5. De beslissing
De rechtbank
verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn beroep,
[…].”
Tegen overweging 4.5 richt zich het bij procesinleiding van 11 oktober 2022 ingestelde cassatieberoep van [verzoeker] . De bewindvoerder is in de gelegenheid gesteld haar standpunt kenbaar te maken, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
2. Ontvankelijkheid
Allereerst dient ambtshalve te worden onderzocht of het cassatieberoep ontvankelijk is.
Het hoger beroep van [verzoeker] is op de voet van art. 315 Fw ingesteld (rov. 1.1), met de stelling dat de rechtbank op 17 augustus 2022 een beslissing heeft genomen op een verzoek volgens art. 317 lid 1 Fw (beroepschrift 6-7 en 10). Art. 315 lid 1 Fw bepaalt dat van alle beschikkingen van de r-c gedurende vijf dagen hoger beroep bij de rechtbank open staat.
De rechtbank heeft [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard. Zij kwalificeert de bestreden beslissing van de r-c als een beschikking in de zin van art. 295 lid 3 Fw. Daartegen is geen hoger beroep mogelijk, zoals blijkt uit art. 315 lid 2 Fw (rov. 4.5 aan het einde).
In de Faillissementswet is niet bepaald dat cassatieberoep openstaat tegen een beschikking die de rechtbank op grond van art. 315 Fw heeft gegeven op een hoger beroep tegen een beschikking van de r-c. Art. 360 Fw bepaalt dat tegen beslissingen van de rechter gegeven ingevolge de bepalingen van titel III Fw (Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen) geen hogere voorziening openstaat behalve in gevallen waarin het tegendeel is bepaald en behoudens de mogelijkheid van cassatie in het belang der wet. Dit rechtsmiddelenverbod geeft aan dat de derde titel een gesloten stelsel van rechtsmiddelen kent. Daarmee is [verzoeker] naar de letter van de wet niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep, zoals voor een beroep tegen een niet-ontvankelijkbeslissing op grond van art. 295 lid 3 Fw in samenhang met art. 315 lid 2 Fw ook blijkt uit de rechtspraak van de Hoge Raad.
Een wettelijk rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken op grond van in de rechtspraak erkende gronden. Doorbreking wordt aanvaard indien een rechter: (a) een wetsartikel ten onrechte heeft toegepast en daarmee buiten het toepassingsgebied is getreden, (b) een wetsartikel ten onrechte niet heeft toegepast, of (c) zo fundamentele rechtsbeginselen heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken.
[verzoeker] tracht het rechtsmiddelenverbod van art. 360 Fw tijdig te doorbreken. Hij stelt dat de rechtbank (i) het toepassingsbereik van art. 317 Fw heeft miskend, althans (ii) buiten het toepassingsgebied van dat artikel is getreden, althans (iii) essentiële vormen heeft verzuimd in acht te nemen, althans (iv) een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak (procesinleiding, p. 3, derde alinea). Door het stellen van een aantal doorbrekingsgronden is hij ontvankelijk in zijn cassatieberoep.
Overigens betwijfel ik of doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 360 Fw in dit geval nodig is. [verzoeker] is immers in hoger beroep gegaan door (impliciet) een doorbrekingsgrond te stellen (over het toepassingsbereik van art. 317 Fw, zie rov. 3.2 en hiervoor in 2.2). Dan kan in cassatie zonder meer worden geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat zich niet een doorbrekingsgrond voordoet (zie hiervoor in 2.3), omdat het rechtsmiddelenverbod zich niet uitstrekt tot dit oordeel.
3. Bespreking cassatiemiddel
De enige doorbrekingsgrond die [verzoeker] (kenbaar) uitwerkt in het middel is dat de rechtbank het toepassingsbereik van art. 317 Fw in rov. 4.5 zou hebben miskend door te oordelen dat van een verzoek op grond van art. 317 Fw geen sprake is. De rechtbank oordeelt dat de beschikking van de r-c de kosten van budgetbeheer (een vrijwillige uitgave) betreft en niet een verplichte afdracht als gevolg waarvan het inkomen onder het wettelijk gegarandeerde minimum van de beslagvrije voet valt. Hierin verschilt deze zaak van de casus die voorlag in het arrest waar [verzoeker] zich op beroept, aldus de rechtbank. [verzoeker] meent echter dat de Hoge Raad in rov. 3.6 van dat arrest heeft beslist dat het de schuldenaar altijd vrijstaat om de r-c een verzoek te doen op de voet van art. 317 Fw, dus met inbegrip van ophoging van het vrij te laten bedrag met een nominaal bedrag. Tegen de beschikking genomen op dat verzoek zou dan hoger beroep openstaan op grond van art. 315 lid 1 Fw.
De veronderstelling dat door de Hoge Raad is beslist als waar in deze klacht van wordt uitgegaan lijkt mij niet juist. Daartoe kom ik als volgt.
De boedel omvat de goederen van de schuldenaar ten tijde van de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en de goederen die hij tijdens de toepassing van die regeling verkrijgt (art. 295 lid 1 Fw voor de schuldsaneringsregeling, vgl. art. 20 Fw voor faillissement en zie ook art. 3:276 BW). Het inkomen en de periodieke uitkeringen die de schuldenaar verkrijgt vallen deels van rechtswege buiten de boedel (art. 295 lid 2 Fw). Het gaat daarbij om een bedrag ter hoogte van de beslagvrije voet (art. 475c t/m art. 475e Rv). Dit is de basis voor het vrij te laten bedrag (vtlb). Dit kan op verzoek van de schuldenaar, de bewindvoerder of ambtshalve worden verhoogd met een nominaal bedrag (art. 295 lid 3 Fw). Dit is een discretionaire bevoegdheid van de r-c. In de praktijk is het Vtlb-rapport leidend, althans wordt het als uitgangspunt gehanteerd. Een aantal verhogingen wordt op basis van dat rapport ‘standaard’ toegepast. Daarnaast is maatwerk mogelijk. De berekening van het vtlb wordt – met behulp van de vtlb-calculator– gemaakt door de bewindvoerder. De r-c stelt het totale vtlb telkens vast per beschikking, veelal op verzoek van de bewindvoerder.
De schuldenaar kan op basis van art. 317 Fw (vgl. art. 69 Fw voor faillissement) de r-c verzoeken op basis van art. 295 lid 2 Fw de beslagvrije voet te verhogen. Voor zover relevant, overwoog de Hoge Raad in 2009:
“3.3 Het eerste middel klaagt onder meer over onbegrijpelijkheid van de vaststelling dat het hoger beroep van [verzoeker] zich richt tegen een beslissing van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 295 lid 3 F.
Deze klacht is gegrond. In zijn brief van 24 februari 2009 verzocht [verzoeker], onder meer, in het vrij te laten bedrag rekening te houden met de premie van de ziektekostenverzekering van zijn echtgenote. Het verzoek had in zoverre betrekking op de hoogte van het ingevolge art. 295 lid 2 F. van rechtswege buiten de boedel vallende bedrag van de beslagvrije voet als bedoeld in art. 475d Rv., en niet op een door de rechter-commissaris op de voet van art. 295 lid 3 F. met een nominaal bedrag vast te stellen verhoging van het ingevolge het tweede lid buiten de boedel vallende bedrag. Met een dergelijk verzoek kan de schuldenaar zich op de voet van art. 317 F. tot de rechter-commissaris wenden, nu het gaat om een geschil over de omvang van de van rechtswege aan hem persoonlijk toekomende, buiten de boedel vallende, inkomsten als bedoeld in art. 295 lid 2, dat ertoe strekt de schuldenaar ondanks de toepassing van de schuldsaneringsregeling de beschikking te doen houden over een zeker bedrag waarmee hij in zijn levensonderhoud kan voorzien (vgl. HR 10 mei 1985, nr. 6771, LJN AG5016, NJ 1985, 792). […] De rechtbank heeft dan ook ten onrechte art. 315 lid 2 F. van toepassing geacht en [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard. […].”
De verwijzing van de Hoge Raad naar de beschikking uit 1985 ligt voor de hand, omdat art. 295 lid 2 Fw qua type regeling overeenkomt met art. 21 aanhef en onder 3o Fw dat in die beschikking aan de orde was. Daarbij moet worden bedacht dat de beslagvrije voet van rechtswege buiten de boedel valt en niet krachtens bepaling door de r-c (zie hiervoor, 3.3). Dit is vermoedelijk ook waarom art. 295 lid 2 Fw niet is genoemd in art. 315 lid 2 Fw. De beslissing van de r-c over het (extra) nominaal bedrag op grond van art. 295 lid 3 Fw is wél een beschikking. Deze bepaling is genoemd in het appelverbod van art. 315 lid 2 Fw. Dit betekent overigens niet dat er enige beperking zit aan het opnieuw indienen van een verzoek bij de r-c op de voet van art. 295 lid 3 Fw.
Art. 295 lid 3 Fw komt qua type regeling overeen met art. 21 aanhef en onder 2o Fw voor de faillissementssituatie. Ook daarin gaat het om een discretionaire bevoegdheid van de r-c om een deel van het inkomen van de failliet buiten de boedel te laten vallen. Recent overwoog de Hoge Raad over de appellabiliteit ex art. 69 Fw van beslissingen daarover in een faillissementssituatie aldus:
“3.2.1 Tot de verzoeken die op de voet van art. 69 Fw aan de rechter-commissaris kunnen worden gedaan, behoort niet een verzoek tot aanpassing van het vrij te laten bedrag dat op grond van art. 21, aanhef en onder 2º, Fw door de rechter-commissaris is vastgesteld. Art. 69 Fw strekt er immers in beginsel slechts toe de in deze bepaling genoemde personen, onder wie de gefailleerde, invloed toe te kennen op het door de curator gevoerde beheer over de failliete boedel en om, indien zij menen dat bij dat beheer fouten worden gemaakt, deze te doen herstellen of voorkomen [voetnoot: Vgl. HR 10 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG5016, rov. 3.2, A-G]. Er is ook geen grond voor overeenkomstige toepassing van art. 69 Fw, nu reeds art. 21, aanhef en onder 2º, Fw zelf erin voorziet dat een verzoek als hier aan de orde tot de rechter-commissaris kan worden gericht. Het oordeel van de rechter-commissaris dat [verzoekers] niet ontvankelijk zijn in het verzoek op de voet van art. 69 Fw, is dus juist.”
Art. 69 Fw is de faillissementsrechtelijke evenknie van art. 317 Fw. Het ligt dan ook voor de hand voor onze zaak naar rechtspraak over de faillissementsrechtelijke pendant te kijken. Ik zie geen valide reden waarom de hiervoor geciteerde overweging van de Hoge Raad niet ook zou moeten gelden voor een op de voet van art. 317 Fw gedaan verzoek tot aanpassing van het vrij te laten bedrag op grond van art. 295 lid 3 Fw. Ten eerste is ook bij art. 317 de achterliggende gedachte dat er een correctief moet zijn voor de vergaande bevoegdheid van een bewindvoerder om naar eigen inzicht de boedel te beheren. Ten tweede voorziet art. 295 lid 3 Fw zelf erin dat een verzoek als hier aan de orde tot de r-c kan worden gericht. Dat kan bovendien bij herhaling (zie hiervoor in 3.5, uiteraard behoudens misbruik van recht). Deze bepaling bestaat naast de procedure uit art. 317 Fw en is eveneens erop gericht dat de schuldenaar zelf zich tot de rechter-commissaris kan wenden voor het bereiken van een bepaald resultaat, zonder dat deze daarbij afhankelijk is van de bewindvoerder.
Dat tegen een verzoek op grond van art. 295 lid 3 Fw geen hoger beroep openstaat, is een uitdrukkelijke keuze van de wetgever (art. 315 lid 2 Fw). Dit appelverbod lijkt mij overigens te verklaren vanuit de discretionaire bevoegdheid van de r-c bij een dergelijk verzoek. Om de analogie met het faillissementsrecht door te trekken citeer ik de wetsgeschiedenis van art. 21 aanhef en onder 2o Fw in samenhang met art. 67 Fw (een appelverbod ten aanzien van onder andere een beschikking van de r-c i.d.z.v. art. 21 aanhef en onder 2o Fw):
“Waarom van de eenvoudige en geheel feitelijke beschikking van den rechtercommissaris hooger beroep mogelijk zou moeten zijn, wordt niet ingezien. De daardoor te veroorzaken omslag en kosten zouden niet gerechtvaardigd zijn. Men mag bij den rechtercommissaris genoegzaam beleid veronderstellen, dat hij van een hem toegekende bevoegdheid niet juist zoodanig gebruik zal maken, dat des wetgevers bedoeling zou verijdeld worden. Als waarborg daartegen behoeft werkelijk het middel van hooger beroep niet te worden toegelaten.”
respectievelijk
“Zonder de uitzonderingen van het tweede lid zou de geregelde loop van zaken telkens aan onderbreking bloot staan. Men behoort den rechtercommissaris op de daar aangewezen ondergeschikte punten eene discretionnaire macht te laten.”
Dit verklaart wat mij betreft ook het verschil met de door de Hoge Raad via art. 317 Fw in samenhang met art. 315 lid 1 Fw gesanctioneerde mogelijkheid van hoger beroep als het gaat om geschillen met betrekking tot art. 295 lid 2 Fw over van rechtswege aan de schuldenaar toekomende inkomsten (zie het citaat hiervoor in 3.4). De r-c is niet bevoegd om van het bepaalde in art. 295 lid 2 Fw in verbinding met art. 475d Rv af te wijken.
Het beroep van [verzoeker] op eerdergenoemd arrest uit 2020 brengt hierin geen verandering. Anders dan in de literatuur wel wordt bepleit, is daar in mijn ogen niet beslist dat op de voet van art. 317 Fw een aanpassing van het vrij te laten bedrag zou kunnen worden bewerkstelligd en langs die weg in appel kan worden gegaan. Het ging in dat arrest om een ‘wooncompensatie’ waarvan de bewindvoerder wenste dat deze de schuldenaar werd opgelegd in een schuldsaneringsregeling. Dat betrof een maandelijks bedrag dat de schuldenaar moest betalen aan de boedel ter compensatie van de hoge (door de boedel betaalde) huur. Dat bedrag ging ten koste van het vrij te laten bedrag. De door de bewindvoerder op dit punt gewenste regeling was door de rechter-commissaris getroffen in een beschikking van 7 juli 2017 gegeven naar aanleiding van een vraag in het eerste verslag van de bewindvoerder. In het arrest is toen beslist – samengevat – dat de rechtbank op juiste en begrijpelijke wijze had geoordeeld dat de beroepstermijn tegen de beschikking van de r-c was verlopen en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was (rov. 3.4.4) en dat de rechtbank ook anderszins niet aan een inhoudelijke beoordeling hoefde toe te komen (rov. 3.5). In citeer rov. 3.6:
“3.6 Opmerking verdient nog dat art. 317 Fw de mogelijkheid biedt de rechter-commissaris te verzoeken een nieuwe beschikking over de ‘wooncompensatie’ te nemen. In dat verzoek kunnen de bezwaren tegen de ‘wooncompensatie’, ook voor zover die al eerder door Quitantie aan de orde zijn gesteld, aan de rechter-commissaris worden voorgelegd. De rechter-commissaris zal daarop dan gemotiveerd dienen te beslissen. Tegen de door de rechter-commissaris op dat verzoek te nemen beslissing staat hoger beroep open [voetnoot: Vgl. HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7537, rov. 3.3].”
Aan [verzoeker] kan worden toegegeven dat dit ruim is geformuleerd en dat – met de nodige goede wil en los van de context – dit ook zo kunnen worden gelezen dat art. 317 Fw een algemene mogelijkheid geeft aan de schuldenaar om een wijziging van de beschikkingen van de r-c te vragen met betrekking tot het vrij te laten bedrag (dus ook als het gaat om art. 295 lid 3 Fw). Nu het in deze zaak echter niet ging om een beschikking ex art. 295 lid 3 Fw, lijkt mij hierin geen andere beslissing te lezen dan in de beschikking van 30 oktober 2009 (waar in het arrest blijkens het citaat van rov. 3.6 ook naar wordt verwezen, zij het voorafgegaan door de aanduiding ‘vgl.’). Ook anderen lezen de beschikking op de hier bepleite wijze. Als de Hoge Raad dit anders had bedoeld, dan is het aannemelijk dat dat er duidelijk had gestaan, gelet op het gegeven dat met dat oordeel dan rechtstreeks zou worden ingegaan tegen de bedoeling van de wetgever, te weten het appelverbod in art. 315 lid 2 Fw waarin art. 295 lid 3 Fw wordt vermeld.
Het lijkt mij dat de onderhavige zaak de Hoge Raad de gelegenheid biedt omtrent deze controverse duidelijkheid te scheppen.
Deze bespreking mondt uit in de conclusie dat het cassatieberoep moet worden verworpen.
4. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G