PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/03183
Zitting 15 februari 2022
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
“De verdachte heeft niet een schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”
4. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een "akte instellen hoger beroep", inhoudende dat op 18 februari 2021 door mr. E.R. Weening namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het eindvonnis van de politierechter uit de rechtbank Rotterdam van 10 februari 2021. Aan deze akte is geen "Grievenformulier Hoger Beroep" gehecht.
5. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het hof geen acht heeft geslagen op de inhoud van het door de raadsvrouw van verdachte per e-mail verzonden schrijven van 5 juli 2021 waarin grieven zijn opgenomen. Ter staving van die stelling zijn aan de cassatieschriftuur kopieën gehecht van:
i) een e-mail van 5 juli 2021 om 14.26 uur van mr. E.R Weening gericht aan de administratie van de rechtbank Rotterdam (onder meer) inhoudende:
“Betreft: [verdachte] / OM Appelschriftuur rolnummer 22.000492-18
Geachte heer/mevrouw,
Bijgaand treft u aan in bovenvermelde zaak een appelschriftuur.
Wilt u voor verzending naar het Gerechtshof zorgdragen?
Met vriendelijke groet,
E.R. Weening.”
ii) een e-mail van 5 juli 2021 om 14.31 uur van mr. E.R. Weening gericht aan de administratie van het gerechtshof Den Haag (onder meer) inhoudende:
“[verdachte] / OM rolnummer 22.000492-18 APPELSCHRIFTUUR rolzitting 7 juli 2021 te 13.30 uur.
Geachte heer/mevrouw,
Bijgaand treft u aan een appelschriftuur, zoals deze heden (formeel) is ingediend bij de Rechtbank Rotterdam.
Met vriendelijke groet,
E.R. Weening”
De bij beide berichten meegezonden appelschriftuur met grieven is aan de cassatieschriftuur gehecht. In aanmerking genomen dat het in de genoemde berichten genoemde e-mailadres het destijds in gebruik zijnde e-mailadres van de strafgriffie van de rechtbank Rotterdam en het hof Den Haag betreft, bieden de aan de schriftuur gehechte stukken grond voor het ernstig vermoeden dat namens de verdachte vóór het onderzoek ter terechtzitting op 7 juli 2021 een schriftuur houdende grieven is ingediend. Op grond daarvan moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat een dergelijke schriftuur is ingediend.
6. Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof dat de verdachte op de voet van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep, niet begrijpelijk.
7. Het middel slaagt.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden