Nummer22/01621
Zitting 10 juni 2022
CONCLUSIE
In de zaak
[eiser]
tegen
[verweerster]
1. Bij brief, ontvangen ter griffie van de Hoge Raad op 14 april 2022 (hierna: ‘procesinleiding’), heeft [eiser] zonder tussenkomst van een advocaat cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 18 januari 2022 van het hof Arnhem-Leeuwarden. In de procesinleiding wordt geen advocaat bij de Hoge Raad als bedoeld in art. 9j van de Advocatenwet aangewezen die [eiser] zal vertegenwoordigen.
2. Bij brief van 15 april 2022 heeft de griffie van de Hoge Raad aan [eiser] bericht dat het cassatieberoep niet op de voorgeschreven wijze is aangebracht, te weten door indiening van een procesinleiding in het webportaal van de Hoge Raad door een advocaat bij de Hoge Raad die [eiser] in het geding zal vertegenwoordigen. De griffie van de Hoge Raad heeft in de brief erop gewezen dat het verzuim kan worden hersteld door binnen twee weken na binnenkomst dezelfde procesinleiding opnieuw in te dienen, maar nu door een advocaat bij de Hoge Raad en via het webportaal van de Hoge Raad.
3. Bij brief met bijlagen, ontvangen ter griffie op 28 april 2022, heeft [eiser] aangegeven dat en op welke inhoudelijke gronden hij het cassatieberoep wil doorzetten. Op de daarvoor geldende formele vereisten wordt in die brief niet ingegaan.
4. De vraag die moet worden beantwoord is of [eiser] ontvankelijk is in zijn cassatieberoep. Een cassatieberoep in een burgerlijke zaak kan alleen worden ingesteld met tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad. In een vorderingsprocedure, zoals deze procedure, moet het cassatieberoep op grond van art. 407 leden 1 en 3 Rv worden ingesteld door middel van een procesinleiding waarin een advocaat bij de Hoge Raad wordt aangewezen die eiser tot cassatie in het geding zal vertegenwoordigen. De procesinleiding moet op grond van art. 30c lid 1 in verbinding met art. 407 lid 1 Rv langs elektronische weg worden ingediend. Daarvoor is het webportaal van de Hoge Raad aangewezen.Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad leidt het niet in acht nemen van deze voorschriften tot niet-ontvankelijkheid van eiser tot cassatie in zijn cassatieberoep. Dat is alleen anders indien de verzuimen zijn hersteld doordat dezelfde procesinleiding met inachtneming van de voorschriften opnieuw is ingediend. In dat verband hanteert de Hoge Raad een termijn van twee weken.
5. Herstel heeft in deze procedure niet plaatsgevonden.
6. [eiser] dient op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn cassatieberoep.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G