ECLI:NL:PHR:2022:142

ECLI:NL:PHR:2022:142, Parket bij de Hoge Raad, 15-02-2022, 20/03652

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 15-02-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/03652
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2022:503
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854

Samenvatting

Conclusie AG. Veroordeling voor o.m. (medeplegen van) oplichting, meermalen gepleegd. Uos-klachten, art. 359.2 Sv. Conclusie strekt tot verwerping. Samenhang met 20/03650 en 20/03783.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/03652

Zitting 15 februari 2022 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de verdachte.

Van de McDonalds vestiging te Maastricht zijn camerabeelden verkregen van 23 mei 2010. Op de beelden is te zien dat om 10:14 uur een man in een lichtbruin pak met een schoudertas naar binnen loopt.

Prints van de beelden zijn opgenomen op pagina’s 426 tot en met 433 van het politiedossier. Verbalisant [verbalisant 1] heeft op het beeldmateriaal de verdachte herkend.

Verbalisant [verbalisant 2] heeft vijf foto's geselecteerd van mannen die gelijkenis vertonen met de foto van de verdachte. Die zes foto’s zijn in willekeurige volgorde in een fotoselectie opgenomen en aan aangever [betrokkene 1] getoond. [betrokkene 1] heeft op de foto met nummer 2 de persoon herkend die hen het geld in Maastricht afhandig heeft gemaakt. Fotonummer 2 betreft de foto van de verdachte.’

7. Het hof heeft onder het kopje ‘bewijsoverwegingen’ voorts het volgende overwogen:

‘Verweren verdediging

(…). Ten aanzien van het onder 3 primair, 5 primair en 7 primair tenlastegelegde is vrijspraak bepleit, waartoe het navolgende is aangevoerd.

Feit 3

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat uit de aangifte van [betrokkene 1] blijkt dat hij en zijn echtgenote de kwestie van meet af aan niet vertrouwden. Er was sprake van een zwart geld transactie. Het aandeel van de aangever daarin en het wantrouwen waren te groot om nog van oplichting te kunnen spreken, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld. Bij de bedoelde oplichtingsmiddelen, het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, gaat het er in de kern om of het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de persoon van de verdachte, hetzij wat betreft diens naam, hetzij wat betreft diens hoedanigheid. Bij listige kunstgrepen gaat het in vergelijkbare zin in de kern om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling. Bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen. Van een meer dan een enkele leugenachtige mededeling is niet slechts sprake indien meerdere duidelijk van elkaar te scheiden leugens kunnen worden aangewezen, maar ook indien sprake is van een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden, zoals het misbruik van een tussen de verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie.

Met de woorden “bewogen tot” wordt het oorzakelijk verband beschreven tussen het aanwenden van een bedrieglijk middel en een bepaald resultaat, bestaande in de gedraging van de bedrogene. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van de voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang. Om te kunnen spreken van “bewogen tot” is voldoende dat zonder de aanwending van het bedrieglijke middel de afgifte van het goed niet zou zijn gevolgd.

Het delict oplichting houdt volgens artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht het volgende in:

‘Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld, wordt, als schuldig aan oplichting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.’

Oplichting vormt tezamen met andere specifieke delicten één van de bedrogsdelicten uit het Wetboek van Strafrecht en geeft daarmee invulling aan het uitgangspunt van de wetgever geen algemene, overkoepelende strafbaarstelling van bedrog te hebben willen formuleren, maar de strafbaarheid van bedrieglijk handelen heeft beperkt tot specifieke, strafbaar gestelde gedragingen zoals opgenomen in de afzonderlijke delictsomschrijvingen in Titel XXV van het Wetboek van Strafrecht.

Het specifieke en wederrechtelijke karakter van oplichting weerspiegelt zich onder andere in de verschillende, in de delictsomschrijving opgenomen oplichtingsmiddelen. Met het hanteren van een of meer oplichtingsmiddelen handelt de verdachte op een specifieke, voldoende ernstige, bedrieglijke wijze, waarmee de verdachte bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken. In zijn overzichtsarrest van 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, heeft de Hoge Raad ten aanzien van de uitleg van oplichtingsmiddelen onder andere het volgende overwogen.

Bij een ‘samenweefsel van verdichtsels’ gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. De uitleg die daaraan in bestendige jurisprudentie wordt gegeven, is dat sprake moet zijn van ‘meer dan een enkele leugenachtige mededeling’. Maar indien sprake is van een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, kan deze in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden, zoals het misbruik van een tussen de verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie, eveneens voldoende zijn voor de kwalificatie, ‘samenweefsel van verdichtsels’ (vgl. HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:200). Bij ‘listige kunstgrepen’ gaat het in vergelijkbare zin in de kern om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen. Daarbij komt het aan op alle omstandigheden van het geval.

Bij de oplichtingsmiddelen die bestaan uit ‘het aannemen van een valse naam’ of een ‘valse hoedanigheid’, gaat het er in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de 'persoon' van de verdachte, hetzij wat betreft diens naam, hetzij wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. De in de rechtspraak wel gebruikte formulering dat een verdachte zich als een 'bonafide' deelnemer aan het rechtsverkeer heeft gepresenteerd, is met betrekking tot ‘het aannemen van een valse hoedanigheid’ slechts relevant als zo een presentatie als bonafide (potentiële) wederpartij berust op voldoende specifieke gedragingen die in de desbetreffende context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken.

De genoemde oplichtingsmiddelen kunnen betrekking hebben op gedragingen die niet altijd scherp van elkaar te onderscheiden zijn. Daardoor kunnen concrete uitwerkingen van deze oplichtingsmiddelen onderling samenhang vertonen en elkaar overlappen. Er kunnen zich dus gevallen voordoen waarin hetzelfde gedrag van de verdachte meebrengt dat meerdere oplichtingsmiddelen zijn gebezigd.

Oplichting vereist blijkens artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht verder dat iemand door zo een oplichtingsmiddel wordt ‘bewogen’ tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Van het in het bestanddeel ‘beweegt’ tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de in art. 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde handeling, is daarbij in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval (vgl. HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8600).

Het hof is van oordeel dat de volgende feiten en omstandigheden van belang zijn met betrekking tot de vraag of er sprake is van oplichting. De verdachte heeft zich gepresenteerd als zakenman en zich daarbij bediend van een valse naam. Hij heeft bij de aangever in strijd met de waarheid, en kennelijk uitsluitend met het doel om vertrouwen te wekken, gezegd dat hij tot de koop van de onroerende zaak van aangever zou overgaan; daarbij heeft de verdachte misbruik gemaakt van de positie van aangever en zijn echtgenote die heel graag hun huis wilden verkopen dat al jaren te koop stond. Omdat de aangever wantrouwig was, heeft eerst een “proefruil” plaatsgevonden, waarbij een bedrag van € 5.000 werd omgewisseld en aangever een bonus van 10 % kreeg. Deze proefruil is goed verlopen, waarmee bij de aangever het vertrouwen is gewekt in een goede afloop. Een en ander kan redelijkerwijs tot geen andere conclusie leiden dan dat de verdachte zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als een potentiële koper die in staat was en voornemens was de aangeboden onroerende zaak te kopen indien de koper grote coupures zou wisselen tegen kleinere coupures en waarvoor ook een extra opslag zou worden betaald. Voor het hof is aannemelijk geworden dat de aangever mede onder invloed van dit handelen en de daarmee in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is bewogen tot afgifte van het geldbedrag. Alhoewel er door het ter sprake brengen van zwart geld sprake was van een aanwijzing voor frauduleus handelen, is het hof van oordeel dat de aangever niet kan worden tegengeworpen dat hij de onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Aan de zijde van de verdachte staat daar immers een bedrieglijke vorm van handelen tegenover, waardoor de aangever desondanks met verdachte in zee is gegaan en is bewogen tot de afgifte van het geldbedrag. Niet kan worden gezegd dat sprake was van een zodanig doorzichtige voorstelling van zaken dat geen sprake meer is van oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Het verweer wordt verworpen.’

8. Blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 oktober 2020 heeft de raadsman aldaar het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Die pleitnota houdt – voor zover hier relevant – het volgende in:

‘Feit 3.

Vrijspraak.

[betrokkene 1] plaatst een advertentie, huis te koop. Er is een paar keer gebeld en er is een fysieke ontmoeting afgesproken in een eetcafeetje in Den Bosch. Tijdens die ontmoeting ging het gesprek over zwart geld.

Hierover verklaart [betrokkene 1] : “De man kwam bij mij en mijn vrouw wel een beetje vreemd over”.

Er volgt een tweede ontmoeting, waarbij zwart geld (€5000) werd gewisseld. Desgevraagd verklaart [betrokkene 1] : “We vonden het wel een vreemde zaak”.

Ook verklaart [betrokkene 1] :

“Ik heb meerdere keren aan hem gevraagd of hij mij niet aan het besodemieteren was”. “Mijn vrouw en ik vertrouwden het eigenlijk niet”. “Als we iets vroegen gaf hij liever geen antwoord dan wel”.

“Ik heb hem om zijn kopie van zijn legitimatie gevraagd. Dit wilde hij pas bij de overdracht geven”. “De man die zich uitgaf als [alias 1] zei tegen mij dat hij de vader was van [alias 3] . De namen klopten in ieder geval al niet”.

Relevant is dat [betrokkene 1] verklaart:

“Op een gegeven moment hebben wij tijdens het gesprek met [alias 3] aangegeven dat wij eventueel ook nog meer geld voor hem konden wisselen.”

“We hebben toen afgesproken dat hij voor 50.000 euro aan coupures van 500 euro zou wisselen voor kleine coupures van 200, 100 en 50 euro”.

Kortom: de eventuele aankoop van een huis was veranderd in een witwasoperatie.

Op de vraag of hij dit niet een vreemde zaak vindt verklaart [betrokkene 1] :

“Eigenlijk wel. Ik heb hem 100.000 vragen gesteld. Hij zei dan steeds als ik het niet wilde dan zouden we stoppen”.

Ook verklaart [betrokkene 1] nog:

“We hebben toch steeds het gevoel gehad dat het niet klopte. We zijn zo op ons hoede geweest. We hebben heel vaak tegen elkaar gezegd dat we er niet mee door moesten gaan”.

“Het gevreesde is toch uitgekomen”.

“We hadden zelfs een fotocamera bij ons zodat wij eventueel een foto van [alias 3] konden maken of van de auto als we elkaar zouden ontmoeten op de snelweg”.

Dit is geen oplichting meer, dit is een zwart geld transactie met een nog grotere zwart geld transactie in het verschiet met aangever die het van meet af aan niet vertrouwt. Zijn aandeel in dit feit en zijn wantrouwen zijn te groot om nog van oplichting te kunnen spreken.

Vide HR, 20 December 2016, ECLI:NL:HR:2889. Past 1 op 1 op deze casus.’

9. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 oktober 2020 blijkt dat de raadsman in aanvulling op het schriftelijk pleidooi nog het volgende heeft aangevoerd:

met betrekking tot feit 3, pagina 1

Ik ben van mening dat geen sprake is van oplichting in de zin van art. 326 sr en subsidiair dat geen sprake is van een geldbedrag dat hij anders dan door misdrijf onder zich had. Er was namelijk sprake van een witwastransactie.

onderaan pagina 2 van de pleitnota

De officier van justitie zei in 1e aanleg dat hij bewondering had voor de wijze waarop ik deed aan “blaming the victim”, maar dat is niet het geval. Ik haal uit het vonnis dat oplichting als bedoeld in artikel 326 Sr niet aan de orde is als het slachtoffer, gelet op alle omstandigheden van het geval, de onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Hier heeft het slachtoffer het zelfs daadwerkelijk doorzien. Kennelijk had hij een motief om er toch mee door te gaan.

Ik vraag vrijspraak van oplichting en ook van de subsidiair tenlastegelegde verduistering. Cliënt had het geld onder zich in het kader van het plegen van een misdrijf, namelijk witwassen.’

10. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het door de raadsman gevoerde verweer in het verlengde ligt van de volgende overweging van Uw Raad in het arrest van 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889, NJ 2017/157 m.nt. Keijzer onder NJ 2017/162 (met weglating van voetnoten):

‘2.4. In de voorgaande overwegingen staan de verschillende oplichtingsmiddelen centraal. Opmerking – en in voorkomende gevallen aparte aandacht – verdient nog dat voor oplichting blijkens art. 326, eerste lid, Sr is vereist dat iemand door zo een oplichtingsmiddel wordt “bewogen” tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Van het in het bestanddeel “beweegt” tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326, eerste lid, Sr.

Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de in art. 326, eerste lid, Sr bedoelde handeling, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In meer algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting in de zin van art. 326, eerste lid, Sr is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.’

11. De steller van het middel voert aan dat de verdediging heeft gesteld ‘dat de aangever gedurende het hele contact wantrouwen heeft gekoesterd (…) en kennelijk aldoor rekening hield met de mogelijkheid dat hij bedrogen uit zou komen’. En dat daaruit zou volgen dat de aangever het bedrog had moeten doorzien. Het hof zou in zijn overwegingen slechts hebben herhaald dat er aan de zijde van de verdachte sprake was van een valse voorstelling van zaken. Dat zou evenwel niet duidelijk maken waarom de aangever het bedrog niet had hoeven doorzien. Tegen de achtergrond van de hiervoor geciteerde overweging van Uw Raad, die zou inhouden ‘dat de persoonlijkheid, de kennis en de gedragingen van het slachtoffer factoren van belang zijn voor het oordeel of er sprake is van oplichting’, zou het hof onvoldoende begrijpelijk hebben gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging.

12. Voor zover in de toelichting op het middel wordt gesteld dat het hof (bij de bespreking van het gestelde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt) slechts heeft herhaald dat er sprake was van een valse voorstelling van zaken door de verdachte, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft in verband met het wantrouwen van de aangever overwogen dat er eerst een ‘proefruil’ heeft plaatsgevonden, waarbij een bedrag van € 5.000 werd omgewisseld en aangever een bonus van 10% kreeg, dat deze proefruil goed is verlopen en dat daarmee bij de aangever het vertrouwen is gewekt in een goede afloop. Mede op grond van deze gang van zaken komt het hof, zo begrijp ik, tot het oordeel dat ‘de aangever niet kan worden tegengeworpen dat hij de onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien’.

13. Voor zover het bewijsverweer als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dient te worden opgevat, heeft het hof naar het mij voorkomt in toereikende mate de redenen opgegeven waarom het van dit standpunt is afgeweken. Dat door of namens de verdachte wordt aangevoerd dat de aangever de onjuiste gang van zaken had moeten doorzien, brengt nog niet mee dat het hof gehouden is in te gaan op de persoonlijkheid van het slachtoffer, waaronder diens verstandelijke vermogens, alsmede de eigen gedragingen en kennis van zaken van het slachtoffer. Dat kan naar het mij voorkomt slechts anders liggen als de bijzonderheden van het geval daartoe aanleiding geven. Het hof heeft uit de vastgestelde feiten en omstandigheden de conclusie getrokken ‘dat de verdachte zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als een potentiële koper die in staat was en voornemens was de aangeboden onroerende zaak te kopen indien de koper grote coupures zou wisselen tegen kleinere coupures en waarvoor ook een extra opslag zou worden betaald’. Het hof acht aannemelijk geworden ‘dat de aangever mede onder invloed van dit handelen en de daarmee in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is bewogen tot afgifte van het geldbedrag’. Dat er door ‘het ter sprake brengen van zwart geld sprake was van een aanwijzing voor frauduleus handelen’ brengt niet mee dat de aangever ‘kan worden tegengeworpen dat hij de onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien’. In die redengeving ligt naar het mij voorkomt besloten dat naar ‘s hofs oordeel geen sprake is van een situatie waarin aan de zijde van het slachtoffer gelegen bijzonderheden aan het bewijs van oplichting in de weg staan. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Ik wijs er daarbij nog op dat de aanwijzing van frauduleus handelen het verzoek om een geldwisseltransactie door de verdachte en de medeverdachte niet minder geloofwaardig maakte.

14. Ik merk voorts nog op dat de raadsman in zijn pleidooi verwijst naar het hiervoor geciteerde arrest van Uw Raad (ECLI:NL:HR:2016:2889) en daarbij vermeldt: ‘Past 1 op 1 op deze casus’. Het ging in die zaak om een verdachte die op de internetsite Marktplaats.nl onder een valse naam iPhones te koop had aangeboden. De twee latere aangevers hebben het in die advertentie vermelde telefoonnummer gebeld. In deze telefoongesprekken heeft de verdachte betaling van (een deel van) de koopsom bedongen; die betalingen hebben ook plaatsgevonden. Vervolgens heeft de verdachte geen iPhones geleverd. Ook in die zaak verklaarde één van de aangevers dat hij het niet vertrouwde, maar akkoord was gegaan nadat de verdachte tegen hem had gezegd dat hij winkels had in Almelo, Rotterdam en Heerlen (bewijsmiddel 1). Tegen de andere aangever had de verdachte gezegd dat hij het toestel in een winkel kon ophalen en gaf hij een bankrekeningnummer op zonder de juiste tenaamstelling daarvan op te geven. Het oordeel van het hof ‘dat de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte vallen aan te merken als oplichting in de zin van art. 326 Sr’ gaf volgens Uw Raad niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk.

15. Het eerste middel faalt.

16. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof bij het onder 5 en 7 bewezenverklaarde onvoldoende begrijpelijk heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging.

17. Het hof heeft onder 5 en 7 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

‘5. primair

hij in de periode van 1 maart 2014 tot en met 28 april 2014, te Gasselte en Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 3] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 75.000 Euro, hebbende verdachte en zijn mededader met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- telefonisch contact opgenomen met [betrokkene 3] en zich bediend van de valse namen " [alias 4] of [alias 5] " en zich voorgedaan als handelaren in goud en onroerend goed en verteld dat hij gras/graszoden wilde bestellen voor een project in Dubai bij het bedrijf van die [betrokkene 3] , (genaamd [A] ) en

- twee afspraken gemaakt in het NH hotel te Amsterdam en bij gelegenheid van die afspraken aangegeven dat voordat hij het gras bestelde een groot bedrag aan geld wilde wisselen aangezien hij door zijn handel veel biljetten van 500 Euro had en die biljetten niet kon inwisselen bij een bank en aan die [betrokkene 3] gevraagd om 150.00 Euro contant te wisselen, en overeengekomen dat die [betrokkene 3] 75.000 Euro zou wisselen en bij welke geldwisseltransactie die [betrokkene 3] een bonus van 12% zou krijgen en

- (vervolgens) een derde afspraak gemaakt in restaurant "Kantjil" te Amsterdam, bij welke afspraak/gelegenheid hij, verdachte, naar het geld vroeg en het geld graag wilde zien en het geld even op het toilet wilde controleren,

waardoor die [betrokkene 3] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

7. primair.

hij in de periode van 23 februari 2014 tot en met 14 maart 2014 te Spijkenisse en te Amsterdam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 4] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 25.000 Euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- naar aanleiding van een advertentie op de internetsite Marktplaats waarbij genoemde [betrokkene 4] een huis in Hongarije (in Hajmas) te koop aanbood, telefonisch die [betrokkene 4] benaderd en aangegeven dat hij interesse had in die te koop aangeboden woning en zich daarbij bediend van de valse namen " [alias 6] en [alias 7] " en aangegeven dat hij "zwart" geld had en gevraagd of er een mogelijkheid was om daar het huis mee te kopen en

- (vervolgens) een afspraak te Amsterdam (bij de "Escape") gemaakt en zich daarbij voorgedaan als zakenman en handelaar in onroerend goed en overeengekomen de woning te kopen bij welke transactie 25.000 Euro zou worden omgewisseld in kleine coupures, aangezien verdachte coupures van 500 Euro had en dat graag wilde wisselen en

- (wederom) een afspraak te Amsterdam gemaakt voor het opmaken van een voorlopig koopcontract en de geldwisseltransactie, bij gelegenheid van welke afspraak/ontmoeting (in café restaurant Dauphine) hij, verdachte, vertelde "dat in de bruine tas die hij bij zich had het geld zat" en zei: "voor dat we verder gaan wil ik het geld controleren" ,

waardoor die [betrokkene 4] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte’

18. Het hof heeft de bewezenverklaring op Promis-wijze gemotiveerd. De bewijsmotivering luidt als volgt (met weglating van voetnoten):

‘Bewijsmiddelen

(…)

Feit 5

[betrokkene 3] heeft aangifte gedaan van oplichting. Hij heeft bij de politie verklaard dat hij met zijn bedrijf [A] te Gasselte veel adverteert op internet. [betrokkene 3] werd ongeveer zes weken voor 28 april 2014 gebeld door een persoon die zich voorstelde als [alias 4] en die voor een project in Dubai graszoden nodig had. Ze spraken af op 24 maart 2014 in Amsterdam in het NH hotel op het Rembrandtplein. Die dag ontmoetten [betrokkene 3] en zijn echtgenote [betrokkene 5] in dat hotel twee mannen die zich voorstelden als [alias 4] en [alias 5] . [alias 5] zei dat hij handelde in goud en onroerend goed en dat hij voor een project in Dubai 10 hectaren gras nodig had. Maar voordat hij het gras bestelde, moest [betrokkene 3] biljetten van € 500 omwisselen, omdat hij door zijn handel veel van die biljetten had en die biljetten niet kon inwisselen bij een bank. Hij wilde omwisselen voor € 150.000 en [betrokkene 3] zou dan een bonus van 12 % ontvangen. Bij een tweede afspraak tussen [alias 4] en [alias 5] en [betrokkene 3] en zijn echtgenote, op 10 april 2014 in hetzelfde hotel, zei [betrokkene 3] dat zij slechts aan € 75.000 contant geld konden komen en zij spraken dat bedrag af.

Op 28 april 2014 spraken zij op verzoek van [alias 5] af in restaurant Kantjil aan de Spuistraat in Amsterdam. Bij binnenkomst zat [alias 5] al op hen te wachten. De echtgenote van [betrokkene 3] had in een tas een bedrag van € 75.000 in kleine coupures bij zich. [alias 5] bestelde koffie voor hen, zei dat hij het geld graag wilde zien en dat hij het geld op het toilet ging controleren. Hij liet een tas achter, die leeg bleek te zijn. Een medewerker van het restaurant deelde hen mee dat hij de man met een tas naar buiten had zien rennen, via de achteruitgang.

In restaurant Kantjil hingen camera's; de camerabeelden van het incident op 28 april 2014 werden veiliggesteld. Er is een fotobijlage samengesteld met afbeeldingen van dit beeldmateriaal, die zijn opgenomen op pagina’s 552 tot en met 555 van het politiedossier. Verbalisant [verbalisant 1] heeft het beeldmateriaal van restaurant Kantjil bekeken. Op de beelden herkent hij de man - die volgens het onderschrift bij de fotobijlage op pagina’s 552 tot en met 555 [alias 5] heet - als zijnde de verdachte. Hij heeft de verdachte herkend aan zijn geschatte lengte, postuur, geschatte leeftijd en haardracht; met name de kalende plek op de kruin. De verbalisant heeft verdachte op 1 september 2014 aangehouden en ook daarna nog verschillende malen contact met hem gehad.

Feit 7

[betrokkene 4] , wonende te [plaats] , heeft aangifte gedaan van oplichting. Hij heeft bij de politie verklaard dat hij op 21 februari 2014 een huis in Hajmas (Hongarije) te koop had gezet op Marktplaats. Hij werd op 23 februari 2014 gebeld door een persoon die zich [alias 6] noemde, die zei dat hij het huis wilde kopen en dat zijn compagnon [alias 7] contact op zou nemen om het een en ander financieel af te ronden. [alias 7] belde de volgende dag, zei dat hij het huis wilde kopen met zwart geld, en vroeg of [betrokkene 4] € 100.000 zou kunnen wisselen. Twee dagen later belde [alias 7] en sprak met [betrokkene 4] af dat zij elkaar op 27 februari 2014 zouden ontmoeten bij de Escape aan het Rembrandtplein in Amsterdam. [betrokkene 4] ging er met zijn vrouw heen en sprak daar met [alias 7] . [alias 7] vertelde dat hij zaken deed in Europa, dat hij handelde in diamanten en onroerend goed en dat hij zwart geld had. [betrokkene 4] vertelde dat eventueel € 25.000 met zwart geld betaald kon worden, maar dat vond [alias 7] te weinig. Uiteindelijk werd afgesproken dat [alias 7] op 14 maart 2014 bij café restaurant Dauphine te Amsterdam het voorlopig koopcontract van de Hongaarse woning zou tekenen. [betrokkene 4] diende dan € 25.000 contant geld bij zich te hebben, want [alias 7] wilde biljetten van € 500 omwisselen. [betrokkene 4] leende € 5.000 van zijn dochter [betrokkene 6] en € 20.000 van zijn zus [betrokkene 7] . Op 14 maart 2014 was [betrokkene 4] met zijn echtgenote en zijn dochter om 09.15 uur zoals afgesproken bij café restaurant Dauphine te Amsterdam. [alias 7] was er ook, gekleed in een donkergrijs kostuum. Hij zei dat hij zijn geld in een bruine tas bij zich had. [alias 7] wilde voordat hij het contract zou tekenen eerst hun geld controleren en vroeg of ze op zijn tas wilden passen, waarna [alias 7] met hun geld richting de toiletten liep. [alias 7] kwam niet terug. De achtergelaten bruine tas bleek geen geld te bevatten. [alias 7] was weg. Op camerabeelden was te zien dat [alias 7] aan de achterzijde/zijkant in een zilverkleurige Mercedes stapte, aan de passagierskant, en dat die auto vervolgens wegreed, zo heeft [betrokkene 4] verklaard.

Van de parkeergarage grenzend aan het Dauphine hotel te Amsterdam zijn camerabeelden verkregen. Op het verstrekte beeldmateriaal d.d. 14 maart 2014 is te zien dat aangever [betrokkene 4] , diens echtgenote [betrokkene 8] en hun dochter [betrokkene 6] in de richting lopen van de hoofdingang van het Dauphine hotel te Amsterdam. Naast [betrokkene 4] loopt een manspersoon met in zijn linkerhand een bruine aktetas. De [familie] en de manspersoon gaan door de draaideur het hotel binnen.Door de getuige [betrokkene 6] is in een e-mail bevestigd dat de personen die te zien zijn op het beeldmateriaal haar vader, moeder, zij zelf en de oplichter betreffen.

Op de beelden is tevens een zilvergrijze Mercedes Benz te zien; na een minuut of 10 komt een man via een achteruitgang naar buiten; hij loopt in de richting van de zilvergrijze Mercedes en stapt in, waarna de Mercedes Benz wegrijdt.

Gelet op de uiterlijke kenmerken zoals lengte, postuur, haardracht en kleding heeft verbalisant [verbalisant 1] de persoon die zich “ [alias 7] ” noemde – zoals afgebeeld op de fotobijlage op pagina’s 641 tot en met 649 van het politiedossier – en die door de getuige [betrokkene 6] wordt aangewezen als de oplichter die haar vader € 25.000 afhandig heeft gemaakt, herkend als zijnde de verdachte [verdachte] .

Op 12 januari 2015 zijn tijdens de televisie-uitzending van het programma “Onopgeloste zaken” op SBS6 van Alberto Stegeman beelden getoond die afkomstig zijn van de bewakingscamera’s van restaurant Kantjil te Amsterdam en die op 28 april 2014 zijn gemaakt inzake de oplichting van aangever [betrokkene 3] . Op deze beelden is een man te zien met een kalende kruin, gekleed in een donkerkleurig pak, zwarte pumps, lichtkleurige blouse en een opvallende gele stropdas. Aangever [betrokkene 4] heeft naar aanleiding van die beelden per e-mail aan verbalisant [verbalisant 1] gemeld dat hij de persoon met de gele stropdas duidelijk herkent als de heer [alias 7] , de man die hem heeft opgelicht; ook zijn dochter [betrokkene 6] en zijn echtgenote zijn 100% zeker dat deze man de oplichter in hun zaak is.’

19. Het hof heeft onder het kopje ‘bewijsoverwegingen’ voor zover in deze relevant voorts het volgende overwogen (met weglating van verwijzingen):

Verweren verdediging

(…) Ten aanzien van het onder 3 primair, 5 primair en 7 primair tenlastegelegde is vrijspraak bepleit, waartoe het navolgende is aangevoerd.

(…)Feiten 5 en 7

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de herkenning van de verdachte bij het onder 5 tenlastegelegde door de verbalisant [verbalisant 1] onvoldoende is voor een bewezenverklaring. De door [verbalisant 1] beschreven kenmerken zijn te weinig onderscheidend om een bewezenverklaring op te kunnen baseren. Daarbij komt dat aangever [betrokkene 3] en zijn echtgenote (feit 5) en aangever [betrokkene 4] en zijn echtgenote en dochter (feit 7) de verdachte tijdens een meervoudige fotobewijsconfrontatie niet hebben herkend.

Omdat de herkenning van de verdachte bij feit 5 door verbalisant [verbalisant 1] ook relevant is voor een bewezenverklaring van het onder 7 tenlastegelegde, dient ook een vrijspraak te volgen voor feit 7.

Het hof overweegt als volgt.

Hetgeen de raadsman aan de orde heeft gesteld met betrekking tot de herkenning van de verdachte door verbalisant [verbalisant 1] doet het hof niet twijfelen aan de betrouwbaarheid van die herkenning.

Uit pagina 87 van het politiedossier leidt het hof af dat [verbalisant 1] niet alleen foto’s maar ook de bewegende camerabeelden van restaurant Kantjil heeft bekeken. Datzelfde geldt voor de camerabeelden van de parkeergarage bij café restaurant Dauphine (pagina’s 101 en 102). Zoals ook is vermeld in de bewijsmiddelen, heeft verbalisant [verbalisant 1] de verdachte op 1 september 2014 aangehouden en ook daarna nog verschillende malen contact met hem gehad. Gelet op deze omstandigheden acht het hof de verbalisant in staat om te komen tot een betrouwbare herkenning van de verdachte.

De omstandigheid dat aangever [betrokkene 3] en zijn echtgenote en aangever [betrokkene 4] en zijn echtgenote en dochter de verdachte niet hebben herkend tijdens een meervoudige fotoconfrontatie brengt het hof niet tot een ander oordeel. In het politiedossier (onder meer pagina 88 en pagina 103) is te lezen dat tijdens het politieonderzoek Ibis een aantal afbeeldingen is verzameld van de verdachte. Die afbeeldingen zijn beschreven in het proces-verbaal van bevindingen op pagina’s 901 en verder van het politiedossier. De afbeeldingen zijn bij elkaar gezet op een fotobijlage, die is opgenomen op pagina’s 905 en verder van het politiedossier. Zoals de politie heeft beschreven, blijkt uit de fotobijlage dat de verdachte in korte tijd, door kleine wijzigingen zoals haardracht, gezichtsbeharing en/of bril, een ander uiterlijk heeft. Hierdoor wordt een positieve herkenning bij een fotobewijsconfrontatie bemoeilijkt.

Het verweer wordt verworpen.’

20. Blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 oktober 2020 heeft de raadsman aldaar het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Die pleitnota houdt – voor zover hier relevant – het volgende in:

‘Feit 5.

Vrijspraak.

Ook in deze casus gaat het om wisselen van zwart geld.

De rechtbank heeft de herkenning door verbalisant [verbalisant 1] voldoende geacht om de bewezenverklaring op te baseren. De rechtbank overweegt daarbij dat [verbalisant 1] [verdachte] op 1 september 2014 heeft aangehouden en dat hij daarna nog verschillende malen contact met hem heeft gehad. Daarvan uitgaande is het opvallend en ontlastend dat [verbalisant 1] niet heeft geverbaliseerd dat hij [verdachte] “gewoon” heeft herkend, holistisch of aan zijn gezicht. In plaats van een herkenning die verwacht kan worden wanneer je iemand - vaker - hebt gezien, blijft het bij geschatte lengte en geschatte leeftijd, postuur, kalende plek op kruin en linkshandigheid. Linkshandigheid kan eraf want het feit dat iemand links iets draagt impliceert niet dat die persoon linkshandig is. Of andersom. De overige kenmerken zijn te weinig onderscheidend om een bewezenverklaring op te baseren.

Daar komt bij dat bij de uitgevoerde Foslo aangever [betrokkene 3] een ander aanwijst en zijn vrouw twijfelt tussen 3 personen. Geen herkenning dus. De rechtbank betrekt bij dit feit (en bij feit 7) het gegeven dat de modus operandi bij verschillende feiten vrijwel identiek is. Dit terwijl de rechtbank bij de beoordeling van feit 6 terecht overweegt dat de overeenkomst in modus operandi niet redengevend is omdat uit het dossier blijkt van verschillende mannen die opereerden in wisselende samenstellingen.

(…)

Feit 7.

Vrijspraak.

Opmerkelijk is dat leidinggevende [verbalisant 3] besloot deze zaak niet te onderzoeken omdat het om zwart geld ging.

Ook hier is de gestelde herkenning door [verbalisant 1] cruciaal. Hierbij geldt hetzelfde als hetgeen hiervoor bij feit 5 is opgemerkt. Indien uw hof van oordeel zal zijn dat niet bewezen kan worden dat [verdachte] de man is die te zien is op de beelden behorend bij feit 5 dan niet relevant dat aangever [betrokkene 4] op die beelden “hun dader” menen te herkennen.

Dat zowel [betrokkene 3] en zijn vrouw (feit 5), [betrokkene 4] , zijn vrouw en dochter [verdachte] niet hebben herkend bij een meervoudige fotoconfrontatie is niet slechts - zoals de rechtbank overweegt - een contra-indicatie voor betrokkenheid. Gezien hetgeen hiervoor is opgemerkt over de vraagtekens die bij de herkenning door [verbalisant 1] moeten worden gezet zijn deze niet-herkenningen een te hoge drempel voor een veroordeling.’

21. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 oktober 2020 blijkt dat de raadsman in aanvulling op het schriftelijk pleidooi het volgende heeft aangevoerd:

bij feit 5 op pagina 3 van de pleitnota

Na ‘op te baseren’: In dit vage signalement passen zeer veel mensen. Ik verzoek u cliënt vrij te spreken, omdat niet vaststaat dat hij de persoon in restaurant Kantjil is geweest.

bij feit 7, pagina 4 na de eerste alineaDe redenering van de advocaat-generaal zojuist gaat helemaal mank als gezegd wordt dat cliënt niet is te zien in de beelden bij feit 5. Als de man op de beelden [betrokkene 4] heeft opgelicht, blijft de vraag of het mijn cliënt is. Er wordt gezegd dat de mannen in wisselende samenstellingen opereerden.

Ik verzoek u mijn cliënt ook voor feit 7 vrij te spreken.’

22. De steller van het middel voert aan dat het hof in zijn overwegingen inzake de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte door verbalisant [verbalisant 1] niet is ingegaan op het argument van de verdediging dat de punten waarop de verbalisant verklaart de verdachte te herkennen onvoldoende kenmerkend zouden zijn. Het hof zou met de constatering dat de verbalisant in staat moet worden geacht om te komen tot een betrouwbare herkenning van de verdachte op een ander verweer hebben gerespondeerd dan door de verdediging is gevoerd en daarmee onvoldoende begrijpelijk hebben gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging.

23. Het hof heeft in de geciteerde overwegingen als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het, anders dan de verdediging, de herkenning van de verdachte door de verbalisant betrouwbaar acht omdat [verbalisant 1] niet alleen foto’s, maar ook bewegende camerabeelden van restaurant Kantjil en camerabeelden van de parkeergarage bij café restaurant Dauphine heeft bekeken en [verbalisant 1] de verdachte op 1 september 2014 heeft aangehouden en ook daarna nog verschillende malen contact met hem heeft gehad. Hetgeen de raadsman aan de orde heeft gesteld met betrekking tot de herkenning van de verdachte door verbalisant [verbalisant 1] doet het hof niet twijfelen aan de betrouwbaarheid van die herkenning. Naar het mij voorkomt heeft het hof daarmee toereikend gerespondeerd op het standpunt van de verdediging dat de herkenning van de verdachte door verbalisant [verbalisant 1] niet betrouwbaar is. Dat het hof niet expliciet is ingegaan op hetgeen de raadsman heeft gesteld omtrent het onderscheidend karakter van de kenmerken waaraan de verbalisant de verdachte heeft herkend, doet daaraan niet af. Ik wijs erop dat dat het hof niet gehouden is op elk detail van de argumentatie in te gaan. In de overwegingen van het hof ligt besloten dat en waarom het van oordeel is dat de verbalisant de verdachte kon herkennen op basis van ‘uiterlijke kenmerken zoals lengte, postuur, haardracht en kleding’. Ik merk in dat verband nog op dat het hof ook heeft overwogen dat de verdachte in korte tijd, door kleine wijzigingen zoals haardracht, gezichtsbeharing en/of bril, een ander uiterlijk heeft gekregen. En dat uit ’s hofs overwegingen blijkt dat de herkenning door verbalisant [verbalisant 1] niet op zichzelf staat, maar ondersteund wordt door de herkenning van de verdachte door aangever [betrokkene 4] , zijn dochter en zijn echtgenote aan de hand van de beelden die op televisie zijn getoond.

24. Het tweede middel faalt.

25. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

26. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?