ECLI:NL:PHR:2022:1150

ECLI:NL:PHR:2022:1150, Parket bij de Hoge Raad, 02-12-2022, 22/03918

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 02-12-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/03918
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2023:191
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0040635

Samenvatting

Wvggz. Zorgmachtiging voor korte tijd ivm niet-geactualiseerde medische verklaring en niet-geactualiseerd zorgplan (art. 6:4 Wvggz, art. 5:7, 5:8 lid 1 en 5:17 lid 3 Wvggz); psychiater in opleiding kwalificeert niet als psychiater i.d.z.v. art. 5:7 sub a Wvggz.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 22/03918

Zitting 2 december 2022

CONCLUSIE

M.L.C.C. Lückers

In de zaak

[betrokkene] , verzoeker tot cassatie,advocaat: mr. M.E. Bruning,

tegen

De Officier van Justitie in het Arrondissementsparket Amsterdam,verweerder in cassatie,niet verschenen.

Partijen worden hierna verkort aangeduid als betrokkene respectievelijk officier van justitie.

1. Inleiding en samenvatting

In deze Wvggz-zaak wordt de vraag voorgelegd of de rechtbank een (overbruggings)zorgmachtiging voor twee maanden mocht verlenen en het verzoek voor het overige kon aanhouden nu de medische verklaring die bij het verzoekschrift is overgelegd niet actueel en vals gedateerd lijkt.

2. Feiten en procesverloop

Bij verzoekschrift, bij de rechtbank Amsterdam ingekomen op 1 juli 2022, heeft de officier van justitie verzocht een aansluitende zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene te verlenen voor de duur van twaalf maanden. Bij dat verzoekschrift is onder meer een medische verklaring overgelegd die als datum van ondertekening heeft 12 juni 2022. De officier van justitie heeft voorgesteld de volgende vormen van verplichte zorg op te nemen:- toedienen van medicatie;- het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;- beperken van de bewegingsvrijheid;- insluiten, telkens voor de duur van maximaal drie weken;- uitoefenen van toezicht op betrokkene, telkens voor de duur van maximaal drie weken;- onderzoek aan kleding of lichaam;- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen en het nakomen van afspraken met het ambulant behandelteam;- beperken van het recht op het ontvangen van bezoek;- opnemen in een accommodatie.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 20 juli 2022. Gehoord zijn: betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat en de arts als vervanger van de vaste behandelaar.

Ter zitting heeft de advocaat verweer gevoerd en zich op het standpunt gesteld dat er ernstige bezwaren kleven aan het zorgplan en de medische verklaring. De advocaat heeft dat als volgt toegelicht:

“De medische verklaring is identiek aan de medische verklaring, die ten grondslag lag aan de vorige zorgmachtiging, gedateerd op 12 januari 2022. De medische verklaring is afkomstig van dezelfde onafhankelijke psychiater, [psychiater 1] , en bevat geen informatie over de huidige situatie. Ook valt het op dat de data van het onderzoek en de ondertekening gewijzigd zijn met een ander lettertype. Daar komt bij dat in de medische verklaring onder punt 6d beschreven staat dat de informatie medegedeeld is door de ambulant behandelend psychiater, [psychiater 2] , terwijl betrokkene al zes maanden is opgenomen. Hierdoor vormt de medische verklaring geen objectief en onafhankelijk beeld. Het zorgplan is daarnaast ook nagenoeg identiek. Betrokkene heeft recht op een actueel verslag over hoe het met hem gaat. Er worden gebeurtenissen beschreven die inmiddels een tijd geleden zijn, zoals over het glas, de tram en de medebewoners. Dit staat beschreven alsof het gisteren is gebeurd en alsof betrokkene nog steeds op [plaats] woont. Dat triggert betrokkene.”

Ter zitting heeft de rechtbank contact opgenomen met de psychiater die de medische verklaring zou hebben opgemaakt en op 8 juni 2022 betrokkene zou hebben onderzocht. In het proces-verbaal is over dit gesprek het volgende genoteerd:

“Hij gaf aan, na een blik te hebben geworpen in zijn agenda, dat hij op 8 juni 2022 verlof had. De rechtbank constateert dat de advocaat terecht op heeft gemerkt dat de medische verklaring van onderhavig verzoek identiek is aan de medische verklaring die ten grondslag lag aan de vorige zorgmachtiging. Onder punt 4a is echter de datum van het onderzoek van betrokkene aangepast naar 8 juni 2022 en onder punt 10 de maand van de dagtekening naar juni, beiden in een ander lettertype. Verder is in datzelfde lettertype de naam van de zorgverantwoordelijke toegevoegd onder punt 3. De rechtbank concludeert dat goed uitgezocht moet worden hoe het komt dat in het dossier een kennelijk verkeerd gedateerde verklaring is opgenomen.”

Bij mondelinge beschikking van 20 juli 2022 heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend tot uiterlijk 20 september 2022 en het meer of anders verzochte aangehouden tot een nader te bepalen datum voor 20 september 2022. De rechtbank overweegt:

“2.4. (…) dat het er naar uitziet dat de bij het verzoekschrift overgelegde verklaring niet overeenkomt met de werkelijkheid. Dat betekent dat er op het moment van de mondelinge behandeling geen geactualiseerde medische verklaring beschikbaar is. Om die reden ziet de rechtbank aanleiding slechts een kortdurende (overbruggings)machtiging af te geven voor de duur van twee maanden, zodat op de volgende zitting aan de hand van een geactualiseerd zorgplan en een nieuwe, geactualiseerde medische verklaring over het restant van het verzoekschrift kan worden beslist.

De rechtbank is, ondanks de gebreken aan de medische verklaring, van oordeel dat uit de overgelegde stukken en - met name - hetgeen door de psychiater i.o. (niet zijnde de vaste behandelaar) tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, voldoende is gebleken dat betrokkene lijdt aan een (chronische) psychische stoornis, in de vorm van een schizofreniespectrumstoornis.

Hoewel het zorgplan en de – kennelijk niet geactualiseerde en vals gedateerde – medische verklaring onvoldoende informatie bevatten over de actuele situatie van betrokkene, is de rechtbank naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken voldoende overtuigd dat deze stoornis op dit moment nog leidt tot ernstig nadeel (…)

Nu het zorgplan onvoldoende geactualiseerd is en de overgelegde medische verklaring mogelijk niet in overeenstemming is met de waarheid, is voor de behandeling van het resterende deel van de zorgmachtiging van groot belang dat een geactualiseerd zorgplan wordt opgesteld. Ook zal - ook indien blijkt dat betrokkene wel recent is bezocht door een onafhankelijk psychiater een nieuwe en geactualiseerde medische verklaring moeten worden opgesteld, waarin dat geactualiseerde zorgplan kan worden meegenomen.”

Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. Namens de officier van justitie is geen verweerschrift ingediend.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel bevat twee onderdelen. Onderdeel 1 valt uiteen in vier subonderdelen en betoogt – kort samengevat – dat de rechtbank de zorgmachtiging niet had mogen verlenen omdat zij niet beschikte over een actuele medische verklaring en een actueel zorgplan. Onderdeel 2 bouwt hierop voort en stelt dat de bepalingen uit het EVRM zijn geschonden.

Onderdeel 1a is gericht tegen rov. 2.4 en 2.5 en klaagt – in de kern – dat de rechtbank ten onrechte een zorgmachtiging heeft verleend voor een korte periode onder aanhouding van het verzoek voor het overige, aangezien de medische verklaring niet door de onafhankelijk psychiater is geactualiseerd, vals is gedateerde en mogelijk niet overeenstemt met de waarheid waardoor de verklaring onvoldoende informatie bevat over de actuele situatie van betrokkene. Hierdoor heeft de rechtbank art. 5:8 lid 1 Wvggz in verbinding met art. 5:17 lid 3 en art. 6:4 Wvggz miskend. Onderdeel 1b voert aan dat de beschikking getuigt van een onjuiste rechtsopvatting voor zover de rechtbank de actuele situatie van betrokkene heeft gebaseerd op hetgeen door de psychiater i.o. (niet zijnde de vaste behandelaar) tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht. De rechtbank miskent dan immers dat slechts een onafhankelijke psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld diens verklaring kan en mag actualiseren. De psychiater in opleiding was volgens art. 5:7 en 5:8 Wvggz daartoe niet rechtens bevoegd en gekwalificeerd. De beslissing van de rechtbank is dan ook in strijd met de wet. Onderdeel 1c betoogt dat niet was voldaan aan de eisen voor verlening van een zorgmachtiging onder art. 6:4 Wvggz aangezien naast een niet actueel en vals opgemaakte medische verklaring ook een actueel zorgplan ontbreekt. De rechtbank miskent dat indien een actuele medische verklaring gebaseerd op een actueel zorgplan ontbreekt de zorgmachtiging niet, ook niet (alvast) gedeeltelijk mag worden verleend. Dan wel is het oordeel onbegrijpelijk in het licht van de verklaring van de psychiater in opleiding ter zitting dat de stukken geen actuele informatie bevatten. Onderdeel 1d bouwt voort op de voorgaande onderdelen en klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting was besproken geconcludeerd kan worden dat sprake was van een psychische stoornis die op het moment van de beslissing nog leidde tot ernstig nadeel. Onderdeel 2a voert aan dat de rechtbank met haar bestreden oordelen en beslissingen niet geoordeeld en beslist heeft ‘in accordance with a procedure prescribed by law’ en de verleende zorgmachtiging niet kan worden aangemerkt als ‘a lawful detention of [a person] of unsound mind’ in de zin van art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM. Onderdeel 2b voegt daar nog aan toe dat er geen sprake was van een volledige deskundige voorlichting gegrond op de werkelijkheid en naar waarheid door een onafhankelijk psychiater opgesteld zodat dit een schending van het beginsel van ‘fair trail’ oplevert in de zin van art. 6 EVRM.Deze onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Voor vrijheidsbeneming op grond van een geestesstoornis als bedoeld in art. 5, lid 1, aanhef en onder e, EVRM is nodig dat in een ‘objective medical expertise’ wordt vastgesteld dat sprake is van een geestesstoornis (true mental disorder) die de vrijheidsbeneming kan rechtvaardigen. De eis van ‘objective medical expertise’ is in de jurisprudentie van het EHRM over art. 5, lid 1 onder e, EVRM uitgelegd als volgt:

“In the Court’s opinion, except in emergency cases, the individual concerned should not be deprived of his liberty unless he has been reliably shown to be of “unsound mind”. The very nature of what has to be established (…) – that is, a true mental disorder – calls for objective medical expertise.”

Art. 5:7 Wvggz bepaalt aan welke voorwaarden het voorafgaande medisch onderzoek moet voldoen. In dat artikel is onder a opgenomen dat de psychiater als psychiater staat ingeschreven in een specialistenregister als bedoeld in art. 14 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Daarnaast wordt onder d de eis opgenomen dat de rapporterende psychiater minimaal één jaar geen zorg aan de betrokken patiënt heeft verleend. Uit de wetsgeschiedenis is ten aanzien van artikel 5:7 onder d het volgende van belang:

“De onafhankelijkheid moet vooral gewaarborgd zijn in de relatie tot betrokkene. Daarom is de eis uit de Wet bopz overgenomen dat de arts minimaal één jaar geen zorg heeft verleend aan betrokkene. Dit voorkomt dat de arts als zorgverlener wellicht een dusdanige band met betrokkene heeft opgebouwd dat dat een obstakel zou kunnen zijn voor het vormen van een onafhankelijk oordeel. De LPGGZ heeft er naar aanleiding van de consultatie over de nota van wijziging nog op gewezen dat de rol van de onafhankelijke arts om een extra waarborg vraagt, namelijk een roulatiesysteem waardoor voorkomen kan worden dat steeds dezelfde arts wordt gevraagd om medische verklaringen af te geven. Het is aan het veld om indien gewenst hier nadere invulling aan te geven.”

Uit het systeem van de Wvggz, in het bijzonder uit art. 5:8 lid 1 Wvggz in verbinding met art. 5:17 lid 3 Wvggz en art. 6:4 Wvggz, volgt dat een rechter slechts een zorgmachtiging mag verlenen indien uit een medische verklaring van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene blijkt dat uit diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis ernstig nadeel voortvloeit.

In de onderhavige zaak heeft de officier van justitie bij het verzoekschrift een medische verklaring overgelegd die was ondertekend door een psychiater. De rechtbank heeft echter vastgesteld dat de medische verklaring van 12 juni 2022 niet actueel is. De rechtbank is het met de advocaat eens dat de medische verklaring die bij het verzoekschrift is gevoegd identiek is aan de medische verklaring gedateerd op 12 januari 2022 die ten grondslag lag aan de vorige zorgmachtiging en bovendien zou zijn opgemaakt door dezelfde psychiater. Enkel de datum van het onderzoek onder punt 4a en de maand van dagtekening onder punt 10 zijn in de verklaring aangepast met een ander lettertype. Door de arts is ter zitting ook erkend dat de stukken geen actuele informatie bevatten. Deze medische verklaring voldeed derhalve niet aan de uit art. 5:8 lid 1 Wvggz voortvloeiende eis dat zij de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene beschrijft. Ter zitting is contact opgenomen met de psychiater die in de medische verklaring genoemd wordt. Hij heeft verklaard dat hij volgens zijn agenda op de datum dat het onderzoek zou hebben plaatsgevonden, verlof had. De vraag is dan of er wel een onderzoek op 8 juni 2022 heeft plaatsgevonden en door wie. Uit het proces-verbaal volgt in elk geval niet dat deze psychiater nog informatie heeft gegeven over de actuele gezondheidssituatie van betrokkene. Nu er geen sprake was van een actuele medische verklaring en niet duidelijk was of betrokkene op 8 juni 2022 nog is onderzocht, mocht de rechtbank enkel op basis van deze medische verklaring geen zorgmachtiging verlenen. Dat na de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene door een andere onafhankelijke psychiater op 8 juni 2022 is onderzocht en dat er een andere actuele medische verklaring is overgelegd, doet daaraan niets af aangezien deze informatie ten tijde van de beslissing van de rechtbank niet bekend was.

De rechtbank is van oordeel (in rov. 2.4) dat op basis van de stukken en voornamelijk op grond van de verklaring van de psychiater in opleiding ter zitting, vastgesteld kan worden dat betrokkene lijdt aan een (chronische) psychische stoornis en dat deze stoornis op dat moment nog leidt tot ernstig nadeel. De vraag is of de rechtbank op basis van deze informatie tot de (overbruggings)machtiging kon beslissen.

Net als onder de Wet Bopz bevat de Wvggz geen voorschriften voor herstel van eventuele gebreken in de medische verklaring. Onder de Wet Bopz is in een aantal uitspraken wel aangenomen dat vormverzuimen in een geneeskundige verklaring kunnen worden hersteld. In de conclusie van 31 januari 2020 van de toenmalige plv. P-G Langemeijer wijst hij op het volgende:

“2.8 (…) Indien de geneeskundige verklaring onvolledig is ingevuld of onduidelijk is, kan aan de opsteller daarvan nadere informatie worden gevraagd, al dan niet via de officier van justitie; zelfs het telefonisch door de rechter inwinnen van inlichtingen is geoorloofd, mits de fundamentele regel van hoor en wederhoor daarbij in acht wordt genomen. Zo kan bijvoorbeeld een ontbrekende handtekening later alsnog op de verklaring worden geplaatst. De personalia van de patiënt in de geneeskundige verklaring kunnen zo nodig worden verbeterd, indien omtrent diens identiteit geen onzekerheid bestaat in het geding. Zelfs het verzuim om de geneeskundige verklaring over te leggen op het moment waarop het verzoekschrift door de officier van justitie wordt ingediend kan nog worden hersteld. Onder de Krankzinnigenwet en in de beginperiode van de Wet Bopz heeft de Hoge Raad al aangenomen dat de omstandigheid dat de officier van justitie niet heeft voldaan aan het wettelijk voorschrift betreffende het overleggen van de (juiste) geneeskundige verklaring “niet tot gevolg heeft dat de Officier niet-ontvankelijk in zijn vordering dient te worden verklaard, doch dat op de vordering eerst kan worden beslist nadat die verklaring alsnog is overgelegd.” Deze jurisprudentie is te verklaren door het feit dat een Bopz-machtiging bescherming beoogt te bieden. Daarbij past niet een formalistische opstelling ten aanzien van het tijdstip waarop de informatie wordt aangeleverd (volgens de wet: het tijdstip van indienen van het verzoek door de officier van justitie), maar wel het strikt vasthouden aan de wettelijke vereisten voordat een rechterlijke machtiging wordt verleend. Zo wordt in de jurisprudentie wel vastgehouden aan de regel dat rechtens geen machtiging kan worden verleend indien de geneeskundige verklaring niet door de juiste autoriteit is afgegeven en ondertekend.

Aanvulling of verbetering van de geneeskundige verklaring is ook mogelijk bij een verklaring die formeel in orde, maar inhoudelijk onvolledig of gebrekkig is. Dit sluit aan bij de algemene regels voor de verzoekschriftprocedure bij de burgerlijke rechter. Zo geeft het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de rechter de bevoegdheid om, op verzoek van een partij of ambtshalve, aan de deskundige het geven van nadere mondelinge of schriftelijke toelichting of aanvulling te bevelen (art. 194 lid 5 Rv). Hetzelfde is mogelijk indien de deskundige niet door de rechter was aangewezen (zie art. 200 lid 4 Rv).”

De cassatieonderdelen verwijzen naar HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:885. In de zaak die tot deze uitspraak heeft geleid had de rechtbank geoordeeld dat de medische verklaring, die niet meer actueel was, kon worden geactualiseerd door een verklaring van een verpleegkundig specialist. In cassatie werd betoogd dat het oordeel van de rechtbank dient te worden gebaseerd op een oordeel van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van betrokkene. De Hoge Raad overwoog:

“3.2 Uit het systeem van de Wvggz, in het bijzonder uit art. 5:8 lid 1 Wvggz in verbinding met art. 5:17 lid 3 Wvggz en art. 6:4 Wvggz, volgt dat een rechter slechts een zorgmachtiging mag verlenen indien uit een medische verklaring van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene blijkt dat uit diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis ernstig nadeel voortvloeit.

Voor de psychiater die de medische verklaring opstelt, gelden de in art. 5:7 Wvggz genoemde voorwaarden. Die voorwaarden dienen als waarborg voor een onafhankelijke, onpartijdige en behoorlijke besluitvorming over verplichte zorg.

Een en ander strookt met de rechtspraak van het EHRM over art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM.

(…)

Opmerking verdient nog dat de psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld, de verklaring kan actualiseren als zij niet meer actueel is. Dat kan ook tijdens de mondelinge behandeling. Die actualisering moet zodanig concreet zijn dat de rechter daaruit kan afleiden dat de psychiater zich een oordeel heeft gevormd over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene. (…)”

In de onderhavige zaak is ter zitting grote twijfels ontstaan over de bij het verzoekschrift overgelegde medische verklaring. De verklaring bleek identiek aan de medische verklaring die was overgelegd voor de voorgaande machtiging. Na contact met de psychiater bleek dat deze psychiater, anders dan in de medische verklaring was opgenomen, betrokkene niet op 8 juni 2022 had onderzocht. Of betrokkene was onderzocht door een onafhankelijk psychiater en wie dat dan geweest is, blijkt niet uit de stukken. M.i. voldeed de overgelegde verklaring om die reden dan ook niet aan de vereisten van art. 5:7 en art. 5:8 Wvggz. De rechtbank had deze medische verklaring dan ook buiten beschouwing moeten laten. Daarnaast is tevens vastgesteld dat het zorgplan niet actueel is. Ook de verklaring van de psychiater in opleiding is gezien de uitspraak van de Hoge Raad van 11 juni 2021 niet voldoende om een zorgmachtiging te verlenen voor een korte duur. Dat betekent dat de rechtbank niet beschikte over een medische verklaring in de zin van art. 5:8 Wvggz en de rechtbank in strijd met de wet de zorgmachtiging heeft verleend. Dat de rechtbank er daarbij voor heeft gekozen om de machtiging slechts voor een korte periode toe te wijzen, doet daarbij niet ter zake.

Op grond van het voorgaande slagen de onderdelen.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 20 juli 2022 en tot terugwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?