2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het middel bevat twee onderdelen.
Onderdeel 1
Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 5.9 van de bestreden beschikking en klaagt dat de daar gegeven overwegingen in strijd zijn met de wet, althans onvoldoende (begrijpelijk) zijn gemotiveerd. De klacht wordt als volgt uitgewerkt:
- Voor overplaatsing is in art. 8:16 Wvggz een aparte regeling opgenomen. In deze zaak is aan de orde de situatie waarin de verantwoordelijkheid voor het verlenen van de zorg op grond van een zorgmachtiging wordt toegewezen aan een andere zorgverantwoordelijke. Dat betekent dat aan de in art. 8:16 Wvggz vermelde voorwaarden moet worden voldaan. (zie onder 1.1)
- De rechtbank is kennelijk van oordeel dat hier niet sprake is van een beslissing die valt onder de reikwijdte van art. 8:16 Wvggz, omdat de klacht van betrokkene zich richt tegen de feitelijke overplaatsing. Dit betekent echter niet dat art. 8:16 Wvggz niet van toepassing is. De geneesheer-directeur moet voor een overplaatsing een schriftelijke beslissing geven en dient de betrokkene op de hoogte te stellen van de mogelijkheid om tegen die beslissing een klacht in te dienen. (zie onder 1.2)
- De patiëntenvertrouwenspersoon heeft aangevoerd dat, nu de overplaatsing van betrokkene naar een andere locatie meebrengt dat hij een andere zorgverantwoordelijke toegewezen heeft gekregen, de beslissing tot overplaatsing had moeten worden genomen door de geneesheer-directeur. Aldus is geklaagd dat de formele procedure van art. 8:16 Wvggz niet is gevolgd. De klachtencommissie heeft terecht geoordeeld dat de beslissing tot overplaatsing geduid had moeten worden als een beslissing op grond van art. 8:16 Wvggz waarvoor de zorgverantwoordelijke een aanvraag had moeten doen bij de geneesheer-directeur. (zie onder 1.3 en 1.4)
- De beslissing van 22 mei 2021 is een beslissing van de zorgverantwoordelijke als bedoeld in art. 8:9 Wvggz tot het verlenen van verplichte zorg ter uitvoering van de zorgmachtiging van 25 januari 2021. De beslissing met betrekking tot overplaatsing moet echter worden genomen door de geneesheer-directeur en een dergelijke beslissing ontbreekt. De overplaatsing van betrokkene naar Zuidlaren, locatie Olmenstaete, brengt in elk geval mee dat hij daar een andere zorgverantwoordelijke krijgt zoals bedoeld in art. 8:16 lid 1 Wvggz. Nu er ten onrechte vanuit is gegaan dat art. 8:9 Wvggz van toepassing is, terwijl art. 8:16 Wvggz de bepaling is waarin een overplaatsing als in deze zaak aan de orde is geregeld, dient de bestreden beschikking reeds daarom te worden vernietigd. (zie onder 1.5 en 1.6)
De klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Ik stel het volgende voorop.
Art. 8:9 lid 1 Wvggz luidt:
“De zorgverantwoordelijke neemt ter uitvoering van (…) de zorgmachtiging een beslissing tot het verlenen van verplichte zorg niet dan nadat hij:
a. zich op de hoogte heeft gesteld van de actuele gezondheidstoestand van betrokkene,
b. met betrokkene over de voorgenomen beslissing overleg heeft gevoerd, en
c. voor zover hij geen psychiater is, hierover overeenstemming heeft bereikt met de geneesheer-directeur.”
De zorgverantwoordelijke kan ter uitvoering van een verleende zorgmachtiging bepalen op welke wijze verplichte zorg, die is opgenomen in die zorgmachtiging, wordt verleend. Slechts indien de zorgverantwoordelijke geen psychiater is, schrijft de wet de instemming van de geneesheer-directeur voor.
Art. 8:16 Wvggz staat in paragraaf 5 van hoofdstuk 8, getiteld ‘Overplaatsing, tijdelijke onderbreking en beëindiging’. Het eerste lid luidt als volgt:
“1. De geneesheer-directeur kan op aanvraag of ambtshalve de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg op grond van een crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging aan een andere zorgaanbieder, geneesheer-directeur of zorgverantwoordelijke toewijzen. Betrokkene, de vertegenwoordiger, de advocaat of de zorgverantwoordelijke kunnen bij de geneesheer-directeur daartoe een schriftelijke en gemotiveerde aanvraag indienen.”
Het artikel wordt in de wetsgeschiedenis als volgt summier toegelicht:
“Artikel 8:18 (later vernummerd tot art. 8:16, A-G) maakt het mogelijk om de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg of het toepassen van dwang op grond van een zorgmachtiging of een crisismaatregel aan een andere zorgaanbieder, zorgverantwoordelijke of zorgverlener toe te wijzen. Deze bepaling maakt het mogelijk de zorgplicht (inclusief een eventuele opnameplicht) die verbonden is aan de zorgmachtiging of de crisismaatregel, door een ander te laten uitvoeren dan degene die genoemd is in de zorgmachtiging of de crisismaatregel.
Het uitgangspunt (…) is dat de geneesheer-directeur en betrokkene tot overeenstemming komen met alle betrokken partijen. Voorwaarde is daarmee dat de beoogde zorgaanbieder, geneesheer-directeur en zorgverlener ook instemmen met het overnemen van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de zorgmachtiging. (…) De uiteindelijke beslissing van de geneesheer-directeur op het verzoek is klachtwaardig.”
Keurentjes schrijft over art. 8:16 Wvggz het volgende:
“Wanneer betrokkene in een accommodatie is geplaatst en hij een voorkeur heeft voor een andere accommodatie dan kan hij of zijn vertegenwoordiger dat aangeven bij de geneesheer-directeur. Daar denken we in eerste instantie aan wanneer het gaat om overplaatsing. Maar het kan ook betekenen dat betrokkene naar een andere zorgaanbieder wil als hij verplichte zorg in een ambulante setting krijgt. Het overplaatsen betekent immers het overdragen van de verantwoordelijkheid voor het verlenen van de zorg, zoals geformuleerd in artikel 3:2. Het gaat om het overdragen van de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg, zie artikel 8:16 lid 1. Een verzoek daartoe moet schriftelijk en gemotiveerd gebeuren. Ook de zorgverantwoordelijke kan van mening zijn dat een andere accommodatie of een andere zorgaanbieder meer geschikt is voor betrokkene. Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan een betrokkene die geplaatst is in een algemeen psychiatrisch ziekenhuis maar dat zijn verslaving met zich meebrengt dat een plaatsing in een verslavingskliniek meer voor de hand ligt. Dan kan de zorgverantwoordelijke een dergelijke overplaatsing aanvragen bij de geneesheer-directeur. De geneesheer-directeur kan ook ambtshalve besluiten tot het overdragen van de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg aan betrokkene. De gemotiveerde beslissing op het verzoek of op zijn ambtshalve genomen besluit zet hij op schrift. Hij deelt dat mede aan betrokkene en een afschrift ervan stuurt hij aan de vertegenwoordiger en aan de officier van justitie.
Daarnaast kan, wanneer het gaat om een opname, het zo zijn dat een ander, hoger beschermingsniveau noodzakelijk is vanwege door betrokkene toegepast fysiek geweld of dreiging daarmee. Is dit op voorhand bekend, dan kan gevraagd worden aan de rechter om in zijn beslissing op te nemen dat een plaatsing van maximaal acht weken mogelijk is in een fpc, conform de regeling van artikel 6:4. Maar is een dergelijke mogelijkheid niet meegenomen in de beslissing van de rechter dan is ook plaatsing in een naast hoger beveiligingsniveau mogelijk, zoals overplaatsing naar een fpa of fpk.
De geneesheer-directeur moet voordat hij een beslissing tot overplaatsing wil nemen, eerst een bereidverklaring hebben van de beoogde zorgaanbieder, geneesheer-directeur of zorgverantwoordelijke. Die moet bereid zijn de zorg of verplichte zorg op grond van een crisismaatregel, een voortzetting daarvan of van een zorgmachtiging te verlenen aan betrokkene. Overleg over een voorgenomen overplaatsing is derhalve noodzakelijk. (…)”
K.M. Vermeulen schrijft:
“De geneesheer-directeur kan een overplaatsing in gang zetten op eigen initiatief, bijvoorbeeld als hij van mening is dat een andere zorgaanbieder beter past bij de verplichte zorg die betrokkene nodig heeft. Ook kan de geneesheer-directeur overgaan tot overplaatsing naar aanleiding van een aanvraag van de betrokkene of zijn vertegenwoordiger of zorgverantwoordelijke. Dat de geneesheer-directeur de enige is die een eventuele overplaatsing in gang kan zetten past binnen de verantwoordelijkheid die hij heeft als ‘zorgregisseur’. Een voorbeeld voor een aanvraag tot overplaatsing kan zijn dat betrokkene zich niet prettig voelt onder zijn huidige zorgverantwoordelijke en graag overgeplaatst wil worden naar een andere zorgverantwoordelijke. Of deze bepaling enkel betrekking heeft op het structureel overdragen van de verantwoordelijkheid of dat het ook kan gaan om tijdelijke overplaatsingen, bijvoorbeeld wanneer betrokkene tijdelijk in een ziekenhuis wordt opgenomen, blijkt niet duidelijk uit de wet. Met een overplaatsing is bedoeld het overdragen van de zorg-verantwoordelijkheid. Het betreft dus niet altijd een fysieke overplaatsing van de betrokkene van de ene naar de andere accommodatie. Immers kan verplichte zorg ook ambulant worden verleend. Het gaat in deze bepaling om het toewijzen van de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg op grond van een maatregel of machtiging aan een andere zorgaanbieder, geneesheer-directeur of zorgverantwoordelijke. (…)”
Uit het voorgaande leid ik af dat art. 8:16 Wvggz ziet op een wisseling van zorgaanbieder, geneesheer-directeur of zorgverantwoordelijke, maar alleen in het geval aan de betrokken persoon al verplichte zorg wordt verleend. De geneesheer-directeur kan hierover ambtshalve een beslissing nemen, bijvoorbeeld als er binnen de instelling verschil van inzicht bestaat over de vraag of het aanwijzen van een nieuwe zorgverantwoordelijke noodzakelijk is. De geneesheer-directeur dient ook een beslissing te nemen over een wisseling van de zorgverantwoordelijke indien de patiënt, zijn vertegenwoordiger of de zorgverantwoordelijke zelf daarom vraagt. Indien overplaatsing naar een andere locatie van dezelfde zorgaanbieder of naar een andere afdeling binnen een zelfde zorginstelling met zich brengt dat de verantwoordelijkheid voor het verlenen van verplichte zorg moet worden overgedragen aan een andere zorgverantwoordelijke, is uitgangspunt dat de geneesheer-directeur een beslissing dient te nemen. Een fysieke overplaatsing als zodanig valt evenwel niet binnen de reikwijdte van art. 8:16 Wvggz.
Niet zonder meer duidelijk is of de geneesheer-directeur iedere wisseling van een zorgverantwoordelijke binnen dezelfde zorgaanbieder (of zelfs binnen dezelfde locatie van één zorgaanbieder) moet goedkeuren. Het woord ‘kan’ in de eerste zin van die bepaling lijkt erop te duiden dat als de geneesheer-directeur zelf geen aanleiding ziet voor het ambtshalve nemen van een dergelijke beslissing en hem ook niet is gevraagd, door bijvoorbeeld de patiënt of de zorgverantwoordelijke, om een beslissing te nemen, art. 8:16 Wvggz niet ertoe verplicht dat toch een beslissing wordt genomen over de wisseling van de zorgverantwoordelijke.
Bij de uitleg van de Wvgzz dient mijns inziens rekening te worden gehouden met de noden van de praktijk op de werkvloer. Uit de amicus curiae-brief van NVP spreekt bezorgdheid over de belasting die zou ontstaan, ook voor de patiënt, als bij elke wisseling van zorgverantwoordelijke een beslissing van de geneesheer-directeur nodig zou zijn. Die bezorgdheid lijkt mij een relevant gezichtspunt, dat echter niet ten koste mag gaan van de rechtsbescherming van de patiënt ten aanzien van wie verplichte zorg wordt toegepast.
Naar mijn mening brengt een redelijke toepassing van art. 8:16 lid 1 Wvggz mee dat voor een wisseling van een zorgverantwoordelijke geen beslissing van de geneesheer-directeur is vereist indien de betrokken patiënt (dan wel diens vertegenwoordiger) niet om een dergelijke beslissing heeft verzocht en zich ook niet verzet tegen een voorstel tot wisseling van de bestaande zorgverantwoordelijke. Op die manier wordt voorkomen dat de geneesheer-directeur ook een beslissing zou dienen te nemen als een wisseling van zorgverantwoordelijke plaatsvindt om redenen die geheel los staan van de persoon of het ziektebeeld van de patiënt, zoals overplaatsing, langdurig verlof, ontslag of pensionering van de zorgverantwoordelijke of als de betrokken patiënt dan wel diens vertegenwoordiger met de voorgestelde wisseling van zorgverantwoordelijke instemt. Een handtekening van de geneesheer-directeur zou in die beide typen gevallen niets wezenlijks toevoegen aan de bescherming van de betrokken patiënt.
Is door of namens de patiënt gevraagd om een andere zorgverantwoordelijke of juist geprotesteerd tegen de aanwijzing van een andere zorgverantwoordelijke door de instelling, dan dient de geneesheer-directeur op de voet van art. 8:16 Wvggz een beslissing te nemen. Tegen zowel een beslissing van de geneesheer-directeur als tegen het niet nakomen van de verplichting om een beslissing te nemen kan de patiënt op de voet van art. 10:3 lid 1, onder l, Wvggz opkomen bij de klachtencommissie. Op die manier wordt de rechtsbescherming van de patiënt gewaarborgd.
Na deze inleidende beschouwingen zal ik nu onderzoeken of in dit geval een beslissing van de geneesheer-directeur als bedoeld in art. 8:16 Wvggz was vereist. Ik roep in herinnering dat betrokkene bezwaar heeft gemaakt tegen zijn overplaatsing naar Zuidlaren. Naar ik begrijp wilde betrokkene liever terug naar huis en dus terug naar een ambulante situatie, wat volgens de zorgverantwoordelijke niet verantwoord was. Zij heeft daarom in haar beslissing van 22 mei 2021 bepaald om onder meer ‘insluiting’ en ‘opname in een accommodatie’ als vorm van verplichte zorg aan te zeggen.
Mij lijkt dat art. 8:16 Wvggz niet van toepassing is op de plaatsing van betrokkene in Olmenstaete (Zuidlaren).
Ten eerste blijkt uit de zojuist geschetste gang van zaken dat pas met de beslissing van 22 mei 2021 uitvoering is gegeven aan de zorgmachtiging van 25 januari 2021. De eerdere plaatsing in Winschoten was niet gebaseerd op die zorgmachtiging; betrokkene verbleef daar vrijwillig. Al op het moment dat betrokkene aldaar was opgenomen (en daarna tijdelijk in Groningen) stond vast dat hij te zijner tijd zou worden geplaatst in Olmenstaete in Zuidlaren en dat hij daar vanaf de aanmelding op een wachtlijst stond. In zoverre kan de plaatsing in Olmenstaete als een initiële plaatsing worden beschouwd en is van een overplaatsing als bedoeld in art. 8:16 Wvggz geen sprake, ook niet als die plaatsing meebrengt dat de persoon van zorgverantwoordelijke wisselt.
Betrokkene had de mogelijkheid om na de bekendmaking van de beslissing van 22 mei 2021 een klacht in te dienen tegen de voorgenomen overplaatsing naar Olmenstaete. Dit heeft hij niet gedaan (vgl. rov. 5.6 van de bestreden beschikking). De oordelen in rov. 5.6 worden in cassatie niet bestreden en dienen in cassatie derhalve tot uitgangspunt. De rechtbank heeft in rov. 5.7 onder meer overwogen dat betrokkene al in november 2020 is aangemeld bij het ART Zuidlaren en dat deze aanmelding op dat moment met hem is besproken. Twee maanden vóór het verlenen op 25 januari 2021 van de zorgmachtiging stond dus al vast dat betrokkene te zijner tijd zou worden geplaatst in Olmenstaete. Alléén vanwege de omstandigheid dat daar in november 2020 geen plaats voor hem was, is zijn vrijwillig verblijf in Winschoten voortgezet.
Ten tweede heeft betrokkene er niet over geklaagd dat hij met zijn plaatsing in Olmenstaete een andere zorgverantwoordelijke heeft gekregen (zie rov. 5.9). In deze zaak gaat het om (i) een reeds vóór het verlenen van de van toepassing zijnde zorgmachtiging voorgenomen plaatsing (ii) van een destijds vrijwillig opgenomen patiënt (iii) naar een instelling van dezelfde zorgaanbieder op een andere locatie waarvoor hij direct op de wachtlijst is gezet, terwijl voorts vaststaat (iv) dat betrokkene geen bezwaar maakt tegen de zorgverantwoordelijke die hij in de nieuwe accommodatie heeft gekregen. Art. 8:16 Wvggz is naar mijn mening niet geschreven voor een dergelijke situatie.
Nu de onderhavige overplaatsing blijkens het voorgaande niet valt onder het bereik van art. 8:16 Wvggz kan de klacht reeds daarom niet tot cassatie leiden, wat er ook zij van de uitleg door de rechtbank van de stellingen van betrokkene (tegen welke uitleg het onderdeel overigens ook geen duidelijke motiveringsklacht richt).
Onderdeel 2
Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 5.8 van de bestreden beschikking. Het onderdeel klaagt dat de rechtbank in deze rechtsoverweging “voorbij is gegaan aan de vereisten van art. 8:16 Wvggz, die van openbare orde zijn”. De klacht wordt onder 2.1-2.4 als volgt uitgewerkt.
Een overplaatsing wordt geregeld in art. 8:16 Wvggz. De geneesheer-directeur dient een schriftelijke beslissing te nemen en een dergelijke beslissing ontbreekt in dit geval. Voor een beslissing over een overplaatsing kan niet worden teruggegrepen op een beslissing van de zorgverantwoordelijke op grond van art. 8:9 Wvggz, ook al heeft de geneesheer-directeur die beslissing naar de betrokkene en zijn advocaat gezonden, aldus de klacht. (zie onder 2.1)
Met de klacht dat de rechtbank heeft miskend dat de vereisten van art. 8:16 Wvggz van openbare orde zijn, veronderstelt het onderdeel klaarblijkelijk dat dit artikel in deze zaak van toepassing is en dat derhalve aan de overplaatsing van betrokkene een beslissing van de geneesheer-directeur ten grondslag had moeten liggen. Uit de bespreking van onderdeel 1 volgt dat ik van mening ben dat art. 8:16 Wvggz wegens aan de zaak eigen feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, niet van toepassing is op de overplaatsing van betrokkene naar locatie Olmenstaete in Zuidlaren.
De tweede klacht houdt in, samengevat, dat betrokkene zich niet kon verenigen met de overplaatsing naar Olmenstaete in Zuidlaren. Er is evenwel geen beslissing waartegen hij kon klagen. (zie onder 2.2)
Ik memoreer dat in cassatie niet wordt opgekomen tegen rov. 5.6, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat het voldoende duidelijk kon zijn dat betrokkene naar aanleiding van het op de voet van art. 8:9 Wvggz genomen besluit van 22 mei 2021 een klacht en een verzoek tot schorsing had kunnen indienen tegen de voorgenomen overplaatsing naar Olmenstaete. De overige punten die in de toelichting op deze klacht worden aangevoerd behoeven geen afzonderlijke bespreking.
Tot slot voert het onderdeel dat de overweging in rov. 5.10 dat de klacht van betrokkene alsnog ongegrond moet worden verklaard, in strijd is met art. 8:16 Wvggz in verbinding art. 5 lid 1, aanhef en onder e, jo. art. 5 lid 4 EVRM en derhalve recht biedt op schadevergoeding. De afdeling Olmenstaete in Zuidlaren is een zware afdeling en de beslissing om betrokkene daarheen over te plaatsen, terwijl hij nog een eigen huis heeft, betekent een enorme inbreuk op zijn familie- en privéleven. De plaatsing in Olmenstaete kan worden beschouwd als een onmenselijke behandeling als bedoeld in art. 3 EVRM en bij het nemen van die beslissing zal alle voorzichtigheid moeten worden betracht. Dat is in deze zaak niet gebeurd. Een en ander laat zien hoe belangrijk het is dat er een schriftelijke en gemotiveerde beslissing door de geneesheer-directeur wordt genomen conform de in de wet opgenomen procedure. (zie onder 2.4)
Ook deze klacht veronderstelt blijkens de verwijzing naar art. 8:16 Wvggz dat dit artikel van toepassing is op de overplaatsing van betrokkene naar locatie Olmenstaete in Zuidlaren. Zoals gezegd is dit niet het geval is. De klacht faalt derhalve reeds op de hiervoor weergegeven gronden. Ik merk daarbij nog op dat de klacht veeleer betrekking heeft op de gevolgen die de overplaatsing van betrokkene naar de locatie Olmenstaete voor hem heeft. Daarop hadden de in de klachtprocedure geformuleerde klachten (althans in elk geval de gronden waarover de rechtbank nadien in de procedure op grond van art. 10:7 Wvggz had te beslissen) evenwel geen betrekking. Die hadden namelijk betrekking op de vraag of aan de overplaatsing een beslissing van de geneesheer-directeur ten grondslag had moeten liggen.
Slotsom
In het licht van het bovenstaande falen de aangevoerde klachten.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G