2. De verdere beoordeling van het hoger beroep
de bewijsopdracht
2.1 […] [verzoeker] heeft twee getuigen laten horen, te weten zijn zwager [betrokkene 1] en zijn oud-collega [betrokkene 2] . Het hof heeft na afloop van het getuigenverhoor aan beide partijen gevraagd om de originelen van de arbeidsovereenkomst waarop ieder van hen zich beroept te deponeren. Logidist heeft dat gedaan, [verzoeker] niet.
2.2 Het hof beslist dat [verzoeker] niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht. Het hof legt die beslissing hierna uit.
2.3 Getuige [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij niets weet over de contractsduur die is afgesproken tussen [betrokkene 3] , directeur van Logidist, en [verzoeker] . Zijn verklaring draagt dus niet bij tot het bewijs. Getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat […]
2.4 Deze verklaring van [betrokkene 1] wordt niet ondersteund door ander bewijsmateriaal. Het hof oordeelt de verklaring onvoldoende om [verzoeker] in zijn bewijsopdracht te laten slagen. [betrokkene 1] is niet bij de ondertekening van het tweede contract geweest en heeft dat alleen later gezien. [verzoeker] heeft eerder in de procedure aangevoerd dat hij het tweede contract heeft ondertekend in het bijzijn van een oud-collega, maar die gang van zaken is niet uit de getuigenverhoren gebleken. De enkele verklaring van [betrokkene 1] dat er in het eerste gesprek tussen [verzoeker] en [betrokkene 3] is gesproken over een jaarcontract is ook onvoldoende duidelijk om daaruit te kunnen concluderen dat sprake is van een mondelinge arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar. [verzoeker] heeft geen andere bewijsmiddelen overgelegd. Zo heeft niet hij niet, zoals verzocht, de originele arbeidsovereenkomst met de duur van een jaar gedeponeerd.
duur van de arbeidsovereenkomst is 6 maanden
2.5 Omdat [verzoeker] niet is geslaagd in het bewijs, staat vast dat de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van zes maanden. Die overeenkomst eindigde op grond van artikel 7:667 lid 1 BW van rechtswege op 18 juni 2019. De overeenkomst hoefde dus niet opgezegd te worden. De primaire vordering van [verzoeker] wordt daarom afgewezen.
[…]
slotsom
2.9 Het hoger beroep zal worden verworpen.
[…]”
[verzoeker] heeft tijdig cassatie ingesteld. Daarbij merk ik op dat de eindbeschikking onjuist is gedateerd (12 april 2020, dat moet 12 april 2021 zijn (zoals wel juist in de vervolgbladen en onder de beschikking is vermeld) gelet op het geschetste procesverloop in paragraaf 1 van de eindbeschikking). Logidist voert verweer.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel bestaat uit één onderdeel. De daarin vervatte motiveringsklachten richten zich tegen rov. 1.2, 2.1, 2.2, 2.3 en 2.4 van de eindbeschikkingen komen erop neer dat de beschikking ontoereikend is gemotiveerd, omdat deze niet mede is gebaseerd op de door [verzoeker] – op verzoek van het hof – op 2 februari 2021 ter griffie van het hof gedeponeerde originele arbeidsovereenkomst. Uit de bestreden beschikking blijkt volgens de klacht immers niet a) dat het hof het door [verzoeker] gedeponeerde stuk bij zijn bewijswaardering heeft betrokken en b) waarom de door hem gedeponeerde arbeidsovereenkomst niet als (ander) bewijsmiddel naast de getuigenverklaringen bijdraagt aan het te leveren bewijs. Nu de bewijswaardering stoelt op een onvolledig dossier, kunnen alle daarop voortbouwende beslissingen niet in stand blijven, aldus de klacht. Het middel bevat ook nog de voorwaardelijke rechtsklacht dat de gegeven beslissing onjuist is voor het geval hof zou menen dat niet (alle) relevante bewijsmiddelen in de beoordeling zouden behoeven te worden betrokken, maar uit niets blijkt dat het hof daarvan is uitgegaan, zodat die rechtsklacht faalt.
Ter ondersteuning van zijn betoog heeft [verzoeker] een afschrift van de door de griffier van het hof ondertekende akte van depot van 2 februari 2021 als productie 1 bij de procesinleiding in cassatie gevoegd. De producties bij de procesinleiding zijn gelijktijdig met de procesinleiding, maar in een aparte pdf, geüpload in het webportaal van de Hoge Raad. Hoewel deze akte een feitelijk novum in cassatie is, levert dat geen strijd op met art. 419 lid 2 Rv jo. 429 lid 2 Rv. Dit is namelijk een stuk dat in cassatie wordt overgelegd om aan te tonen dat een ander stuk (te weten: de originele arbeidsovereenkomst waarop [verzoeker] zich beroept) wél behoort tot de gedingsstukken. Dat is toegestaan.
In het door [verzoeker] in het geding gebrachte afschrift van de akte van depot verklaart de griffier van het hof:
“Heden, 2 februari 2021, is namens [verzoeker] ter griffie op bovengenoemde locatie gedeponeerd:
- originele arbeidsovereenkomst”
De inhoud van de depotakte is niet betwist door Logidist, zodat Uw Raad van de juistheid van de verklaring van de griffier kan uitgaan zonder zich krachtens art. 83 Wet RO tot het hof te wenden. Dit volgt ook al uit het gegeven dat Uw Raad voor deze vraag als feitenrechter fungeert, waarmee art. 149 lid 1, tweede zin Rv (via art. 418a Rv) van toepassing is: gestelde feiten die niet of onvoldoende zijn betwist, moeten in beginsel als vaststaand worden beschouwd. Hiermee staat voldoende vast dat het gedeponeerde stuk het hof heeft bereikt (art. 3:37 lid 3 BW jo. art. 3:59 BW). Er is dus door [verzoeker] tijdigeen ‘originele arbeidsovereenkomst’ bij het hof gedeponeerd.
Het is in onze zaak niet komen vast te staan dat de raadsheren die de bestreden beschikking hebben gewezen de akte van depot van 2 februari 2021 en de blijkens die akte door [verzoeker] gedeponeerde ‘originele arbeidsovereenkomst’ onder ogen hebben gekregen. Mocht dit wel zo zijn, dan zijn de overwegingen waaruit volgt dat [verzoeker] de originele arbeidsovereenkomst waarop hij zich beroept niet zou hebben gedeponeerd (rov. 1.2, rov. 2.1 in fine en rov. 2.4 in fine) ontoereikend gemotiveerd. Mocht dit niet zo zijn, dan is dit mogelijk veroorzaakt door een tekortkoming binnen de administratie van het hof (apparaatsfout). Dit laatste maakt voor de beoordeling in cassatie niet uit. Ook in dat geval zijn de aangevallen overwegingen ontoereikend gemotiveerd. De raadsheren hadden van het gedeponeerde stuk kennis behoren te nemen. Het staat immers wél voldoende vast dat [verzoeker] een ‘originele arbeidsovereenkomst’ (tijdig) bij het hof heeft gedeponeerd, zoals we hebben geconstateerd in 2.4. Anders dan Logidist kennelijk betoogt (2.7 verweerschrift), doet het er niet toe of dat de arbeidsovereenkomst met de duur van (ongeveer) een jaar is of niet. Het gaat erom dat het hof (ook) het door [verzoeker] gedeponeerde stuk had moeten betrekken in zijn beoordeling.
Het verweer van Logidist dat [verzoeker] geen belang zou hebben bij zijn klachten faalt. Het belang van [verzoeker] is dat een verwijzingshof zijn primaire vordering opnieuw kan beoordelen aan de hand van het gehele dossier, inclusief de arbeidsovereenkomst die door hem is gedeponeerd. Dat is een overwegend feitelijke beoordeling over een niet ondergeschikt punt, uit te voeren door het hof waar naar verwezen wordt na vernietiging. Anders dan Logidist verder nog betoogt, volgt uit de bestreden beschikking of uit het dossier helemaal niet dat het deponeren door [verzoeker] van één enkele originele arbeidsovereenkomst (en niet twee originelen, de eerdere en de latere) hoe dan ook zou moeten leiden tot afwijzing van zijn vorderingen. Uit rov. 2.4 in fine volgt eerder dat het hof ook alleen maar depot van een enkele overeenkomst (die zou wijzen op een duur van (ruim) een jaar) verwachtte:
“[…] [verzoeker] heeft geen andere bewijsmiddelen overgelegd. Zo heeft (…) hij niet, zoals verzocht, de originele arbeidsovereenkomst met de duur van een jaar gedeponeerd.”
De beoordeling van de stelling van Logidist dat de arbeidsovereenkomst waar [verzoeker] zich op beroept vervalst zou zijn, is eveneens feitelijk (en van niet ondergeschikte aard) en is daarmee voorbehouden aan het verwijzingshof, zodat ook het verweer met die strekking van Logidist niet opgaat (vgl. verweerschrift 2.5).
Hieruit volgt dat de klachten slagen.
3. Conclusie
Ik concludeer tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G