PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/02822 P
Zitting 10 mei 2022
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de betrokkene.
2.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat het Hof de verdachte terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep op de grond dat dit beroep eerst na het verstrijken van de appeltermijn ter griffie van de juiste instantie is ingesteld. De enkele omstandigheid dat – naar is gesteld – de raadsman binnen die termijn een schriftelijke volmacht heeft verzonden naar de griffie van een ander gerecht, leidt dus niet tot een ander oordeel.’
8. De raadsman van de betrokkene heeft binnen de beroepstermijn naar de strafgriffie van de Hoge Raad een faxbericht inhoudende een bijzondere volmacht tot het instellen van cassatie verstuurd. Dit betreft echter niet ‘de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven’ (art. 449 Sv). In het geval de verdachte niet op de juiste wijze een rechtsmiddel heeft ingesteld, is dat niet altijd fataal. Het ligt evenwel anders indien een advocaat niet op de juiste wijze het rechtsmiddel heeft aangewend. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij bij het instellen van een rechtsmiddel de juiste weg bewandelt.
9. Het ligt naar het mij voorkomt niet in de rede wijziging in deze stand van zaken te brengen. Art. 6:15 Awb formuleert een doorzendplicht. Een dergelijke bepaling ontbreekt in de regeling van het instellen van rechtsmiddelen in het Wetboek van Strafvordering. Met Uw Raad meen ik dat het geldend recht op dit punt aan de raadsman geen onredelijke eis stelt. Ik attendeer er in dat verband nog op dat bij de vaststelling van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht als bedoeld in het derde lid van art. 6:15 Awb wel betekenis wordt gehecht aan de omstandigheid dat het bezwaar- of beroepschrift door een professionele rechtshulpverlener is ingediend.
10. Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn beroep in cassatie heeft ingesteld, kan de betrokkene in het beroep niet worden ontvangen. In dat licht zie ik van een bespreking van het middel af. In het geval Uw Raad anders over de ontvankelijkheid oordeelt, ben ik graag bereid aanvullend te concluderen.
11. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden