PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/00785
Zitting 18 januari 2022
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.
5. In de cassatieschriftuur wordt niet ingegaan op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Het voorgestelde middel houdt – kort gezegd – de klacht in dat in strijd met artikel 48 Sv de raadsman van de verdachte niet is opgeroepen voor de terechtzitting in hoger beroep.
6. Op grond van art. 48 Sv ontvangt de raadsman onverwijld afschrift van alle stukken die ingevolge dit wetboek ter kennis van de verdachte worden gebracht (behoudens het bepaalde in art. 32, tweede lid, Sv). Uw Raad acht dit voorschrift van zo grote betekenis dat de niet-nakoming daarvan moet worden geacht ‘aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan. De niet-naleving van dat artikel brengt evenwel niet mee dat overschrijding van de beroepstermijn verontschuldigbaar is.
7. Ik wijs er in dit verband nog op dat op de (in persoon aan de verdachte uitgereikte) dagvaarding in hoger beroep staat vermeld: ‘Tegen een uitspraak kan beroep in cassatie worden ingesteld. In het algemeen loopt de termijn voor het aanwenden van dit rechtsmiddel slechts gedurende 14 dagen na de uitspraak’. Voorts wijs ik op het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, waaruit blijkt dat door de voorzitter is medegedeeld ‘dat de verdachte uiterlijk veertien dagen na heden beroep in cassatie kan instellen’.
8. Nu het beroep te laat is ingesteld en zich geen omstandigheden voordoen op grond waarvan de overschrijding van de beroepstermijn verontschuldigbaar is, kan de verdachte niet in het cassatieberoep worden ontvangen.
9. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden