ECLI:NL:PHR:2022:265

ECLI:NL:PHR:2022:265, Parket bij de Hoge Raad, 22-03-2022, 21/03113

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 22-03-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21/03113
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2022:580
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903 BWBR0039615 CELEX:32014L0041 EU:32014L0041

Samenvatting

Conclusie AG. Beklag tegen beslag n.a.v. een EOB, art. 552a jo 5.4.10 Sv. Rb heeft klaagster NO verklaard wegens tardief ingesteld beklag. Klacht over kennisgeving van beklagmogelijkheid met verkorte termijn ex art. 5.4.10 lid 1 Sv. De AG stelt voorop dat deze kennisgeving wettelijk gezien vormvrij is en concludeert dat de rechtbank feitelijk kon vaststellen dat de klaagster bij de doorzoeking in kennis is gesteld. Het advies is verwerping van het beroep.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/03113 Br

Zitting 22 maart 2022

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[klaagster] ,

hierna: de klaagster.

1. Het cassatieberoep

De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 16 juni 2021 de klaagster niet-ontvankelijk verklaard in het beklag ex art. 552a jo art 5.4.10 Sv, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan haar van een aantal onder haar in beslag genomen voorwerpen en een geldbedrag.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster. Mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2. Het procesverloop en waar het in deze beslagzaak om gaat

Uit de processtukken kan worden opgemaakt dat op 1 oktober 2020 in de woning van de klaagster een aantal goederen in beslag is genomen, waaronder sieraden. De beslaglegging is gedaan op grond van een Europees onderzoeksbevel (hierna: EOB) dat is uitgevaardigd door de justitiële autoriteiten van Spanje, in verband met een strafrechtelijk onderzoek naar de ‘medebeslagene’ [betrokkene 1] die woonde op hetzelfde adres en wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie en handel in verdovende middelen.

Namens de klaagster is op 21 oktober 2020 een e-mailbericht verzonden naar het openbaar ministerie met het verzoek om teruggave van een aantal goederen. Deze e-mail (of de strekking daarvan) is op enig moment door een medewerker van het openbaar ministerie doorgestuurd naar de rechtbank, met het verzoek om een klaagschrift tegen inbeslagname in behandeling te nemen. De rechtbank heeft vervolgens op 16 maart 2021 aan de raadsvrouw van de klaagster een verzoek tot schriftelijke afdoening van het klaagschrift gedaan. Op 17 maart 2021 heeft de raadsvrouw de rechtbank laten weten dat zij bij het openbaar ministerie een verzoek tot teruggave had ingediend en er niet van op de hoogte was dat dit verzoek kennelijk is doorgestuurd naar de rechtspraak. Zij heeft daarbij verzocht het verzoek weer neer te leggen bij het openbaar ministerie en als de officier van justitie vervolgens niet tot teruggave zou beslissen, de rechtbank van haar een klaagschrift ex art. 552a kon verwachten. Het openbaar ministerie heeft vervolgens op 22 maart 2021 laten weten zich tegen teruggave van de goederen te verzetten, waarop namens de klaagster op 1 april 2021 een klaagschrift is ingediend bij de rechtbank.

Het klaagschrift strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave van een aantal in beslag genomen goederen is op 2 juni 2021 in raadkamer behandeld. Aldaar is de ontvankelijkheid van het klaagschrift aan bod gekomen, omdat ex art. 5.4.10 Sv een klaagschrift tegen inbeslagneming naar aanleiding van een EOB binnen veertien dagen na kennisgeving van de beklagmogelijkheid bij de rechtbank moet zijn ingediend. Namens en door de klaagster is betwist dat zij bij de inbeslagname een dergelijke kennisgeving heeft gekregen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat uit het dossier volgt dat aan de klaagster bij de doorzoeking en inbeslagneming op 1 oktober 2020 een schriftelijke kennisgeving beklagrecht is overhandigd en dat zij mondeling in kennis is gesteld van de mogelijkheid om een beklagprocedure te starten. Gelet daarop heeft de klaagster naar het oordeel van de rechtbank te laat beklag ingediend en is zij niet-ontvankelijk verklaard.

Het cassatieberoep is tegen dit oordeel van de rechtbank gericht.

3. Het middel

Het middel houdt in dat de rechtbank de klaagster ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat het klaagschrift niet binnen de wettelijke termijn is ingediend, althans dat de rechtbank deze beslissing ontoereikend dan wel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.

De bestreden beschikking houdt – voor zover van belang – het volgende in:

Feiten

Op 1 oktober 2020 is te Utrecht onder de klaagster op grond van artikel 94 lid 1 Sv beslag gelegd op een aantal goederen, waaronder een aantal sieraden. Klaagster stelt eigenaar te zijn van deze sieraden. De inbeslagname komt voort uit een Europees Onderzoeksbevel (EOB), afkomstig van de Spaanse autoriteiten.

Dit beslag is gelegd in het kader van de onder opgemeld parketnummer ingeschreven strafzaak tegen de mede-beslagene [betrokkene 1] . Hij wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie en handel in verdovende middelen.

Standpunt klaagster

Het klaagschrift strekt tot teruggave aan de klaagster van de sieraden. Daartoe is allereerst aangevoerd dat klaagster ontvankelijk is in haar beklag, omdat volgens de verdediging onvoldoende is aangetoond dat de kennisgeving beklagrecht in het kader van een EOB aan klaagster is uitgereikt.

Er is geen belang van strafvordering dat zich verzet tegen teruggave van de sieraden. Er bestaat geen redelijke twijfel over het feit dat klaagster rechthebbende is van de sieraden, nu het uitsluitend damessieraden betreft en klaagster haar eigendomsbewijzen heeft overlegd.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in het beklag. Daartoe is gesteld dat betrokkenen direct na afronding van de doorzoeking op 1 oktober 2020 door de verbalisanten in kennis zijn gesteld van de bevoegdheid om binnen 14 dagen na die kennisgeving een klaagschrift in te dienen bij de rechtbank. Er is voor de eerste maal geklaagd op 21 oktober 2020, wat betekent dat de termijn met een week is overschreden. Gelet op het feit dat dit klaagschrift niet binnen de termijn van 14 dagen is ingediend, dient klaagster niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De officier van justitie heeft subsidiair geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag. Daartoe is gesteld dat het beslag onderwerp is van een EOB van de Spaanse autoriteiten. De Spaanse autoriteiten hebben gesteld dat er een strafvorderlijk belang heerst die het voortduren van het beslag rechtvaardigt, gezien het strafrechtelijk onderzoek naar de goederen.

Ontvankelijkheid

Ingevolge artikel 5.4.10 lid 1 Sv wordt de betrokkene bij wie in het kader van een uitvoering van een Europees onderzoeksbevel voorwerpen in beslag zijn genomen in kennis gesteld van zijn of haar bevoegdheid om binnen 14 dagen na kennisgeving een klaagschrift ingevolge artikel 552a Sv in te dienen bij de rechtbank.

Uit de zich in het raadkamerdossier bevindende processen-verbaal kan worden opgemaakt dat aan klaagster een schriftelijke kennisgeving beklagrecht is overhandigd en dat deze in haar woning in een envelop op tafel is gelegd. Bovendien is klaagster door de rechter-commissaris en de hulpofficier van justitie mondeling in kennis is gesteld van de mogelijkheid om een beklagprocedure te starten overeenkomstig artikel 552a Sv. De wet beschrijft, anders dan de raadsman heeft betoogd, niet op welke manier die kennisgeving dient plaats te vinden.

De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan al hetgeen in het proces-verbaal van bevindingen met nummer LERAG20009-221 is opgeschreven. Klaagster moet dan ook op de hoogte zijn geweest van de mogelijkheid een beklagprocedure ex artikel 552a Sv in te stellen. Niet is aannemelijk geworden dat zij vanaf het moment van de kennisgeving in haar woning niet in de gelegenheid was om dit tijdig te doen. Dit betekent dat, gelet op de wettelijke vereisten van artikel 5.4.10 Sv, de bezwaartermijn op 1 oktober 2020 is gaan lopen en dat het bezwaar niet binnen de termijn van twee weken is ingediend. Klaagster dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar beklag.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de klaagster niet ontvankelijk in het beklag.”

De kern van de klacht in cassatie is dat deze overwegingen van de rechtbank geen steun vinden in het betreffende proces-verbaal van bevindingen. Hieruit kan volgens de steller van het middel worden afgeleid dat er is gediscussieerd over de inbeslagname en een uitleg is gegeven over de beklagprocedure en hoe de klaagster kon handelen, maar niet dat de klaagster is gewezen op het bijzondere karakter van dit specifieke beslag in het kader van een EOB. Meer in het bijzonder blijkt volgens hem – ook uit de overwegingen van de rechtbank – niet, dat klaagster in kennis is gesteld van de kortere bezwaartermijn van veertien dagen, ‘het achterlaten van een document kan immers niet als een kennisgeving in de zin van die bepaling worden aangemerkt’. Ook is volgens de steller van het middel niet gebleken dat de klaagster mondeling van die termijn op de hoogte is gesteld. De suggestie van de rechtbank dat de klaagster op de hoogte was van die kortere termijn is derhalve volgens hem niet begrijpelijk en onvoldoende onderbouwd.

Het proces-verbaal van bevindingen ‘afgeven kennisgeving van beklag EU063’ met nummer LERAG20008-221 van 16 februari 2021 van ‘Team Rechtshulp 1’ houdt – voor zover van belang – het volgende in:

“Naar aanleiding van het Europese Onderzoeksbevel (EOB) [001] werd op donderdag 1 oktober 2020, omstreeks 22:00 uur, voor een doorzoeking ter in beslagname binnengetreden in de woning aan de [a-straat 1] , [postcode] te Utrecht. Ik, verbalisant R734, trad bij deze doorzoeking op als pand coördinator.

Voorafgaand aan de doorzoeking werd mij, blijkens proces-verbaal van relaas met documentcode LERAG20008-215, een kennisgeving beklagrecht ex. artikel 552A Wetboek van Strafvordering verstrekt. Bij de briefing voorafgaand aan de doorzoeking werd door de onderzoekscoördinator verzocht om voornoemd document in de woning achter te laten, na afloop van de doorzoeking.

Door mij is dit document in een enveloppe overgedragen aan de dienstdoende Hulp officier van Justitie.

Tijdens het bekijken van de in beslag genomen goederen in de woning, samen met de Rechter Commissaris, ontstond er een discussie. Ik hoorde dat de bewoonster van het pand het niet eens was met de goederen die in beslag genomen waren. Ik hoorde dat haar door de hulpofficier en de rechtercommissaris uitgelegd werd wat de beklagprocedure was en hoe zij kon handelen.

Ik zag dat de enveloppe met daarin vermoedelijk nog steeds de kennisgeving beklagrecht ex. 552A Wetboek van Strafvordering, door de hulpofficier van justitie is achter gelaten in de woning.”

In de raadkamer heeft de raadsman, thans ook steller van het middel, namens de klaagster aangevoerd dat het proces-verbaal van bevindingen geen uitsluitsel geeft of de kennisgeving van de mogelijkheid tot beklag daadwerkelijk is uitgereikt aan de klaagster. De feitelijke gang van zaken dat de verbalisant het document aan de hulpofficier van justitie zou hebben gegeven, de hulpofficier van justitie het document vervolgens in een envelop zou hebben gedaan en dat daarna een discussie zou zijn ontstaan waarbij de envelop met vermoedelijk de kennisgeving beklagrecht op tafel is gelegd, was volgens de raadsman niet aan te merken als het ‘uitreiken’ van de kennisgeving beklagrecht. De klaagster zelf heeft tijdens de raadkamerbehandeling verklaard dat zij de brief waarin stond dat zij het klaagschrift binnen 14 dagen moest indienen pas later in de bus heeft gekregen en dat zij [AG TS: ik neem aan tijdens de doorzoeking] enkel een kennisgeving van de inbeslagname had gehad, ‘maar niet over de procedure van beklag tegen de inbeslagname’.

Tegen de achtergrond van dit verweer in raadkamer zou de klacht in cassatie beperkt kunnen worden opgevat, in die zin dat enkel wordt geklaagd dat het feitelijke oordeel van de rechtbank dat de kennisgeving beklagrecht is uitgereikt aan de klaagster na de doorzoeking niet zonder meer begrijpelijk is. Als ik de klacht ruimer opvat, wordt geklaagd dat niet is gebleken dat een kennisgeving met daarin specifiek informatie over de verkorte beklagtermijn van veertien dagen is verstrekt.

Voor de beoordeling van deze ruimere klacht zijn de volgende bepalingen van belang:

“Art. 14 leden 1, 3 en 4 van de Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (hierna: de Richtlijn):

1. De lidstaten zien erop toe dat op de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregelen rechtsmiddelen toepasselijk zijn die gelijkwaardig zijn met die welke in een vergelijkbare binnenlandse zaak mogelijk zijn.

3. Indien de geheimhouding van een onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, krachtens artikel 19, lid 1, nemen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit passende maatregelen om ervoor te zorgen dat er informatie wordt verstrekt over de in het nationale recht geboden mogelijkheden om rechtsmiddelen in te stellen, zodra die middelen van toepassing worden, en wel tijdig zodat zij daadwerkelijk kunnen worden toegepast.

4. De lidstaten verzekeren dat de termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel dezelfde zijn als die in vergelijkbare binnenlandse zaken, en dat deze termijnen worden gehanteerd op een wijze die garandeert dat het recht tot aanwending van dat rechtsmiddel effectief kan worden gebruikt door de betrokken personen.

Art. 5.4.10 lid 1 Sv

De betrokkene bij wie in het kader van uitvoering van een Europees onderzoeksbevel voorwerpen in beslag zijn genomen danwel gegevens zijn gevorderd, of bij wie gegevens zijn vastgelegd tijdens een doorzoeking of onderzoek in een geautomatiseerd werk, aan wie een vordering medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van gegevens is gedaan, of die een vordering heeft ontvangen om gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede de betrokkene bij wie ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, als bedoeld in artikel 125o, heeft plaatsgevonden wordt, indien de geheimhouding van het onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, in kennis gesteld van zijn bevoegdheid om binnen veertien dagen na kennisgeving een klaagschrift ingevolge artikel 552a in te dienen bij de rechtbank.”

De richtlijn stelt als uitgangspunt dat lidstaten in verband met de uitvoering of uitvaardiging van een EOB moeten voorzien in dezelfde rechtsmiddelen als die welke in het geval bevoegdheidsuitoefening in een nationaal strafrechtelijk onderzoek gelden. De Nederlandse voorziening van art. 5.4.10 Sv creëert geen aparte beklagprocedure, maar zet uiteen onder welke omstandigheden de bestaande beklagregeling van art. 552a Sv van toepassing is op de uitvoering van een EOB. Deze bepaling is een uitwerking van art. 14 lid 3 van de Richtlijn. De wetgever heeft de strekking van deze bepaling van de richtlijn zo uitgelegd dat hieruit voortvloeit dat betrokkenen actief moeten worden geïnformeerd bij het inzetten van bevoegdheden. De gedachte hierachter is dat – in gevallen waarin geheimhouding niet is aangewezen – belanghebbenden zo optimaal mogelijk gebruik kunnen maken van de mogelijkheden tot rechtsbescherming die het nationale recht hun biedt. Ook zal het voor betrokkenen moeilijk zijn om na overdracht van de in beslag genomen voorwerpen tegen de inbeslagneming en voortduring van het beslag in het buitenland op te komen. Omwille van het belang van een spoedige uitvoering van het EOB, is gekozen voor een beklagtermijn van veertien dagen na de kennisgeving.

Samenvattend is de procedure als volgt. De beslagene wordt op grond van art. 5.4.10 Sv ‘in kennis gesteld’ van zijn bevoegdheid om binnen veertien dagen na ‘kennisgeving’ een klaagschrift ex art. 552a Sv in te dienen bij de rechtbank. De kennisgeving is vormvrij. Uit de parlementaire geschiedenis volgt slechts dat ‘de betrokkene wordt geattendeerd op de mogelijkheid om als belanghebbende een klaagschrift in te dienen’ en dat de officier van justitie de belanghebbende ‘een kennisgeving doet toekomen’ c.q. ‘inlicht’ of ‘attendeert’. De wetgever spreekt over een actief informeren.

In de literatuur is al gesignaleerd dat de ‘vormvrijheid’ van de kennisgeving met zich brengt dat het van groot praktisch belang is dat goed wordt vastgelegd dat de kennisgeving is gedaan, omdat pas dan door de rechter kan worden vastgesteld wanneer de beklagtermijn is gaan lopen en of de klager ontvankelijk is het beklag. Wanneer een betrokkene stelt dat de kennisgeving nooit is gegeven en het openbaar ministerie geen stukken kan overleggen waaruit het tegendeel blijkt, zal de beklagrechter het er doorgaans voor moeten houden dat de bewuste kennisgeving niet is gedaan.

Dan keer ik nu terug naar de bespreking van het middel.

De klacht kan als gezegd op twee manieren worden opgevat:

(i) de feitelijke vaststelling van de rechtbank dat de kennisgeving als bedoeld in art. 5.4.10 lid 1 Sv aan de klaagster daadwerkelijk is uitgereikt is niet zonder meer begrijpelijk, omdat deze enkel in de woning is achtergelaten of

(ii) het impliciete oordeel van de rechtbank dat uit het proces-verbaal volgt dat de klaagster op de hoogte is gesteld van de specifieke beklagregeling en -termijn bij een EOB is niet zonder meer begrijpelijk.

Ik meen dat in beide lezingen de klacht niet slaagt. Daarbij stel ik voorop dat feitelijke oordelen als het onderhavige zich in cassatie slechts lenen voor een beperkte toetsing.

Uit het proces-verbaal (zie onder 3.3.) volgt dat aan een verbalisant die bij de doorzoeking optrad als pand coördinator hieraan voorafgaand een ‘kennisgeving beklagrecht ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering’ was verstrekt en dat aan hem/haar bij de briefing door de onderzoekscoördinator was verzocht dit document in de woning achter te laten na de doorzoeking. De verbalisant heeft het document in een envelop overgedragen aan de dienstdoende hulpofficier van justitie. De verbalisant heeft gezien dat ‘de enveloppe met daarin vermoedelijk nog steeds de kennisgeving’ door de hulpofficier van justitie in de woning is achtergelaten.

De rechtbank heeft uit ‘zich in het dossier bevindende processen-verbaal’ afgeleid dat aan de klaagster een schriftelijke kennisgeving is overhandigd en dat deze in haar woning in een envelop op tafel is gelegd. Ook heeft de rechtbank expliciet verwezen naar een proces-verbaal van bevindingen met nummer LERAG20009-221. Dit proces-verbaal heb ik niet aangetroffen in het dossier, alleen het genoemde proces-verbaal met nummer LERAG20008-221. Andere relevante processen-verbaal heb ik in het dossier evenmin aangetroffen. Ik vind het aannemelijk dat het proces-verbaalnummer LERAG20009-221 een verschrijving is (9 in plaats van 8 op het einde) en dat de rechtbank haar vaststellingen heeft gedaan op grond van de gang van zaken zoals die volgt uit het onder 3.3 weergegeven proces-verbaal (LERAG20008-221).

Waar de rechtbank de vaststelling op baseert dat de envelop is overhandigd en op tafel is gelegd is mij onduidelijk. In zoverre heeft de steller van het middel een terecht punt. Uit het proces-verbaal kan immers niet méér worden afgeleid dan dat de envelop met daarin vermoedelijk nog steeds de schriftelijke kennisgeving is achtergelaten in de woning van de klaagster na afloop van de doorzoeking.

De rechtbank heeft echter ook overwogen dat de klaagster door de rechter-commissaris en de hulpofficier van justitie mondeling in kennis is gesteld van de mogelijkheid om een beklagprocedure ex art. 552a Sv te starten. Deze vaststelling kan mijns inziens wel uit het proces-verbaal worden afgeleid; dit houdt immers in dat ‘werd uitgelegd wat de beklagprocedure was en hoe zij kon handelen’.

In het licht van deze feitelijke vaststellingen, in onderlinge samenhang beschouwd (het achterlaten in de woning en het mondeling inlichten) is het oordeel van de rechtbank, dat de klaagster (ik begrijp: sinds de doorzoeking) op de hoogte moet zijn geweest van de mogelijkheid een beklagprocedure ex art. 552a Sv in te stellen, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat de bedoelde kennisgeving als gezegd vormvrij is en dat de klaagster zelf heeft verklaard dat zij de kennisgeving pas later op de bus heeft gehad, maar dit niet nader heeft onderbouwd, bijvoorbeeld wanneer dat is gebeurd.

Ook als de klacht ruimer moet worden opgevat, meen ik dat de rechtbank uit de feitelijke gang van zaken zoals die volgt uit het dossier en in het bijzonder het voornoemde proces-verbaal kon afleiden dat de klaagster in kennis is gesteld van de specifieke procedure en verkorte beklagtermijn van art. 5.4.10 Sv. Een handicap voor de toetsing in cassatie is dat een afschrift van de kennisgeving zelf in het dossier ontbreekt, zodat niet kan worden nagegaan wat hier precies in stond vermeld. Daar staat echter tegenover dat de klaagster zelf heeft verklaard de kennisgeving met de 14-dagentermijn op enig moment wel heeft ontvangen. Bovendien was duidelijk dat het ging om een doorzoeking en inbeslagneming in het kader van een EOB. Ook is er een briefing geweest waarbij de verbalisant uitdrukkelijk is gevraagd een kennisgeving beklagrecht art. 552a Sv achter te laten in de woning. Daarnaast is er een apart proces-verbaal opgemaakt door ‘Team Rechtshulp’ betreffende het afgeven van een kennisgeving van beklag (‘EU063’). Aan de klaagster ‘werd uitgelegd wat de beklagprocedure was en hoe zij kon handelen’. Dat de rechtbank in het licht van deze omstandigheden heeft vastgesteld dat de klaagster in kennis is gesteld van haar beklagmogelijkheid en er daarbij impliciet vanuit is gegaan dat deze kennisgeving ook de daarvoor geldende termijn als bedoeld in art. 5.4.10 Sv bevatte, acht ik niet onbegrijpelijk.

Het oordeel van de rechtbank dat het klaagschrift niet binnen de wettelijke termijn is ingediend en dat de klaagster daarom niet-ontvankelijk is in het beklag, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Het voorgaande neemt niet weg dat het, om misverstanden te voorkomen, van groot belang is dat de praktijk rondom de kennisgeving goed wordt vormgegeven én gedocumenteerd. Dat laat de onderhavige zaak goed zien.

Het middel faalt.

4. Conclusie

Het middel faalt.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?