Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte was op 4 december 2018 bekend met het vonnis waarvan beroep omdat de Mededeling Uitspraak van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 14 september 2018 in persoon aan de verdachte is uitgereikt.
De verdachte had derhalve binnen veertien dagen hierna in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter eerst op 9 januari 2019 hoger beroep ingesteld, zodat hij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
6. Alvorens de klacht te bespreken, wijs ik op het volgende. Uit de – hierboven in randnummer 4 ad (ii) genoemde – akte van uitreiking d.d. 4 december 2018 blijkt dat de mededeling uitspraak van de politierechter d.d. 14 september 2018 met parketnummer 96-116011-18 aan de verdachte in persoon is uitgereikt en betekend. Het hof heeft de verdachte dan ook – zoals hierna zal blijken terecht – niet-ontvankelijk verklaard omdat namens de verdachte hoger beroep is ingesteld buiten de daarvoor geldende termijn van twee weken na kennisneming door de verdachte van de voormelde uitspraak van de politierechter. Het middel keert zich niet tegen deze beslissing.
7. Dat neemt niet weg dat de steller van het middel deze omstandigheid wel in zijn schriftuur betrekt in zijn passage over het belang van de verdachte “bij het cassatiemiddel”. In de kern wordt daarover aangevoerd dat – ware de betekening/verzending van de appelakte juist verlopen – ter terechtzitting bepleit had kunnen worden “dat sprake is geweest van een verschoonbare termijnoverschrijding voor het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter”. Dat geeft mij aanleiding tot de volgende opmerking. Het ligt naar mijn inzicht in zo een geval inderdaad voor de hand dat de appelrechter zich eerst buigt over de vraag naar de geldigheid van de dagvaarding (waaronder mede begrepen de verzending van afschriften indien voorgeschreven), voordat hij zich een oordeel vormt omtrent de ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep. Zo kan de situatie worden voorkomen dat de verdediging de mogelijkheid wordt onthouden zich uit te laten over de verontschuldigbaarheid van de termijnoverschrijding. Gelet op het navolgende doet die situatie zich in de onderhavige zaak echter niet voor en is het hof tot een juiste beslissing gekomen over de ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep.
8. Als gezegd komt het middel op tegen de verstekverlening door het hof. Uit de processtukken zou niet kunnen blijken dat de dagvaarding of een afschrift daarvan is betekend of verzonden aan het in de appelakte vermelde adres. Dat ziet de steller van het middel echter verkeerd. Anders dan in de schriftuur wordt gesteld, blijkt immers uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken dat een afschrift van de appeldagvaarding is verzonden aan het adres Buitenhof 24, 2513 AG ’s-Gravenhage (zie randnummer 4 ad (vii)). Dit is het in de appelakte genoemde adres, en tevens het adres van de advocaat. Dat betekent dat ik hier kan volstaan met de constatering dat de klacht feitelijke grondslag mist.
9. Niettemin permitteer ik mij met betrekking tot het in de appelakte genoemde adres (van de advocaat) nog een opmerking ten overvloede. Het hoger beroep is door de advocaat (mr. R.A.J. Verploegh) ingesteld bij de griffie van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak laatstelijk heeft gediend. In de akte rechtsmiddel is onder de naam van de verdachte het adres van de advocaat vermeld. Dit aldus opgegeven adres kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als de opgave van een adres in de zin van art. 588a, eerste lid aanhef en onder c (oud), Sv, welke bepaling ten tijde van het uitbrengen en de uitreiking (betekening) van de appeldagvaarding nog van toepassing was en die inhield dat “een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen [wordt] toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres: indien door of namens de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden”. Deze bepaling had in beginsel niet het oog op het kantooradres van een advocaat dat in de akte rechtsmiddel is vermeld, als adres waaraan mededelingen over de strafzaak konden worden toegezonden. Er gold evenwel een uitzondering in het specifieke geval dat de appeldagvaarding op de voet van art. 588, eerste lid sub b onder 3° (oud), Sv ter griffie was uitgereikt op de grond dat de verdachte niet stond ingeschreven op een BRP-adres, niet gedetineerd was en van de verdachte geen feitelijke woon- of verblijfplaats bekend was. In zo een geval mocht de appelrechter – gelet op het grote belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht – bij afwezigheid van de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman de zaak niet in behandeling nemen dan nadat een afschrift van de appeldagvaarding was verzonden naar het in de akte rechtsmiddel vermelde kantooradres van de advocaat opdat de verdachte mogelijk langs die weg op de hoogte raakte van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak.
10. Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG