakt.

2.8.2 De Hoge Raad neemt daarbij het volgende in aanmerking. Ingevolge artikel 1:1 Wft kan onder de “zetel” mede worden verstaan “de plaats waar die onderneming haar hoofdvestiging heeft”. In gevallen zoals het onderhavige, waarin geen sprake is van een rechtspersoon, dient deze bepaling aldus te worden uitgelegd dat die hoofdvestiging doorgaans samenvalt met de plaats waar de feitelijke werkzaamheden die als bedrijfsmatige betaaldienstverlening worden aangemerkt, in overwegende mate worden uitgeoefend en aangestuurd. Zonder nadere vaststellingen hieromtrent volstaat echter de enkele omstandigheid dat de bewezenverklaring inhoudt dat daarin genoemde gedragingen van de verdachte en zijn mededaders op verschillende plaatsen in Nederland hebben plaatsgevonden, niet om een zetel in Nederland te kunnen aannemen, in aanmerking genomen dat uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte opdrachten ontving van verschillende “bankiers in het buitenland” en sprake is van een “grote baas in Marokko”.

25 Vgl. HR 10 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1753, NJ 2021/47, m.nt. Vellinga.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?