Nummer 21/02991
Zitting 30 augustus 2022
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte
‘De verdachte, gedagvaard als
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
adres: [a-straat 1], [postcode] te [plaats],
is niet verschenen.
Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. S.J. van der Aart, advocaat te Koog aan de Zaan, die mededeelt dat zij wel uitdrukkelijk is gemachtigd als raadsvrouw de verdachte te verdedigen.
De advocaat-generaal legt een akte van betekening over en een SKDB-formulier, welk laatste stuk
inhoudt dat de verdachte zich niet in detentie bevond op de daarin genoemde dagen. De raadsheer deelt mede dat de dagvaarding op rechtsgeldige wijze is betekend.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor.
De raadsvrouw van de verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren van de verdachte tegen het vonnis op te geven. Zij zegt dat de verdachte de straf te zwaar vindt.
De raadsheer merkt op dat het verstekvonnis op 8 januari 2021 en op 13 maart 2021 in persoon aan de verdachte is uitgereikt. Het hoger beroep is op 15 maart 2021 ingesteld.
De advocaat-generaal voert het woord en vordert dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde hoger beroep. De advocaat-generaal legt haar vordering aan het gerechtshof over.
De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en spreekt het arrest uit.’
De uitspraak van het hof houdt onder het kopje ‘Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep’ het volgende in:
‘De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 2 november 2020 te verschijnen ter terechtzitting van de kantonrechter in de rechtbank Utrecht.
De verdachte is op 2 november 2020 bij verstek veroordeeld.
De uitspraak is de verdachte op 8 januari 2021 (en 13 maart 2021) in persoon betekend. Dit betrof een ‘coronabetekening’, waarbij de uitreiking heeft plaatsgevonden op het woonadres van de verdachte, de identiteit van de verdachte is gevraagd door de uitreiker en zijn naam is genoteerd als ontvanger, maar waarbij de verdachte niet heeft getekend voor ontvangst.
Tegen dit vonnis heeft de verdachte niet binnen veertien dagen nadat dit hem bekend geworden was hoger beroep ingesteld, maar eerst op 15 maart 2021.
Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld zal de verdachte daarin niet ontvankelijk worden verklaard.’
5. Aan de Hoge Raad is een dubbelzijdig gedrukt dossier toegestuurd dat bij elkaar wordt gehouden met een paperclip. Deze wijze van toesturen heeft tot gevolg dat uit het papieren dossier niet kan worden afgeleid welke stukken precies bij elkaar horen, in het bijzonder niet welke stukken in originele vorm aan elkaar waren gehecht. Tot de toegezonden stukken behoren de navolgende, hierna hoofdzakelijk in chronologische volgorde weergegeven, documenten:
(i) Een dagvaarding met als aanmaakdatum 3 september 2020 gericht aan de verdachte om te verschijnen op de zitting van 2 november 2020 te 10:00 uur bij de kantonrechter te Haarlem;
(ii) Een akte van uitreiking, waarop bij briefsoort staat vermeld: ‘Dagvaarding’, bij parketnummer: ‘96-042051-20’, bij zitting: ‘02 november 2020’, bij tijdstip: ’10:00 uur’ en bij forum: ‘kantonrechter. Deze akte houdt in dat de bezorger de dagvaarding op 23 september 2020 niet heeft uitgereikt. Daarbij is ‘Ja’ aangekruist bij ‘Geadresseerde woont niet (meer) op het vermelde adres’. De dagvaarding is vervolgens op 28 september 2020 uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie; daarbij is ‘Ja’ aangekruist bij ‘De geadresseerde stond bij de GBA ingeschreven op het bovengenoemde adres op de dag van de eerste aanbieding en 5 dagen daarna’. Daarnaast is een afschrift verzonden naar het op de akte vermelde adres. Op de akte staat als adres vermeld: [a-straat 1], [postcode] [plaats];
(iii) Een dagvaarding met als aanmaakdatum 25 september 2020 gericht aan de verdachte om te verschijnen op de zitting van 2 november 2020 te 10:00 uur bij de kantonrechter te Haarlem;
(iv) Een Informatiestaat SKDB-persoon van 28 september 2020 die inhoudt dat met ingang van 17 april 2019 het huidige BRP-adres van de verdachte is: [a-straat 1], [postcode] [plaats];
(v) Een brief van 22 oktober 2020 van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie gericht aan [verdachte], [a-straat 1], [postcode] [plaats]. Deze brief houdt het volgende in:
‘Geachte [verdachte],
In verband met een gewijzigde planning zijn wij genoodzaakt om het tijdstip van de zitting te wijzigen. De zitting wordt gehouden op de hieronder vermelde datum, tijd en plaats.
Datum 02 november 2020
Tijd 11:00 uur
Plaats Kantonrechter
Simon de Vrieshof 1 te Haarlem
7.Brederodezaal
De officier van justitie’
(vi) Een ‘aantekening mondeling vonnis’, ondertekend door de kantonrechter. Deze houdt in dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, de verdachte op 2 november 2020 bij verstek heeft veroordeeld;
(vii) Een ‘mededeling uitspraak’ met als datum 27 november 2020 van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie, gericht aan [verdachte], [a-straat 1], [postcode] [plaats]. Deze mededeling houdt in:
‘Hierbij deel ik u mede dat de kantonrechter zitting houdende te Haarlem op maandag 02 november 2020 onderstaand vonnis heeft gewezen:
Kwalificatie: overtreding van het bepaalde in artikel 62 jo. bord A1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
Gepleegd: 07 februari 2020
Beslissing: Een geldboete ter hoogte van 420,00 euro subsidiair 8 dagen hechtenis
Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 maanden
Tevens verwijs ik u naar de mededeling(en) op de bijsluiter.
De officier van justitie’
(viii) Een ‘mededeling uitspraak’ met als datum 30 november 2020 van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie, gericht aan [verdachte], [a-straat 1], [postcode] [plaats]. Deze mededeling houdt in:
‘Hierbij deel ik u mede dat de kantonrechter zitting houdende te Haarlem op maandag 02 november 2020 onderstaand vonnis heeft gewezen:
Kwalificatie: overtreding van het bepaalde in artikel 62 jo. bord A1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
Gepleegd: 07 februari 2020
Beslissing: Een geldboete ter hoogte van 420,00 euro subsidiair 8 dagen hechtenis
Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 maanden
Tevens verwijs ik u naar de mededeling(en) op de bijsluiter.
De officier van justitie’
(ix) Een brief met als datum 28 januari 2021 van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie, gericht aan [verdachte], [a-straat 1], [postcode] [plaats], met als onderwerp: ‘Kennisgeving ontzegging rijbevoegdheid’. Deze brief houdt in:
‘Hierbij meld ik dat u de bevoegdheid is ontzegd om motorvoertuigen te besturen.
Dit is het gevolg van:
het onherroepelijk geworden vonnis van kantonrechter te Haarlem van maandag 02 november 2020
Deze rijontzegging is opgelegd voor de duur van:
2 maanden
De rijontzegging gaat in op de 21e dag na uitreiking van deze brief na 00:00 uur.’
(x) Een akte van uitreiking, waarop bij briefsoort staat vermeld ‘Mededeling Uitspraak’, bij parketnummer ’96-042051-20’, bij zitting ‘02 november 2020’, bij tijdstip ’10:00 uur’ en bij forum ‘kantonrechter’. Deze akte houdt in dat na een eerste poging op ’22-12, tijd 13.22’ de bezorger op 8 januari 2021 de brief heeft uitgereikt aan de geadresseerde. Het vakje bij ‘ik heb de brief uitgereikt en deze akte naar waarheid ingevuld’ is aangekruist en bij de naam en voorletters van de ontvanger staat vermeld: ‘[verdachte]’. De akte is onder ‘Ik heb de gerechtelijke brief in ontvangst genomen’ niet voorzien van een handtekening en onder ‘Soort + nummer legitimatie’ zijn geen gegevens ingevuld;
(xi) Een formulier ‘Aanvulling op de akte van uitreiking’ met parketnummer 96-042051-20 en naam [verdachte]. Daarop staat vermeld: ‘Van dit formulier wordt gebruik gemaakt als op de akte van uitreiking geen handtekening voor ontvangst is geplaatst’. Onder het kopje ‘Nadere informatie over de wijze waarop ik mij heb vergewist van de identiteit van de ontvanger zoals bedoeld in art. 36h lid 1 onder d Sv’ is aangekruist: ‘Gevraagd naar zijn/haar naam gaf de ontvanger de naam van de geadresseerde op’. Daarbij is een streep gezet door ‘haar’. Onder het kopje ‘Nadere informatie over de wijze waarop de uitreiking heeft plaatsgevonden’ is aangekruist ‘Ik heb de gerechtelijke mededeling fysiek aan de ontvanger overhandigd’. De handtekening op de aanvulling en de handtekening van de bezorger op de akte vermeld onder (x) vertonen sterke gelijkenis; beide documenten zijn in het elektronisch dossier ook bij elkaar geplaatst. Ook de steller van het middel gaat ervanuit dat deze documenten bij elkaar horen;
(xii) Een akte van uitreiking, waarop bij briefsoort staat vermeld: ‘OBM’, bij parketnummer ’96-042051-20’, bij zitting ‘02 november 2020’, bij tijdstip ’10:00 uur’ en bij forum ‘kantonrechter’. Deze akte houdt in dat na twee eerdere pogingen de bezorger op 13 maart 2021 de brief heeft uitgereikt aan de geadresseerde. Het vakje bij ‘ik heb de brief uitgereikt en deze akte naar waarheid ingevuld’ is aangekruist en bij de naam en voorletters van de ontvanger staat vermeld: ‘[verdachte]’. De akte is onder ‘Ik heb de gerechtelijke brief in ontvangst genomen’ niet voorzien van een handtekening en onder ‘Soort + nummer legitimatie’ zijn geen gegevens ingevuld;
(xiii) Een formulier ‘Aanvulling op de akte van uitreiking’ met parketnummer 96-042051-20 en naam [verdachte].. Onder het kopje ‘Nadere informatie over de wijze waarop ik mij heb vergewist van de identiteit van de ontvanger zoals bedoeld in art. 36h lid 1 onder d Sv’ is aangekruist: ‘Gevraagd naar zijn/haar naam gaf de ontvanger de naam van de geadresseerde op’. Onder het kopje ‘Nadere informatie over de wijze waarop de uitreiking heeft plaatsgevonden’ is aangekruist ‘lk heb, nadat ik dit met de ontvanger had afgesproken, de gerechtelijke mededeling ergens neergelegd en heb gezien dat de ontvanger de mededeling heeft opgepakt’. De handtekening op de aanvulling en de handtekening van de bezorger op de akte vermeld onder (xii) vertonen gelijkenis; beide documenten zijn in het elektronisch dossier ook bij elkaar geplaatst;
(xiv) Een akte instellen hoger beroep, inhoudende dat op 15 maart 2021 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 2 november 2020;
(xv) Een appelschriftuur van 26 maart 2021, die onder meer het volgende inhoudt (met weglating van een verwijzing):
‘Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Op 15 maart jl. is hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Naar aanleiding daarvan ontving cliënt een brief van het CJIB met daarin de mededeling dat het hoger beroep de executie van het vonnis niet schorst, daar de zaak al onherroepelijk zou zijn. Echter, cliënt stelt zich op het standpunt dat de zaak nog niet onherroepelijk was op het moment dat het hoger beroep werd ingesteld.
Van belang is dat de dagvaarding niet aan cliënt in persoon is uitgereikt. Cliënt was niet bekend met de datum van de behandeling van zijn strafzaak.
Essentieel is bovendien dat de akte met betrekking tot de uitreiking van de uitspraak aan cliënt in persoon, niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Cliënt betwist dat de uitspraak in persoon aan hem is uitgereikt. Hij heeft deze nooit ontvangen. Uit de akte uitreiking IP blijkt dat de identiteit van cliënt in het geheel niet is gecontroleerd, anders dan te vragen naar een naam. Er heeft geen controle plaatsgevonden van een identiteitsbewijs, noch van een geboortedatum. In verband met het coronavirus is er geen handtekening van cliënt op de akte gezet. Dit leidt ertoe dat controle van de identiteit van de persoon aan wie het vonnis wordt uitgereikt (op andere wijze), van nog grotere noodzaak is. Hierbij wordt verwezen naar een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 28 oktober 2020. In deze zaak was er geen handtekening ingevuld op de akte van uitreiking en tevens was er geen sprake van legitimatiebewijscontrole. Het betrof hier de betekening van een dagvaarding, welke uiteindelijk nietig is verklaard. Daarmee wordt andermaal onderstreept hoe belangrijk het is de identiteit te controleren van de persoon aan wie wordt uitgereikt.
Dat leidt tot de conclusie dat op grond van de akte niet met zekerheid gezegd kan worden dat de uitspraak aan cliënt in persoon is uitgereikt. Cliënt betwist dat nadrukkelijk.
Concluderend is de dagvaarding niet aan cliënt in persoon uitgereikt, en tevens is het verstekvonnis niet aan hem betekend met inachtneming van de daaraan bij wet gestelde vereisten. Naar aanleiding van deze omstandigheden was de termijn voor het instellen van het hoger beroep om die reden. Er is geen sprake van een rechtsgeldige betekening in persoon van het verstekvonnis, ten gevolge waarvan de zaak nog niet onherroepelijk was op het moment van instellen van het hoger beroep. Dat maakt dat cliënt ontvankelijk is in zijn beroep.’
(xvi) Een dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om op 8 juli 2021 te 11:00 uur te verschijnen ter terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam, met parketnummer 23-000647-21;
(xvii) Een brief aan de raadsman van de verdachte met parketnummer 23-000647-21 waarin de advocaat-generaal deze meedeelt dat de strafzaak tegen verdachte wordt behandeld op 8 juli 2021 te 11:00 uur ter terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam. Op deze brief is vermeld: ‘Kopie verstrekt aan raadsman op 14/5/21’;
(xviii) Een akte van uitreiking waarop is vermeld volgnummer 23-000647-21, zitting 8 juli 2021 en tijdstip 11:00 uur. Invuldatum is 2 juni 2021. Voorletters en naam ontvanger zijn [verdachte], het vermelde adres is [a-straat 1], [postcode] [plaats];
(xix) Een aanvulling op de akte van uitreiking met parketnummer 23-000647-21 waarop als naam is vermeld: [verdachte]. Onder het kopje ‘Betekening niet in persoon’ is het hokje aangekruist bij de tekst ‘Gevraagd naar zijn/haar naam gaf de ontvanger de naam op zoals door mij vermeld op de akte van uitreiking. Hij/zij bevestigde woonachtig te zijn op het adres waar blijkens de akte de uitreiking heeft plaatsgevonden.’ Onder het kopje ‘Nadere informatie over de wijze waarop de uitreiking heeft plaatsgevonden’ is het hokje aangekruist bij de tekst ‘Ik heb de gerechtelijke mededeling fysiek aan de ontvanger overhandigd;
(xx) Een Informatiestaat SKDB-persoon van 15 juni 2021 die inhoudt dat met ingang van 17 april 2019 het huidige BRP-adres van de verdachte is: [a-straat 1], [postcode] [plaats].
6. De steller van het middel bestrijdt ‘s hofs oordeel dat sprake is van ‘een geldige betekening in persoon’ van het verstekvonnis van de kantonrechter. Hij voert aan dat het enkele vragen naar een naam niet als ‘voldoende waarborg’ kan worden beoordeeld bij het vaststellen van de identiteit van de ontvanger, ‘indien geen handtekening wordt geplaatst en geen legitimatiebewijs wordt gecontroleerd’. Het oordeel van het hof ‘dat aan de akte betekening in persoon van de uitspraak geen gebreken kleven en die akte aldus rechtsgeldig is’, zou in dat licht getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en onbegrijpelijk zijn, althans onvoldoende zijn gemotiveerd. De termijn voor het instellen van het hoger beroep zou in dat licht, zo begrijp ik, pas zijn gaan lopen op een later moment. Dat zou zijn geweest op 13 maart 2021, de dag van de betekening van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen aan de verdachte.
7. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen relevant:
Artikel 36e Sv
‘1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.
2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;’
Artikel 36h Sv
‘1. Van iedere uitreiking als bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt een akte opgemaakt, waarin zijn vermeld:
a. de autoriteit van welke de gerechtelijke mededeling uitgaat;
b. het nummer van de gerechtelijke mededeling;
c. de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is;
d. de persoon aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt;
e. de plaats van uitreiking;
f. de dag en het uur van uitreiking.
2. Wordt met de gerechtelijke mededeling gehandeld overeenkomstig de tweede volzin van artikel 36e, tweede lid, aanhef en onder b, dan vermeldt de akte de dag van aanbieding van het stuk aan het adres van degene voor wie het is bestemd.
3. De akte wordt door hen die met de uitreiking zijn belast, ieder voor zover het zijn bevindingen en handelingen betreft, van die bevindingen en handelingen naar waarheid opgemaakt en ondertekend. Zo mogelijk wordt de identiteit van de persoon, bedoeld in het eerste lid, onder d, vastgesteld aan de hand van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
4. (…)
5. Het model van de akte wordt bij ministeriële regeling vastgesteld. Hierbij kunnen in het belang van een goede uitvoering van dit artikel nadere voorschriften worden gegeven.’
Artikel 366 Sv
‘1. De officier van justitie doet de mededeling van het vonnis dat de beslissing van de rechtbank op grond van artikel 349, 351 of 352, tweede lid, bevat en dat buiten de aanwezigheid van de verdachte is uitgesproken, zo spoedig mogelijk aan hem betekenen.
2. Deze mededeling wordt niet gedaan
a. aan de verdachte aan wie de dagvaarding of aan wie de oproeping voor de nadere terechtzitting na schorsing van het onderzoek voor onbepaalde tijd, in persoon is betekend,
b. aan de verdachte die op de terechtzitting of op de nadere terechtzitting aanwezig is geweest,
c. indien zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting dan wel die van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.
3. De mededeling vermeldt de rechter die het vonnis heeft gewezen, de dagtekening van het vonnis, de benaming van het strafbaar feit met vermelding van de plaats en het tijdstip waarop het zou zijn begaan, en voor zoveel in het vonnis vermeld, naam en voornamen, geboortedatum en -plaats, en de woon- of verblijfplaats van de verdachte.
4. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem tevens een schriftelijke vertaling van de mededeling in een voor hem begrijpelijke taal verstrekt.’
Artikel 398 Sv
‘Op het rechtsgeding bij de kantonrechter zijn overigens de Vijfde Titel en de Zesde Titel van dit Boek van overeenkomstige toepassing, behoudens de navolgende uitzonderingen:
(…)
14o. De in artikel 366 bedoelde mededeling behoeft niet te geschieden tenzij:
a. ten aanzien van de verdachte artikel 14a van het Wetboek van Strafrecht is toegepast, dan wel,
b. een vrijheidsstraf is opgelegd, vervangende vrijheidsstraf daaronder niet begrepen, dan wel,
c. een bijkomende straf is opgelegd, waarbij de ontzetting van bepaalde rechten of de ontzegging van bepaalde bevoegdheden is uitgesproken.’
Artikel 408 Sv
‘1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;
d. de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte op de voet van artikel 257e verzet is gedaan, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend met inachtneming van artikel 36g en in eerste aanleg geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan zes maanden.
2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.
3. Het tweede lid is niet van toepassing in geval van een verstrekking van een afschrift van het vonnis, als bedoeld in artikel 45b van de Overleveringswet.
4. Indien het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst en de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting niet in persoon is gedaan of betekend, dan is de termijn bedoeld in het tweede lid van toepassing, tenzij
a. de verdachte op de nadere terechtzitting is verschenen of
b. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.
Indien een van deze twee uitzonderingen zich voordoet, is de termijn genoemd in de aanhef van het eerste lid van toepassing.’
8. In verband met het model van de akte van uitreiking die bij de betekening van de ‘mededeling uitspraak’ van het mondeling vonnis is gebruikt, zijn de artikelen 1 en 2 van de Regeling modellen van akte gerechtelijke mededelingen van belang. Deze luidden ten tijde van de betekening van de mededeling uitspraak van het vonnis (op 8 januari 2021) als volgt:
Artikel 1
‘1. De modellen van akte, bedoeld in artikel 36h, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering, worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling.
2. Voor de uitreiking aan het openbaar ministerie, bedoeld in de artikelen 36e, tweede lid, onderdeel b, en 36l, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, kan worden volstaan met toezending van de mededeling of een afschrift van de mededeling aan het desbetreffende arrondissementsparket.
3. Indien de identiteit wordt vastgesteld op grond van artikel 36h, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, worden het nummer van het identiteitsbewijs en het type identiteitsbewijs genoteerd op de akte van uitreiking.’
Artikel 2
‘Indien degene aan wie de uitreiking heeft plaatsgevonden geen handtekening voor ontvangst plaatst in verband met de uitbraak van COVID-19, wordt de in de bijlage bij deze regeling opgenomen aanvulling op de akte van uitreiking ingevuld.’
9. De in de bijlage bij de Regeling opgenomen aanvulling op de akte van uitreiking bevat het opschrift ‘Van dit formulier wordt gebruik gemaakt als op de akte van uitreiking geen handtekening voor ontvangst is geplaatst’.
10. De memorie van toelichting bij art. 36h Sv houdt onder meer het volgende in:
‘Dit artikel betreft het huidige artikel 589 Sv, over de akte die wordt opgemaakt van de betekening door uitreiking van een gerechtelijk schrijven. In de voorgestelde nieuwe bepaling blijven de gegevens die op grond van het eerste lid in de akte worden vermeld, ongewijzigd.
Aan het derde lid wordt gewijzigd dat voortaan de identiteit van de persoon waaraan de gerechtelijke mededeling wordt uitgereikt, zo mogelijk wordt vastgesteld aan de hand van een geldig identiteitsbewijs. De soort en het nummer van dit identiteitsbewijs worden genoteerd op de akte van uitreiking. Deze akte wordt ondertekend door degene die de uitreiking verzorgt. Dit kan ook een elektronische ondertekening zijn (zie het Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering). Overwogen is ook degene die het gerechtelijk schrijven krijgt uitgereikt te verzoeken de akte te ondertekenen. Hiervan is afgezien omdat voor de akte de verklaring van degene die de uitreiking verzorgt bepalend is. Onwenselijk is dat discussie ontstaat over de akte van uitreiking op het moment dat hierop het tekenen voor ontvangst ontbreekt. Ten opzichte van de tekst van het huidige derde lid zijn verder de toevoegingen «ter plaatse» en «terstond» geschrapt. Reden hiervoor is dat door het gebruik van een handcomputer het formeel opmaken en ondertekenen van de akte van uitreiking van de ter plaatse en op het moment van de uitreiking ingevulde gegevens op een later moment en op een andere plaats kan plaatshebben.’
11. Uw Raad overwoog in een arrest van 11 januari 2022:
‘2.2.2 De nota van toelichting bij de Regeling houdt ten aanzien van artikel 2 het volgende in:
“In verband met de uitbraak van COVID-19 in Nederland zijn er van overheidswege sinds maart 2020 diverse maatregelen genomen en adviezen gegeven met als doel besmettingsrisico’s zoveel mogelijk te reduceren.
Het normale proces van uitreiking van een gerechtelijke mededeling wordt van nature gekenmerkt, ten eerste, door het feit dat personen (enerzijds de uitreikende functionaris en anderzijds de ontvanger van de mededeling) fysiek in elkaars directe nabijheid verkeren en, ten tweede, door de overhandiging of uitwisseling van voorwerpen (de gerechtelijke mededeling, de akte van uitreiking, een legitimatiebewijs, schrijfgerei). Gelet op deze kenmerken van dit proces en met het oog op de minimalisering van het besmettingsrisico tijdens de uitreiking van gerechtelijke mededelingen is de werkinstructie voor tot uitreiking bevoegde personen in deze zin gewijzigd dat zij er, desgewenst, steeds voor mogen kiezen de ontvanger niet te laten tekenen voor ontvangst.
Artikel 2 voorziet in een Aanvulling op de akte van uitreiking voor die gevallen dat zij daarvoor kiezen. In die gevallen zal gebruik moeten worden gemaakt van het formulier waarvoor door middel van deze regeling een model wordt gepresenteerd (Aanvulling op de akte van uitreiking). Hoewel de handtekening voor ontvangst geen wettelijk vereiste is, levert deze handtekening, indien geplaatst, onder normale omstandigheden voor de professionele gebruiker van de akte (het Openbaar Ministerie, de rechter, de raadsman) vaak een aanvullende zekerheid op voor de uitreiking aan de persoon die de handtekening heeft geplaatst, zeker wanneer een en ander ook nog gepaard is gegaan met het op de akte noteren van het nummer van een getoond legitimatiebewijs. Om het wegvallen van deze aanvullende zekerheid te compenseren is deze Aanvulling op de akte van uitreiking in het leven geroepen. De Aanvulling dient ertoe om de professionele gebruiker van de akte van relevante achtergrondinformatie te voorzien. Ten eerste is die achtergrondinformatie toegespitst op onderdeel d van het eerste lid van artikel 36h van het Wetboek van Strafvordering. Aan de gebruiker van de akte wordt inzicht gegeven in de manier waarop en de mate waarin de uitreiker van de gerechtelijke mededeling zich heeft vergewist van de identiteit van de ontvanger ervan. Anderzijds is de achtergrondinformatie bedoeld om, waar van toepassing, de professionele gebruiker van de akte in de gelegenheid te stellen het inpersoonkarakter van de uitreiking te toetsen.”
In artikel 432 lid 1, aanhef en onder a, Sv is bepaald dat het cassatieberoep moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak als de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend (uitgereikt).
Op grond van de hiervoor onder 2.1 weergegeven inhoud van de akte van uitreiking bij de dagvaarding in hoger beroep en de aan die akte gehechte “aanvulling op de akte van uitreiking” en in aanmerking genomen dat voor de rechtsgeldigheid van die betekening een op de akte gestelde handtekening voor ontvangst geen vereiste is, is de dagvaarding in hoger beroep overeenkomstig artikel 36e lid 1, aanhef en onder b, Sv, in samenhang met artikel 2 van de Regeling en de in de bijlage bij de Regeling opgenomen aanvulling op de akte van uitreiking aan de verdachte in persoon betekend. Daarom had op grond van artikel 432 lid 1, aanhef en onder a, Sv het cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof van 8 oktober 2020. Het beroep is echter pas ingesteld op 27 oktober 2020. Dit brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen.’
12. In de onderhavige zaak is de dagvaarding om bij de kantonrechter te verschijnen op 2 november 2020, 10:00 uur niet in persoon aan de verdachte uitgereikt. De akte houdt in dat de dagvaarding is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie. De verdachte was niet op de terechtzitting van de kantonrechter aanwezig en uit de stukken van het geding volgt niet dat zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. Een en ander brengt mee dat de officier van justitie op grond van de artikelen 366 en 398 Sv gehouden was een ‘mededeling van het vonnis’ van de kantonrechter aan de verdachte te betekenen.
13. Bij de stukken van het geding bevindt zich – zo bleek – een akte van uitreiking die op een mededeling van het vonnis van de kantonrechter betrekking heeft. Invuldatum is 8 januari 2021. Deze akte van uitreiking is onder ‘Ik heb de gerechtelijke brief in ontvangst genomen’ niet voorzien van een handtekening. Onder ‘Soort + nummer legitimatie’ zijn geen gegevens ingevuld.
14. In een conclusie van 5 juli 2022 besprak ik de vraag of het ontbreken van een handtekening voor ontvangst, gegevens over een identiteitsbewijs dan wel een aanvulling op de akte van uitreiking in het licht van de artikelen 36e en 36h Sv gevolgen heeft voor de geldigheid van de betekening. Daarin schreef ik dat uit de hiervoor onder 11 aangehaalde passage uit de memorie van toelichting bij art. 36h Sv kan worden afgeleid dat de wetgever er op grond van twee argumenten van heeft afgezien degene die het gerechtelijk schrijven krijgt uitgereikt te verzoeken de akte te ondertekenen: voor de akte is de verklaring van degene die de uitreiking verzorgt bepalend en het is onwenselijk dat discussie ontstaat over de akte van uitreiking op het moment dat hierop het tekenen voor ontvangst ontbreekt. Mede tegen die achtergrond kwam ik tot het standpunt dat noch het ontbreken van een handtekening, noch het ontbreken van soort legitimatie en nummer legitimatie van de ontvanger op de akte van uitreiking tot gevolg heeft dat de betekening niet in overeenstemming met de wettelijke regeling heeft plaatsgevonden. Bij dat standpunt blijf ik.
15. Maar ook als er wel een gebrek aan de betekening zou kleven, meen ik dat deze enkele omstandigheid niet meebrengt dat het middel zou slagen. Het hof had in verband met de ontvankelijkheid van het hoger beroep niet te beoordelen of de mededeling van het vonnis van de kantonrechter conform de wettelijke regeling is betekend. Het hof diende te beoordelen of de betekening van die mededeling tot gevolg had dat zich ‘een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is’. Mij komt het voor dat het hof dit uit de akte van uitreiking en de aanvulling op die akte heeft kunnen afleiden. Op de akte van uitreiking van de mededeling van het vonnis is als adres het BRP-adres van de verdachte vermeld en is een kruisje geplaatst bij het hokje ‘Ja’ onder de tekst (Bezorger, u kunt de brief uitreiken) ‘Aan de geadresseerde’. De bezorger heeft voorts een kruisje gezet en een handtekening geplaatst bij de tekst ‘Ik heb de brief uitgereikt en deze akte naar waarheid ingevuld’. Bij ‘Voorletters en naam ontvanger’ is vermeld: ‘[verdachte]’. Op de ‘Aanvulling op de akte van uitreiking’ is een kruisje gezet bij de tekst ‘Gevraagd naar zijn/haar naam gaf de ontvanger de naam van de geadresseerde op’. En een kruisje is eveneens gezet bij de tekst ‘Ik heb de gerechtelijke mededeling fysiek aan de ontvanger overhandigd’. Ik merk daarbij op dat in cassatie niet is bestreden dat de mededeling van het vonnis die op 8 januari 2021 is uitgereikt niet de gegevens bevatte die voor de verdachte van belang waren voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van het beroep. En dat de mededelingen uitspraak van 27 en 30 november 2020, die zich bij de stukken van het geding bevinden, voor die besluitvorming toereikende gegevens bevatten.
16. ’s Hofs overweging dat de mededeling van het vonnis de verdachte op 8 januari 2021 in persoon is betekend, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Dat geldt ook voor ’s hofs kennelijk op deze vaststelling gebaseerde oordeel dat zich op 8 januari 2021 een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is en dat de verdachte derhalve niet-ontvankelijk is in het eerst op 15 maart 2021 ingestelde hoger beroep.
17. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG