PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/00285
Zitting 1 februari 2022
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 20 januari 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens “overtreding van artikel 9, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot taakstraf voor de duur van 28 uren, subsidiair 14 dagen hechtenis.
2. Het cassatieberoep is op 28 januari 2021 ingesteld door het openbaar ministerie. De verdachte heeft op 11 februari 2021 op grond van art. 434, lid 2, Sv incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Op 22 september 2021 heeft het openbaar ministerie het cassatieberoep ingetrokken. Namens de verdachte heeft mr. N.R. Janszen, advocaat te Haarlem, in het kader van het incidenteel cassatieberoep een middel van cassatie voorgesteld.
3. De behandeling door de Hoge Raad van een incidenteel cassatieberoep is afhankelijk van de behandeling van het primaire, door het openbaar ministerie ingestelde cassatieberoep. Nu het openbaar ministerie het cassatieberoep heeft ingetrokken, kan het incidentele cassatieberoep niet meer behandeld worden. Daarom moet de verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het ingestelde incidenteel cassatieberoep (vgl. HR 17 december 1974, NJ 1975/94 en HR 10 maart 2009 ECLI:NL:HR:2009:BH5258).
4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden