PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/03931
Zitting 30 augustus 2022
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.
1. Het cassatieberoep
De verdachte is bij arrest van 20 november 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, voor 1A. “medeplegen van poging tot doodslag” en 2. “medeplegen van het overtreden van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot 1080 dagen gevangenisstraf, waarvan 514 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr. Daarnaast heeft het gerechtshof beslissingen genomen over inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.
Het gaat in deze zaak om een schietpartij die zich in de nacht van 24 op 25 oktober 2012 heeft afgespeeld op de openbare weg in Almere. Bij de schietpartij zijn inzittenden van drie auto’s betrokken, te weten de in een Opel Signum rijdende verdachte en zijn passagier [betrokkene 1] enerzijds en de gebroeders [betrokkene 2] en [betrokkene 3] anderzijds, waarvan de één ( [betrokkene 2] ) rijdt in een Fiat 500 en de ander ( [betrokkene 3] ) in een Volkswagen Jetta. De schietpartij heeft te maken met de mishandeling van [betrokkene 2] door [betrokkene 1] op 21 oktober 2012 in een Shisha lounge in Amsterdam.
Aan de schietpartij zijn in dezelfde nacht twee ontmoetingen vooraf gegaan, allemaal in Almere. De eerste vindt plaats bij een Esso-tankstation. Daar blijft het bij wat geruzie en wat duw- en trekwerk tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] . De verdachte heeft daar geen bemoeienis mee. De tweede ontmoeting, een kwartiertje later, kent een grimmiger verloop. Op het moment dat de verdachte zijn bijrijder [betrokkene 1] in een woonwijk (in de [a-straat] ) wil afzetten, komt [betrokkene 2] in de Fiat aangereden. Hij stopt eerst aan de passagierszijde van de Opel Signum, parkeert de Fiat vervolgens achter de Signum, stapt uit en begint vrijwel direct schoten af te vuren op de Opel Signum. De verdachte weet zichzelf en zijn bijrijder [betrokkene 1] aan deze schietpartij (in de stukken aangeduid als PD1) te onttrekken door hard weg te rijden. Kort daarna komt het vlakbij PD1 bij de uitvalsweg uit de woonwijk tot een derde treffen, te weten bij de kruising van de [b-straat] met de [a-straat] . De Opel Signum van de verdachte staat dan op de [b-straat] en de Fiat 500 en de Volkswagen Jetta van de gebroeders [familie] staan dan op de [a-straat] . Er wordt over en weer geschoten (PD2). Meteen daarna stuurt de verdachte de Opel Signum over het kruisingsvlak met de [a-straat] de wijk uit, gevolgd door de Volkswagen Jetta en de Fiat. Op een verderop gelegen rotonde vliegt de Opel Signum uit de bocht en strandt met twee lekke banden en een kapot wiel. Op die plaats wordt nog één keer een schot afgevuurd (PD3).
De verdachte wordt onder meer vervolgd voor het medeplegen van doodslag op PD2. Hij ontkent zelf te hebben geschoten en beroept zich op noodweer(exces).
De zaak is eerder in cassatie aan de orde geweest. De Hoge Raad heeft op 14 mei 2019 – in lijn met de conclusie van mijn ambtgenoot Keulen – geoordeeld dat de wijze waarop het hof het beroep op noodweer heeft verworpen niet zonder meer begrijpelijk is voor zover het hof heeft geoordeeld dat de gedragingen van de verdachte niet als verdedigend maar als aanvallend moeten worden gezien én voor zover het hof heeft geoordeeld dat sprake is geweest van culpa in causa. “Ook de door het Hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de verdachte heeft ontkend te hebben geschoten of het schieten te hebben willen medeplegen, kan de verwerping van het verweer niet (zelfstandig) dragen, omdat zo een omstandigheid op zichzelf niet in de weg hoeft te staan aan het slagen van een beroep op noodweer.” De Hoge Raad heeft daarop het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 26 juni 2015 vernietigd, maar uitsluitend ten aanzien van de strafbaarheid van het onder 1A bewezenverklaarde medeplegen van poging tot doodslag, de strafbaarheid van de verdachte ter zake van dat feit en de strafoplegging.
Na terugwijzing is bij het hof opnieuw een beroep op noodweer(exces) gedaan. Het hof heeft dat beroep wederom niet gehonoreerd, maar nu op andere gronden dan in de eerste ronde. Ditmaal neemt het hof aan dat (ook) op PD2 sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waarbij het eerste schot is afgevuurd door de tegenpartij van de verdachte. Het hof is echter van oordeel dat het beroep op noodweer(exces) niet slaagt omdat niet aan de subsidiariteitseis – ook wel ‘het onttrekkingsvereiste’ genoemd – is voldaan. Het hof acht verdediging tegen de aanranding niet noodzakelijk, omdat de verdachte zich aan de aanranding had kunnen en moeten onttrekken door te vluchten. Bij arrest van 20 november 2020 veroordeeld het hof de verdachte zoals hiervoor onder randnummer 1.1. vermeld.
Het cassatieberoep tegen het arrest van 20 november 2020 is ingesteld namens de verdachte. C. Grijsen, advocaat te Almere, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
In het eerste middel wordt geklaagd dat het hof ten onrechte de verdediging niet de gelegenheid heeft gegeven het laatst te spreken.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 oktober 2020 blijkt dat op die zitting uitvoerig aandacht is besteed aan de – gezien het terugwijzingsarrest van de Hoge Raad op dat moment vaststaande – bewezenverklaring van het medeplegen van poging tot doodslag. Door de voorzitter van het hof is beklemtoond dat duidelijkheid over dit bewezenverklaarde feit van belang is voor de beoordeling van het beroep op noodweer. Aan de hand van opgemaakte processen-verbaal, plattegronden en ‘stills’ van beschikbare camerabeelden worden de feiten en omstandigheden van de confrontatie besproken.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 oktober 2020 houdt vervolgens het navolgende in:
“De voorzitter verklaart vervolgens - zakelijk weergegeven - :
Op grond van hetgeen zojuist is voorgehouden kan geconcludeerd worden dat de Opel Signum gedurende meer dan 10 seconden heeft stilgestaan bij de kruising van de [b-straat] met de [a-straat] . Het hof is benieuwd wat de reden daarvan is geweest.
De raadsman antwoordt - zakelijk weergegeven - :
Ik heb mijn cliënt daar niet direct naar gevraagd, omdat het voor mij niet veel verschil maakt. Het gaat er mijns inziens om dat hij toen werd beschoten. Mijn cliënt kwam aanrijden, hoorde een inslag, hoorde kogels vliegen en zag flitsen. Hij werd derhalve opnieuw aangevallen. Daarop is hij er meteen vandoor gegaan (…) Mijn cliënt werd dus keer op keer aangevallen en is steeds weggereden.
Op vragen van de voorzitter antwoordt de raadsman - zakelijk weergegeven - :
U geeft opnieuw aan dat u graag wilt weten waarom mijn cliënt stil is gaan staan terwijl hij aan het vluchten was, nadat hij (…) was beschoten. Ik denk dat hij de weg niet kende. Dat is mijn invulling. U houdt mij voor dat hij best lang heeft stil gestaan.
Wat mij juist opvalt is dat de witte Fiat is gekeerd nadat hij net iemand heeft geprobeerd te vermoorden, en dat hij vervolgens de snelste weg heeft gekozen om iemand af te snijden en daarna weer het vuur heeft geopend.
De voorzitter verklaart - zakelijk weergegeven - :
Het hof begrijpt op zich dat de Fiat moest keren. De Fiat is vervolgens linksaf geslagen de [a-straat] in. Dat moest wel, want aan de rechterzijde loopt de [a-straat] dood. De enige andere mogelijkheid was dat de Fiat achter de Opel Signum was aangereden.
Het hof merkt verder nog op dat het op grond van het dossier voorts aannemelijk lijkt dat zowel de VW Jetta en de Fiat als de Opel Signum op de heenweg (naar de kruising met de [c-straat] ) bij het Shell tankstation linksaf de [a-straat] zijn ingeslagen.
De raadsman antwoordt op vragen van de voorzitter - zakelijk weergegeven - :
Wat ik opmaak uit het dossier is dat mijn cliënt (na het eerste schietincident) in paniek was. Hij kende - en dat is mijn invulling - de weg niet. Kennelijk is er een moment geweest dat hij gas heeft los gelaten, heeft geremd, dan wel de auto heeft laten rollen. Op dat moment kwamen de Fiat en de VW Jetta van rechts aangereden. Het eerste wat mijn cliënt vervolgens hoort is een kogelinslag. Hij ziet flitsen en hoort geluid van kogels. Hij concludeert dat dit kogels moeten zijn die vanuit de Fiat of de VW Jetta komen. Dan wordt er teruggeschoten. Het standpunt van mijn cliënt is dat de bijrijder dat heeft gedaan. Dat komt overeen met de plek van de inslag.
U houdt mij voor dat het het hof niet logisch lijkt om stil te gaan staan omdat het moeilijker is om op een bewegend voorwerp te schieten. Ik heb er spijt van dat ik hem toch niet meer heb gepusht om vandaag aanwezig te zijn om hier duidelijkheid over te kunnen geven. Ik kan daar wel naar gissen maar het lijkt mij beter om het bij het dossier te houden. Wat mijn cliënt mij in ieder geval wel duidelijk heeft gemaakt is dat hij onder vuur lag en dat hij niet wist wat hij moest doen.
(…).De zitting wordt voor korte tijd onderbroken.
Na hervatting van het onderzoek ter terechtzitting krijgt de advocaat-generaal het woord voor het houden van het requisitoir.
De advocaat-generaal voert het woord overeenkomstig een digitaal aan het hof en de raadsman verstrekt requisitoir, dat door de griffier is geprint en aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud geacht moet worden hier te zijn ingevoegd.
(…)
De raadsman voert het woord overeenkomstig een door hem overgelegde pleitnota die aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud geacht moet worden hier te zijn ingevoegd. Hij verklaart daarbij - zakelijk weergegeven - :
Helaas moet ik u gelijk geven dat de bewezenverklaring ter zake van feit 1A ook onherroepelijk is en we het daar vandaag niet meer over kunnen hebben. Ik zal daarom een groot deel van mijn pleitnota overslaan. De punten 1 tot en met 15 zal ik kort voordragen. Vervolgens ga ik dan bij punt 39 verder. Mijn conclusie is dat mijn cliënt ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.
De advocaat-generaal ziet af van repliek.De zitting wordt korte tijd onderbroken.
Na hervatting van het onderzoek ter terechtzitting deelt de voorzitter mede - zakelijk weergegeven -:
Het hof wil graag extra tijd nemen voor het concipiëren van de uitspraak. Daarom zal de behandeling van de zaak worden aangehouden tot 20 november 2020 om 13:30 uur. Op die zitting zal het onderzoek ter terechtzitting worden gesloten en direct uitspraak worden gedaan.
De raadsman verklaart desgevraagd dat hij zijn cliënt op de hoogte zal brengen van de datum en het tijdstip en dat hij met de voorgestelde gang van zaken instemt.
Zowel de advocaat-generaal als de raadsman stemmen er voorts mee in dat de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en de daarop volgende uitspraak enkelvoudig zal worden gedaan, te weten door de oudste raadsheer, die die dag zitting heeft.
Hierop wordt het onderzoek geschorst tot de terechtzitting van 20 november 2020 te 13:30 uur.”
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 november 2020 houdt het volgende in:
“De voorzitter doet de zaak tegen de (…) verdachte uitroepen.
De verdachte genaamd (…) is, evenals zijn raadsman (…), niet verschenen.
De voorzitter deelt mede dat de zaak inhoudelijk is behandeld op de terechtzitting van 22 oktober 2020. Op de zitting van 22 oktober 2020 is medegedeeld dat het hof extra tijd wenst te nemen voor het concipiëren van de uitspraak en dat de zaak daartoe zal worden aangehouden tot de zitting van vandaag, op welk moment het onderzoek zal worden gesloten.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.”
In de toelichting op het middel voert de steller van het middel aan dat moet worden vastgesteld dat het proces-verbaal van de zitting van 22 oktober 2020 en het proces-verbaal van de zitting van 20 november 2020, waarop het onderzoek ter terechtzitting is gesloten en direct uitspraak is gedaan, niet de mededeling bevat dat door of namens de verdachte de gelegenheid is gelaten het laatst te spreken. In een zaak als deze waarin de feitelijke situatie ter plaatse blijkens het onderzoek ter terechtzitting door het hof van groot belang wordt geacht voor de juridische beoordeling van de zaak, zou er volgens de steller van het middel reden te over zijn om de gemachtigd raadsman na de korte onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting van 22 oktober 2020 in de gelegenheid te stellen (namens de verdachte) het laatst te spreken. Het zou namelijk in de rede liggen dat tijdens de korte onderbreking van het onderzoek contact is geweest tussen de raadsman en zijn cliënt, waardoor de raadsman de visie van zijn cliënt op de feitelijke situatie nog naar voren had kunnen brengen. Ook zou heel wel mogelijk zijn dat de raadsman, het gebeurde ter zitting op de gang overdenkend, met relevante nieuwe inzichten op de proppen komt.
Bij de beoordeling van het middel kan worden vooropgesteld dat op grond van art. 311 lid 4 Sv in verbinding met art. 415 lid 1 Sv de verdachte het recht heeft het laatst te spreken. Op grond van art. 331 lid 1 Sv in verbinding met art. 415 lid 1 Sv komt dat recht ook toe aan de uitdrukkelijk gemachtigde raadsman die op basis van art. 279 Sv de verdachte ter terechtzitting ‘vertegenwoordigt’. Voor beide gevallen geldt dat het niet bieden van de gelegenheid om het laatst te spreken, is bedreigd met nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting.
Voor de beoordeling van het middel acht ik twee arresten van de Hoge Raad van bijzonder belang. In de eerste plaats HR 25 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3368, NJ 2003/558. In deze zaak had de voorzitter, nadat de bepaaldelijk gemachtigd raadsman het woord tot verdediging had gevoerd, ‘aan geen der aanwezigen meer het woord gegeven’ en het onderzoek gesloten. De Hoge Raad oordeelde dat onder deze omstandigheden niet kan worden gezegd dat het hof aan de raadsman de bevoegdheid heeft onthouden om het laatst te spreken. Anders gezegd: als het OM heeft gerequireerd en de bepaaldelijk gemachtigd raadsman heeft gepleit terwijl het OM daarna niet heeft gerepliceerd, dan kan de raadsman worden geacht met zijn pleidooi het laatst te hebben gesproken.
In HR 13 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6033, NJ 2005/502 had de voorzitter van het hof, nadat de bepaaldelijk gemachtigd raadsman het woord tot verdediging had gevoerd en de advocaat-generaal had afgezien van repliek, aan de advocaat-generaal gevraagd “of tegen het vonnis van de Rechtbank te Assen van 26 april 1994, waarbij de [A] B.V. failliet is verklaard, appèl is aangetekend”. Vervolgens had de advocaat-generaal, na schorsing en hervatting van het onderzoek ter terechtzitting, geantwoord dat er geen rechtsmiddel tegen het vonnis van de rechtbank was ingesteld en dat hij het schriftelijk bewijs daarvan in handen van de griffier zou stellen. Daarna had de voorzitter het onderzoek ter terechtzitting gesloten. Ook in dit geval oordeelde de Hoge Raad dat onder deze omstandigheden niet kan worden gezegd dat het hof “aan de raadsman de bevoegdheid heeft onthouden om het laatst te spreken, in aanmerking genomen dat de mededeling van de Advocaat-Generaal slechts een antwoord inhield op een feitelijke vraag van het Hof en de raadsman niet heeft doen blijken daarna nog het woord te willen voeren”.
In de onderhavige zaak geldt eveneens dat nadat de bepaaldelijk gemachtigd raadsman op de zitting van 22 oktober 2020 het woord ter verdediging heeft gevoerd en de advocaat-generaal heeft afgezien van repliek, de zitting voor korte tijd is onderbroken. Na hervatting van het onderzoek ter terechtzitting heeft de voorzitter medegedeeld – kort gezegd – dat het hof extra tijd wil nemen voor het opstellen van de uitspraak en dat de behandeling van de zaak daarom wordt aangehouden tot 20 november 2020. Op die zitting zou het onderzoek ter terechtzitting worden gesloten en direct uitspraak worden gedaan. De raadsman heeft daarop gezegd dat hij zijn cliënt hiervan op de hoogte zou brengen en dat hij instemde met de voorgestelde gang van zaken.
Uit het voorgaande volgt dat de raadsman van de verdachte op de zitting van 22 oktober 2020 het recht heeft gekregen het laatst te spreken zodat van schending van art. 311 lid 4 Sv (jo. art. 331 lid 1 Sv) geen sprake is. Immers, hetgeen op die zitting is besproken ná de korte onderbreking, hield niet meer in dan een min of meer huishoudelijke mededeling van de voorzitter over het (uitgestelde) moment van de sluiting van de behandeling en het doen van de uitspraak. De raadsman heeft met die gang van zaken ingestemd en heeft niet aangegeven nog (aanvullend) het woord te willen voeren namens de verdachte. Mocht hij dat laatste wel hebben gewild, dan had enige assertiviteit van hem mogen worden verwacht. Daarvan is niets gebleken.
In zoverre faalt het middel.
Voor zover met het middel ook wordt bedoeld te klagen dat op de (sluitings)zitting van 20 november 2020 aan de verdachte of zijn raadsman niet het recht is gelaten het laatst te spreken, faalt het middel eveneens omdat zowel de verdachte als zijn raadsman op die zitting afwezig waren, zodat het uitvoeren van dat recht feitelijk onmogelijk was. Ten overvloede merk ik nog op dat in het geval de verdachte of zijn raadsman op die laatste (sluitings)zitting wel aanwezig waren geweest, het hof hen niet opnieuw het laatste woord had behoeven te verlenen, omdat de raadsman van de verdachte het laatste woord reeds had gehad op de zitting van 22 oktober 2020 en op de zitting van 20 november 2020 geen nieuwe onderzoekshandelingen zijn verricht. Nadat het onderzoek ter terechtzitting op de zitting van 22 oktober 2020 was afgerond, is het onderzoek op de zitting van 20 november 2020 (enkel) gesloten en is vervolgens – conform hetgeen op de zitting van 22 oktober 2020 was besproken – direct uitspraak gedaan.
Het eerste middel faalt.
3. Het tweede middel
Het tweede middel bevat de klacht dat het hof het beroep op noodweer(exces) ten onrechte heeft verworpen, althans dat de verwerping van het beroep op noodweer voor zover het hof heeft geoordeeld dat de verdachte zich aan een nieuwe aanranding van [familie] op PD2 had kunnen en moeten onttrekken niet zonder meer begrijpelijk is gemotiveerd, gelet op hetgeen door en namens de verdachte in hoger beroep is aangevoerd, hetgeen (deels) steun vindt in de door het hof gebruikte bewijsmiddelen, meer in het bijzonder de voor het bewijs gebezigde verklaringen van de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 1] .
Zoals hiervoor onder randnr. 1.3. is vermeld, heeft deze zaak eerder bij de Hoge Raad op de rol gestaan. De Hoge Raad heeft het arrest van het hof toen vernietigd, “maar uitsluitend ten aanzien van de strafbaarheid van het onder feit 1A bewezenverklaarde, de strafbaarheid van de verdachte ter zake van dat feit en de strafoplegging”. De bewezenverklaring van feit 1A, de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en de gegeven bewijsoverwegingen zijn daarmee ‘een gegeven’ voor de kamer van het hof die in de tweede ronde over de zaak moet oordelen.
Ten laste van de verdachte is onder 1A bewezenverklaard dat:
‘hij op 25 oktober 2012 in de gemeente Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [betrokkene 2] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet meermalen, in/op/nabij de [a-straat] en de [b-straat] vanuit een personenauto met een vuurwapen in de richting van die [betrokkene 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.’
Ten aanzien van de bewezenverklaring heeft het hof in zijn – in de eerste ronde gewezen – arrest van 26 juni 2015 het volgende overwogen (met weglating van verwijzingen):
‘Het hof overweegt over de schietincidenten en het gevoerde verweer het volgende. Vast staat dat er een conflict is ontstaan tussen enerzijds [betrokkene 1] en anderzijds de broers [betrokkene 3] en [betrokkene 2] . Hoewel er in het dossier aanwijzingen voor zijn dat de reden voor het conflict te maken heeft met criminele activiteiten aan beide zijden (afpersing in de horeca, handel in goud, drugs, anabolen en nep-medicijnen), heeft het onderzoek in deze zaak daarover geen duidelijkheid opgeleverd. Geen van de betrokkenen heeft over de achtergrond van het geschil een aannemelijke verklaring willen geven. Wel staat vast dat verdachte [betrokkene 2] , bijgenaamd [betrokkene 2] , op zondag 21 oktober 2012 in de horecagelegenheid [A] te Amsterdam flink is toegetakeld (gebroken neus, gekneusde vinger en gaten in het hoofd) door [betrokkene 1] , bijgenaamd “ [betrokkene 1] ”. [betrokkene 3] , de broer van [betrokkene 2] , is na de mishandeling direct naar Amsterdam gereden en wordt onderweg geflitst (...). [betrokkene 2] heeft zich in het ziekenhuis voor zijn verwondingen laten behandelen, maar heeft geen aangifte bij de politie gedaan.Op 22 oktober 2012 stuurt [betrokkene 3] een bericht aan zijn vriend [betrokkene 4] (...): “Ik volg, maar [betrokkene 1] ga ik wel pakken. Ik kan niet wachten tot ik die flikker pak.” Op 23 oktober 2012 wordt er tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] acht keer telefonisch contact gezocht. Die dagen hebben [betrokkene 1] en verdachte veel telefonisch contact en op 24 oktober 2012 brengen ze een belangrijk gedeelte van de dag met elkaar door. Ze kennen elkaar van het trainen in de sportschool en als celgenoten in 2006 in de koepel te Haarlem. Verdachte weet van het probleem dat [betrokkene 1] heeft met de broers [familie] . Op 24 oktober 2012 is het laatste telefonisch contact tussen [betrokkene 1] en verdachte om 23.22 uur. Ze zijn dan nog in Amsterdam. Nadat [betrokkene 2] om 23.45 uur telefonisch contact heeft gehad met [betrokkene 1] (...), rijden [betrokkene 1] en verdachte in een Opel Signum van Amsterdam naar het Esso-pompstation aan de Hogering in Almere voor een ontmoeting met [betrokkene 3] .
[betrokkene 1] en verdachte arriveren op 25 oktober 2012, iets na middernacht in de shop van het Esso-station. Op de camerabeelden, van het pompstation is te zien dat [betrokkene 1] binnen blijft wachten. Verdachte loopt een paar keer van binnen naar buiten en gaat de auto wassen. Zichtbaar is dat hij een tasje op de linkerheup draagt. De broers [betrokkene 2] en [betrokkene 3] rijden met tenminste twee auto's naar het Esso-pompstation. [betrokkene 2] wacht in zijn witte Fiat 500 op een industrieterrein in de buurt van het pompstation, zoals hij ter zitting van het hof heeft verklaard. Er zitten nog anderen bij hem in de auto, maar hun namen heeft hij niet willen noemen.
[betrokkene 3] rijdt in een VW Jetta. Hij komt om 00.15 uur de shop van het pompstation binnen. De VW Jetta blijft op dezelfde plaats voor de ingang van de shop staan met de lichten aan tot het vertrek om 00.24 uur.
Op de camerabeelden in de shop is te zien dat [betrokkene 3] afwerend reageert op toenaderingen van [betrokkene 1] (...). Er is ruzie tussen de twee en er wordt geduwd (...). Verdachte bemoeit zich niet met deze ontmoeting, die ongeveer 8 minuten duurt.
Om 00.24 uur stapt [betrokkene 3] aan de passagierszijde in de VW Jetta en vertrekt. Deze auto valt op door een fellere kentekenverlichting aan de linkerzijde (achteruitrijcamera) en wordt direct gevolgd door een grijskleurige Mitsubishi Lancer (...).
Om 00.26 uur rijdt de Opel Signum weg met verdachte als bestuurder en met [betrokkene 1] als passagier (...), direct gevolgd door een Renault Megane en een VW Polo (...). Ze rijden de Audioweg op en slaan linksaf naar de Högering. Ze doen over de rit naar de Stedenwijk 11 minuten, waar normaal 8 minuten voor staat. Volgens de verklaring van verdachte is [betrokkene 1] onderweg nog bij een café uitgestapt, maar die ontkent dat.
Om 00.31 uur belt [betrokkene 2] naar [betrokkene 1] (...). [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij wist dat de andere partij wapens had en een kogelwerend vest.[betrokkene 3] smst naar zijn goede vriend [betrokkene 5] om 00.32 uur: “Bid voor me, ik hou van je broer.”
Kort hierna vinden er in de nacht van 25 oktober 2012 in Almere drie schietincidenten plaats, hierna ook kort aangeduid met Plaats Delict (PD) 1, 2 en 3.
PD1 hoek [a-straat] en [c-straat]
De Opel Signum met verdachte als bestuurder en [betrokkene 1] als passagier parkeert om ongeveer 00.37 uur in de [a-straat] op de hoek met de [c-straat] , vlakbij een doorgang naar de woning van de moeder van [betrokkene 1] aan het [e-straat 1] . De Fiat 500 met [betrokkene 2] als bestuurder stopt in de [a-straat] naast de passagierskant van de Opel Signum.
Vervolgens rijdt [betrokkene 2] met de Fiat achteruit en gaat achter de Opel staan.
Getuige [betrokkene 6] , wonende in de [a-straat] , heeft verklaard dat ze een auto hoorde stoppen voor haar deur. Ze kijkt uit het zolderraam en ziet een man met zwarte kleding uit een kleine witte auto stappen, Hij pakt een pistool en schiet met de arm naar voren (verklaring bij de RC) meerdere malen in de richting van de hoek [a-straat] / [c-straat] . De donkergrijze auto (Opel Signum) rijdt hard weg de [c-straat] in richting de [b-straat] . De schutter loopt terug naar zijn auto.
Getuige [betrokkene 7] (...) ziet de Opel voorbijrijden en rechtsaf slaan de [b-straat] op naar de kruising met de [a-straat] .
Getuige [betrokkene 8] en [betrokkene 9] horen deze eerste schoten en zien dan vervolgens het tweede schietincident op PD 2.
Om 00.39 uur komt de eerste melding over het schieten binnen bij de politie, net na het eerste schietincident (...).
Op de hoek van de [a-straat] en de [c-straat] vindt de politie later 7 hulzen.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de Opel door de [c-straat] is weggereden en dat [betrokkene 2] in zijn Fiat is gekeerd en door de [a-straat] is teruggereden naar de [b-straat] .
PD2 hoek [b-straat] en [a-straat]
Van de camerabeelden van het Shell-pompstation in de buurt van PD2 is een beschrijving gegeven met de beweging van auto's. Daaruit kan worden afgeleid dat om ongeveer 00.39 uur de Opel Signum en de Fiat 500 ongeveer 10 seconden stilstaan bij de kruising. De Fiat staat aan het eind van de [a-straat] met de neus richting de [b-straat] en de Opel staat daar haaks op aan de [b-straat] bij een lantaarnpaal met de neus richting het Shell-pompstation.
Getuige [betrokkene 8] en [betrokkene 9] zien eerst de Fiat en de VW Jetta naast elkaar staan op de [a-straat] . Ze horen schoten en zien de VW Jetta hard achteruit rijden. Na het schieten rijdt de VW Jetta weer naast de Fiat. Daarna rijden de beide auto’s achter elkaar hard weg richting de Shell en de Stedendreef, de VW Jetta voorop (...). De getuige [betrokkene 6] ziet dezelfde man als de eerste schutter (PD 1) met één been uit de witte auto staan. Het portier is open. Ze hoort meerdere schoten door elkaar. (...) Op PD 2 worden, vlakbij de plaats waar de Fiat 500 heeft gestaan, 5 hulzen gevonden, een verwrongen kogelmantel met loden kogelkop en een wieldop Fiat 500 met schotinslag (...). Bij nader onderzoek blijken deze hulzen met hetzelfde wapen te zijn afgeschoten als de 7 hulzen op PD 1.
De Opel Signum blijkt schotbeschadigingen te hebben aan de passagierszijde: haaks op de bovenkant van het voorportier, op het achterwiel, schuin midden op het voorportieren (waarschijnlijk als ricochet) schuin op de onderstijl en het voorwiel. Voorts is er een inslag op de gevel van [C] gevonden (in een rechte lijn met de plaats van de Fiat 500 via de plaats van de Opel Signum, op ongeveer 1.20 m. hoog) en zijn bloedsporen van de inzittende [betrokkene 1] gevonden, onder meer op de kofferdeksel van de Opel Signum. Voor het schieten in de tegenovergestelde richting, vanuit de Opel Signum naar de Fiat 500 zijn de volgende bewijzen:- een inschot in de motorkap van de Fiat 500 (door een vervanging van het rechter portier konden mogelijke beschadigingen daar niet meer worden getraceerd);
- een schampschot en een inschot op een boom in één lijn van de [b-straat] (lantaarnpaal) naar de [a-straat] (plaats Fiat);
- kruitsporen in de Opel Signum en schiethanden van verdachte, die wijzen op een betrokkenheid bij een schietincident;
- in totaal 9 gevonden hulzen in en bij de Opel Signum, zeer waarschijnlijk afgeschoten met het Steyr-wapen, één van de drie aangetroffen vuurwapens;
- een deel van de 9 hulzen en de drie vuurwapens zijn vlakbij de Opel Signum gevonden in een tasje met DNA-sporen van [betrokkene 1] en verdachte;
- DNA-sporen in de kolf van het Steyr-wapen matchen met verdachte en een bloedspoor aan de onderzijde met [betrokkene 1] .
Uit de camerabeelden van het Shell-pompstation blijkt dat eerst de Opel Signum wegrijdt van PD 2, 11 sec. later de VW Jetta en 5 sec. later de Fiat 500, deze laatste met lekke band en een benzinelek.
PD3 Hollandsedreef en rotonde bij Esso-pompstation aan de Hogering
De Opel Signum is op de rotonde uit de bocht gevlogen en iets verder gestrand met twee lekke banden en een kapot wiel. Verdachte is eerst bellend naast de auto gezien en later is hij daar aangehouden.
In de Opel Signum is in het opbergvak achter de bestuurdersstoel een tas gevonden met 3 geprepareerde tie-wraps. Voorts zijn gevonden in deze auto onder de voorstoelen 2 hulzen, een bloedspoor op het kofferdeksel, één huls naast de auto bij het bestuurdersportier en één huls in de groenstrook bij de auto.
Op het talud bij de Opel Signum, waar [betrokkene 1] en verdachte naartoe zijn gelopen, zijn een kogelwerend vest en een tasje door de politie gevonden. In dit tasje van verdachte werden drie vuurwapens aangetroffen:
- een semi-automatisch werkend pistool van het merk Sundance Industries, model Laser 25, kaliber 6.35 mm Browning, voorzien van serienummer 097006;
- een (niet werkend) pistool met de uiterlijke kenmerken van een semi-automatisch alarmpistool van het merk BBM, model 315 AUTO, waarbij de loop is vervangen, zodat het wapen geschikt is gemaakt voor het verschieten van scherpe patronen van het kaliber 6.35 mm Browning:
- een semi-automatisch werkend pistool van het merk Steyr, model S9, kaliber 9 mm parabellum (...).
Op het talud is één schot in de lucht afgeschoten (met de Sundance). De getuige ziet de schutter ( [betrokkene 1] ) wegvluchten (...).
Op grond van forensisch onderzoek is komen vast te staan dat de hulzen die in en bij (onder meer in voornoemd tasje) de Opel Signum zijn aangetroffen alle zeven goed kunnen zijn verschoten met voornoemd pistool van het merk Steyr en dat nagenoeg kan worden uitgesloten dat ze met een ander vuurwapen zijn verschoten.
Ten tijde van deze gebeurtenissen waren verdachte en [betrokkene 1] respectievelijk bestuurder en bijrijder van de Opel Signum en was [betrokkene 2] bestuurder van de Fiat 500.
[betrokkene 1] heeft verklaard dat hij op 24 oktober 2012 twee vuurwapens, beide van kaliber 6.35 mm, van huis heeft meegenomen en dat hij die wapens gedurende de gehele dag onder handbereik heeft gehad. Deze wapens droeg hij op 25 oktober 2102 (AG: 2012) rond 00:30 uur nog steeds bij zich. Direct nadat [betrokkene 1] en verdachte, zittend in de Opel Signum van verdachte, op de hoek van de [a-straat] en de [c-straat] in Almere door [betrokkene 2] waren beschoten, zijn zij in de Opel weggereden. Eenmaal op de [b-straat] zagen [betrokkene 1] en verdachte de auto van [familie] bij de kruising met de [a-straat] staan. Verdachte bracht de Opel tot stilstand. [betrokkene 1] zou toen naar eigen zeggen hebben willen schieten met zijn zwarte pistool met geluiddemper, maar dit wapen weigerde dienst. Volgens [betrokkene 1] werd er vervolgens vanuit de auto (waarin hij alleen met verdachte zat) in de richting van de auto met [familie] geschoten. Hij deed dat niet zelf en over het wapen waarmee dat gebeurde en over wie dat wapen hanteerde wil [betrokkene 1] niet verklaren.
Vast staat dat de Fiat 500 meerdere keren is getroffen door kogels. Uit onderzoek is gebleken dat in de motorkap een kogel is ingeslagen, terwijl in de onmiddellijke nabijheid van de plaats waar deze auto op de kruising van de [a-straat] met de [b-straat] heeft stilgestaan een wieldop is aangetroffen die ook door een kogel is geraakt. Daarnaast staat vast dat op deze kruising van PD 2, gezien vanaf de plaats waar de Opel Signum heeft stilgestaan, in één lijn via de plaats waar de Fiat 500 heeft stilgestaan een kogel is ingeslagen in de stam van een boom. Het hof neemt aan dat ook deze kogel is afgevuurd vanuit de Opel Signum op de Fiat 500.
Bij verdachte werden kort na zijn aanhouding op 25 oktober 2012 zogenaamde schiethanden afgenomen (...). Door het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag is in de bemonsteringen van de rechter- en linkerhand respectievelijk 155 en 30 categorie A deeltjes aangetroffen. Deze categorie A deeltjes hebben een elementsamenstelling die karakteristiek is voor schotrestdeeltjes.
Onderzoek door het NFI, weergegeven in een rapport d.d. 10 januari 2013, heeft uitgewezen dat DNA van verdachte is aangetroffen aan de binnenzijde van de kolf en op de randen van de patroonhouder van het Steyr 9 mm pistool, welk pistool is aangetroffen in het tasje waarin eveneens het Sundance Industries pistool en het omgebouwde BBM pistool, beide 6.35 mm, werden aangetroffen. De sporen van verdachte op het Steyr-wapen passen bij het gebruik van dit wapen, bijvoorbeeld bij het laden.
Het met het DNA van [betrokkene 1] matchende bloedspoor aan de onderzijde van hetzelfde wapen wijst niet direct op een schiethandeling, maar het bevestigt wel dat ook hij dit wapen in handen heeft gehad.
Gelet op het voorgaande, kan worden aangenomen dat in ieder geval verdachte op 25 oktober 2012 op PD 2 vanuit de Opel Signum heeft geschoten in de richting van de Fiat 500 en [betrokkene 2] .
Het hof concludeert voorts op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden dat verdachte en [betrokkene 1] in de Opel Signum, kort na de eerste confrontatie met [betrokkene 2] op PD 1, op PD 2 een nieuwe confrontatie met [betrokkene 2] hebben opgezocht of op zijn minst niet uit de weg zijn gegaan. In het bijzonder is daarbij van belang dat zij, met drie vuurwapens en een kogelwerend vest in hun bezit, hun auto op betrekkelijk korte afstand van de Fiat 500 met [betrokkene 2] hebben stilgezet, dat vanuit de voertuigen vrij zicht was op het andere voertuig en dat daarna over en weer is geschoten.Het hof concludeert op grond van al deze feiten en omstandigheden, zoals hiervoor vastgesteld, dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [betrokkene 1] bij het schieten op [betrokkene 2] in de zin van medeplegen. Onder de gegeven omstandigheden is het immers slechts toeval dat het wapen van [betrokkene 1] niet en het wapen van verdachte wel goed functioneerde. Hun gezamenlijke opzet was gericht op dit schieten op PD 2, waarbij op zijn minst een aantal kogels op een zodanige plaats en hoogte terecht zijn gekomen, dat het slechts aan toeval te danken is dat de inzittende van de Fiat 500 niet dodelijk door die kogels is getroffen. Dat daarmee de aanmerkelijke kans heeft bestaan dat [betrokkene 2] fataal letsel zou oplopen behoeft geen betoog. Verdachte heeft door zo met zijn medeverdachte [betrokkene 1] te handelen op zijn minst willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [betrokkene 2] door hun schoten gedood zou worden.
Daar komt nog bij dat de houding van verdachte direct na de schietincidenten niet past bij de rol die hij volgens zijn eigen verklaring zou hebben gespeeld. Ook op de terechtzitting van het hof heeft hij verklaard slachtoffer te zijn van het hele gebeuren op 25 oktober 2012. Hij zou daar alleen door toeval aanwezig zijn geweest, zich er niet aan hebben kunnen onttrekken en van de aanwezigheid van vuurwapens niet op de hoogte zijn geweest.
Deze gestelde slachtofferrol past naar het oordeel van het hof niet bij de wijze waarop verdachte op de komst van de politie reageerde, toen die hem aanspraken kort nadat verdachte met zijn auto was gestrand. In plaats van zich bekend te maken als getuige en/of slachtoffer van verschillende schietincidenten, zei de verdachte alleen tegen de agenten dat hij een lekke band had. Daarvoor had hij volgens zijn eigen verklaring bij het hof de kogelgaten in de voorruit van de Opel Signum met een soort karatetrap onherkenbaar gemaakt. Hij liet daarop de politie ook weer vertrekken. (...)’
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 oktober 2020 (dus na de terugwijzing door de Hoge Raad) heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt (met weglating van voetnoten) in:
‘Noodweer(exces)
40. Blijkens art. 41 Sr houdt noodweer in dat het begane feit, hier: onder 1, was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding - waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. 42. Noodweer impliceert verdedigend optreden. De intentie van een verdachte mag er niet op zijn gericht de confrontatie met het slachtoffer aan te gaan. Mijn cliënt stelt zich op het standpunt dat hij meerdere verdachte auto's en personen rond PD 2 in de wijk heeft gezien. Hij kan zich tenminste 4 auto's herinneren die hem achtervolgden of opwachtten. Hij maakt daaruit op dat zij hem rond PD 2 in de val hebben laten lopen. Zij stonden hem gewapend op te wachten en hadden zich met een vooropgezet plan in de wijk gepositioneerd. Uit het dossier maakt hij op dat ook al bij het Esso tankstation auto's met opzet op afstand, buiten beeld van de camera's, zijn geparkeerd en [betrokkene 1] hebben opgewacht. Na PD 2 hebben auto's hem achtervolgd en op hem geschoten. Zij zochten duidelijk de aanval.
‘ 43. De aanval kwam op 25 oktober de hele avond van de familie [familie] . Bij het Esso pompstation zoekt [betrokkene 3] bijrijder [betrokkene 1] op en er ontstaat ruzie. De familie [familie] volgt de Opel en neemt die op PD 1 onder vuur. Mijn cliënt rijdt weg, de familie [familie] kiest wederom voor de aanval en snijdt de Opel op PD 2 af. Op PD 2 opent de familie wederom het vuur op mijn cliënt, waarna uit zelfverdediging wordt weggeschoten. Mijn cliënt rijdt vervolgens weg, wordt onderweg vanuit meerdere voertuigen nogmaals beschoten en pas als hij op een rotonde uit de bocht vliegt wordt de aanval door de familie [familie] gestaakt.
44. Ook wat na 25 oktober plaatsvindt, zegt genoeg. Dronken mensen spreken de waarheid, maar getapte mensen vaak ook. Zo waande de familie [familie] zich onbespied toen zij het volgende in de gevangenis tegen (AG: elkaar) zeiden, dossierpagina 22:
Opnemen vertrouwelijke communicatie
In de gevangenhouding van de verdachten [betrokkene 3] en [betrokkene 2] is er vertrouwelijke communicatie tussen beide verdachten en bezoekers van de verdachten opgenomen. Uit deze gesprekken is gebleken dat beide verdachten betrokkenheid hebben bij de schietincidenten van 25 oktober 2012. [betrokkene 2] zegt in een gesprek met [betrokkene 3] dat hij gaat zeggen laag geschoten te hebben. Verder zegt [betrokkene 2] dat hij het als hij buiten was het nog een keer gedaan zou hebben. [betrokkene 2] zegt gedaan te hebben wat hij moest doen en het zo nog een keer zou doen.
45. Dat klinkt niet als personen die handelden uit noodweer, maar wel – zoals ook volgt uit de keer op keer ingezette aanval – erop uit waren iemand koste wat kost van het leven te beroven. [betrokkene 2] 'heeft gedaan wat hij moest doen' en 'zou het zo nog een keer doen.' Het lijkt ineens niet opmerkelijk waarom mijn cliënt in zijn eerste verhoren soms verklaarde dat hij 'voor zijn eigen veiligheid' bepaalde namen niet wilde noemen...
46. Voorts volgt uit getapte gesprekken tussen [betrokkene 3] en de kentekenhouder van de Fiat 500 ( [betrokkene 4] ), dossierpagina 1148, dat [betrokkene 3] zegt dat hij [betrokkene 1] 'wel te gaan pakken': Onderzoek Samsung [betrokkene 4] Op donderdag 17 januari 2013 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden op de [d-straat 1] te Almere, het adres van [betrokkene 4] , de mede vennoot van [B] . De doorzoeking werd verricht in verband met het onderzoek naar het in voorraad hebben van illegale geneesmiddelen en witwassen. Bij de doorzoeking werd de telefoon, een Samsung van [betrokkene 4] in beslaggenomen. Uit onderzoek naar de data in deze telefoon is gebleken dat op maandag 22 oktober 2012 omstreeks 21.35 uur er whatsapp berichten zijn tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 3] waarin zegt [betrokkene 1] wel te gaan pakken waarop [betrokkene 4] reageert met oke zet je telefoons allemaal uit. Verder zegt [betrokkene 4] die […] hyena shit helemaal te haten. Op 06 november (Opmerking: Een dag na de bezichtiging / afspraak pseudokoop) pinged [betrokkene 4] dat de verzekering van de Fiat stopgezet kan worden. (Opmerking: Ten tijde van de schietincidenten was [betrokkene 4] de kentekenhouder van de Fiat welke betrokken was bij de incidenten.)
Bron: Proces-verbaal van onderzoek Samsung [betrokkene 4] .
47. Ook dat wijst op een aanval door de familie [familie] , in plaats van een verdediging. Bovendien blijkt verder uit de opgenomen gesprekken in de gevangenis tussen [betrokkene 2] en zijn bezoekers dat [betrokkene 2] zegt dat hij in zijn verklaringen tegenover de rechter gaat liegen. Hij zal zeggen dat hij werd afgeperst door [betrokkene 1] en dat hij heeft geschoten om weer vrij te kunnen rondlopen, zie dossierpagina 1152 en 1153. Kennelijk heeft hij iets om over te liegen. Ook dat wijst erop dat de familie [familie] uit was op wraak en de aanval koos.
48. Uit het dossier volgt dat mijn cliënt en zijn bijrijder er ongeveer 10 seconden (al dan niet rollend en langzaam rijdend) op het kruispunt over deden om dat over te steken. Vervolgens werden zij op de korrel genomen door, zoals getuige [betrokkene 6] verklaart, dezelfde man als de eerste schutter (op PD 1). Dat moet [betrokkene 2] zijn. Getuige [betrokkene 6] verklaart dat [betrokkene 2] met één been uit de witte auto, de Fiat 500, stond. Zijn portier was open. Die gedragingen duiden erop dat vanuit de Opel van mijn cliënt nog niet was geschoten in de richting van de Fiat, maar dat [betrokkene 2] vanuit zijn Fiat begon met schieten, net als hij op PD 1 had gedaan. Het is namelijk volstrekt onaannemelijk dat [betrokkene 2] , terwijl hij vanuit het voertuig van mijn cliënt zou worden beschoten, nog even uit zijn auto, de kogels tegemoet, stapt en begint terug te schieten. Het is vele malen waarschijnlijker dat er nog niet werd geschoten, [betrokkene 2] half uit zijn voertuig stapte om beter te kunnen richten en schoot in de richting van mijn cliënt. Net zoals hij eerder op PD 1 deed.
49. De Opel Signum blijkt schotbeschadigingen te hebben aan de passagierszijde, het achterwiel, schuin midden op het voorportier en schuin op de onderstijl en het voorwiel. Die inslagen en schoten moeten een ongelofelijk kabel (AG: kabaal) hebben gemaakt. Mijn cliënt verklaart dan ook dat hij in paniek was en vervolgens – toen hij goed en wel besefte wat er gebeurde – half liggend onder zijn stuur en met hoge snelheid is weggereden. Die toestand wijst in de richting van de kwalificatie noodweerexces. Uit de camerabeelden van het Shell-pompstation blijkt dat eerst de Opel Signum wegrijdt van PD 2, 11 sec. later de VW Jetta en 5 sec. later de Fiat 500, deze laatste met lekke band en een benzinelek. Zodra dat mogelijk was, heeft mijn cliënt zijn weg dus vervolgd, gevolgd door de familie [familie] , die er nog geen genoeg van had.
50. Het voorgaande komt erop neer dat mijn cliënt de confrontatie op PD 2 niet heeft opgezocht, maar die juist telkens uit de weg is gegaan, tot het moment dat achter- of vooruit rijden de aanval op hem niet meer kon breken. Noch achteruitrijdend noch vooruit wegrijden zou ertoe leiden dat hij zich aan een aanval kon onttrekken; de Opel stond immers haaks op de Fiat. Kennelijk kon met wegrijden niet langer worden volstaan en moest er worden teruggeschoten in de hoop dat dit de aanval zou breken. Onder die omstandigheden is dat overigens binnen proporties. De enkele omstandigheden dat de bijrijder [betrokkene 1] gewapend naar Almere is getogen en dat mijn cliënt in het bezit was van een kogelwerend vest impliceren bovendien nog geen provocatie, aldus de AG bij de Hoge Raad en met hem de Hoge Raad.
51. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van voornoemde gedragingen, de getuigenverklaringen en camerabeelden blijkt in elk geval niet dat vanuit het voertuig van mijn cliënt als eerste is geschoten. Alles wijst op confrontatie mijdend gedrag en een reactie op tweede poging tot moord op PD 2 door de familie [familie] . Daarom, en gelet op al het voorgaande, verzoek ik u mijn cliënt de ontslaan van alle rechtsvervolging.’
Het hof heeft in zijn – in de tweede ronde gewezen – arrest van 20 november 2020 het beroep op noodweer en noodweerexces als volgt samengevat en verworpen (met weglating van voetnoten):
‘Strafbaarheid van de verdachte Standpunt verdediging
Ter terechtzitting in hoger beroep op 22 oktober 2020 is door de raadsman betoogd dat verdachte ten aanzien van het onder 1A bewezenverklaarde feit een geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt en dat hij in zoverre zou moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte en medeverdachte [betrokkene 1] op 25 oktober 2012 herhaaldelijk zijn aangevallen door (in ieder geval) [betrokkene 2] met wie [betrokkene 1] een conflict had. Uit het dossier blijkt dat verdachte op geen enkel moment de confrontatie heeft opgezocht, maar dat hij deze telkens uit de weg is gegaan. Toen het op de hoek van de [b-straat] en de [a-straat] (PD2) niet meer mogelijk was om zich door achter- of vooruit weg te rijden aan de aanval te onttrekken - de Opel stond immers haaks op de Fiat - is er uit zelfverdediging (terug)geschoten. Onder die omstandigheden was dat proportioneel. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van voornoemde gedragingen, de getuigenverklaringen en camerabeelden kan niet worden afgeleid dat door verdachte en/of [betrokkene 1] als eerste is geschoten. Verdachte heeft zijn weg vervolgd, zodra dat mogelijk was. Pas toen hij bij een rotonde uit de bocht vloog, is de aanval door de tegenpartij gestaakt. Al met al wijst alles op confrontatiemijdend gedrag van verdachte en is voldoende aannemelijk dat hij uit noodweer dan wel noodweerexces heeft gehandeld, aldus de raadsman.
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting van het hof op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer moet worden verworpen. Hiertoe heeft hij ten eerste aangevoerd dat uit het dossier kan worden afgeleid dat verdachte wist van de ruzie tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , dat hij in die wetenschap met wapens en een kogelwerend vest naar Almere is gegaan voor een confrontatie en dat verdachte op PD2, toen hij de Fiat 500 zag, stilstond, een wapen heeft getrokken en op de Fiat heeft geschoten. In het gedrag van verdachte en [betrokkene 1] voorafgaand aan de confrontatie, zijn volgens de advocaat-generaal elementen te zien die (in samenhang beschouwd), provocatieve aspecten hebben. Deze bijzondere omstandigheden wegen volgens de advocaat-generaal zo zwaar dat die maken dat van culpa in causa kan worden gesproken. Hierop strandt het beroep op noodweer. Daarnaast heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat er nóg een reden is waarom het beroep op noodweer verworpen dient te worden, namelijk omdat aan de subsidiariteitseis niet is voldaan. Verdachte had zich op PD2 - ervan uitgaande dat er op dat moment een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding was - aan die situatie kunnen en moeten onttrekken. Gelet op de feitelijke situatie ter plaatse bestond daartoe een reële mogelijkheid, te weten door hard, recht vooruit te rijden, langs het Shellstation de wijk uit. Waarom stond verdachte überhaupt stil als hij naar eigen zeggen bezig was de wijk uit te vluchten? Dit wijst erop dat verdachte wel kon, maar zich niet aan de situatie wilde onttrekken, aldus de advocaat-generaal.Juridisch kader (o.a. volgend uit HR 22 maart 2016 (ECLI:NL:HR:2016:456))
Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat het begane feit geboden was door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als “verdediging”, maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.
Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een “ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding”. Van een “ogenblikkelijke” aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van art. 41 Sr.
In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is “geboden door de noodzakelijke verdediging” worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was. Zeker bij deze eisen kan de persoon van degene die zich op noodweer beroept, van belang zijn. Van de ene persoon mag bijvoorbeeld op grond van zijn hoedanigheid of bijzondere vaardigheden meer worden gevergd op het vlak van de proportionaliteit dan van een ander.
Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond.
Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken.
Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Dit is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de positie van de verdachte en de ruimte waarin hij zich bevindt, redelijkerwijs geen mogelijkheid bieden tot onttrekking aan de aanranding.
Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is.
De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband – tot terughoudendheid nopende – maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal.
Gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer of noodweerexces (culpa in causa), maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel van een illegaal vuurwapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende.
Noodweerexces kan in beeld komen bij een “overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging”, dus wanneer aan alle voorgaande eisen is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Wat de subsidiariteitseis betreft, verdient opmerking dat voor een beroep op noodweerexces geldt dat er wel een noodzaak tot verdediging moet zijn of moet zijn geweest.
Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:
a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien
b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het “onmiddellijk gevolg” moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer.
Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde “onmiddellijk gevolg”, kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Voorts kan het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling van belang zijn.
Niet op voorhand kan worden uitgesloten dat een beroep op noodweerexces mogelijk is in gevallen waarin de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding niet direct van het slachtoffer zelf uitging. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen in situaties waarin het slachtoffer wel een aandeel had in de aanranding of de dreiging daarvan, of waarin sprake was van andere gedragingen van het slachtoffer waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die ertoe hebben geleid dat de verdachte - handelende in een hevige gemoedsbeweging - zich op het slachtoffer richtte. Oordeel hof:
Bij de beoordeling van het beroep op noodweer(exces) gaat het hof op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Vaststaat dat er in de loop naar 25 oktober 2012 een conflict is ontstaan tussen [betrokkene 1] enerzijds en de broers [betrokkene 3] en [betrokkene 2] anderzijds. Uit het dossier blijkt onder meer dat [betrokkene 1] op 21 oktober 2012 in de [A] in Amsterdam [betrokkene 2] mishandeld heeft.
Verdachte heeft verklaard dat hij [betrokkene 1] vanuit detentie kent en dat hij hem af en toe in de sportschool zag. Op 24 oktober 2012 heeft verdachte [betrokkene 1] na het trainen een lift naar Amsterdam gegeven en vervolgens is [betrokkene 1] met hem vanuit Amsterdam meegereden naar Almere. Verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment op de hoogte was van de ruzie tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Eerstgenoemde had hem over de ruzie verteld. Verdachte heeft voorts verklaard dat [betrokkene 1] bij de Esso een gesprek over de mishandeling met [betrokkene 3] heeft gehad, hetgeen wordt bevestigd door andere bewijsmiddelen. Verdachte was tijdens dit gesprek bezig met het wassen van zijn auto in de wasstraat en heeft geen rol gespeeld bij die ontmoeting. Na het treffen bij het Esso-tankstation zijn verdachte en [betrokkene 1] naar de Stedenwijk in Almere gereden. Kort hierop vinden er drie schietincidenten plaats, in het dossier aangeduid als Plaats Delict (PD) 1, 2 en 3. Ter illustratie van de situering van de beide locaties PD1 en PD2 waarop de hierna volgende bespreking van de feiten die van belang zijn voor de beoordeling van het beroep op noodweer(exces) is toegespitst, is hieronder een in het strafdossier gevoegde situatiefoto opgenomen. (…)PD1 betreft de hoek [a-straat] en [c-straat] . De Opel Signum met verdachte als bestuurder en [betrokkene 1] als passagier heeft om ongeveer 00:37 uur in de [a-straat] geparkeerd op de hoek met de [c-straat] , vlakbij een doorgang naar de woning van de moeder van [betrokkene 1] aan het [e-straat 1] . De Fiat 500 met [betrokkene 2] als bestuurder is in de [a-straat] naast de passagierskant van de Opel Signum gestopt en is vervolgens achteruit gereden en achter de Opel gaan staan. [betrokkene 2] is daarop uit zijn auto gestapt en heeft met gestrekte arm meermalen in de richting van de Opel Signum geschoten. De Opel Signum is daarop hard weggereden en [betrokkene 2] is teruggelopen naar zijn auto. Op de hoek van de [a-straat] en de [c-straat] vindt de politie later 7 hulzen.
Voor het beroep op noodweer is met name relevant wat er tussen deze situatie op PD1 tot en met het incident op PD2, op de hoek van de [b-straat] en de [a-straat] , is gebeurd.
De Opel Signum met verdachte als bestuurder en [betrokkene 1] als bijrijder is direct na het schietincident op PD1 met grote snelheid weggereden, de [c-straat] uit richting [b-straat] . Verdachte reed in de richting van het Shell-station omdat daar de uitgang van de wijk was. Op grond van camerabeelden van het Shell-tankstation, zoals die zijn vervat in de processen-verbaal d.d. 18 december 2012, 4 april 2013, en 28 maart 2013, is vast te stellen dat de Opel Signum om 00:38:56:203 uur op de [b-straat] reed, komende uit de richting van de [c-straat] . Het voertuig is net voor de kruising [a-straat] / [b-straat] gestopt, nabij een lantaarnpaal. Uit het proces-verbaal (…) blijkt dat de bestuurder vanuit de positie waar de Opel Signum stond, de [a-straat] volledig kon in kijken. De Opel Signum is blijkens het proces-verbaal vervolgens weer in beweging gekomen (00:39:06.562 uur), op welk moment er een tweetal koplampen uit de [a-straat] , in de richting [b-straat] , verschenen. Dit laatste voertuig is stil blijven staan op de [a-straat] , net voor de kruising. De Opel Signum is de kruising over de [b-straat] met de [a-straat] gepasseerd, is langs het (Shell) tankstation in de richting van de Stedendreef gereden en vervolgens uit beeld verdwenen (00:39:25:437). Vlak daarna is op de beelden een op een grijskleurige Volkswagen Jetta gelijkend voertuig te zien. Dit voertuig kwam uit de richting van de [a-straat] en is linksaf (AG: bedoeld zal zijn rechtsaf) de [b-straat] in geslagen, gaande in de richting van de Stedendreef (00:39:36:593). Het andere voertuig is nog enkele seconden blijven wachten en is daarna achter de twee eerder beschreven voertuigen aangereden (00:39:37:671). Dit betrof de Fiat 500 van [betrokkene 2] .
De hiervoor weergegeven gang van zaken, zoals die aan de hand van de camerabeelden is geverbaliseerd, is ter terechtzitting van het hof op 22 oktober 2020 besproken. Zowel de advocaat-generaal als de raadsman hebben verklaard dat zij over de camerabeelden beschikken, dat zij zich in voornoemde beschrijving kunnen vinden en dat zij bij het beroep op noodweer van die feiten uitgaan.
Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de Opel Signum van verdachte ongeveer 10 seconden heeft stil gestaan op de [b-straat] , nabij de kruising met de [a-straat] . Dit is het moment waarop de tweede schietpartij heeft plaatsgevonden. Duidelijk is dat over en weer is geschoten. Niet is komen vast te staan van welke zijde eerst is geschoten. Door getuigen zijn meerdere schoten door elkaar gehoord.
De politie vindt op PD2 na afloop, vlakbij de plaats waar de Fiat 500 heeft gestaan, 5 hulzen en een wieldop van een Fiat 500 met schotinslag. Deze plek is gelegen op een afstand van ongeveer 15 meter van de [b-straat] . De hulzen zijn met hetzelfde wapen afgeschoten als de 7 hulzen op PD1. De Opel Signum blijkt schotbeschadigingen te hebben aan de passagierszijde: haaks op de bovenkant van het voorportier, op het achterwiel, schuin midden op het voorportier en (waarschijnlijk als ricochet) schuin op de onderstijl en het voorwiel. Verder is er een inslag op de gevel van [C] aangetroffen in een rechte lijn met de plaats van de Fiat 500 via de plaats van de Opel Signum, op ongeveer 1.20 m. hoog.
Dat vanuit de Opel Signum meermalen in de richting van de Fiat 500 is geschoten, blijkt onder meer uit een inschot in de motorkap van de Fiat, een schampschot en een inschot in een boom in één lijn van de [b-straat] (lantaarnpaal) naar de [a-straat] (plaats Fiat), en 9 hulzen die in en bij de Opel Signum zijn gevonden.
Uitgaande van de bewijsoverweging in het arrest van het hof d.d. 26 juni 2015 heeft in ieder geval verdachte op PD2 vanuit de Opel Signum geschoten in de richting van de Fiat 500 met daarin [betrokkene 2] .
In dat kader acht het hof ten slotte de verklaring van [betrokkene 1] relevant. Hij heeft verklaard: “Bijna meteen nadat we stopten (het hof begrijpt: op PD1), zag ik een witte Fiat 500. Ik zag [betrokkene 2] (hof: dit is de bijnaam van [betrokkene 2] ) erin. [betrokkene 2] schoot een paar keer in onze richting. [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte [verdachte] ) reed weg en ging de eerste straat rechts en weer rechts. De auto stopte plotseling (het hof begrijpt: op PD2). Ik pakte toen van onder mijn stoel mijn zwarte wapen. Ik probeerde te schieten in hun richting, maar het wapen deed het niet. [verdachte] had mijn raam open gedaan (...).”
Bij de rechter-commissaris heeft [betrokkene 1] verklaard: “We reden en de Opel stopte bij de tweede locatie. Ik zag twee auto ’s rechts van mij. Ik pakte mijn zwarte wapen onder de stoel vandaan. Ik heb mijn magazijn gepakt, laadde hem door en wilde schieten, maar het wapen deed het niet. Het raam was open. Ik heb dat wapen tussen mijn benen gezet en ben onderuit gezakt. Ik ben helemaal plat gegaan. Het derde wapen was niet van mij. Er was geen derde persoon in de auto”.
Oordeel hof
Zoals hiervoor bij het juridisch kader uiteen is gezet kan een beroep op noodweer slagen als sprake is van een:
1. verdediging(swil);
2. tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding;
3. die het lijf, de eerbaarheid of een goed betreft;
4. welke verdediging noodzakelijk en proportioneel is.Gedragingen van verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer op grond van “culpa in causa”.
De incidenten op PD1 en PD2 hebben in een zeer korte tijdspanne plaatsgevonden en zijn ook gelet op de overige feiten en omstandigheden onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het hof zal deze incidenten daarom als één strafrechtelijk relevant voorval beoordelen.
Om direct duidelijkheid te verschaffen over het standpunt van de advocaat-generaal dat er sprake is van een ‘culpa in causa’-situatie die in de weg staat aan een mogelijke toewijzing van een beroep op zelfverdediging: anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt van provocatieve handelingen of uitlatingen van verdachte waarmee hij een aanval zou hebben uitgelokt. Evenmin ontbreekt toereikend bewijs van het willens en wetens opzoeken van een confrontatie met de gebroeders [familie] . De omstandigheden waar de advocaat-generaal op heeft gewezen, namelijk dat verdachte wist van de ruzie met [betrokkene 2] en dat hij in die wetenschap met een vuurwapen en voorzien van een kogelwerend vest naar Almere is gegaan voor een confrontatie, is daarvoor naar geldend recht onvoldoende.
Met betrekking tot de toetsing van de feiten aan de hiervoor onder 1 t/m 4 genoemde voorwaarden overweegt het hof als volgt.
Ad 1:
Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat op grond van het dossier onvoldoende aannemelijk is geworden dat de gedragingen van verdachte en [betrokkene 1] als ‘in de kern aanvallend’ moeten worden gezien. Dat de door verdachte bestuurde auto in de nabijheid van de auto(‘s) van de tegenpartij is gestopt/heeft stilgestaan, is - op zichzelf beschouwd en dus los gezien van de context - onvoldoende om van een aanval te kunnen spreken. Het stoppen/stilstaan roept wel vragen op maar kan, nu niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld wie van de partijen als eerste heeft geschoten, niet gekwalificeerd worden als intrinsiek aanvallend. Ervan uitgaande dat ook bij deze gelegenheid de tegenpartij het eerste schot kan hebben gelost, acht het hof het onvoldoende aannemelijk dat sprake is geweest van een gemis aan verdediging(swil), in de hierboven bedoelde zin.
Ad 2 en 3:
Uitgaande van de zeker niet als denkbeeldig te beschouwen mogelijkheid dat ook op PD2 het initiatief tot het elkaar over en weer beschieten is uitgegaan van [betrokkene 2] is aan de tweede en derde eis voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) voldaan. Onder deze omstandigheden kan worden gesteld dat er op PD2 sprake is of kan zijn geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, gericht tegen verdachte en [betrokkene 1] , terwijl zij in de Opel Signum zaten.
Ad 4:
Het hof is evenwel van oordeel dat het beroep op noodweer(exces) dient te stranden omdat aan de subsidiariteitseis - in de literatuur ook wel ‘het onttrekkingsvereiste’ genoemd - niet is voldaan. Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdediging tegen de aanranding niet noodzakelijk was, omdat de verdachte zich aan de aanranding had kunnen en moeten onttrekken door te vluchten. Anders dan de raadsman heeft bepleit bestond daartoe onder de gegeven omstandigheden voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid, terwijl ook van de verdachte kon worden gevergd dat hij zou vluchten.Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt immers dat verdachte als bestuurder van de Opel Signum bij het wegrijden van PD1 verschillende opties had om zich uit de voeten te maken. Verdachte is de [b-straat] opgereden en is de kruising met de [a-straat] genaderd. In plaats van met vol gas rechtdoor te rijden, langs het Shell-tankstation, dan wel linksaf te slaan de Vlaardingenstraat in, heeft hij er echter voor gekozen in ieder geval 10 seconden stil te gaan staan. Over de reden daarvoor heeft verdachte zelf geen aannemelijke verklaring afgelegd. Dat hij was gestopt omdat hij de weg niet zou kennen, zoals de raadsman, heeft geopperd, lijkt het hof niet plausibel. Hij bevond zich immers in de auto met iemand die in deze buurt is opgegroeid en derhalve bekend is in de wijk. Bovendien was verdachte kort daarvoor via dezelfde weg de wijk in gereden.
Gelet op de situatie ter plaatse had verdachte derhalve feitelijk (en ruimschoots) de mogelijkheid om weg te rijden om zo een nieuwe aanranding te voorkomen dan wel zich daaraan tijdig te kunnen onttrekken. Wanneer de raadsman stelt dat verdachte in de onmogelijkheid verkeerde zich achteruit rijdend of vooruit rijdend aan de aanval te onttrekken, omdat het voertuig van verdachte haaks stond op de Fiat 500, moet daar bij worden aangetekend dat de afstand tussen beide voertuigen zo’n 15 meter moet hebben bedragen en de weg voor verdachte zowel naar voren als naar achteren vrij was.
Het hof is van oordeel dat het zich onttrekken aan de confrontatie ook van verdachte kon en mocht worden gevergd omdat dit vanwege de aanwezige ruimte op de weg en het geringe verkeersaanbod op dat tijdstip (omstreeks 00:40 uur) en tegen de achtergrond van de zojuist door verdachte vergaarde kennis van de slechte bedoelingen van zijn opponent, een betrekkelijk eenvoudige, uitgesproken verstandige en tamelijk voor de hand liggende vluchtmogelijkheid was. Hij stond al met de neus van de auto in de goede richting en hoefde enkel gas te (blijven) geven. Bovendien lijkt het ook meer in de rede te liggen dat men in het geval van vuurwapengeweld zich met bekwame, spoed uit de voeten maakt in plaats van stil te gaan staan en als potentieel schietschijf te dienen.
Voor de vaststelling dat van verdachte kon en ook mocht worden gevergd om anders te handelen dan hij heeft gedaan, slaat het hof tevens acht op de belangen die voor anderen op het spel stonden: het ging nota bene om een schietpartij in een woonwijk, met alle daarbij behorende gevaren voor omwonenden.
Op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte ten onrechte heeft nagelaten om te vluchten. Dat hij het daarmee op een confrontatie heeft laten aankomen en deze heeft aangegaan, strookt ook met de hiervoor weergegeven verklaring van [betrokkene 1] waaruit een zekere bewustheid bij verdachte blijkt. Op grond van die verklaring acht het hof het aannemelijk dat verdachte de auto bewust heeft gestopt, dat hij het raam aan de bijrijderszijde heeft geopend, dat [betrokkene 1] wilde schieten maar dat dit mislukte en dat vervolgens verdachte tot schieten is overgegaan.
Onder deze omstandigheden is een beroep op noodweer niet gerechtvaardigd. Het verweer wordt verworpen.
Ditzelfde lot treft het uiterst summier onderbouwde (subsidiaire) beroep van de raadsman op noodweerexces. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat de verdachte in paniek was en vervolgens, toen hij goed en wel besefte wat er gebeurde, half liggend onder het stuur met grote snelheid is weggereden. “Die toestand”, aldus de raadsman, “wijst in de richting van de kwalificatie noodweerexces”.
Het hof acht relevant dat verdachte blijkens de bewijsmiddelen wist wat er speelde tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Ook zal hij er van doordrongen zijn geweest dat hier ging om - kort gezegd - een conflict in het criminele milieu. Het zal niet alleen voor uiterlijk vertoon zijn geweest dat verdachte zichzelf heeft voorzien van een scherp wapen en kogelwerend vest, van welk vest verdachte zich heeft ontdaan toen hij met [betrokkene 1] het talud op vluchtte gelegen vlakbij de rotonde Hollandsedreef/Louis Armstrongweg (PD3). Op grond hiervan kan verdachte worden aangemerkt als een gewaarschuwd mens die zich gedegen had voorbereid op een mogelijke confrontatie en in die zin wist wat hij kon verwachten wanneer het gesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] uit de hand zou lopen.
Het bewust stoppen en tien seconden wachten op de kruising van de [b-straat] en de [a-straat] en de door hem geleverde bijdrage aan het vuurgevecht duidt evenmin op het bestaan van een hevige gemoedsbeweging die zijn gemoed zou hebben overvallen. Tot slot heeft verdachte, toen hij van de “PD2” is weggevlucht en vervolgens van de weg is geraakt, tegenover de ter plaatse gearriveerde politie – ofschoon daar expliciet naar gevraagd - met geen woord gerept over de kort tevoren plaatsgevonden hebbende schietpartijen. Integendeel, verdachte wees de verbalisanten op een lekke band van zijn auto en zei dat hij de ANWB wilde gaan bellen voor hulp. Kort daarvoor had hij nog de tegenwoordigheid van geest om samen met zijn medeverdachte de aanwezige wapens en het aan hem toebehorend kogelwerend vest in de bosschages te verstoppen. Ook bedacht hij nog de voorruit van zijn auto in te trappen, omdat hij de beschadigingen daaraan toeschreef aan inschot van kogels en deze omstandigheden naar zijn zeggen later moeilijk waren uit te leggen geweest als de auto zou worden afgevoerd door de ANWB. Het bestaan van een hevige gemoedsbeweging is, naar het oordeel van het hof dan ook in geen enkel stadium van de reeks van gebeurtenissen aannemelijk geworden. Het verweer treft derhalve geen doel.Verdachte is strafbaar aangezien ook van geen andere omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.’
In het tweede middel wordt – als gezegd – betoogd dat het hof het beroep op noodweer(exces) ten onrechte heeft verworpen, althans dat het hof niet zonder meer begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom de verdachte zich aan een nieuwe aanranding had kunnen en moeten onttrekken. Uit de toelichting op het middel destilleer ik een vijftal deelklachten.
Voordat ik overga tot de bespreking van die deelklachten zij vooropgesteld dat het hof in zijn arrest het juridisch kader voor de beoordeling van een beroep op noodweer en noodweerexces juist heeft geschetst. Het hof heeft nauwgezet de door de Hoge Raad in het overzichtsarrest van 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. N. Rozemond uitgezette lijnen gevolgd. Dat geldt ook voor het onderwerp waarop het cassatiemiddel is toegespitst, te weten het onttrekkingsvereiste. In zijn overzichtsarrest bespreekt de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.5.2. het niet voldoen aan het onttrekkingsvereiste als een voorbeeld van het niet voldoen aan de voor noodweer geldende subsidiariteitseis. Startpunt is dat als er geen noodzaak is tot verdediging, niet is voldaan aan de subsidiariteitseis. “Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken.” Het onttrekkingsvereiste houdt dus meer in dan dat de verdachte zich aan een (dreigende) aanranding dient te onttrekken (bijvoorbeeld door te vluchten) waar dat feitelijk/fysiek ook maar enigszins kan. Dat is een deel van het verhaal en vooral een feitelijke vraag. Het andere deel van het verhaal is dat het zich onttrekken aan de (dreigende) aanranding ook van de verdachte moet kunnen worden gevergd. Dat is een meer normatieve vraag naar wat van de verdachte in de bijzondere omstandigheden van het geval mag worden verlangd. Onttrekking aan de aanranding kan bijvoorbeeld niet van de verdachte worden verlangd wanneer de situatie zo bedreigend is dat het zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is. In het geval de feitenrechter oordeelt dat het beroep op noodweer faalt omdat niet is voldaan aan het onttrekkingsvereiste, dient hij nader te motiveren dat van de verdachte daadwerkelijk mocht worden gevergd dat hij zich aan de situatie onttrekt. Dat kan het geval zijn wanneer verdediging tegen de (dreigende) aanranding kan leiden tot ernstige gevolgen voor de aanrander of een ander (een omstander). Dan behoort de verdachte zich aan de situatie te onttrekken wanneer dat feitelijk ook mogelijk is.
In zijn bespreking van de strafuitsluitingsgronden noodweer en noodweerexces in het handboek ‘Materieel strafrecht’ laat De Hullu doorklinken dat “de precieze grenzen van noodweer en noodweerexces” lastig zijn te trekken. “Die grenzen zijn vermoedelijk ook wel in beweging, en dat is niet verwonderlijk in een samenleving waarin veiligheid zo’n belangrijk thema is.” De onduidelijkheid over de exacte grenzen is terug te voeren op de dubbele grondslag waarop de noodweerbevoegdheid berust. Enerzijds is dat de natuurrechtelijke grondslag dat degene die wordt aangevallen zichzelf mag verdedigen en anderzijds is dat de rechtsordegrondslag dat iedere burger de bevoegdheid heeft om de rechtsorde te handhaven. Hoe de zelfverdediging en de rechtsordeverdediging zich exact tot elkaar verhouden, staat niet vast. In de literatuur worden beide grondslagen gecombineerd in de verenigingsleer. Noodweer is dan een natuurlijk individueel recht dat moet passen binnen het algemene belang van de handhaving van de rechtsorde. Bij de verdediging van “eens anders lijf, eerbaarheid of goed” kan dat vermoedelijk eerder worden aangenomen dan bij verdediging van “eigen” lijf eerbaarheid of goed.
Uit de jurisprudentie van de afgelopen jaren volgt dat de Hoge Raad van de feitenrechter een zekere terughoudendheid verlangt wanneer hij de burger een beroep op noodweer ontzegt. “Er mag achteraf niet te snel worden geoordeeld dat de verdachte zich aan een aanranding heeft kunnen onttrekken of dat hij een te zwaar verdedigingsmiddel heeft gekozen of het gekozen middel verkeerd heeft gebruikt.” Wanneer de feitenrechter de verdachte een beroep op noodweer ontzegt, dient dat oordeel precies te worden gemotiveerd en zal die verwerping (en de daarvoor gegeven motivering) in cassatie streng worden getoetst. Deze aanscherping heeft ongetwijfeld van doen met maatschappelijke discussies als die over het recht tot zelfverdediging van de bewoner bij een inbraak en van de winkelier bij een overval (denk aan de hockeystick onder het bed en de honkbalknuppel achter de kassa). De hiervoor in herinnering gebrachte dubbele grondslag van de noodweerbevoegdheid kan ertoe leiden dat ogenschijnlijk gelijke gevallen een verschillende uitkomst krijgen. In het ene geval kan er reden zijn het zwaartepunt te leggen op de zelfverdedigingsgrondslag, in het andere geval op de rechtsverdedigingsgrondslag. De verdachte die een inbreker lichamelijk letsel toebrengt door hem met geweld zijn woning uit te werken en die daarover geen contact opneemt met de politie, lijkt meer oog te hebben gehad voor zijn eigen belang dan voor het belang van de rechtsorde. Hij laadt de verdenking op zich van eigenrichting en kan vermoedelijk een meer kritische beoordeling verwachten dan degene die de politie wel onmiddellijk informeert. Bij die laatste persoon zijn de aanwijzingen dat hij heeft gehandeld vanuit het perspectief van het handhaven van de rechtsorde in elk geval sterker dan bij de eerste. Dat vergroot de kans op een succesvol beroep op noodweer.
Ik keer langzaamaan terug naar de onderhavige zaak en stel vast dat de twee strafkamers van het hof die met de onderhavige zaak zijn belast, niets hebben gevoeld voor een geslaagd beroep op noodweer. Kort gezegd ketste dat beroep bij de eerste strafkamer af op ‘culpa in causa’ en bij de tweede strafkamer op ‘het onttrekkingsvereiste’. De indruk overheerst dat beide strafkamers van het hof van oordeel zijn dat bij dit soort wildwest-praktijken in een woonwijk, waarbij geen van beide partijen zich onbetuigd hebben gelaten in het op elkaar afvuren van kogels en aspecten van eigenrichting een rol spelen, de ruimte voor een succesvol beroep op noodweer zeer beperkt is. Die opvatting is vanuit maatschappelijk oogpunt invoelbaar en vanuit het perspectief van de rechtsordegrondslag van noodweer juridisch inpasbaar. Dat perspectief biedt ook ruimte om onderscheid te maken tussen degene die zich illegaal van een wapen voorziet voor het geval hij/zij wordt geconfronteerd met een aanrander of overvaller en elkaar rivaliserende bendes en criminele groepen die onderlinge conflicten met wapens beslechten.
Terug naar het middel en naar de daarin vervatte deelklachten tegen het oordeel van het hof dat de verdachte zich aan een nieuwe aanranding van de gebroeders [familie] op PD2 had kunnen en moeten onttrekken.
Eerste deelklacht
De steller van het middel voert in de eerste plaats aan dat uit de overwegingen van het hof niet volgt dat de verdachte er rekening mee moest houden dat na zijn vlucht van PD1 een “nieuwe aanranding” zou gaan plaatsvinden op PD2 nabij de kruising [a-straat] / [b-straat] . In dit verband wijst de steller van het middel op – het in zijn woorden: sterk vergelijkbare geval van – HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1243. In die zaak zou de Hoge Raad specifiek in aanmerking hebben genomen dat het hof had vastgesteld “dat het eerdere conflict met het slachtoffer was beëindigd, zodat het oordeel dat (AG: op een later moment) sprake was van een dreigende aanranding waaraan de verdachte zich had moeten onttrekken, niet begrijpelijk (was)”. Ook in de onderhavige zaak zou dat het geval zijn, nu de eerdere aanranding door het hof als beëindigd zou zijn beschouwd en zou worden gesproken over een nieuwe aanranding op PD2. De verwerping van het beroep op noodweer is volgens de steller van het middel op dat punt niet toereikend en/of begrijpelijk gemotiveerd.
Ik ben het met de steller van het middel eens dat het hof in de onderhavige zaak niet heeft vastgesteld dat de verdachte er rekening mee moest houden dat na de aanranding op PD1 een “nieuwe aanranding” zou volgen. Als het hof dat wel had vastgesteld, had die vaststelling de begrijpelijkheid van de verwerping van het beroep op noodweer met een verwijzing naar het onttrekkingsvereiste mogelijk vereenvoudigd. Is daarmee gezegd dat nu het hof die vaststelling niet heeft gedaan (of beter gezegd: kennelijk niet heeft kunnen doen) de verdachte in de onderhavige zaak het onttrekkingsvereiste niet kan worden tegengeworpen?
In HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1243, NJ 2015/258 gaat het om een zaak die zich afspeelt op een parkeerplaats bij een partycentrum. Evenals in de onderhavige zaak gaat het om twee opeenvolgende incidenten tussen dezelfde personen. Het hof heeft in die zaak geoordeeld dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt omdat hij na beëindiging van het eerste incident (een verbale woordenwisseling met het latere slachtoffer) zich aan verder agressief gedrag van het slachtoffer had dienen te onttrekken door in zijn auto te stappen en de parkeerplaats te verlaten door weg te rijden. Dat heeft de verdachte niet gedaan: hij is na het eerste incident in de richting van zijn auto gelopen en heeft, zo leid ik uit de conclusie van de AG af, een wapen uit zijn auto gepakt en is vervolgens teruggelopen in de richting van het partycentrum. Vervolgens zoekt het (latere) slachtoffer de verdachte op, trekt een vuurwapen en bij het daarop volgende vuurgevecht met de verdachte raakt het slachtoffer dodelijk verwond. De verdachte beroept zich bij het hof, als gezegd: tevergeefs, op noodweer. De Hoge Raad oordeelt dat het hof het beroep op noodweer niet toereikend gemotiveerd heeft verworpen. Hij acht met name niet begrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat na de beëindiging van de eerste ruzie sprake was van een dreigende (tweede) aanranding. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte weliswaar is teruggelopen in de richting van het partycentrum, maar dat het latere slachtoffer degene is die op de verdachte is afgelopen en dat uit de vaststellingen van het hof niet zonder meer volgt dat de verdachte reeds op het moment dat hij naar zijn auto liep, wist dat het slachtoffer een vuurwapen bij zich droeg.
Naar mijn oordeel gaat de vergelijking die de steller van het middel trekt met HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1243, NJ 2015/258 op twee cruciale punten mank. In de eerste plaats omdat er in de onderhavige zaak geen misverstand over kan bestaan dat de verdachte op basis van zijn ervaringen bij PD1 wist dat [betrokkene 2] over een vuurwapen beschikte en niet schuwde om daar gebruik van te maken. In de tweede plaats – belangrijker – omdat het hof in de onderhavige zaak de situatie op PD2 in wezen niet anders benadert dan die op PD1. Ik begrijp het arrest van het hof althans zo dat het hof er in beide situaties vanuit is gegaan dat de verdachte onverwacht is geconfronteerd met een aanranding. Hoewel het hof PD1 en PD2 als “onlosmakelijk met elkaar verbonden” aanmerkt en de incidenten als “één strafrechtelijk relevant voorval” beoordeelt, heeft het hof geen verband gelegd tussen de beëindiging van de situatie op PD1 en de voorzienbaarheid van het ontstaan van de situatie op PD2. Daarmee ontgaat mij de conclusie die de steller van het middel verbindt aan de vergelijking met HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1243, NJ 2015/258. In het bijzonder ontgaat mij waarom het hof de verdachte alleen het niet in acht nemen van het onttrekkingsvereiste kan tegenwerpen wanneer het hof heeft vastgesteld dat de verdachte na het wegvluchten van PD1 rekening had moeten houden met een nieuwe aanranding. Die beperkte opvatting vindt geen steun in het recht.
De eerste deelklacht faalt.
Tweede deelklacht
De tweede deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte “over de redenen waarom hij nabij de kruising met de [a-straat] 10 seconden heeft stilgestaan zelf geen aannemelijk verklaring heeft afgelegd, in het licht van de aan de bewezenverklaring ten grondslag liggende bewijsmiddelen, onjuist en in ieder geval niet begrijpelijk is.” De steller van het middel wijst in dit verband op de verklaringen van de verdachte die door het hof als bewijsmiddel 1 en als bewijsmiddel 7 voor het bewijs zijn gebezigd. Daaruit zou volgen dat de verdachte wel een verklaring heeft afgelegd over de reden waarom hij heeft stilgestaan. Daarmee zou het oordeel van het hof dat de verdachte “feitelijk (en ruimschoots)” de mogelijkheid had om weg te rijden om zo een nieuwe aanranding te voorkomen dan wel zich daaraan tijdig te kunnen onttrekken, niet toereikend en in ieder geval niet voldoende begrijpelijk zijn gemotiveerd. De steller van het middel gaat er vanuit dat op het moment van naderen van de kruising met de [a-straat] de nieuwe aanranding al gaande was, dat die aanranding op geen enkele wijze had kunnen worden voorkomen en dat er ook geen mogelijkheid bestond om zich daaraan tijdig te kunnen onttrekken. “De Opel Signum werd immers door de FIAT 500 en de VW Jetta opgewacht op de kruising [b-straat] / [a-straat] .”
De bewijsmiddelen waar de steller van het middel naar verwijst luiden als volgt:
Bewijsmiddel 1 (zijnde de door de verdachte afgelegde verklaring ter terechtzitting van het hof van 12 juni 2015):
“Naast [betrokkene 1] was er niemand bij mij in de auto.
Ik zette de auto neer op de hoek met de [a-straat] , links bij een lantaarnpaal. [betrokkene 1] zei “stop” maar hij kreeg niet eens de kans om uit te stappen. Ik heb toen die man wel gezien, maar ik kende hem niet. Ik ben, toen er op ons werd geschoten, gebukt weggereden, de [c-straat] in. Ik had in mijn gedachten dat ik in de richting van het Shell tankstation moest rijden, omdat daar de uitgang van de wijk was. U houdt mij voor dat uit onderzoek blijkt dat ik daar op enig moment zeventien seconden heb stilgestaan. Er stond daar toen een auto verdekt opgesteld en daar kwamen allemaal lichtflitsen vandaan. Ik was kort daarvoor beschoten en werd nu weer beschoten. (AG: cursivering door mij).U houdt mij voor dat het op grond van onderzoeksresultaten voor de hand ligt, dat er met een Steyr is geschoten en dat mijn DNA is aangetroffen op een vuurwapen van het merk Steyr. Ik heb dat wapen vast gehad. Vanuit de auto waarin wij zaten, een Opel Signum, is geschoten. Ik heb daarbij de buitenkant van mijn hand verbrand. Het kogelwerende vest dat is aangetroffen is van mij.
Ik had een tasje om en in de auto lagen twee tasjes.
Toen ik daarna [betrokkene 1] met twee wapens zag, had ik het idee dat hij in elke hand een wapen had. Ik heb het idee dat het raam toen al open was. Toen hij probeerde te schieten, was het raam al open.”
Bewijsmiddel 7 (zijnde de door de verdachte als getuige in de zaak van zijn medeverdachten op 13 september 2013 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring):
“ [betrokkene 1] is met mij van Amsterdam weer meegereden naar Almere. Bij de Esso had hij een gesprek met [betrokkene 3] . We reden daarna naar de Stedenwijk. Ik bestuurde de auto en [betrokkene 1] zat op de passagiersstoel. Daar kwam een witte Fiat naast mij staan. Hij reed achteruit en [betrokkene 1] schreeuwde: “rijd weg, hij heeft een wapen.” Hij (hof: bestuurder Fiat) stond naast zijn auto. Ik zie hem de arm strekken en gelijk schieten. Ik zag de flitsen van het schieten. Ik zag de Shell. Ik hoorde een inslag. (AG: cursivering door mij). Ik zag [betrokkene 1] twee pistolen onder zijn kleding vandaan halen. Ik zag lichten van knallen op mij afkomen. (AG: cursivering door mij). [betrokkene 1] ging terugschieten. Vanuit de Fiat werd ook geschoten. De VW reed achteruit en kwam toen weer dichterbij. Ik reed met hoge snelheid weg. Ik werd achterna gezeten door de VW. Ik hoorde inslagen in de auto. De inslag in de voorruit van mijn auto was op de [b-straat] .”
Ik neem aan dat de steller van het middel in het bijzonder doelt op de door mij gecursiveerde passages.
In de toelichting op het middel wordt terecht gesteld dat de verdachte wel degelijk een verklaring heeft afgelegd over de reden waarom hij heeft stilgestaan. Er werd op hem geschoten. Aangezien het (eerste) hof deze passages over het stilstaan en het (ook op PD2) beschoten worden in de voor het bewijs gebezigde verklaringen heeft opgenomen, zou het oordeel van het (tweede) hof dat de verdachte “feitelijk (en ruimschoots)” de mogelijkheid had om weg te rijden om zo een nieuwe aanranding te voorkomen dan wel zich daaraan tijdig te kunnen onttrekken, volgens de steller van het middel onjuist en in elk geval onbegrijpelijk zijn.
In het middel wordt kennelijk de stelling betrokken dat het het tweede hof niet vrijstaat om de verklaring die de verdachte heeft gegeven voor het stil gaan staan met de auto, in de context van de beoordeling van het beroep op noodweer als een niet aannemelijke verklaring aan te merken. Doordat het (eerste) hof de verklaring over dat specifieke punt heeft opgenomen (of is het: heeft laten staan?) in de voor het bewijs gebezigde verklaringen van de verdachte, heeft dat hof in de ogen van de steller van het middel ook de verklaring die de verdachte heeft gegeven voor het stilzetten van zijn auto, redengevend bevonden voor het bewijs. In de ideale wereld waarin de in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen conform art. 359 lid 3 Sv (enkel) de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevat, zou die vlieger opgaan. Het komt echter met enige regelmaat voor dat in de bewijsvoering voor de bewezenverklaring niet redengevende bewijsmiddelen worden opgenomen. Op zichzelf hoeft dat niet tot cassatie te leiden. Het wordt lastiger als in de bewijsmiddelen feiten of omstandigheden staan, dan wel verklaringen worden opgenomen die de rechter in het licht van de bewijsvoering onaannemelijk of ongeloofwaardig acht. Dan ligt cassatie in de rede, tenzij de bewezenverklaring zonder meer en begrijpelijk kan worden gebaseerd op al het overige bewijsmateriaal. In een dergelijk geval wordt de verdachte geacht geen belang bij cassatie te hebben.
In de onderhavige zaak zijn voor het bewijs van het medeplegen van het vanuit de auto van de verdachte schieten op [betrokkene 2] de verklaringen die de verdachte heeft gegeven voor het gaan stilstaan met zijn auto, namelijk dat hij werd beschoten, niet redengevend voor de beoordeling van het aan hem tenlastegelegde feit. Daarvoor is wel relevant dat verdachte heeft verklaard dat er vanuit zijn auto is geschoten en mogelijk ook nog dat de auto heeft stilgestaan, maar – als gezegd – niet waarom hij de auto heeft stilgezet. Dat laatste zou anders kunnen zijn als de verdachte bijvoorbeeld zou hebben verklaard dat hij de auto heeft stilgezet om zichzelf of zijn bijrijder in de gelegenheid te stellen het/zijn wapen beter te kunnen richten. Dan wordt die verklaring voor het stil gaan staan belastend en dus redengevend. Het bij de bewijsvoering te ruimhartig citeren uit afgelegde verklaringen heeft wel consequenties als de bewijsvoering daardoor innerlijk tegenstrijdig wordt, maar dat is niet wat bij deze verklaringen van de verdachte aan de hand is. Hier is ‘enkel’ met de riek geschreven in plaats van met de pen.
Uit het voorgaande volgt dat in het geval het hof niet relevante zinsneden uit de verklaringen van de verdachte in de bewijsvoering heeft laten staan, dat niet impliceert dat het hof die zinsneden redengevend heeft geacht voor het bewijs. Bij zinsneden die voor de bewijsvoering helemaal niet relevant (kunnen) zijn, is dat ook niet goed voorstelbaar. Daarvan uitgaande valt niet in te zien dat het hof van die voor de bewijsvraag van art. 350 Sv niet-redengevende zinsneden bij de beantwoording van een andere hoofdvraag van art. 350 Sv geen afstand zou mogen nemen, bijvoorbeeld door die niet relevante passages als niet aannemelijk aan te merken. Aldus beschouwt, tast het oordeel van het hof dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het stilzetten van de auto het oordeel van het hof dat de verdachte “feitelijk (en ruimschoots)” de mogelijkheid had om weg te rijden om zo een nieuwe aanranding te voorkomen dan wel zich daaraan tijdig te kunnen onttrekken, niet aan. Overigens begrijp ik die laatste woorden van het hof zo dat in de visie van het hof de feitelijke verkeerssituatie op de weg de verdachte alle gelegenheid bood om zich aan de aanranding te onttrekken. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, al was het maar omdat de opvatting van de steller van het middel erop neerkomt dat de verdachte zijn weg alleen dan kan vervolgen door eerst (volgens medeverdachte [betrokkene 1] : plotseling) zijn auto tot stilstand te brengen, dan wapens te pakken, deze door te laden en terug te schieten. De logica van die opvatting gaat mijn voorstellingsvermogen te boven.
De tweede deelklacht faalt.
Derde deelklacht
De derde deelklacht bevat de klacht dat de bewijsvoering tegenstrijdigheden bevat ten aanzien van het stilstaan van de Opel Signum, met name over hoe lang dit zou zijn geweest en op welk moment precies. “Zo gaat het arrest van 16 juni 2015 (…) uit van de situatie dat er 17 seconden zou zijn stilgestaan, namelijk van 00:39:06:562 tot 00:39:25:437 (bewijsmiddel 19). Bij de verwerping van het beroep op noodweer in het arrest van 20 november 2020 gaat het hof er echter vanuit dat de Opel Signum 10 seconden zou hebben stilgestaan (…). Deze vaststellingen zijn niet met elkaar te verenigen en het arrest van het hof lijdt dan ook aan innerlijke tegenstrijdigheid.”
Bewijsmiddel 19 (bevattende een proces-verbaal d.d. 4 april 2013 waarin verslag wordt gedaan van het uitkijken van camerabeelden van het Shell-station) en ‘de noodweeroverweging’ waar de steller van het middel op doelt luiden als volgt:
Bewijsmiddel 19:
“Op de beelden van de Shell [b-straat] te Almere verschijnen er op 25 oktober 2012 om 00:38:56:203 uur koplampen van, naar later blijkt, de Opel Signum in beeld die op de [b-straat] komt aanrijden vanuit de richting [c-straat] . De Opel stopt net voor de kruising [a-straat] / [b-straat] , nabij de lantaarnpaal. Om 00:39:06:562 uur komt de Fiat aanrijden vanuit de [a-straat] richting [b-straat] . De Fiat stopt net voor de kruising op de plaats waar de wieldop van de Fiat 500 en de hulzen zijn aangetroffen. De Opel rijdt om 00:39:25:437 uur weg in de richting van de Stedendreef. Om 00:39:36:593 uur gevolgd door de Volkswagen Jetta. Om 00:39:37:671 uur gevolgd door de Fiat 500.
Noodweeroverweging van het (tweede) hof in zijn arrest van 20 november 2020:
“Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de Opel Signum van verdachte ongeveer 10 seconden heeft stil gestaan op de [b-straat] , nabij de kruising met de [a-straat] . Dit is het moment waarop de tweede schietpartij heeft plaatsgevonden.”
Met de steller van het middel kan worden gezegd dat de inhoud van bewijsmiddel 19 op gespannen voet staat met de (noodweer)overweging van het hof.
Iets dergelijks is ook aan de orde in het arrest van het (eerste) hof van 16 juni 2015. Daar bezigt het hof een (bewijs)overweging die eveneens lastig is te verenigen met bewijsmiddel 19. Die bewijsoverweging van het (eerste) hof luidt als volgt:
“Van de camerabeelden van het Shell-pompstation in de buurt van PD2 is een beschrijving gegeven met de beweging van auto's. Daaruit kan worden afgeleid dat om ongeveer 00.39 uur de Opel Signum en de Fiat 500 ongeveer 10 seconden stilstaan bij de kruising.”
Uit het voorgaande blijkt dat voor beide arresten van het hof geldt dat er een verschil zit tussen het aantal seconden dat de Opel heeft stilgestaan volgens bewijsmiddel 19 (anders dan het middel stelt geen 17 seconden, maar 19 seconden) en het aantal seconden dat de Opel heeft stilgestaan volgens respectievelijk een bewijsoverweging en een noodweeroverweging van respectievelijk het eerste en het tweede hof (in beide gevallen ongeveer 10 seconden).
Relevant is dat de Hoge Raad gelet op zijn arrest van 14 mei 2019 geen reden heeft gezien het arrest van het hof van 16 juni 2015 ten aanzien van de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverweging, te vernietigen. Dat zal niet zijn omdat de Hoge Raad is ontgaan dat de aan de bewezenverklaring ten grondslag liggende bewijsmiddelen niet eenduidig dezelfde kant op wijzen. Mijn ambtgenoot Keulen heeft daar in zijn aan het arrest van de Hoge Raad voorafgaande conclusie op heldere wijze aandacht voor gevraagd. Hij heeft erop gewezen dat er onduidelijkheid is over de exacte gang van zaken. Die onduidelijkheid is er niet alleen wat betreft de duur dat de Opel Signum en de Fiat 500 hebben stilgestaan, maar ook wat betreft de vraag of de Fiat 500 al op PD2 stond toen de Opel Signum kwam aanrijden.
Door het terugwijzingsarrest van de Hoge Raad van 14 mei 2019 staan voor het tweede hof de bewezenverklaring, de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en de bewijsoverweging (van het eerste hof) vast. Het tweede hof kan aan de bewijsconstructie van het eerste hof na de terugwijzing door de Hoge Raad niet meer tornen. Dat heeft de Hoge Raad afgehecht. Blijkens zijn noodweeroverweging is het tweede hof ook niet afgeweken van dat afgehechte kader. Die noodweeroverweging sluit immers aan bij de bewijsoverweging van het eerste hof. Alleen daarom al kan de derde deelklacht niet slagen.
Geheel terzijde merk ik op dat een zaak als deze een voorbeeld is van een situatie waarin het hof waarnaar de zaak is teruggewezen met handen en voeten is gebonden aan bewijsbeslissingen van een andere kamer van hetzelfde hof, terwijl die bewijsbeslissingen niet zonder betekenis zijn voor de door het tweede hof nog te maken beoordeling van een beroep op een strafuitsluitingsgrond. Dat hoeft niet problematisch te zijn, maar dat kan het wel worden in zaken waarin de ‘onherroepelijke’ bewijsvoering niet op alle punten even consistent is en er spanning zit tussen de bewijsmiddelen onderling en/of tussen een (of meer) bewijsmiddel(en) en een bewijsoverweging. Het komt mij voor dat de rechtspleging in dat soort zaken meer gebaat is bij een gehele vernietiging (dus een open terugwijzing) dan bij een partiële vernietiging (beperkt tot de strafbaarheid van het feit, de strafbaarheid van de verdachte en de strafoplegging).
De derde deelklacht faalt.
Vierde deelklacht
Volgens de vierde deelklacht zou het oordeel van het hof dat “het zich onttrekken aan de confrontatie ook van verdachte kon en mocht worden gevergd omdat dit vanwege de aanwezige ruimte op de weg en het geringe verkeersaanbod op dat tijdstip en vanwege de zojuist door verdachte vergaarde kennis van de slechte bedoelingen van zijn opponent” een eenvoudige en voor de hand liggende vluchtmogelijkheid was, niet toereikend gemotiveerd en/of niet begrijpelijk zijn. Uit de bewijsvoering zou volgen dat de Fiat 500 eerst is stilgezet, dat deze verdekt stond opgesteld en dat de auto door de verdachte en de medeverdachte pas is opgemerkt op het moment dat zij al onder vuur lagen, namelijk toen zij een inslag hoorden en lichtflitsen zagen. Het onder die omstandigheden dwars door een vuurlinie doorrijden de wijk uit, zou als te riskant moeten worden beoordeeld, zeker in het licht van de vaststelling van het hof dat de Fiat op betrekkelijk korte afstand, namelijk op 15 meter, heeft stilgestaan. Ook het andere gedragsalternatief dat door het hof is genoemd, namelijk het linksaf de Vlaardingenstraat inrijden, zou onder de uit de bewijsvoering volgende omstandigheden geen 'betrekkelijk eenvoudige, uitgesproken verstandige en tamelijk voor de hand liggende vluchtmogelijkheid' zijn, nu volgens de steller van het middel het risico om dan geraakt te worden erg groot is. De steller van het middel wijst er voorts op dat het erom gaat of onder de gegeven omstandigheden van de verdachte kon worden gevergd dat hij zich (nog verder) aan de aanranding zou onttrekken. “Dat het meer in de rede zou liggen om je met bekwame spoed uit de voeten te maken en het ging om een schietpartij in een woonwijk, maakt niet opeens dat dit wel van (de verdachte) mocht worden gevergd.”
In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat de Opel Signum met verdachte als bestuurder en [betrokkene 1] als bijrijder, direct na het schietincident op PD1 met grote snelheid is weggereden, de [c-straat] uit richting de [b-straat] en dat de verdachte in de richting van het Shell-station reed omdat daar de uitgang van de wijk was. Het hof heeft verder vastgesteld dat het voertuig van de verdachte net voor de kruising [a-straat] / [b-straat] is gestopt, nabij een lantaarnpaal en dat de bestuurder (de verdachte) vanuit die positie de [a-straat] volledig kon in kijken. Het hof heeft overwogen dat de auto daar ongeveer 10 seconden heeft stilgestaan en heeft in verband met het beroep op noodweer over dit moment geoordeeld dat “(u)itgaande van de zeker niet als denkbeeldig te beschouwen mogelijkheid dat ook op PD2 het initiatief tot het elkaar over en weer beschieten is uitgegaan van [betrokkene 2] ”, sprake was of kon zijn geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, gericht tegen de verdachte en [betrokkene 1] , terwijl zij in de Opel Signum zaten. Toch heeft het hof het beroep op noodweer niet gehonoreerd omdat naar zijn oordeel niet is voldaan aan de subsidiariteitseis. De verdachte had zich naar het oordeel van het hof aan de aanranding kunnen en moeten onttrekken door te vluchten, bijvoorbeeld door vol gas de wijk uit te rijden. Daarvoor bestond naar het oordeel van het hof feitelijk voldoende ruimte. De weg was voor verdachte zowel naar voren als naar achteren vrij. Anders dan de steller van het middel betoogt, blijkt uit de bewijsvoering niet dat de Fiat 500 op PD2 als eerste is stilgezet. Het onttrekken aan de situatie kon en mocht volgens het hof ook van de verdachte worden gevergd onder meer omdat zijn auto al met zijn neus in de goede richting stond, het verkeersaanbod op dat tijdstip van de nacht gering was en de verdachte gezien de voorafgaande schietpartij op PD1 wist van de slechte bedoelingen van zijn opponent. “Bovendien lijkt het ook meer in de rede te liggen dat men in het geval van vuurwapengeweld zich met bekwame, spoed uit de voeten maakt in plaats van stil te gaan staan en als potentieel schietschijf te dienen.”
Het hof heeft bij zijn oordeel dat van de verdachte kon en mocht worden gevergd anders te handelen dan hij heeft gedaan ook acht geslagen op de belangen die voor anderen op het spel stonden: een schietpartij in een woonwijk, met alle daarbij behorende gevaren voor omwonenden. Uit de toelichting op het middel maak ik op dat de steller van het middel de locatie (een woonwijk) niet relevant acht voor de vraag wat van de verdachte in het onderhavige geval mocht worden gevergd. Voor de beoordeling van die opvatting is het nuttig om terug te grijpen naar de grondslagen van de strafuitsluitingsgrond noodweer, zoals hiervoor besproken onder randnummer 3.9 e.v. Dat zijn de natuurrechtelijke grondslag, waarin het accent ligt op het individuele, natuurlijke recht tot zelfverdediging, en de rechtsordegrondslag, waarin het algemeen belang bij rechtshandhaving voorop staat. De opvatting van de verdediging gaat geheel voorbij aan de rechtsordegrondslag. Vanuit het perspectief van rechtsordehandhaving kan bij de beantwoording van de vraag of een verdachte zich aan een situatie behoort te onttrekken wel degelijk relevant zijn of verdediging tegen de (dreigende) aanranding kan leiden tot ernstige gevolgen voor derden/omstanders. Dat geldt in het bijzonder in een situatie van vuurwapengeweld op de openbare weg. Dan zijn de mogelijk ernstige gevolgen per definitie niet beperkt tot de aanrander.
Het oordeel van het hof dat de verdachte in de onderhavige situatie ten onrechte heeft nagelaten om te vluchten, acht ik toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd.
De vierde deelklacht faalt.
Vijfde deelklacht
In de vijfde deelklacht wordt geklaagd over de verwerping van het beroep op noodweerexces, die zou niet toereikend, althans niet begrijpelijk, gemotiveerd zijn. Ten eerste zou de overweging van het hof dat de verdachte kan worden aangemerkt als een gewaarschuwd mens die zich gedegen had voorbereid op een mogelijke confrontatie, niet uit de bewijsvoering kunnen volgen. Ook zou daaruit niet kunnen worden afgeleid dat de verdachte bewust is gestopt en tien seconden heeft gewacht op de kruising van de [b-straat] . De steller van het middel wijst erop dat de verdachte op dat moment al onder vuur lag zodat van 'wachten' niet meer zou kunnen worden gesproken.
Uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte heeft verklaard dat hij wist van de ruzie van [betrokkene 1] met [betrokkene 2] . Ook blijkt hieruit dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij de verdachte heeft verteld over het knock-out slaan van [betrokkene 2] in een Shisha lounge in Amsterdam. [betrokkene 1] heeft verder verteld dat toen de verdachte en hij vanuit Amsterdam naar Almere reden hij ( [betrokkene 1] ) steeds telefoontjes kreeg van de gebroeders [familie] . [betrokkene 1] koos voor de zekerheid voor een ontmoeting bij een benzinepomp. [betrokkene 1] heeft bovendien verklaard dat hij twee wapens bij zich had en dat hij niet weet hoeveel wapens de verdachte bij zich had. Het derde wapen in de Opel was niet van [betrokkene 1] en volgens [betrokkene 1] zat er geen derde persoon in de auto. Nabij de rotonde waar de auto van de verdachte uit de bocht is gevlogen, is in de bosjes waarin de verdachte en [betrokkene 1] hebben gezeten, een kogelwerend vest en een schoudertasje met daarin drie vuurwapens aangetroffen. Het kogelwerend vest dat is aangetroffen is van de verdachte. Gelet op dit alles acht ik de overweging van het hof dat de verdachte kan worden aangemerkt als een gewaarschuwd mens die zich gedegen had voorbereid op een mogelijke confrontatie en in die nacht niet heeft gehandeld ten gevolge van een hevige gemoedsbeweging, toereikend en begrijpelijk gemotiveerd.
Datzelfde geldt voor de vaststelling van het hof dat de verdachte er bewust voor heeft gekozen om zijn auto bij PD2 gedurende tien seconden aan de kant te zetten. Niets, in het bijzonder niet de eigen verklaring van de verdachte duidt erop dat de verdachte op dat moment niet bewust zou hebben gehandeld.
Het meest krachtige argument van het hof dat niets duidt op de aanwezigheid van een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte is het doen en laten van de verdachte nadat hij op PD3 met de Opel uit de bocht is gevlogen. De verdachte en [betrokkene 1] verstoppen daar hun vuurwapens en het kogelwerend vest in de bosjes en de verdachte trapt de door kogelgaten beschadigde voorruit van de auto in, omdat die beschadigingen alleen maar vragen zouden kunnen oproepen. Tegen de ter plaatse gekomen politie rept de verdachte met geen woord over de kort tevoren plaatsgevonden hebbende schietpartijen.
Het hof heeft actief gezocht naar mogelijke aanknopingspunten voor een hevige gemoedsbeweging als gevolg van de aanranding. Het hof heeft die aanknopingspunten niet gevonden en heeft daar het oordeel aan verbonden dat het beroep op noodweerexces moet worden verworpen. Dat oordeel acht ik toereikend en begrijpelijk gemotiveerd.
Dat het aan de kant zetten van de auto als gevolg van een schietpartij volgens de steller van het middel niet als ‘wachten’ kan worden aangemerkt is een woordenspel waarvan het juridisch belang mij ontgaat.
De vijfde deelklacht faalt.
4. Slotsom
Beide middelen falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende formulering.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG