PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/02600 J
Zitting 10 mei 2022
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 22 juni 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, in de zaak met parketnummer 16-265360-19 wegens 1. “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft” en 2. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III” en in de zaak met parketnummer 16-240240-19 wegens “medeplegen van schuldheling” veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van vijf maanden, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
2. Er bestaat samenhang met de zaak met nr. 21/02646. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
4. Voordat ik eventueel aan een bespreking van de middelen toekom, zie ik aanleiding de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de orde te stellen.
5. De stukken van het geding, houden voor zover hier van belang, het volgende in:
(i) Het hof heeft op 22 juni 2021 uitspraak gedaan in de onderhavige zaak.
(ii) De akte cassatie houdt in dat op 23 juni 2021 ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, [betrokkene 1], administratief ambtenaar bij dit gerechtshof, is verschenen teneinde tegen het arrest van het hof beroep in cassatie in te stellen. De akte cassatie vermeldt voorts dat de genoemde ambtenaar "blijkens de aan deze akte gehechte bijzondere volmacht" schriftelijk gemachtigde is van de verdachte om beroep in cassatie in te stellen.
(iii) Aan de akte cassatie is gehecht een e-mailbericht afkomstig van Boumanjal & Vingerling Advocaten van 23 juni 2021 dat het volgende inhoudt:
“Gerechtshof te Arnhem
t.a.v. de strafgriffie
PER MAIL
Utrecht, 23 juni 2021
Inzake: [verdachte] / OM (cassatie)
Uw ref: 21/002357-20
SCHRIFTELIJKE VOLMACHT INSTELLEN CASSATIE
Geachte heer, mevrouw,
Hierbij machtig ik, als bepaaldelijk door na te noemen persoon daartoe te zijn gemachtigd advocaat, u tot het instellen van cassatie namens
Naam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum] 2003
tegen het arrest d.d. 22 juni 2021 van het gerechtshof te Arnhem bekend onder het parketnummer 21/002357-20, alsmede tegen alle ter terechtzitting gegeven beslissingen.
Voornoemde verdachte / veroordeelde stemt in met het door de medewerker van de griffie aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in cassatie.
Een afschrift van de akte cassatie kan worden toegestuurd naar het in hoofde dezes genoemde adres van verdachte / veroordeelde.
Gelieve de akte ter bevestiging per omgaande (per fax) aan ondergetekende te doen toekomen.
U bij voorbaat zeer erkentelijk voor de te nemen moeite en in afwachting van de akte cassatie, teken ik,
met vriendelijke groet,
[in het e-mailbericht is hier een afbeelding van een handtekening opgenomen, DP]
A. Boumanjal”
6. Art. 450 Sv luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“1. Het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 449, kan ook geschieden door tussenkomst van:
a. een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd;
b. een vertegenwoordiger die daartoe persoonlijk, door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd.
(…)
3. Aan een schriftelijke bijzondere volmacht, verleend aan een medewerker ter griffie, tot het voor de verdachte aanwenden van het rechtsmiddel wordt slechts gevolg gegeven indien de verdachte daarbij instemt met het door deze medewerker ter griffie van het gerecht waar het rechtsmiddel wordt ingesteld voor de verdachte aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping. De verdachte geeft een adres op voor de ontvangst van een afschrift van de dagvaarding.
4. De volmacht, bedoeld in het derde lid, kan worden overgedragen met behulp van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen elektronische voorziening. De ontvangst van de volmacht wordt bevestigd. Als de dag en het tijdstip waarop de volmacht is ontvangen gelden de dag en het tijdstip van vastlegging van de volmacht in de aangewezen elektronische voorziening. De volmacht wordt bij de processtukken gevoegd. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het gebruik van de elektronische voorziening.
(…)”
7. In zijn arrest van 16 maart 2021 heeft de Hoge Raad zijn eerdere rechtspraak omtrent de wijze waarop via e-mail een volmacht om beroep in cassatie in te stellen kan worden verleend aan een griffiemedewerker herhaald:
“Een door de verdachte of betrokkene bepaaldelijk gevolmachtigde advocaat kan op de wijze van artikel 450 lid 3 Sv beroep in cassatie instellen door middel van het verlenen van een daartoe strekkende schriftelijke bijzondere volmacht aan een griffiemedewerker. Een e-mailbericht is niet zo een schriftelijke volmacht. Een als bijlage bij een e-mail gevoegde brief, inhoudende een schriftelijke volmacht waarmee een advocaat een griffiemedewerker machtigt om namens de verdachte of betrokkene een rechtsmiddel aan te wenden, moet echter wel als zo een schriftelijke volmacht worden aangemerkt, mits:
(i) het e-mailbericht, met bijlage, is verzonden naar een e-mailadres dat door het gerecht is aangewezen voor communicatie met de griffiemedewerkers inzake de aanwending van rechtsmiddelen in strafzaken en
(ii) de schriftelijke volmacht voldoet aan de in HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, geformuleerde eisen.
(Vgl. HR 22 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2654)”
8. Uit het voorgaande volgt dat een e-mailbericht niet kan worden aangemerkt als een schriftelijke bijzondere volmacht in de zin van art. 450, derde lid, Sv. Vereist is een als bijlage bij dit e-mailbericht gevoegde brief, inhoudende een schriftelijke volmacht waarmee een advocaat een griffiemedewerker machtigt om namens de verdachte een rechtsmiddel aan te wenden. In deze zaak is de schriftelijke volmacht om beroep in cassatie in te stellen echter opgenomen in een e-mailbericht zonder dat de schriftelijke volmacht als hiervoor bedoeld als bijlage is gevoegd bij dit e-mailbericht. Ook overigens bevindt zich bij de stukken van deze zaak niet een schriftelijke bijzondere volmacht als bedoeld in art. 450, derde lid, Sv van de advocaat aan de griffiemedewerker. Dit zou betekenen dat het beroep in cassatie niet op rechtsgeldige wijze is ingesteld.
9. Mijn ambtgenoot Harteveld merkte echter op dat een voor de hand liggende interpretatie van de rechtspraak van de Hoge Raad over de wijze waarop via e-mail een volmacht om beroep in cassatie in te stellen kan worden verleend aan een griffiemedewerker is dat een handtekening van de advocaat een onmisbaar vereiste is om van een geldige volmacht te kunnen spreken. Daarin schuilt volgens Harteveld het voornaamste verschil tussen een e-mail en een – al dan niet gefaxte of gescande – brief. Dat roept de vraag op of de omstandigheid dat in de onderhavige zaak in het e-mailbericht een afbeelding van een handtekening is opgenomen relevant is voor de beoordeling of dit e-mailbericht kan gelden als een schriftelijke bijzondere volmacht in de zin van art. 450, derde lid, Sv.
10. In dat kader neem ik in allereerst in aanmerking dat, zoals Harteveld ook schreef, de Hoge Raad tot op heden heeft vastgehouden aan de eis dat een volmacht tot het instellen van hoger beroep of cassatie niet per e-mail, maar slechts per (al dan niet als bijlage bij een e-mail gezonden) brief kan geschieden. Verder neem ik in aanmerking dat de wijze waarop het e-mailbericht is ondertekend verschilt van een ondertekende brief die is gescand en vervolgens als bijlage bij een e-mailbericht is gevoegd. Het betreft hier immers niet een brief die is voorzien van een “natte” handtekening en vervolgens is gescand, maar een in het e-mailbericht opgenomen afbeelding van een handtekening.
11. Daarnaast merk ik op dat in art. 450, vierde lid, Sv is voorzien in de mogelijkheid om de volmacht, bedoeld in art. 450, derde lid, Sv, over te dragen met behulp van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen elektronische voorziening. Op grond van art. 2, eerste lid, Besluit digitale stukken Strafvordering wijst de minister een elektronische voorziening aan voor onder meer de indiening van een volmacht als bedoeld in artikel 450, derde lid, Sv. De minister heeft “het Advocatenportaal: mijn strafdossier van de Raad voor de rechtspraak” aangewezen als een dergelijke elektronische voorziening. Volgens een nieuwsbericht van de Raad voor de Rechtspraak vindt thans een pilot plaats met deze elektronische voorziening voor onder meer het instellen en intrekken van hoger beroep. Hoewel in de onderhavige zaak de volmacht niet met behulp van een dergelijke elektronische voorziening is overgedragen, acht ik de eisen die in het Besluit digitale stukken Strafvordering worden gesteld aan de indiening van stukken met behulp van een elektronische voorziening en aan het plaatsen van een elektronische handtekening wel relevant voor de beoordeling van de onderhavige zaak.
12. Art. 5 Besluit digitale stukken Strafvordering houdt in dat onder meer de indiening van stukken, bedoeld in art. 2, eerste lid, Besluit digitale stukken Strafvordering, en de elektronische handtekening authenticatie vereisen met een middel dat is uitgegeven door de overheid of een onder toezicht van de overheid staande organisatie, dat uitgaat van een tweefactorauthenticatie of hoger, en dat is aangewezen door de bevoegde instanties. Deze betrouwbaarheidseisen zijn nodig zodat de bevoegde instanties zekerheid hebben dat de persoon die stukken indient tot die handelingen bevoegd is, aldus de nota van toelichting bij het Besluit digitale stukken Strafvordering. Verder dient de elektronische handtekening bedoeld in art. 138e Sv op grond van art. 6, eerste lid, Besluit digitale stukken Strafvordering te voldoen aan de eis dat de ondertekenaar zich heeft geauthenticeerd met behulp van een middel dat voldoet aan de eisen, gesteld in art. 5 van het besluit, alsmede aan de eis dat de gegevens waaruit de elektronische handtekening bestaat op zodanige wijze zijn verbonden aan de elektronische gegevens waarop deze betrekking heeft, dat de identiteit van de ondertekenaar, het moment van ondertekening en elke wijziging na ondertekening van de gegevens kan worden vastgesteld. Hieruit volgt dat het opnemen van een afbeelding van een handtekening in een e-mailbericht geenszins valt te vergelijken de authenticatie die is vereist voor de indiening van een volmacht ex art. 450, derde lid, Sv met behulp van een elektronische voorziening dan wel met het plaatsen van een elektronische handtekening.
13. Gelet op het voorgaande stel ik mij op het standpunt dat de enkele omstandigheid dat in het e-mailbericht een afbeelding van een handtekening is opgenomen thans niet betekent dat het e-mailbericht toch zou moeten worden aangemerkt als een schriftelijke bijzondere volmacht in de zin van art. 450, derde lid, Sv. Nu zich bij de stukken van deze zaak ook overigens niet een schriftelijke bijzondere volmacht als bedoeld in artikel 450, derde lid, Sv van de advocaat aan de griffiemedewerker bevindt, is het beroep in cassatie niet op rechtsgeldige wijze ingesteld.
14. Gelet op het voorgaande is de verdachte niet-ontvankelijk in het ingestelde cassatieberoep. Ik kom daarom aan de bespreking van de middelen niet toe. Indien de Hoge Raad anders oordeelt over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep ben ik vanzelfsprekend bereid aanvullend te concluderen.
Conclusie
15. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden