ECLI:NL:PHR:2022:1067

ECLI:NL:PHR:2022:1067, Parket bij de Hoge Raad, 15-11-2022, 22/03759

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 15-11-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/03759
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2023:67
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001860

Samenvatting

WSNP. Verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling. Ontbreken van gegevens als bedoeld in art. 285 lid 1 Fw. Verlenging termijn en niet-ontvankelijkheid appel; art. 287 lid 2 Fw.

Uitspraak

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden,

van 10 augustus 2022 en

opnieuw rechtdoende

verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toepassing van de

schuldsaneringsregeling.”

[verzoeker] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld.

2. Juridisch kader

Met de inwerkingtreding van de WSNP in titel III van de Faillissementswet op 1 december 1998 kunnen natuurlijke personen de rechtbank verzoeken de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken (het WSNP-verzoek). Dit kan als de schuldenaar verkeert in een toestand dat hij heeft opgehouden te betalen of indien redelijkerwijs te voorzien is dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden (art. 284 lid 1 Fw).

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de WSNP in het leven is geroepen ter realisering van drie verschillende doeleinden. De voornaamste is dat wordt tegengegaan dat een natuurlijk persoon die in een problematische financiële positie verkeert, tot in lengte van dagen met zijn schulden achtervolgd kan worden. Daarnaast dient de wet om faillissementen van natuurlijke personen zoveel mogelijk terug te dringen. Ook is het doel om de totstandkoming van minnelijke regelingen te bevorderen.

Bij de inwerkingtreding van de WSNP zijn onder meer art. 3, 3a en 3b Fw ingevoerd, die zijn ingegeven door die gedachte dat zoveel mogelijk moet worden tegengegaan dat een natuurlijk persoon failleert. Art. 3 lid 1 Fw bepaalt dat indien een verzoek of een vordering tot faillietverklaring een natuurlijke persoon betreft en deze geen WSNP-verzoek heeft gedaan, de griffier betrokkene terstond schriftelijk in kennis stelt dat binnen 14 dagen alsnog een WSNP-verzoek kan worden gedaan. Art. 3 lid 2 Fw regelt dat tijdens die 14 dagen termijn de behandeling van het faillissementsverzoek is geschorst.

Deze termijn uit art. 3 lid 1 Fw is bovendien niet fataal: een WSNP-verzoek kan worden gedaan zolang de behandeling van het faillissementsverzoek nog niet is gesloten en het is zelfs nog mogelijk om dat te doen wanneer het faillissementsverzoek, nadat het door de rechtbank is afgewezen, in hoger beroep wordt behandeld.

Art. 3a lid 1 Fw schrijft vervolgens voor dat bij het gelijktijdig aanhangig zijn van een WSNP-verzoek en een faillissementsverzoek het WSNP-verzoek het eerst aan bod komt. Lid 2 voegt daar aan toe dat de behandeling van het faillissementsverzoek wordt geschorst totdat bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak is beslist op het WSNP-verzoek. Op de voet van art. 3b Fw ten slotte blijven de art. 3 en 3a buiten toepassing wanneer faillietsverklaringszaak op een schuldenaar ziet ten aanzien van wie de WSNP van toepassing is.

Zolang de behandeling van het faillietverklaringsverzoek niet is gesloten, leidt een WSNP-verzoek dus tot schorsing van de behandeling van het faillissementsverzoek, totdat bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak op het WSNP-verzoek is beslist. Dat geldt alleen bij gelijktijdige aanhangigheid in eerste aanleg. Geen schorsing vindt plaats als de schuldenaar in eerste aanleg failliet is verklaard en deze appel heeft ingesteld en pas in hoger beroep met een WSNP-verzoek komt. Wel wordt daarentegen geschorst wanneer een faillissementsverzoek of -vordering in eerste aanleg is afgewezen en de schuldenaar in hoger beroep een WSNP-verzoek indient.

Ook bij een herhaald WSNP-verzoek schorst de rechtbank (of het hof als hoger beroep aanhangig is tegen de afwijzing van het faillissementsverzoek) conform art. 3a Fw in beginsel de behandeling van een faillissementsverzoek als het eerdere verzoek niet tot toewijzing heeft geleid en de (eventueel hervatte) behandeling van het faillissementsverzoek nog niet is gesloten. De rechter kan afzien van schorsing wanneer de schuldenaar misbruik maakt van zijn bevoegdheid om (nogmaals) een WSNP-verzoek in te dienen.

Zelfs als het faillissement van een natuurlijk persoon al is uitgesproken, kan aan de schuldsaneringsregeling voorrang worden verleend volgens art. 15b Fw in de vorm van opheffing ervan onder het gelijktijdig uitspreken van de schuldsaneringsregeling op de schuldenaar. Dat kan echter alleen (i) als de schuldenaar niet wegens aan hem of haar toerekenbare omstandigheden heeft nagelaten binnen de in art. 3 lid 1 Fw bedoelde termijn een WSNP-verzoek te doen en (ii) het faillissement is uitgesproken op eigen aangifte van de schuldenaar.

Een natuurlijk persoon die toepassing van de schuldsaneringsregeling wenst aan te vragen, moet dat doen bij verzoekschrift ex art. 284 Fw. Art. 285 lid 1 Fw geeft aan welke stukken en gegevens in of bij het verzoekschrift verstrekt moeten worden. In de praktijk vormen het verzoekschrift, de bijlagen en de verklaring van art. 285 lid 1 sub f Fw één geheel onder de naam ‘verklaring schuldsanering’ of ‘art. 285-verklaring’. Deze verklaring wordt in de meeste gevallen afgegeven door een (gemeentelijke) stads- of kredietbank, die daartoe door het college van burgemeester en wethouders is gemandateerd. De praktijk werkt met een modelverklaring en een invulinstructie (bijvoorbeeld te vinden in het procesreglement rechtbanken onder 3.1.2.1). De idee hierachter is dat eerst in een zogenoemd minnelijk traject buitengerechtelijke schuldsanering moet zijn beproefd en zonder succes moet zijn afgerond en pas als dat is mislukt een schuldenaar kan worden toegelaten tot de WSNP. Dit is onder meer ingegeven met het oog op ontlasting van de rechterlijke macht. De art. 285-verklaring is een belangrijke schakel tussen het minnelijk en wettelijk traject en moet een goed inzicht bieden in het mislukken van dat eerste. Het minnelijk traject houdt kort gezegd in dat onder begeleiding van de gemeente bezien wordt of tot een buitengerechtelijke regeling van de schulden is te komen, bijvoorbeeld door een minnelijk akkoord met de schuldeisers.

In het verzoek of de daarbij te voegen bijlagen dienen nogal wat gegevens te worden verschaft, die ten doel hebben inzicht te verschaffen in de inkomens- en vermogenspositie van de schuldenaar (art. 285 lid 1, onder a-e Fw). Verder dient een verklaring te worden overgelegd (i) dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldsanering te komen en (ii) welke aflossingsmogelijkheden er zijn (art. 285 lid 1, onder f Fw). Daarnaast doet de schuldenaar een opgave van (1) de aard en het bedrag van de vorderingen ter zake waarvan de schuldenaar zich als borg of anderszins als medeschuldenaar heeft verbonden (art. 285 lid 1, onder g Fw), van (2) andere gegevens die van belang zijn om een zo getrouw mogelijk beeld te krijgen van de vermogens- en inkomenspositie van de schuldenaar en van de mogelijkheden voor schuldsanering (art. 285 lid 1 onder i Fw), en – voorwaardelijk, namelijk voor het geval de schuldenaar aan zijn schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling heeft aangeboden die niet is aanvaard – van (3) de inhoud van het ontwerp van de schuldregeling, de reden waarom de schuldregeling niet is aanvaard en met welke middelen, bij aanvaarding van de schuldregeling, bevrediging van schuldeisers zou kunnen plaatsvinden (art. 285 lid 1, onder h Fw). Op basis van deze stukken beoordeelt de rechter of een schuldenaar wordt toegelaten tot de WSNP.

Vóór 1 januari 2008 bestond het verschaffen van gegevens ex art. 285 Fw uit twee fasen: de eerste behelsde de gegevens ten aanzien van het verzoekschrift en de tweede fase de gegevens ten behoeve van het vaststellen van het saneringsplan. Per 1 januari 2008 is het saneringsplan afgeschaft en is art. 285 Fw zodanig aangepast dat het voorschrijft dat alle informatie in één keer moet worden verschaft.

Het verschaffen van alle vereiste informatie in één keer heeft de eisen die aan een WSNP-verzoek worden gesteld verzwaard per 2008. Dit past in de beoogde versterking van het minnelijk traject en het strengere toelatingsbeleid. Alleen schuldenaren die klaar zijn voor de WSNP, die een minnelijke procedure doorlopen hebben en waarvan dus bekend is hoe hun financiële positie is, kunnen worden toegelaten. Een complete aanlevering vermindert de werklast van de rechterlijke macht en op die manier zal de schuldenaar kunnen aantonen dat het hem ernst is met het behoorlijk naleven van de verplichtingen die uit de schuldsaneringsregeling zullen voortvloeien, is de achterliggende gedachte. Dit zorgt er naar verwachting ook voor dat het percentage tussentijdse uitval vermindert.

Het is de verantwoordelijkheid van de verzoeker om een juist en volledig overzicht van alle in art. 285 Fw genoemde gegevens te verstrekken. Daarnaast heeft ook de gemeente(lijke kredietbank) de verantwoordelijkheid om de verklaring op te stellen en af te geven op basis van die door de schuldenaar verschafte gegevens. Dit volgt uit art. 285 lid 2 Fw. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt hierover het volgende gezegd:

"Het blijft de verantwoordelijkheid van de schuldenaar om ervoor te zorgen dat de door hem mede-ondertekende modelverklaring van artikel 285 een juiste en volledige inhoud heeft. Het is niet de gemeente of de kredietbank die een opgave doet van inkomen en vermogen en andere zaken, of die instaat voor de juistheid en compleetheid daarvan. Daar is de schuldenaar verantwoordelijk voor. Het is echter wel de gemeente of de kredietbank die de gegevens officieel moet optekenen, en daarom is het niet de bedoeling dat als de griffie constateert dat de gegevens te incompleet zijn voor een goede rechterlijke beoordeling, de schuldenaar dan zelf het ontbrekende handmatig gaat aanvullen. En het blijft de verantwoordelijkheid van de gemeente of de gemeentelijke kredietbank om de verklaring op te stellen op basis van de gegevens die de schuldenaar aanreikt en om die verklaring af te geven. Aan het bereik van beide verantwoordelijkheden verandert het voorstel van wet niets, en daarom noopte dit onderwerp ook niet tot afzonderlijk overleg met de VNG, anders dan de consultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van het concept-wetsontwerp."

Het is in dit stelsel zodoende de verantwoordelijkheid van de schuldenaar om een juist en volledig overzicht van alle art. 285 Fw gegevens te verstrekken.

Onder oud recht was in het geval er stukken ontbraken omdat de gemeente haar verplichtingen niet nakwam, in art. 287 lid 5 Fw geregeld dat de WSNP-verzoeker voorlopig kon worden toegelaten, namelijk als het ontbreken van gegevens werd veroorzaakt door “een weigering of verzuim van de gemeente, de door haar gemandateerde kredietbank of van de aangewezen natuurlijke persoon of rechtspersoon om de verklaring af te geven, en de rechtbank van oordeel is dat de afgifte van de door de schuldenaar verzochte verklaring in redelijkheid niet geweigerd had mogen worden”. Dit is per 2008 vervallen, omdat bij een onvolledige schuldsaneringsaanvraag de mogelijkheid bestaat van de verlenging van de termijn volgens art. 287 lid 2 Fw. Ook kan de schuldenaar na de niet-ontvankelijkverklaring van het WSNP-verzoek wegens het ontbreken van de verklaring alsnog een nader WSNP-verzoek doen.

Art. 287 lid 2 Fw regelt dat de rechter de schuldenaar nog een termijn van maximaal een maand kan verlenen om (ontbrekende) gegevens aan te vullen. De griffier geeft bericht van deze termijn aan de gemeentelijke instelling die de verklaring van art. 285 lid 1 onder f Fw verstrekt, met als achterliggende gedachte om die gemeentelijke instelling betrokken te houden bij de behandeling van het verzoek. Voor het geval de reden van de vertraging bij deze instelling ligt, wordt zij op deze wijze op haar plicht tot medewerking gewezen. Slaagt men er ook in die maand niet in een volledig dossier aan de rechtbank te overleggen, dan bepaalt art. 287 lid 2 Fw dat de schuldenaar niet-ontvankelijk wordt verklaard. Overigens hoeft deze niet-ontvankelijkheid als gezegd niet in de weg te staan aan een nieuw WSNP-verzoek, zodra de stukken wel compleet zijn.

Ook kan een schuldenaar in hoger beroep gaan tegen een beslissing van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring van het WSNP-verzoek. Weliswaar bepaalt art. 292 lid 3 Fw dat alleen tegen de uitspraak tot afwijzing van het verzoek in hoger beroep kan worden gekomen en wordt niets bepaald over een niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek, maar de Hoge Raad heeft geoordeeld dat een niet-ontvankelijkverklaring als een afwijzende uitspraak in de zin van die bepaling moet worden beschouwd. In hoger beroep heeft de schuldenaar nogmaals de kans om een juist en volledig overzicht van alle in art. 285 Fw vereiste gegevens te verstrekken.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

Het cassatieberoep bevat drie onderdelen met subonderdelen – althans een nadere uitwerking in de “toelichting” met concrete klachten.

In onderdeel 1 stelt [verzoeker] aan de orde of het oordeel in rov. 3.3 dat [verzoeker] heeft verzuimd een opgave van zijn bezittingen en inkomsten over te leggen en de door [verzoeker] overgelegde schuldenlijst onvoldoende is gespecificeerd, onjuist is of ontoereikend is gemotiveerd. Volgens de klacht heeft het hof bij de boordeling of [verzoeker] tijdig alle benodigde informatie heeft bijgebracht door het gebruik van de woorden ‘verzuimd’ en ‘onvoldoende gespecificeerd’ [verzoeker] een verwijt maakt van de incompleetheid van het verzoek en daarmee een te strenge toets aangelegd of onvoldoende rekening gehouden met de stelling van [verzoeker] dat hij afhankelijk is van de tijdige medewerking van de gemeente en dat de gemeente hem de benodigde informatie nog niet had verstrekt. [verzoeker] heeft zich immers ingespannen om het hof naar behoren te informeren en het hof had hem een nadere termijn moeten geven.

Daarnaast is het oordeel dat de door [verzoeker] overgelegde schuldenlijst onvoldoende gespecificeerd en in het geheel niet is onderbouwd onbegrijpelijk, omdat [verzoeker] aan de rechtbank gedocumenteerd met producties heeft uitgelegd dat de beweerde schuld aan de aanvragers van zijn faillissement is ontstaan als gevolg van een veroordeling in privé voor een zakelijke schuld.

Dit lijkt mij niet de kunnen slagen. Hiervoor is uiteengezet dat het de verantwoordelijkheid van een WSNP-verzoeker is om een juist en volledig overzicht te geven van alle in art. 285 Fw genoemde gegevens. Daarnaast heeft de gemeente de verantwoordelijkheid om na aanlevering van de benodigde informatie door de WSNP-verzoeker de art. 285-verklaring op te stellen en af te geven. Als gegevens ontbreken, ook wanneer weigering of verzuim van de gemeente of een gemeentelijke instelling de reden hiervoor is, dan kan de rechter op grond van art. 287 lid 2 Fw de termijn voor indiening van de gegevens verlengen. Van een eventuele verlenging ontvangt de gemeentelijke instelling dan bericht. Als de termijn niet wordt verlengd of als ook na afloop van de verlenging gegevens ontbreken, dan volgt niet-ontvankelijkheid. Het dossier dient compleet te zijn voordat de schuldenaar kan worden toegelaten tot de WSNP. Door het aanleveren van een compleet dossier kan de schuldenaar ook laten zien dat hij zich bewust is van de verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling. Dat past in het streven van de wetgever om alleen mensen toe te laten die ‘schuldsaneringsrijp’ zijn. Een incompleet dossier leidt dus tot niet-ontvankelijkheid. Zo’n niet-ontvankelijkheid staat er overigens niet aan in de weg om een nieuw WSNP-verzoek te doen, zodra de stukken wel compleet zijn.

Daar komt bij dat het nog maar de vraag is of de gemeente hier niet aan haar verplichtingen heeft voldaan. [verzoeker] heeft hier niets concreets over aangevoerd. Hij heeft alleen gesteld dat de verklaring niet door de gemeente is verstrekt, maar niet uitgelegd en onderbouwd dat hij zelf (tijdig) heeft gedaan wat van hem kan worden verwacht en de afgifte van de verklaring door de gemeente niet geweigerd had mogen worden. In eerste aanleg heeft [verzoeker] alleen gesteld dat hij ten aanzien van de art. 285-verklaring afhankelijk is van de beschikbaarheid en doorlooptijd bij de gemeentelijke kredietbank en dat ten behoeve van hem contact is opgenomen, maar er nog niks concreets kon worden gemeld over intake en/of oplevering van de bedoelde verklaring. In hoger beroep heeft [verzoeker] alleen gesteld dat hij in grote mate afhankelijk is van de gemeente en dat die gemeente tot op heden de verklaring nog niet heeft willen verstrekken, maar [verzoeker] ervan uitgaat dat hij de verklaring in aanloop naar de behandeling alsnog in het geding kan brengen.

[verzoeker] heeft dus niet uitgelegd wat hij zelf heeft gedaan om de verklaring tot stand te brengen – een verzoeker dient immers in ieder geval de benodigde gegevens aan te leveren – en evenmin uitgelegd waarom de gemeente de verklaring niet zou willen afgeven. Ook is hij niet verschenen op de mondelinge behandeling om hierover uitleg te geven. Het ligt op de weg van [verzoeker] om hierover inzicht te verschaffen nu hij met zijn stelling dat hij afhankelijk is van tijdige medewerking van de gemeente en dat de gemeente hem de benodigde informatie nog niet had verstrekt, suggereert dat de verklaring ontbreekt door verwijtbaar handelen zijdens de gemeente.

Bij deze stand van zaken was het hof niet gehouden nader op deze problematiek te responderen, anders dan onder 1 en 1.9-1.11 van de toelichting op onderdeel 1 wordt aangevoerd. Het ontbreken van de gemeentelijke verklaring ex art. 285 lid 1 sub f Fw was overigens niet het enige dat niet of niet volledig is overgelegd. Het hof heeft daarnaast in rov. 3.3 de volgende gebreken vastgesteld:

- een opgave van bezittingen en inkomsten (zie art. 285 lid 1 onder b en c Fw);

- een schuldenlijst (zie art. 285 lid 1 onder a Fw, de staat (van baten en schulden) bedoeld in art. 96 Fw).

Het hof heeft geoordeeld dat de opgave van bezittingen en inkomsten niet is overgelegd. In cassatie voert [verzoeker] bij de toelichting onder 1.10 en 1.11 hierover aan dat dit oordeel ontoereikend is gemotiveerd, omdat het hof onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn stelling dat hij hiervoor afhankelijk is van de gemeente. Deze klacht stuit eveneens op het voorgaande af. Ik wijs er verder op dat [verzoeker] in de procesinleiding niet verwijst naar een stuk dat een opgave van bezittingen en inkomsten vormt en ik dat zelf ook niet in het dossier heb aangetroffen, zodat er vanuit kan worden gegaan dat dit stuk ontbreekt.

Het hof heeft daarnaast overwogen dat de door [verzoeker] overgelegde schuldenlijst onvoldoende gespecificeerd is en in het geheel niet is onderbouwd. [verzoeker] voert hierover bij toelichting onder 1.12 en 1.13 aan dat ook dit oordeel ontoereikend is gemotiveerd, omdat hij aan de rechtbank gedocumenteerd met producties heeft uitgelegd dat de beweerde schuld is ontstaan als gevolg van een veroordeling in privé voor een zakelijke schuld.

De schuldenlijst van [verzoeker] is als prod. 6 bij het beroepschrift gevoegd en geeft slechts zeer summier aan welke schulden er zijn, om welke (afgeronde) bedragen het gaat, welk deel van de schuld nog moet worden betaald, met daarbij een zeer korte omschrijving van de schuld (bijv. ‘exclusief kosten – onder protest – tegenvordering’, ‘afgerond bedrag – betwist – tegenvordering’ en ‘overgenomen vordering door derden’). Het is niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat deze lijst onvoldoende gespecificeerd en niet onderbouwd is. In het model voor de schuldenlijst op de website van de Raad voor Rechtsbijstand (Bureau Wsnp) wordt onder meer gevraagd om op te geven: de aard van de schulden, het bedrag van de schulden, de datum dat de schulden zijn ontstaan, de namen en adressen van de schuldeisers, de achtergrond, een toelichting op enkele soorten vorderingen, en of de schuldeisers al dan niet hebben ingestemd met het minnelijke akkoord of dat deze nog niet hebben gereageerd. Deze informatie heeft [verzoeker] niet overgelegd. Zijn uitleg dat de beweerde schuld aan de aanvragers van zijn faillissement is ontstaan als gevolg van een veroordeling in privé voor een zakelijke schuld voldoet geenszins.

Anders dan de klacht als toegelicht onder 1.5-1.9 aankaart, is niet voldoende dat [verzoeker] zich heeft ingespannen om de rechtbank en vervolgens het hof volledig te informeren. Het is immers zijn verantwoordelijkheid om een juist en volledig overzicht van alle in art. 285 Fw genoemde gegevens te verstrekken. In tegenstelling tot hetgeen ter toelichting onder 1.10-1.13 wordt aangevoerd, is het hofoordeel dat [verzoeker] niet alle gegevens heeft verstrekt, niet onbegrijpelijk. Omdat een niet-ontvankelijkheid wegens niet tijdig overgelegde gegevens niet in de weg staat aan een nieuwe aanvraag na complementering van de benodigde stukken, is hier geen te strenge toets aangelegd. Onderdeel 1 ketst op dit een en ander af.

In onderdeel 2 betoogt [verzoeker] dat het oordeel in rov. 3.3 dat er geen reden is [verzoeker] alsnog in de gelegenheid te stellen de ontbrekende informatie aan te leveren ontoereikend is gemotiveerd, omdat de redenen die het hof daaraan ten grondslag heeft gelegd feitelijk onjuist zijn en voor zover wel feitelijk juist, deze de beslissing niet kunnen dragen, nu het hof ten onrechte geen (voldoende) rekening heeft gehouden met de in onderdeel 1 genoemde afhankelijkheid van [verzoeker] van de uitblijvende informatievoorziening vanuit de gemeente.

Ook dit kan niet tot cassatie leiden. Indien in of bij het verzoek gegevens als bedoeld in art. 285 lid 1 Fw ontbreken, dan bepaalt art. 287 lid 2 Fw dat de rechter de schuldenaar een termijn van ten hoogste een maand kan gunnen om de ontbrekende gegevens te verstrekken. Dit wijst op een discretionaire bevoegdheid; de rechter kan een WSNP-verzoeker ook direct niet-ontvankelijk verklaren. Dat is met zoveel woorden ook aan de orde geweest bij de parlementaire behandeling (nota naar aanleiding van het verslag). Dat hier sprake is van een discretionaire bevoegdheid, brengt mee dat een rechterlijk oordeel dat geen herstelmogelijkheid wordt gegund maar in beperkte mate kan worden getoetst in cassatie. Als de rechter niet onder ogen heeft gezien dat hier een discretionaire verlengingsbevoegdheid aan de orde is, dan geeft zijn oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting - maar daarvan is hier geen sprake.

De redenen die het hof is rov. 3.3 geeft om geen verlenging ex art. 287 lid 2 Fw te geven zijn dat de rechtbank [verzoeker] al op 23 mei 2022 op de ontbrekende stukken heeft gewezen, het belang van het aanleveren ervan op 7 juli 2022 nogmaals door de rechtbank onder de aandacht van [verzoeker] is gebracht en met de beslissing van de rechtbank van 10 augustus 2022 waarin het ontbreken van de gevraagde informatie mede als reden voor afwijzing van het verzoek is vermeld, aan [verzoeker] voldoende duidelijk moet zijn geweest dat hij die informatie alsnog aan het hof diende te verstrekken. Dat is een (overigens niet vereiste) aansprekende en goed te volgen motivering waarom hier van de mogelijkheid van het geven van nog een nader uitstel geen gebruik wordt gemaakt door het hof.

[verzoeker] klaagt dat dit oordeel onvoldoende begrijpelijk is. Onder 2.1-2.2 van de toelichting betoogt hij dat de rechtbank hem op 23 mei 2022 niet heeft gewezen op het ontbreken van informatie, maar wel haar wens te kennen heeft gegeven dat [verzoeker] haar via de gemeente waarin hij woont zou informeren.

Deze motiveringsklacht faalt. Zoals de rechtbank in rov. 1.1 heeft overwogen heeft de rechtbank bij brief van 23 mei 2022 tot oproeping voor de behandeling van het faillissementsverzoek aan hem medegedeeld dat hij binnen 14 dagen een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling kon doen. In de oproep van 23 mei 2022 is hij er ook op gewezen dat hij bij een WSNP-verzoek een verklaring van de gemeente moet voegen, waarin onder meer een overzicht van zijn inkomsten en schulden staat. Hoewel [verzoeker] terecht aanstipt dat de overweging van het hof dat de rechtbank [verzoeker] reeds op 23 mei 2022 op het ontbreken van informatie heeft gewezen niet geheel juist is – de rechtbank heeft immers alleen medegedeeld dat bij een WSNP-verzoek bepaalde gegevens moet worden verstrekt – kan de betreffende passage in het arrest zo worden gelezen dat [verzoeker] bij brief van 23 mei 2022 wel degelijk op het belang van het verstrekken van informatie is gewezen. Het hof overweegt immers daarna ook dat het belang van het aanleveren van de informatie op 7 juli 2022 nogmaals door de rechtbank onder de aandacht van [verzoeker] is gebracht. Het gaat er dus om dat [verzoeker] al bij brief van 23 mei 2022 op de hoogte moet zijn geweest van het belang van het verstrekken van de betreffende informatie en niet zozeer dat [verzoeker] op dat moment al wist dat bepaalde informatie ontbrak.

Voor zover [verzoeker] vervolgens ter toelichting onder 2.3 wijst op zijn afhankelijkheid van de gemeente, verwijs ik naar de bespreking van onderdeel 1 over hetzelfde.

Onder 2.4-2.9 van de toelichting betoogt [verzoeker] nog dat het hof zijn oordeel niet kon baseren op de brief van 7 juli 2022, omdat die brief hem niet heeft bereikt en dit in de e-mailcorrespondentie met de griffie van de rechtbank ook zijdens de rechtbank is geconstateerd.

Ook dat baat [verzoeker] niet. In de e-mail van de rechtbank van 19 juli 2022 staat: “U heeft kennelijk de oproep die op 7 juli jl. per post naar uw woonadres is verzonden niet aangetroffen.” Dat betekent gelet op art. 3:37 lid 3 BW niet dat de betreffende verklaring geen werking heeft, namelijk in de gevallen dat dit niet bereiken voor risico komt van de ontvanger zelf, bijvoorbeeld als gevolg van afwezigheid of vermissing.

Wat daar verder ook van zij, het hof kon zijn oordeel dat aan [verzoeker] voldoende duidelijk moet zijn geweest dat hij die informatie alsnog aan het hof diende te verstrekken ook alleen baseren op de brief van 23 mei 2022 en de beslissing van de rechtbank van 10 augustus 2022 waarin het ontbreken van de gevraagde informatie mede als reden voor afwijzing van het verzoek is vermeld.

Onder 2.10-2.17 van de toelichting betoogt [verzoeker] verder nog dat het hof zijn oordeel niet op de beslissing van de rechtbank van 10 augustus 2022 kon baseren, omdat de rechtbank had overwogen dat cruciale informatie ontbrak, waaronder een BRP uittreksel, de art. 285-verklaring van de gemeente en een gespecificeerde schuldenlijst. Een BRP uittreksel heeft hij wel bijgebracht (2.13), dit geldt ook voor de schuldenlijst (2.14-2.15) en voor de art. 285-verklaring is hij afhankelijk van de gemeente (2.16-2.17), zo luidt de klacht.

Ook dit kan geen doel treffen. Het is een enuntiatieve opsomming van de rechtbank (‘waaronder’) en dat het BRP uittreksel en de schuldenlijst (zij het, zoals we hiervoor onder ogen hebben gezien: in de ogen van het hof niet in toereikende vorm) wel zijn overgelegd, brengt nog niet mee dat het oordeel van het hof dat aan [verzoeker] voldoende duidelijk moet zijn geweest dat hij alle in art. 285 Fw genoemde gegevens diende te verstrekken, onbegrijpelijk is.

Voor zover [verzoeker] vervolgens klaagt dat het hof ten onrechte geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met de in onderdeel 1 genoemde afhankelijkheid van [verzoeker] van de uitblijvende informatievoorziening van de gemeente, is dit een herhaling van zetten uit dat onderdeel en dat is hiervoor al verwerpend besproken.

Ook onderdeel 2 is zodoende tevergeefs voorgesteld.

Onderdeel 3 klaagt dat het oordeel in rov. 3.4 dat het hof tot hetzelfde oordeel komt als de rechtbank over de goede trouw en het nakomen van de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling, rechtens onjuist en ontoereikend is gemotiveerd. Onder 3.3-3.6 licht [verzoeker] toe dat het hof niet voorbij kon gaan aan zijn stelling dat hij voldoende zekerheid had gesteld jegens de aanvragers van zijn faillissement voor eventueel naderhand blijkende betalingsverplichtingen. Onder 3.7-3.8 wijst hij op zijn stelling dat hij het voornemen heeft om bij toelating zijn schuldeisers voor zoveel als mogelijk te voldoen, zodat van betalingsonwil geen sprake is.

Deze klachten kunnen geen doel treffen, omdat deze zijn gericht tegen een oordeel ten overvloede. Het niet-ontvankelijkheidsoordeel uit het dictum stoelt op rov. 3.3, dat dragend is voor dat oordeel. Alleen ten overvloede – hoewel het hof er niet aan toekomt – wordt in rov. 3.4 overwogen dat als zou moeten worden geoordeeld over de goede trouw bij het aangaan van de schulden en de verwachting over het nakomen van de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling (dus de materie van art. 288 lid 1 sub b en c Fw), dat oordeel net als van de rechtbank negatief zou zijn uitgevallen. Deze overweging ten overvloede draagt het niet-ontvankelijkheidsoordeel zodoende niet. Daar loopt onderdeel 3 integraal op stuk. Daarbij heeft [verzoeker] geen belang.

Onderdeel 3 kan zodoende ook niet slagen.

4. Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep en ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep te verwerpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?