ECLI:NL:PHR:2022:291

ECLI:NL:PHR:2022:291, Parket bij de Hoge Raad, 29-03-2022, 20/03128

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 29-03-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/03128
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2022:753
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854

Samenvatting

Conclusie AG over twee gevallen van belaging via internet. Drie middelen: 1. Zetten van een tatoeage en het herplaatsten van al gepubliceerde foto's is geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer; 2. Er kon niet volstaan worden met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden; 3. Verbeurdverklaring van een notebook ondanks het ontbreken van een relatie met een delict. Middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81.1 RO. De conclusie strekt tot verwerping.

Uitspraak

14. Het eerste middelfaalt.

15. Het tweede middel klaagt over het oordeel van het hof dat ondanks de overschrijding van de redelijke termijn volstaan kan worden met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de behandeling van de zaak is aangehouden om een door de verdediging verzochte getuige te horen. Het hof heeft volgens de stellers van het middel in dat kader miskend dat het getuigenverzoek al bij het indienen van grieven is gedaan en niet eerst op de zitting van 9 april 2019.

16. Het bestreden arrest houdt met betrekking tot de redelijke termijn het volgende in:

“Ten aanzien van de redelijke termijn overweegt het hof als volgt.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting is afgerond met een eindarrest binnen twee jaar nadat, hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Het hof is van oordeel dat in de zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden.

Immers, de tijd die in de zaak onder 1 is verstreken tussen de aanvang van de redelijke termijn in hoger beroep op 19 februari 2016 en het eindarrest op 22 september 2020 is langer dan twee jaar. Dit maakt dat de redelijke termijn in die zaak met ruim tweeënhalf jaar is overschreden.

Het hof is van oordeel dat deze overschrijding tot een matiging van de op te leggen straf moet leiden. De taakstraf voor de duur van 140 uren, die het hof in beginsel passend acht, zal derhalve worden verlaagd tot een taakstraf voor de duur van 120 uren.

De tijd die in de zaak onder 3 is verstreken tussen de aanvang van de redelijke termijn in hoger beroep op 19 februari 2018 en het eindarrest op 22 september 2020 is eveneens, langer dan twee jaar. Dit maakt dat de redelijke termijn in die zaak met ruim een half jaar is overschreden. Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in hoger beroep in deze zaak dat de zaak op 9 april 2019 door het hof is aangehouden voor onbepaalde tijd in verband met het verzoek van de verdediging tot horen van [slachtoffer 2] als getuige. Het hof is derhalve van oordeel dat ten aanzien van deze overschrijding kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.”

17. De vaststelling van het hof dat in de zaak onder 3 de redelijke termijn met ruim een half jaar is overschreden wordt in cassatie niet bestreden. De enkele opmerking in de toelichting op het middel (cassatieschriftuur onder 2.5) dat het hof uitspraak heeft gedaan (ruim) 31 maanden na het instellen van hoger beroep maakt dit niet anders. De grens van de redelijke termijn van twee jaar is immers door de uitspraak na 31 maanden overschreden met ruim een half jaar. Verder wordt er nog op gewezen dat “het verzoek [slachtoffer 2] te horen reeds in 2018 in de appelschriftuur is gedaan en dus niet pas ter zitting op 9 april 2019, en het Openbaar Ministerie de betrokken getuige ook niet had opgeroepen voor de eerdere zitting van 9 april 2019.” (aangevulde cassatieschriftuur onder 2.5). Het verzoek de getuige te horen is inderdaad vervat in een schriftuur met grieven van 23 februari 2018. In de overweging van het hof valt echter niet te lezen dat het verzoek pas ter zitting van 9 april 2019 is gedaan (of dat de vertraging is te wijten aan de verdediging), maar alleen dat op die datum de behandeling van de zaak is aangehouden in verband met het horen van de getuige. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag.

18. Het oordeel van het hof over het achterwege blijven van een rechtsgevolg bij de overschrijding van de redelijke termijn getuigt overigens ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin in het licht van alle omstandigheden van het geval onbegrijpelijk. Strafvermindering kan onder omstandigheden bij overschrijding van de redelijke termijn achterwege blijven en er kan dan worden volstaan met de enkele constatering van termijnoverschrijding. Het hof heeft niet alleen met zoveel woorden de duur van de overschrijding en het horen van een getuige in aanmerking genomen, maar er zijn ook andere omstandigheden die enig gewicht in de schaal kunnen leggen waaronder (1) de voeging met de zaak die als feit 1 is bewezenverklaard, zoals beslist ter terechtzitting van het hof van 9 april 2019; (2) het niet onaanzienlijk verminderen van de opgelegde taakstraf in verband met overschrijding van de redelijke termijn bij feit 1; (3) de planning van de zaak op de terechtzitting van 7 april 2020 voor een inhoudelijke behandeling, terwijl die behandeling vanwege de maatregelen in verband met de uitbraak van COVID-19 niet is doorgegaan.

19. Het tweede middelfaalt.

20. Het derde middel klaagt over de verbeurdverklaring van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 8. een Computer Notebook (serienr. [001] , zwart, merk: Acer, bouwjaar 2015). Hieronder wordt dit voorwerp aangeduid als het notebook of de Acer.

21. In het bestreden arrest heeft het hof met betrekking tot het notebook het volgende overwogen:

“Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof het onder 8 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerp, verbeurd dient te verklaren, nu de verdachte het onder 3 bewezenverklaarde met behulp van dit voorwerp heeft begaan.

Standpunt van de raadsman

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof een last tot teruggave dient te geven ten aanzien van het onder 8 inbeslaggenomen voorwerp, nu onvoldoende is gebleken dat de verdachte het onder 3 bewezenverklaarde met behulp van dit voorwerp heeft begaan.

Beoordeling

Verbeurdverklaren

Het na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp zoals dit vermeld is onder nummer 8 - volgens opgave van verdachte aan haar toebehorend - is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 3 bewezenverklaarde is begaan.

Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurd verklaren.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.”

22. De inbeslagneming van het notebook is, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van het hof van 8 september 2020, p. 5 en 6, aldaar in het kader van de bespreking van het onder 3 bewezenverklaarde feit nogal uitvoerig aan de orde geweest onder meer omdat de politierechter beslist heeft tot teruggave (na het wissen van afbeeldingen van het slachtoffer en haar familie) en die teruggave nog niet is gerealiseerd. Verdachte vraagt ter zitting van het hof zelf om teruggave. Ze verklaart onder meer op de al vermelde zitting:

“U houdt mij voor dat ik bij de politie heb verklaard dat ik alleen de Acer actief gebruikte en dat ik die het meest gebruikte en u vraagt mij waarmee ik deze handeling heb uitgevoerd. Ik heb dat op mijn desktop gedaan. De politie heeft dat opgeschreven, maar dat klopt niet. Mijn harde schijf is gekopieerd, dus u kunt dat zo zien.”

23. Met de verklaring bij de politie wordt kennelijk gedoeld op de verklaring van verdachte van 1 februari 2017 die naar aanleiding van de vraag hoeveel computers en apparatuur zij in huis heeft onder meer inhoudt: “2 PC’s waarvan 1 stuk, 5 laptops waarvan 1 kapot, 1 uit jaar 0, ik gebruik alleen de Acer actief. (…) De Acer laptop gebruik ik het meest.”

24. Het is niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof heeft geconcludeerd dat het notebook vatbaar is voor verbeurdverklaring nu zowel aan het toebehorensvereiste als aan de eis van een relatie met een bewezenverklaard delict (art. 33a, eerste lid aanhef en onder c Sr) is voldaan. Dat en waarom de rechter gehouden was in het arrest nader te reageren op de wens van verdachte om het notebook terug te krijgen zie ik niet in.

25. Het derde middelfaalt eveneens.

26. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

27. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

28. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?