Nummer 22/00003
Zitting 18 februari 2022
CONCLUSIE
T. Hartlief
In het cassatieberoep van
[verzoekster] B.V.
gericht tegen de beslissing van 13 december 2021 van de wrakingskamer van het hof Amsterdam
1. Bij ‘verzoekschrift’ van 15 december 2021 (hierna: ‘procesinleiding’) heeft [betrokkene 1] namens[verzoekster] B.V. cassatieberoep ingesteld tegen de beslissing van 13 december 2021 van de wrakingskamer van het hof Amsterdam, waarin zij het verzoek tot wraking van de leden van de wrakingskamer van het hof (in een andere samenstelling) buiten behandeling heeft gesteld. [betrokkene 1] is geen advocaat bij de Hoge Raad als bedoeld in art. 9j van de Advocatenwet.
2. In de procesinleiding wordt betoogd dat een uitzondering op de rechtspraak van Uw Raad moet worden aangenomen, in die zin dat géén procesvertegenwoordiging (door een advocaat bij de Hoge Raad) is vereist “indien zich een doorbrekingsgrond van een appelverbod voordoet en op basis daarvan hoger beroep c.q. cassatieberoep is ingesteld.” Ik verwijs naar de verwante zaak met nummer 21/04774, waarin [betrokkene 1] namens [verzoekster] B.V. een vergelijkbaar betoog heeft gevoerd, dat Uw Raad in een beschikking van 4 februari 2022 heeft verworpen.
3. Bij brief van 17 december 2021 heeft de griffie van de Hoge Raad aan [betrokkene 1] gemeld dat het cassatieberoep niet op de voorgeschreven wijze is aangebracht, namelijk niet door tussenkomst van een civiele cassatieadvocaat (advocaat bij de Hoge Raad). De griffie van de Hoge Raad heeft in de brief erop gewezen dat het verzuim kan worden hersteld door binnen twee weken na binnenkomst dezelfde procesinleiding opnieuw in te dienen, maar nu ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en via het webportaal van de Hoge Raad.
4. Bij brief van 30 december 2021 heeft [betrokkene 1] aan de griffie van de Hoge Raad bericht dat [verzoekster] B.V. het cassatieberoep doorzet zonder tussenkomst van een cassatieadvocaat (advocaat bij de Hoge Raad).
5. De vraag die moet worden beantwoord, is of [verzoekster] B.V. ontvankelijk is in haar cassatieberoep. Een cassatieberoep in een burgerlijke zaak kan alleen worden ingesteld met tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad. In een verzoekprocedure, zoals deze procedure, moet het cassatieberoep op grond van art. 426a lid 1 Rv worden aangebracht bij een procesinleiding, die wordt getekend door een advocaat bij de Hoge Raad. De procesinleiding moet op grond van art. 30c in verbinding met art. 407 lid 1 Rv langs elektronische weg worden ingediend. Daarvoor is het webportaal van de Hoge Raad aangewezen. Volgens de rechtspraak van de Uw Raad leidt het niet in acht nemen van deze voorschriften tot niet-ontvankelijkheid van verzoeker tot cassatie in zijn cassatieberoep. Dat is alleen anders indien de verzuimen zijn hersteld doordat dezelfde procesinleiding met inachtneming van de voorschriften opnieuw is ingediend. In dat verband hanteert Uw Raad een termijn van twee weken.
6. Herstel heeft in deze procedure niet plaatsgevonden.
7. Er is, anders dan [verzoekster] B.V. betoogt, geen aanleiding voor een uitzondering (op de hiervoor in randnummer 5. genoemde voorschriften en sanctie van niet-ontvankelijkheid) voor het geval waarin het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing van de wrakingskamer en een beroep wordt gedaan op een zogenoemde doorbrekingsgrond. Ik verwijs – om herhaling te voorkomen – naar de beschikking van Uw Raad van 4 februari 2022, en mijn conclusie die daaraan voorafging, in de verwante zaak met nummer 21/04774. Voor een andere beoordeling in deze procedure zie ik geen grond.
8. [verzoekster] B.V. dient op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar cassatieberoep.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van [verzoekster] B.V. in haar cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G