3.
Proces-verbaal bevindingen, op 1 november 2012 in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant] voornoemd (…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
(…)
Witwasverdenking/ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
Op verzoek van de Officier van Justitie Mr. Scharenborg werd door mij, verbalisant [verbalisant] , nader onderzoek gedaan naar de financiële situatie van de verdachten [betrokkene ] en zijn echtgenote [betrokkene 3] .
2. Onderzoeksperiode:
Het financiële onderzoek tegen verdachten strekt zich uit over de periode van 1 januari 2007 tot en met 23 augustus 2012 (datum 2e doorzoeking woning).
(…)
Beginsaldo kas
Aangezien niet is gebleken dat de verdachten [betrokkene ] en [betrokkene 3] aan het begin van de onderzoeksperiode over contanten konden beschikken, ben ik, verbalisant, in de berekening ervan uitgegaan dat de verdachten aan het begin van de onderzoeksperiode (1 januari 2007) geen bedrag contant ter beschikking hadden.
Het beginsaldo van de kasopstelling is door mij, verbalisant, op nihil gesteld.
Legale contante inkomsten:
Opnames Nederlandse bankrekeningen:
De verdachten [betrokkene ] en [betrokkene 3] hebben tijdens de onderzoeksperiode in totaal een bedrag van € 14.376,22 contant van de bankrekeningen opgenomen.
Beschikbaar voor contante uitgaven:
Tijdens de onderzoeksperiode hadden de verdachten [betrokkene ] en [betrokkene 3] dus € 14.376,22 beschikbaar voor contante uitgaven, zijnde het beginsaldo van zijn kas (nihil) aangevuld met de totale contante opnames van de banken, zijnde € 14.376,22.
4.
Proces-verbaal van bevindingen contante uitgaven [betrokkene ] en [betrokkene 3] , op 31 oktober 2012 in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant] voornoemd (…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Aangetroffen bonnen en facturen
Tijdens de doorzoekingen in de woning van de verdachten werd een aantal bonnetjes/facturen aangetroffen met betrekking tot contante uitgaven.
5.
Een schriftelijk bescheid, betreffende een excel-overzicht van de facturen en bonnetjes, (…) gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen hiervoor onder 4 weergegeven, (…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
datum firma omschrijving bedrag
15-02-12 Maaslandse Recreatiecentra DV Ligplaats zomer boot € 529,35
07-09-11 Fraccaroli Kosten caravan € 26,00
10-10-11 Maaslandse Recreatiecentra DV voorschot liggeld boot € 100,00
04-04-11 Hornbach buitenkabel € 32,45
24-11-11 Intratuin rubbermat € 19,95
29-11-11 Nespresso koffie € 168,00
24-12-11 Media Markt app. Itunes € 50,00
25-08-08 Alain Bertoni Aankoop mini € 10.500,00
09-06-08 Porsche [D] schakelaar € 8,02
?2008 Belastingdienst BPM Mini Cooper € 2.673,00
30-04-08 Porsche [D] reparatie/onderhoud € 267,35
28-04-10 Fifa 3 Wk finale tickets € 2.030,08
22-02-08 Diemant team rijopleiding € 585,00
09-06-09 Knibbeler 2 relaxfauteuil € 798,00
27-03-12 Harense Smid windowwasher € 79,00
27-11-07 Piranha Racing Yamaha motor € 7.990,00
20-04-07 Watersport Paradise Helmond Waterscooter Yamaha € 9.400,00
13-06-08 Porsche [D] reparatie/onderhoud € 2.421,86
31-01-07 Martinshof BV sieraad € 1.500,00
03-06-09 Gemeente [plaats] verkl. Gedrag € 30,05
22-06-09 Huisdiercrematorium Crematie Tibor € 143,50
28-01-12 Optiek Mayk van Beek Lenzen € 497,80
01-10-11 Autobedrijf van Dijk Bemiddelingskosten verkoop mini €499,99
28-03-12 Thomas Cook Travel shop reis Turkije juli 2012 € 1.748,00
17-01-12 Thomas Cook Travel shop reis Italie juli 2021 € 719,00
20-01-12 Seat en sofas meubels € 1.727,50
27-05-10 Satelietdiscount Dreambox 800 € 409,95
Overweging hof: uit deze bonnen en facturen volgen contante uitgaven van in totaal € 45.068,85, welk bedrag het hof in het arrest heeft gecorrigeerd tot € 23.324,84 (…).
6.
Proces-verbaal van bevindingen contante uitgaven [betrokkene ] en [betrokkene 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
(…)
Nibud uitgaven:
Het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) is een onafhankelijke stichting die onder andere tot doel heeft inzicht te geven in de inkomsten en uitgaven van particuliere huishoudens.
Bij het bepalen van de uitgaven volgens het NIBUD ben ik, verbalisant, (in het voordeel van de verdachten) van het laagste inkomen uit de NIBUD tabellen uitgegaan.
Bij de berekening van deze uitgaven heb ik gebruik gemaakt van het NIBUD jaarboek 2009-2.
Dit is ongeveer in het midden van de onderzoeksperiode. Aangezien de cijfers per jaar slechts marginaal wijzigen, heb ik in het voordeel van de verdachten niet elk jaar afzonderlijk berekend, maar heb ik de cijfers van 2009 gehanteerd. Voor de gehele onderzoeksperiode werden de budgetcijfers voor een 2 persoonshuishouden.
Nibud 2009-2 (2 persoonshuishouden):
Voeding per maand € 273,-
Overige huishoudelijke uitgaven (toiletartikelen, kapper e.d.) € 135,-
Kleding en schoeisel € 79,-
Contributies/abonnementen € 48,- +
Totaal per maand € 535,-
(…)
Vakanties/reizen
Tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachten werden onder andere twee facturen van reisbureau Thomas Cook Travel Shop, [d-straat 1] te [plaats] aangetroffen en in beslag genomen.
Tijdens de onderzoeksperiode betroffen dit de volgende contante betalingen m.b.t. de volgende reizen:
Juli 2011 Italië 1/6 deel van de totale reissom € 1.036,08
April 2011 Jamaica 2/6 deel van de totale reissom € 2.624,56
Juli 2010 Zuid-Afrika 2/4 deel van de totale reissom € 7.885,43 +
Totaal € 11.546,07
(…)
Voer/vaartuigen
(…)
Resumé voer- en vaartuigen:
In de kasopstelling wordt een bedrag van € 98.599,- voor uitgaven voor voer- en vaartuigen meegenomen. Dit bedrag is als volgt samengesteld:
Renault Trafic: € 5.250,-
Porsche Cayenne: € 20.000,-
AudiA4: € 22.500,-
Audi TT: € 35.000,- (hof: in het arrest gecorrigeerd naar € 20.000,-, (…))
Mini Cooper: € 5.250,- (hof: in het arrest gecorrigeerd naar nihil, (…))
Bayliner: € 8.500,-
Batavus € 2.099,- (hof: in het arrest gecorrigeerd naar nihil, (…))
Totaal € 98.599,-
(Hof: in het arrest is het totaalbedrag gecorrigeerd naar € 76.250,00, (…))
(…)
Tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachten d.d. 23 augustus 2012 werd een zogenaamde iPad aangetroffen en in beslag genomen.
Door de afdeling digitale expertise van de politie Limburg-Zuid werd dit apparaat op forensische wijze uitgelezen.
Renault Trafic:
Op de iPad werd een foto aangetroffen van een Renault Trafic met kenteken [kenteken 1] . Uit de registers van de Rijksdienst voor het Wegverkeer blijkt dat de kentekenhouder - vóór de verdachte [betrokkene ] - [H] uit [plaats] was.
De verkoopfactuur werd door mij, verbalisant, bij [H] gevorderd.
Uit de e-mail en een afschrift van de factuur van [H] blijkt dat door de verdachte [betrokkene ] een bedrag van € 12.500,- contant betaald is voor deze auto.
Uit de registers van de Rijksdienst voor het Wegverkeer blijkt verder dat de Renault sinds 14 maart 2012 op naam staat van [I] B.V., [f-straat 1] te [plaats] .
De eigenaar van dit bedrijf werd door mij verbalisant als getuige gehoord op 5 september 2012.
Hij verklaarde € 7.250,- contant te hebben betaald voor de auto.
In de kasopstelling wordt een bedrag van € 5.250,- voor de Renault Trafic meegenomen, zijnde het aankoopbedrag van € 12.500,- minus het verkoopbedrag van € 7.250,-.
(…)
Audi A4 [kenteken 2] :
Zoals blijkt uit de factuur van Handelsonderneming [J] is bij de aanschaf van de Porsche Cayenne een Audi A4 Cabriolet met kenteken [kenteken 2] ingeruild. Deze auto stond destijds op naam van de verdachte [betrokkene ] .
Aan de ingeruilde auto werd een waarde toegekend van € 22.500,-.
Deze auto stond vanaf 8 juni 2007 op naam van de verdachte [betrokkene ] .
Ondanks het feit dat het aannemelijk is dat verdachte méér dan dit bedrag voor de auto betaald heeft, wordt in het voordeel van de verdachte dit bedrag van € 22.500,- in de kasopstelling meegenomen als zijnde de aankoop van de Audi A4.
Audi [kenteken 3] :
Uit onderzoek is gebleken dat deze auto is ingevoerd vanuit België. Op het moment van aankoop (1 september 2011) was de auto 4 jaar en negen maanden oud. Op het internet worden vergelijkbare auto's van dezelfde leeftijd aangeboden voor ongeveer € 35.000,-.
(Hof: in het arrest is dit bedrag gecorrigeerd naar € 20.000.-, (…))
(…)
Verbetering/verbouwing woning:
Terrasoverkapping
Tijdens de doorzoeking van de woning werden een aanvraag bouwvergunning d.d. 29 september 2008 en een bouwvergunning d.d. 4 november 2008 van de gemeente [plaats] aangetroffen en in beslag genomen.
Het betreft hier de bouw van een serre aan de achtergevel van de woning van de verdachten, [a-straat 1] te [plaats] .
Volgens de bouwvergunning bedragen de bouwkosten € 11.400,- en zullen de bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd door [K] B.V., [g-straat 1] te [plaats] .
Door mij verbalisant werd bij genoemd firma de uitlevering gevorderd van de factuur van deze werkzaamheden.
Door [K] B.V. werd een afschrift van twee facturen van een terrasoverkapping ter waarde van € 5.127,- aan mij, verbalisant, per e-mail toegezonden.’
7. Blijkens de toelichting richt het middel zich op de overweging van het hof dat aan de inhoud van de bewijsmiddelen het oordeel kan worden ontleend dat de betrokkene door middel van het begaan van een soortgelijk feit waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat het door betrokkene is begaan, te weten hennephandel, een voordeel als bedoeld in art. 36e Sr heeft genoten en dat dit voordeel als volgt moet worden geschat. De stellers van het middel menen dat uit de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en de door het hof genoemde dossierpagina's geen enkele aanwijzing volgt waaruit blijkt dat de verdachte betrokken is bij hennephandel, en al helemaal niet over de periode waarover de ontnemingsvordering zich uitstrekt.
8. Het hof heeft overwogen dat het aan de inhoud van de bewijsmiddelen het oordeel ontleent dat de betrokkene door middel van het begaan van een soortgelijk feit waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat het door betrokkene is begaan, te weten hennephandel, een voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr heeft genoten. In deze overweging, in samenhang bezien met de in aanmerking genomen onderzoeksperiode, ligt besloten dat het hof de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gebaseerd op art. 36e, tweede lid, Sr zoals het voor en na 1 juli 2011 luidde.
9. Artikel 36e, eerste en tweede lid, Sr luidde tot 1 juli 2011:
‘1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde strafbare feit of soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.’
10. Sinds de inwerkingtreding op 1 juli 2011 van de Wet van 31 maart 2011, Stb. 2011, 171 (Wet verruiming mogelijkheden voordeelontneming) luidt artikel 36e, eerste en tweede lid, Sr:
‘1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.’
11. In HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1498 heeft Uw Raad inzake de eis dat ‘voldoende aanwijzingen’ bestaan het volgende overwogen:
‘2.5.1 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523 overwogen dat het oordeel van de rechter dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten in de zin van het huidige artikel 36e lid 2 Sr heeft begaan, binnen het eigen kader voor het bewijs in de ontnemingsprocedure in overeenstemming moet zijn met de onschuldpresumptie. De in artikel 36e lid 2 Sr bedoelde “voldoende aanwijzingen” mogen daarom niet door de rechter worden aangenomen indien niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. Tevens behoort de betrokkene de gelegenheid te hebben aan te (doen) voeren dat en waarom er niet voldoende aanwijzingen bestaan dat andere feiten door hem zijn begaan.
2.5.2 Als de rechter heeft geoordeeld dat voldoende aanwijzingen in de hiervoor bedoelde zin bestaan dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan, kan de omvang van het voordeel door de rechter worden geschat (artikel 36e lid 5, eerste volzin, Sr). Op grond van artikel 511f van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan deze schatting slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. De uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet – gelet op artikel 511e lid 1 en 511g lid 2 Sv in verbinding met artikel 359 lid 3 Sv – de bewijsmiddelen vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover die de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden bevat (vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087).
2.5.3 Anders dan ten aanzien van de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel het geval is, is er geen wettelijke bepaling die voorschrijft dat de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de bewijsmiddelen moet vermelden waarop de vaststelling berust dat andere strafbare feiten, als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr, door de betrokkene zijn begaan (vgl. HR 26 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7805). Dat doet er niet aan af dat uit de uitspraak moet blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter de voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat de betrokkene een ander strafbaar feit of andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr, heeft begaan.
2.5.4 Het voorgaande geldt ook voor artikel 36e lid 2 (oud) Sr.
2.6 Voor zover het cassatiemiddel ertoe strekt dat het hof in zijn uitspraak de bewijsmiddelen had moeten vermelden waarop het oordeel berust dat voldoende aanwijzingen bestaan dat door de betrokkene soortgelijke feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 (oud) Sr zijn begaan, berust het – zoals volgt uit wat hiervoor onder 2.5.3 is overwogen – op een eis die het recht niet kent.’
12. Het hof heeft in het bestreden arrest overwogen dat het ‘de navolgende aanwijzingen (heeft) voor betrokkenheid van betrokkene bij hennephandel’. Het wijst er vervolgens op dat bij de doorzoeking van het bedrijfspand van de betrokkene op 1 september 2011 naast een hoeveelheid van 10.287 gram hennep eveneens andere aan hennephandel gerelateerde voorwerpen werden aangetroffen, zoals een weegschaal met schaal, meerdere mobiele telefoons, een geldtelmachine, twee elektrische schakelborden zoals die regelmatig worden aangetroffen bij hennepkwekerijen en buiten het bedrijfspand plastic zakken met hennepresten. Het hof merkt daarbij op dat de grote hoeveelheid hennep van ruim 10 kilo die is aangetroffen in het bedrijfspand van betrokkene, op zichzelf al een (sterke) aanwijzing oplevert voor de betrokkenheid van betrokkene bij hennephandel. En dat in samenhang bezien met de overige genoemde zaken die zijn aangetroffen in dat pand, de aanwijzing daarvoor nog sterker is.
13. Voor zover de klacht zou berusten op de opvatting dat het hof in zijn uitspraak de bewijsmiddelen had moeten vermelden waarop het oordeel berust dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat door betrokkene een ‘soortgelijk feit’ is begaan, vindt die opvatting geen steun in het recht. Uit de uitspraak dient wel te blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter de ‘voldoende aanwijzingen’ heeft ontleend. Aan die eis voldoet de bestreden uitspraak naar het mij voorkomt, doordat het hof heeft verwezen naar de hennep en de (andere) voorwerpen die bij de doorzoeking van het bedrijfspand van betrokkene zijn aangetroffen. Ook aan de eis dat de betrokkene de gelegenheid behoort te hebben aan te (doen) voeren dat en waarom er niet voldoende aanwijzingen bestaan dat andere feiten door hem zijn begaan, is voldaan. Ik wijs er in dit verband ook op dat het eerste arrest van het gerechtshof in de onderhavige zaak is gecasseerd omdat het hof in de aanvulling (en niet in het arrest zelf) had opgenomen dat de voordeelsontneming werd gebaseerd op een soortgelijk feit, te weten hennephandel. De betrokkene wist derhalve dat hij na cassatie met een ontnemingsmaatregel op deze grondslag rekening te houden had.
14. Voor zover de stellers van het middel hebben willen klagen dat het hof niet buiten redelijke twijfel heeft kunnen vaststellen dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan (strafbare) betrokkenheid bij hennephandel (opgevat als het plegen van of deelnemen aan het opzettelijk verkopen, afleveren en verstrekken van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, vgl. de artt. 3 en 11 Opiumwet), wijs ik erop dat uit de vastgestelde feiten een aantal aanwijzingen volgen. In de strafzaak is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij op 1 september 2011 te [plaats] ongeveer 10.287 kilo hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad. Het hof wijst op diverse ‘aan hennephandel gerelateerde voorwerpen’ die bij gelegenheid van de doorzoeking van het bedrijfspand van betrokkene zijn aangetroffen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het bedrijf werd gebruikt als opslagplaats van weed en dat de verdachte vanaf 1 mei 2011 één van de drie vennoten van het bedrijf is (bewijsmiddel 1). Uit (de bewijsmiddelen en) ’s hofs vaststellingen volgt voorts dat de verdachte over de onderzochte periode van meer dan vijf jaar substantiële onverklaarbare inkomsten heeft gehad. Aan de toereikendheid van deze aanwijzingen doet niet af dat, zoals de stellers van het middel hebben aangevoerd, er ook twee andere vennoten in het pand zaten, onder verdachte [betrokkene 4] een geldbedrag en een mobiele telefoon in beslag zou zijn genomen, en geen vingerafdrukken of DNA-sporen van de verdachte op de aangetroffen hennepzakken zouden zijn gevonden.
15. Het hof heeft zich niet expliciet uitgelaten over de periode waarin de hennephandel heeft plaatsgevonden. Het heeft uit de genoemde aanwijzingen evenwel kunnen afleiden dat het om betrokkenheid bij hennephandel over een langere periode gaat. Tot nadere motivering was het hof op dit punt naar het mij voorkomt niet gehouden. Ik neem daarbij in aanmerking dat de raadsman bij pleidooi heeft aangegeven zich aan te sluiten ‘bij de door het hof eerder gehanteerde beperktere onderzoeksperiode, te weten 1 januari 2007 – 30 april 2012’. En ik merk op dat ook aan de vaststellingen inzake het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van een eenvoudige kasopstelling aanwijzingen kunnen worden ontleend inzake de periode waarin het feit waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan zich heeft voorgedaan.
16. De stellers van het middel voeren voorts aan dat het hof onvoldoende zou hebben gemotiveerd hoe het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gerelateerd aan hennephandel, dan wel aan de veroordeling voor het bezit van hennep. Zij menen dat de voordeelsberekening ziet op witwassen en niet op hennephandel. De door het hof gebruikte berekeningswijze, te weten een eenvoudige kasopstelling, kan volgens de stellers van het middel worden gehanteerd bij toepassing van art. 36e, tweede lid, Sr, indien het aan de hand van die berekening vastgestelde bedrag in voldoende mate kan worden gerelateerd aan het feit of de feiten waarvoor betrokkene is veroordeeld dan wel aan andere strafbare feiten als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr, of voor zover deze zijn begaan vóór 1 juli 2011, soortgelijke feiten en/of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, als bedoeld in art. 36e, tweede lid (oud), Sr. Het hof zou, zo begrijp ik de stellers van het middel, (ten onrechte) in het midden hebben gelaten aan welk strafbaar feit het voordeel (in voldoende mate) kan worden gerelateerd.
17. In HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:414, NJ 2017/151 overwoog Uw Raad, voor zover hier van belang:
‘2.4.1. Het Hof heeft de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, doen steunen op een rapport waarin een berekeningssysteem is gebezigd waarin
a) is uitgegaan van gegevens die betrekking hebben op de periode waarin het bewezenverklaarde gewoontewitwassen is begaan,
b) als relevante gegevens onder meer zijn gebezigd
(1) de door de betrokkene gedane contante uitgaven, onder meer bestaande uit contante stortingen op bankrekeningen,
(2) de legale contante ontvangsten, inclusief bankopnamen,
(3) het eindsaldo aan contante gelden, en
c) het negatieve verschil tussen contante uitgaven en ontvangsten, dat slechts veroorzaakt kan zijn door een onverklaarde bron van ontvangsten, wordt aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel in de zin van art. 36e Sr.
2.4.2. Deze berekeningswijze, die pleegt te worden aangeduid als eenvoudige kasopstelling, komt in ieder geval in aanmerking bij toepassing van het derde lid van art. 36e Sr. De rechter is in dat geval niet gehouden te concretiseren welke "andere strafbare feiten" op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
2.4.3. Daarnaast kan deze berekeningswijze worden gehanteerd bij toepassing van het tweede lid van art. 36e Sr, indien het aan de hand van die berekening vastgestelde bedrag in voldoende mate kan worden gerelateerd aan het feit of de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld dan wel aan andere strafbare feiten als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr of, voor zover deze zijn begaan voor 1 juli 2011, soortgelijke feiten en/of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, als bedoeld in art. 36e, tweede lid (oud), Sr (vgl. HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3569).
2.4.4. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat in de eenvoudige kasopstelling ook door de betrokkene gedane contante uitgaven worden betrokken die betrekking hebben op of in relatie staan tot voorwerpen die onderdeel uitmaken van een bewezenverklaring ter zake van (gewoonte)witwassen. Het enkele feit dat in de eenvoudige kasopstelling dergelijke uitgaven in aanmerking zijn genomen, brengt evenwel niet met zich dat de uitkomst van de kasopstelling bij toepassing van art. 36e, tweede lid, Sr geheel als wederrechtelijk verkregen voordeel uit uitsluitend dat (gewoonte)witwassen kan worden aangemerkt (vgl. HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217, NJ 2013/293).
2.5. Het Hof is bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van het onder 2.4.1 genoemde rapport inhoudende een eenvoudige kasopstelling, waarbij het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat de uitkomst van die kasopstelling het door de betrokkene daadwerkelijk verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel representeert. Dat oordeel is evenwel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
Immers, indien het Hof heeft beoogd toepassing te geven aan art. 36e, derde lid, Sr, blijkt uit de overwegingen van het Hof niet dat aan de in die bepaling gestelde toepassingsvoorwaarden is voldaan, in het bijzonder niet aan het in het onderhavige geval nog geldende vereiste dat een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld (vgl. HR 29 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2714).
Indien het Hof toepassing heeft willen geven aan art. 36e, tweede lid, Sr, is het oordeel eveneens ontoereikend gemotiveerd. Het Hof heeft immers het aldus vastgestelde bedrag van het geschatte voordeel niet in voldoende mate - in de hiervoor onder 2.4.3 bedoelde zin - gerelateerd aan het feit of de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld dan wel aan andere strafbare feiten als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr, doordat het in het midden heeft gelaten of dat voordeel uitsluitend is verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde (gewoonte)witwassen, dan wel of en in hoeverre aan dat voordeel ook andere bewezenverklaarde feiten dan wel andere strafbare feiten als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr of, voor zover deze zijn begaan voor 1 juli 2011, soortgelijke feiten en/of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, als bedoeld in art. 36e, tweede lid (oud), Sr, ten grondslag liggen.’
18. In de onderhavige zaak heeft het hof niet in het midden gelaten aan welke feiten het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gerelateerd. Het hof heeft aan de bewijsmiddelen het oordeel ontleend dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen doordat hij een soortgelijk feit in de zin van art. 36e, tweede lid, (oud) Sr heeft begaan, namelijk (betrokkenheid bij) hennephandel. Ik meen voorts dat het hof het vastgestelde bedrag van het geschatte voordeel in voldoende mate aan de (strafbare) betrokkenheid van de verdachte bij hennephandel heeft gerelateerd. Het hof heeft toereikende aanwijzingen van hennephandel vastgesteld en aan de eenvoudige kasopstelling aanvullende aanwijzingen kunnen ontlenen inzake de periode waarin de betrokkenheid bij hennephandel zich heeft voorgedaan. Daaraan staat niet in de weg dat de kasopstelling in de strafzaak tot het bewijs is gebezigd in verband met een bewezenverklaring van witwassen. Ik merk voorts op dat door of namens de verdachte niet is aangevoerd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel deels aan andere strafbare feiten is toe te schrijven.
19. De stellers van het middel voeren ook nog aan dat hennepbezit geen soortgelijk feit in de zin van art. 36e, tweede lid, (oud) Sr, zou zijn als hennephandel. Uw Raad heeft overwogen dat onder ‘soortgelijke feiten’ dienen te worden verstaan ‘feiten die, gelet op het belang dat de wetgever door de strafbaarstelling ervan heeft willen beschermen, tot dezelfde categorie behoren als waartoe het strafbare feit behoort waarvoor de betrokkene is veroordeeld’. Het belang dat de wetgever met de strafbaarstellingen van enerzijds het verkopen, afleveren en verstrekken en anderzijds het aanwezig hebben van hennep heeft willen beschermen is identiek. Het hof heeft derhalve kunnen oordelen dat hennephandel een soortgelijk feit (in de zin van art. 36e, tweede lid Sv (oud)) is als het bewezenverklaarde feit.
20. Al met al meen ik dat het hof heeft kunnen oordelen dat de betrokkene door middel van het begaan van een soortgelijk feit waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat het door hem is begaan een voordeel als bedoeld in art. 36e Sr heeft genoten. En dat het hof toereikend heeft gemotiveerd hoe het vastgestelde bedrag van het geschatte voordeel is gerelateerd aan hennephandel.
21. Het eerste middel faalt.
22. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof bij de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel een onjuiste maatstaf heeft gebruikt. Het hof zou de maatstaf ‘aannemelijkheid’ hebben gebruikt en op meerdere momenten verweren hebben afgewezen omdat de verweren niet of niet voldoende onderbouwd waren met schriftelijke bescheiden. De stellers van het middel menen dat verweren in de ontnemingszaak aan dezelfde maatstaf dienen te worden getoetst als de verweren die de bewijsvoering van witwassen in de strafzaak betreffen. Een vrijspraak voor witwassen, dan wel een veroordeling tot een lager bedrag in de witwaszaak, zou een ontnemingsvordering uitsluiten, dan wel tot matiging van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te leiden, nu in de strafzaak en de ontnemingszaak van dezelfde berekening is uitgegaan.
23. Het hof heeft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet gerelateerd aan de bewezenverklaring van witwassen in de strafzaak. Het hof heeft de voordeelsontneming gebaseerd op het oordeel dat de betrokkene door middel van het begaan van een soortgelijk feit waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat het door betrokkene is begaan, namelijk hennephandel, een voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr heeft genoten. Reeds op die grond meen ik dat de koppeling die de stellers van het middel voorstellen, niet behoeft te worden gelegd.
24. Daar komt bij dat de ontnemingsprocedure, zoals Uw Raad heeft overwogen, ‘een ander karakter (heeft) dan de strafprocedure. Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan op grond van artikel 338 (https://www.navigator.nl/document/openCitation/id02f556d47d22f905022520fd9414f10a) Sv door de rechter slechts worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen. In de ontnemingsprocedure is de rechter echter voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebonden aan artikel 511f (https://www.navigator.nl/document/openCitation/id4cf0fe1edbf747318c9208fccc831faf) Sv waarin is bepaald dat de rechter die schatting slechts kan ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. In verband daarmee gelden in de ontnemingsprocedure andere regels van procesrecht dan in de strafprocedure’.
25. In dit licht meen ik dat de klacht dat de op de eenvoudige kasopstelling betrekking hebbende verweren aan dezelfde maatstaf dienen te worden getoetst als die van toepassing is bij een bewezenverklaring van witwassen, faalt.
26. In de toelichting op het middel wordt vervolgens geklaagd over de motivering waarmee het hof enkele bijzondere op posten in de eenvoudige kasopstelling betrekking hebbende verweren heeft verworpen. Die klachten zijn blijkens de gekozen formuleringen gebaseerd op het – onjuiste – uitgangspunt dat het hof deze verweren had moeten beoordelen als waren het verweren in verband met de bewijsvoering van witwassen. Zo wordt gesteld dat verweren ‘concreet en verifieerbaar’ waren en niet ‘op voorhand (hoogst) onwaarschijnlijk’.
27. Uw Raad gaat ervanuit dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat in zaken waarin de grondslag van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel in rechte is komen vast te staan ‘de bewijslast op redelijke en billijke wijze wordt verdeeld tussen het openbaar ministerie en de betrokkene’. Dat uitgangspunt verzet zich er niet tegen dat de ontnemingsrechter gevoerde verweren beoordeelt ‘langs de lat van de aannemelijkheid’, de onderbouwing van verweren (met schriftelijke stukken) van belang acht, en betekenis hecht aan het tijdstip waarop een verklaring wordt ingebracht, een verweer voor het eerst wordt gevoerd, en een standpunt dat eerder is ingenomen. In dat licht falen de klachten over de motivering van de verwerping van op posten in de eenvoudige kasopstelling betrekking hebbende verweren.
28. Het tweede middel faalt.
29. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
30. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG