4. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
(…);
verklaart dit arrest ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.”
2. Bespreking van het cassatiemiddel
Werkgever heeft tijdig cassatie ingesteld. Werknemer heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Werkgever heeft gerepliceerd.
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen, met respectievelijk vier en twee subonderdelen. Werkgever betoogt in het eerste onderdeel dat het hof bij de uitleg van art. 42 CAO PB 2017 een te strenge uitlegmaatstaf heeft toegepast en daarom is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Verder betoogt werkgever in dit onderdeel aan de hand van twee motiveringsklachten dat, voor zover geen sprake is van een onjuiste rechtsopvatting, de uitleg van art. 42 CAO PB onbegrijpelijk is. Onderdeel 1 sluit af met een voortbouwklacht. Het tweede onderdeel is gericht tegen de verwerping van het beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Tegen dit oordeel richt werkgever een voortbouwklacht en een motiveringsklacht.
Onderdeel 1: uitleg CAO PB
De eerste drie subonderdelen zijn gericht tegen rov. 3.4.3, waarin het hof oordeelt dat art. 42 CAO PB 2017 niet zo moet worden uitgelegd dat individuele aanspraken van werknemers met betrekking tot gemiste ORT over vakantie-uren zouden zijn komen te vervallen. Staan wij eerst stil bij de uitleg van cao-bepalingen in het algemeen.
Uitleg van cao-bepalingen
Een cao kan verschillende typen bepalingen bevatten. Obligatoire bepalingen zien op verplichtingen die gelden tussen de cao-sluitende partijen. Deze worden uitgelegd aan de hand van de verbintenisrechtelijke uitlegnorm die geldt in geval van wederkerige overeenkomsten, de Haviltex-norm. Voor cao-bepalingen die (mede) betrekking hebben op verplichtingen jegens, met betrekking tot of van werknemers (diagonale en normatieve bepalingen), is in onze rechtspraak de zogenoemde cao-norm ontwikkeld. Deze norm houdt in dat voor de uitleg van voornoemde bepalingen de bewoordingen van die bepalingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn. De bedoeling van de cao-partijen, voor zover deze niet uit de cao-bepalingen en de toelichting kenbaar zijn, is dus niet beslissend. Er moet gekeken worden naar de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao en toelichting zijn gesteld. Daarbij kan onder meer worden gelet op elders in de cao gebruikte bewoordingen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de verschillende op zichzelf mogelijke interpretaties van de tekst zouden leiden. Ook een oude versie van de cao kan een omstandigheid zijn die door de rechter bij de uitleg als mee te wegen omstandigheid wordt betrokken.
Tussen de (meer subjectieve) Haviltex-norm en de (meer objectieve) cao-norm bestaat geen tegenstelling maar een vloeiende overgang, zo is uitgemaakt in DSM/ […]. Uitleg aan de hand van de cao-norm behelst op grond van dit arrest geen zuiver grammaticale uitleg. De omstandigheden van het geval, gewogen aan de hand van de redelijkheid en billijkheid, zijn beslissend.
De noodzaak voor de cao-norm is volgens deze rechtspraak ten eerste gelegen in het feit dat individuele werkgevers en werknemers die niet betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de cao, beschermd moeten worden tegen een uitleg van een cao-bepaling die is gebaseerd is op een voor hen niet-kenbare partijbedoeling. De tweede bestaansgrond voor de cao-norm is benoemd in FNV/Condor, waarin de Hoge Raad oordeelde over de uitleg van een sociaal plan.. Ter discussie stond of bepaalde werknemers wel of niet onder de werkingssfeer van het sociaal plan vielen. FNV betoogde dat dit wel het geval was en verwees in dat kader naar concepten van het sociaal plan, het advies van de ondernemingsraad en de brief waarmee het sociaal plan als cao werd aangemeld bij het ministerie. In cassatie lag de vraag voor of deze niet openbare stukken, die voor derden niet kenbaar waren, mee mochten wegen bij de uitleg. Het arrest maakt duidelijk dat de bestaansgrond van de cao-norm is gelegen in de bescherming van derden tegen een uitleg van een bepaling in een overeenkomst waarbij betekenis wordt toegekend aan de voor hen niet kenbare partijbedoeling en in de noodzaak van een eenvormige uitleg voor alle door die overeenkomst gebonden partijen. Vanuit het perspectief van werknemersbescherming is het evenwel mogelijk voor derden niet kenbare partijbedoelingen in de uitleg mee te wegen, als dit betekent dat bepaalde werknemers daarmee wel binnen de werkingssfeer vallen. Met dit arrest is het beschermende karakter van de cao-norm benadrukt.
De uitleg van cao-bepalingen door de rechter betreft, met uitzondering van de gebruikte uitlegmaatstaf, in beginsel een feitelijk oordeel. Voor toetsing van een dergelijk oordeel is in cassatie dus slechts beperkt ruimte.
Keren wij ons gewapend met dit kader tot de subonderdelen 1.1 t/m 1.4.
Subonderdeel 1.1: uitlegmaatstaf
Werkgever stelt dat het hof in rov. 3.4.3 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Door te eisen dat uit de cao zou moeten kunnen worden afgeleid dat de compensatie uitsluitend of in het bijzonder zag op het vervallen van betaling van de ORT tijdens vakantie-uren, is volgens de klacht een te strenge uitlegmaatstaf gehanteerd. Volgens werkgever was het afdoende dat, zoals uit de overwegingen van het hof ook volgt, uit de tekst van de cao volgt dat de structurele loonsverhoging diende ter compensatie van de inkomensachteruitgang, die bleek uit het in de cao genoemde Syntro-rapport, en dat uit het rapport volgde dat het afschaffen van de ORT de grootste negatieve invloed heeft gehad op die inkomensachteruitgang. Het hof heeft dit volgens de klacht miskend.
Het subonderdeel is in mijn ogen om de volgende redenen tevergeefs voorgesteld.
Het hof geeft in rov. 3.4.1 en 3.4.2 aan dat bij de uitleg van art. 42 van de CAO PB 2017 het uitgangspunt is dat die uitleg dient te geschieden aan de hand van de cao-norm. In rov. 3.4.3 geeft het hof vervolgens toepassing aan deze norm. Het hof beoordeelt of art. 42 van de CAO PB 2017 naar de cao-norm moet worden uitgelegd op de door werkgever voorgestane wijze. Het hof sluit daarbij aan bij de tekst van en de toelichting op art. 42 van de CAO PB 2017 en de (on)aannemelijkheid van de mogelijke rechtsgevolgen van de door werknemer voorgestane uitleg. Dat uit de cao moet zijn af te leiden dat de loonsverhoging uitsluitend of in het bijzonder zag op het verval van ORT tijdens vakantie-uren, dient dan ook in dit licht te worden bezien; voor het slagen van grief I van werkgever is immers vereist dat de cao op de door werkgever voorgestane wijze moet worden uitgelegd. Het hof heeft hiermee de juiste uitlegmaatstaf toegepast en is dus niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting (zie hiervoor in 2.4 t/m 2.6).
Voor het overige komt de klacht op tegen een feitelijk oordeel, dat in cassatie niet kan worden getoetst (zie hiervoor in 2.7).
Subonderdeel 1.2: onbegrijpelijke uitleg van CAO PB 2017
Werkgever klaagt dat voor het geval de rechtsklacht niet opgaat, de beslissing van het hof met betrekking tot de uitleg van de CAO PB 2017 onbegrijpelijk is, daarbij wijzend op de volgende volgens werkgever vaststaande feiten:
1. het nieuwe systeem van arbeidstijden en toeslagen is onlosmakelijk verbonden met het vervallen van de ORT tijdens vakantie-uren;
2. uit het Syntro-rapport volgt dat de afschaffing van de ORT over de vakantie-uren het grootste negatieve effect heeft gehad op de inkomensachteruitgang voor de betrokken werknemers; en
3. met de additionele structurele loonsverhoging van 0,5% was beoogd om die inkomensachteruitgang te compenseren (en dit was kenbaar voor [werknemer] ).
Werkgever voert aan dat de uitleg die het hof aan art. 42 CAO PB 2017 geeft onbegrijpelijk is in het licht van deze vaststaande feiten. Daaruit volgt dat het voor werknemer wel kenbaar was dat de structurele loonsverhoging (mede en zelfs voornamelijk) zag op de ORT. Ook is het oordeel volgens werkgever innerlijk tegenstrijdig. Het hof overweegt aan de ene kant dat het voor werknemer niet kenbaar was dat de loonsverhoging van 0,5% uitsluitend of zelfs maar in het bijzonder zag op de consequenties van het nieuwe systeem van arbeidstijden en toeslagen en dus op het vervallen van betaling van ORT tijdens vakantie-uren. Aan de andere kant overweegt het hof ook dat er sinds oktober 2013 de nodige andere wijzigingen zijn doorgevoerd. Die overige wijzigingen zien alle op arbeidstijden en toeslagen waarover het hof in rov. 3.4.3 aangeeft dat die gevolgen hadden voor de ORT.
Ik zie dit geen doel treffen, omdat deze klacht uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest, waardoor de klacht feitelijke grondslag mist. Het hof beoordeelt in rov. 3.4.3 immers niet of het feitelijk kenbaar was voor werknemer dat 0,5% loonsverhoging diende ter compensatie van – kort gezegd – het verval van de ORT over vakantie-uren. De kenbaarheid beoordeelt het hof in het licht van de cao-norm; het hof beantwoordt de vraag wat op grond van de tekst van en toelichting op de cao kenbaar is voor werknemer, die als derde niet betrokken is geweest bij de totstandkoming van de cao. Bovendien zijn de in 2.13 onder 1. en 3. beschreven ‘vaststaande feiten’ door werkgever op grond van rov. 3.4.3 getrokken conclusies die door het hof niet als zodanig zijn verwoord, waarmee deze niet als ‘vaststaande feiten’ kunnen kwalificeren.
Subonderdeel 1.3: oordeel onaannemelijkheid rechtsgevolg onvoldoende gemotiveerd
Subonderdeel 1.3 richt een motiveringsklacht tegen de passage uit rov. 3.4.3 en klaagt dat het zo moge zijn dat werknemers als gevolg van de loonsverhoging na gemiddeld twee jaar zouden zijn gecompenseerd voor de gemiste ORT en dat werknemers zodoende dubbel gecompenseerd zouden worden, maar dat daaruit geenszins volgt dat het - voor werknemer kenbaar - de bedoeling van de cao-partijen was dat de individuele aanspraken van werknemers met betrekking tot de gemiste ORT zouden komen te vervallen. Dat is volgens de klacht ontoereikend gemotiveerd (onvoldoende inzicht in gedachtegang) in het licht (mede) van de volgende, door werkgever als vaststaand benoemde feiten (althans ten minste bij wege van hypothetische feitelijke grondslag in cassatie):
1. Er moet worden uitgegaan van de juistheid van de stellingen dat het op zich mogelijk is dat als gevolg van de structurele loonsverhoging van 0,5% alle werknemers na een periode van gemiddeld twee jaar zouden zijn gecompenseerd en dat werknemer bij toewijzing van zijn vorderingen dubbel zou worden gecompenseerd.
2. Er moet vanuit worden gegaan dat er een onlosmakelijk verband bestond tussen het nieuwe systeem van arbeidstijden en toeslagen en het vervallen van betaling van de ORT tijdens vakantie-uren en dat het hof dit ook heeft onderkend, omdat dit af te leiden is uit de passage uit rov. 3.4.3: “de consequenties van het nieuwe systeem van arbeidstijden en toeslagen en dus op het vervallen van betaling van ORT tijdens vakantie-uren (…)”.
3. Vast staat dat de gevolgen van het nieuwe systeem van arbeidstijden en toeslagen (en dus ook de ORT) onderwerp waren van het Syntro-rapport en dat uit dat rapport volgde dat het nieuwe systeem een negatief inkomenseffect had en dat voor werknemer kenbaar was dat de structurele loonsverhoging bedoeld en gelabeld was om dat inkomensverlies te compenseren, want dit is volgens het hof af te leiden uit de tekst en de toelichting op art. 42 van de CAO PB 2017.
Van ontoereikende motivering lijkt mij hier geen sprake, nu dit feitelijke oordeel goed te volgen is. Van kennelijke innerlijke tegenstrijdigheid, waar de klacht op zinspeelt, lijkt mij geen sprake. Er is alleen een andere afweging gemaakt dan voorgestaan door werkgever. Daar komt bij dat de omstandigheden 2. en 3. ook hier niet kunnen gelden als ‘vaststaande feiten’, omdat het gevolgtrekkingen van werkgever zijn, die willen sturen op een andere afweging, waarvoor in cassatie geen plaats is. Voor punt 3. geldt bovendien dat deze gevolgtrekking uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft immers juist geoordeeld dat uit de tekst en toelichting op art. 42 van de cao niet blijkt dat de loonsverhoging van 0,5% specifiek bedoeld was om het inkomensverlies door verval van de ORT over vakantie-uren te compenseren, zodat de klacht in zoverre feitelijke grondslag mist.
Subonderdeel 1.4: voortbouwklacht
Subonderdeel 1.4 is een louter voortbouwende klacht, die geen afzonderlijke bespreking behoeft en faalt in het voetspoor van de voorgaande klachten.
Onderdeel 2: redelijkheid en billijkheid
Met het tweede onderdeel komt werkgever op tegen rov. 3.5.2, waarin het hof oordeelt dat toewijzing van de loonvordering van werknemer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is.
Subonderdeel 2.1: voortbouwklacht
In subonderdeel 2.1 klaagt werkgever allereerst dat voor zover de beslissing van het hof voortbouwt op de eerdere beslissing dat uit de CAO PB 2017 niet kan worden afgeleid dat de structurele loonsverhoging kenbaar diende ter compensatie van het verlies van ORT voor alle (dus ook individuele) werknemers, die beslissing in het licht van het gestelde in onderdeel 1 niet in stand kan blijven.
Dit ontbeert zelfstandige betekenis en strandt op het in stand blijven van bedoelde tevergeefs in cassatie aangevallen beslissing.
Subonderdeel 2.2: motiveringsklacht
Volgens deze klacht is het oordeel van het hof onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van werkgever dat werknemer in onze zaak er door de wijzigingen in het beloningssysteem in tegenstelling tot de gemiddelde werknemer in de beveiligingsbranche fors op vooruit is gegaan, namelijk met 4,92% plus 0,5% aan additionele structurele loonsverhoging. Dat in die omstandigheden toewijzing van de loonvordering, die leidt tot dubbele compensatie, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is, is volgens de klacht zonder nadere maar ontbrekende motivering onbegrijpelijk. De motivering dat werknemer nu eenmaal niets meer of anders vordert dan waarop hij krachtens zijn arbeidsovereenkomst en de toepasselijke cao’s aanspraak kan maken, kan niet als toereikend gelden. Dat doet er immers niet aan af dat werknemer als gevolg van het gewijzigde beloningssysteem geen nadeel heeft geleden, hetgeen eraan in de weg behoort te staan dat de onderhavige loonvordering wordt toegewezen.
Deze klacht kan naar mijn mening niet slagen.
Het hof oordeelt in rov. 3.5.2 dat het enkele feit dat werknemer er door de wijzigingen op vooruit is gegaan (en geen nadeel heeft ondervonden) onvoldoende is om te concluderen dat toewijzing van de loonvordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Gelet op hoge drempel voor onaanvaardbaarheid en de daarvan in het verlengde liggende vereiste terughoudendheid van de rechter, in samenhang met het gevoerde partijdebat, was het hof niet gehouden tot nadere motivering. Een uitleg in voor werkgever gunstige zin had het hof op dit punt ook best kunnen geven (op in cassatie onaantastbare wijze), maar dat is nu eenmaal aan het hof als feitenrechter. Kennelijk heeft zwaarder gewogen dat in de ogen van het hof niet overduidelijk was dat de cao-afspraken op voor werknemer kenbare wijze uitwijzen dat als er via de cao-compensatie materieel voldoende is gecompenseerd, er geen additionele loonaanspraken meer kunnen zijn voor individuele werknemers. Dat is alleen al niet onbegrijpelijk, nu in de vaststellingovereenkomst uitdrukkelijk staat dat met die overeenkomst niet wordt getreden in de rechten van werknemers. Het betreffende oordeel had als gezegd hier ook best anders kunnen uitvallen, maar dat is niet gebeurd. Het oordeel is daarmee evenwel niet ontoereikend gemotiveerd. Voor zover de klacht in wezen een feitelijke herwaardering beoogt, is daarvoor in cassatie geen ruimte.
3. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G