ECLI:NL:PHR:2022:856

ECLI:NL:PHR:2022:856, Parket bij de Hoge Raad, 27-09-2022, 20/04326

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 27-09-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/04326
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2022:1656
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830

Samenvatting

Conclusie AG. Profijtontneming. 1. Klacht dat de conclusies van het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel niet zonder nadere motivering redengevend konden zijn voor de berekening van het w.v.v. 2. Klacht over de verwerping van een verweer dat betrokkene contante middelen had verworven door de verkoop van een auto. Conclusie sterkt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

2. Kunt u bevestigen dat u betrokken bent bij de verkoop van een Audi A1?

Ja, ik heb een auto van hem gekocht: Audi A1. Ik weet niet uit welk jaar die auto komt. Ik heb de auto niet meer. Het kenteken begint met [kenteken 1] . Meer weet ik niet meer. Ik heb die auto in 2015 in de wintermaanden gekocht. Ik weet niet precies meer welke maand en zeker niet welke dag. Ik heb er 14.000 voor de auto betaald. Ik heb dat contant betaald. Ik heb in termijnen betaald. Twee keer 4.000 euro en twee keer 3.000 euro. Tussen de betalingen zaten steeds een paar maanden. Bij aankoop heb ik 4.000 euro betaald. Ergens in 2016 was ik klaar met betalen. Ik heb de auto niet meer omdat ik gewoon een andere auto wilde. Ik heb na de Audi A1 vier andere auto’s gehad. Sommigen waren een miskoop. De Audi A1 van [betrokkene ] was ook min of meer een miskoop. Ik heb er veel geld op verloren. Ik weet niet wanneer ik die Audi A1 verkocht heb. Ik heb de auto voor 10.000 euro verkocht. Ik heb de Audi A1 van [betrokkene ] persoonlijk gekocht. Daar zat niemand tussen.

3. Als ik als prijs noem 14.300 euro kunt u dat bevestigen als de verkoopprijs?

Dat durf ik niet te zeggen. Ik meende 14.000 euro, maar twijfel nu bij de vraag of het 14.300 euro was. Ik denk toch 14.000 euro.

4. Weet u nog in welk jaar de auto verkocht is? Kan dat 2013/14 zijn?

Ik heb zojuist met de verzekeraar telefonisch gesproken, met toestemming van de raadsheer-commissaris en ik kan u het volgende zeggen. Ik heb de auto gekocht van [betrokkene ] op 28 september 2015 en ik heb de auto verkocht op 4 december 2015. Ik kan mij dit nu ook herinneren dat ik die auto ook zo kort heb gehad. De turbo bleek defect en de reparatie daarvan zou heel veel geld kosten.’

17. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg van 14 november 2019 houdt inzake de gestelde verkoop van de Audi A1 het volgende in:

‘De raadsman verklaart:

Ik heb ook een conclusie van dupliek naar de Verkeerstoren gestuurd binnen de gestelde termijn. Ik heb ook op voorhand mijn pleitnotitie per e-mail aan de rechtbank toegestuurd. Mijn pleitnotitie bevat een kleine correctie. De Audi is verkocht vóór de delictsperiode. Het beginsaldo dient daarom te worden verhoogd.

De oudste rechter deelt mee dat de rechtbank zojuist een e-mail heeft ontvangen van de officier van justitie betreffende RDW-gegevens. De officier van justitie overhandigt een kopie van voornoemde gegevens aan de raadsman.

De rechtbank beveelt een onderbreking van het onderzoek zodat zij en de raadsman de gelegenheid hebben kennis te nemen van de door de officier van justitie overgelegde stukken. De rechtbank hervat het onderzoek in de stand waarin het zich voor de onderbreking bevond.

De raadsman verklaart:

Ik blijf bij mijn standpunten zoals die volgen uit mijn pleitnotitie. (…) De oudste rechter merkt op dat getuige [betrokkene 1] is gehoord en vraagt wat de achtergrond voor het horen van die getuige was. Dat houdt verband met het beginsaldo, de Audi is vóór de onderzoeksperiode verkocht. In de strafzaak is de getuige gehoord in verband met het witwassen. In hoger beroep ging het onder andere over het witwassen van verschillende goederen. (…)

De officier van justitie:

(…)

Ten aanzien van het standpunt van de raadsman dat het beginsaldo moet worden verhoogd met € 14.000,00, gelet op de verkoop van de Audi A1 merk ik het volgende op. De raadsman heeft dit pas in een zeer laat stadium aangegeven, namelijk één dag voor de zitting. Het Openbaar Ministerie heeft het aangevoerde daarmee niet meer grondig kunnen onderzoeken. Het Openbaar Ministerie heeft wel het RDW geraadpleegd. De getuige [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) heeft het over een Audi met een kenteken beginnend met [kenteken 1] . De getuige heeft nooit een Audi met kenteken [kenteken 1] op zijn naam gehad. Hij heeft wel een Audi A1 op zijn naam gehad, maar die Audi had een ander kenteken. Voor die Audi A1 geldt dat veroordeelde niet de vorige eigenaar is. Het is bekend dat veroordeelde vaak andere personen heeft gebruikt om voertuigen van veroordeelde op hun naam te laten zetten. Dit heeft het Openbaar Ministerie op deze korte termijn ook niet meer kunnen checken. Veroordeelde heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij de Audi A1 heeft verkocht en daarvoor € 14.000,00 heeft gekregen. Voor het overige persisteer ik.

De raadsman verklaart:

(…) Ik ben van mening dat het voldoende aannemelijk is gemaakt dat de Audi A1 is verkocht en dat cliënt daarvoor € 14.000,00 heeft gekregen. Cliënt heeft dat gesteld en dat is bevestigd door [betrokkene 1] bij de raadsheer van het gerechtshof. Bij dat verhoor zijn door de Advocaat-Generaal geen kritische vragen gesteld aan de getuige. Het beginsaldo dient met dat bedrag te worden verhoogd. Het is een omissie van mij dat ik dit niet bij de conclusie van antwoord heb vermeld. Cliënt heeft mij daar op gewezen.’

18. De rechtbank heeft in het vonnis van 27 november 2019 inzake de gestelde verkoop van een Audi A1 het volgende overwogen:

‘De verdediging heeft voorts aangevoerd dat [betrokkene ] op 28 september 2015 een Audi A1 heeft verkocht aan [betrokkene 1] voor € 14.000,00. [betrokkene 1] heeft op 29 augustus 2018 in zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris in de onderhavige strafzaak tegen [betrokkene ] verklaard dat hij van [betrokkene ] een Audi A1 heeft gekocht, met een kenteken beginnend met [kenteken 1] . Dit is op zichzelf een verifieerbare verklaring, waarnaar het Openbaar Ministerie onderzoek dient te doen. De rechtbank constateert echter ook dat de verdediging dit voor het eerst op 13 november 2019, één dag voor de zitting, door toezending van de pleitnota, heeft aangevoerd. [betrokkene ] en zijn raadsman hadden al in augustus 2018 kennis genomen van de verklaring van [betrokkene 1] . Het Openbaar Ministerie heeft in de weinige nog beschikbare tijd vóór aanvang van de zitting getracht de verklaring van [betrokkene ] te verifiëren en heeft daartoe de RDW-gegevens geraadpleegd. Uit die gegevens blijkt dat de getuige geen Audi A1 met een kenteken beginnend met [kenteken 1] op zijn naam heeft gehad. Wel is gebleken dat hij op 1 september 2015 een Audi A1 met kenteken [kenteken 2] op zijn naam heeft gekregen. Het kenteken van die Audi stond daarvoor van 7 juli 2014 tot 1 september 2015 op naam van [betrokkene 2] . Uit de RDW-gegevens kan niet worden opgemaakt dat [betrokkene ] de eigenaar was van een Audi A1 en dat hij deze aan [betrokkene 1] heeft verkocht. Het is de rechtbank bekend dat de voertuigen die [betrokkene ] in eigendom had, vaak op naam van een ander stonden. Dat dit ook het geval zou zijn ten aanzien van de Audi heeft [betrokkene ] niet aangevoerd, laat staan aannemelijk gemaakt. Het had op de weg van [betrokkene ] gelegen om nader te onderbouwen dat hij de feitelijke eigenaar en verkoper van de Audi A1 was. Nu dit onduidelijk is gebleven, is de rechtbank van oordeel dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat [betrokkene ] de Audi A1 heeft verkocht aan [betrokkene 1] en daarvoor € 14.000,00 heeft gekregen.’

19. De raadsman heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 november 2020 het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig van te voren toegezonden pleitnotities. Deze houden inzake de gestelde verkoop van de Audi A1 het volgende in:

2.2. Post €14.000,-

In het vonnis word op pagina 3 genoemd dat de auto op naam stond van [betrokkene 2] . [betrokkene 2] wordt in het dossier genoemd. Het blijkt de moeder te zijn van [betrokkene 3] , de toenmalige vriendin van [betrokkene ] , en [betrokkene ] heeft blijkens pagina 60077 ingeschreven gestaan op het adres [a-straat 1] tezamen met [betrokkene 2] (schoonmoeder) en zijn partner [betrokkene 3] . [betrokkene ] was de eigenaar van de Audi A1, maar omdat hij in detentie zat is in het kentekenregister de auto op de naam van zijn schoonmoeder gezet. De auto is wel degelijk in het najaar van 2015 door [betrokkene ] verkocht aan [betrokkene 1] voor een bedrag van € 14.000,-. Ik verzoek u derhalve in het beginsaldo deze €14.000,- te betrekken/op te nemen zoals eerder gesteld.’

20. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting houdt voorts in dat de raadsman bij wijze van dupliek heeft aangevoerd:

‘De advocaat-generaal neemt bij repliek dus een ander standpunt in dan op voorhand kenbaar gemaakt. Echter hoor ik de advocaat-generaal nog steeds niet ingaan op hetgeen ik bepleitte over de Audi A1, hoewel hierover wel in het dossier wordt gesproken. Dat punt wordt dus niet betwist.

U zegt mij dat u heeft gelezen dat dit wel wordt betwist in de schriftelijke stukken. Ik kan u zeggen dat de Audi niet op naam van mijn cliënt staat, maar op de naam van zijn schoonmoeder. Daar wilde ik het bij laten.’

21. De overwegingen van het hof in het bestreden arrest houden in dat uit geraadpleegde RDW-gegevens volgt dat de getuige [betrokkene 1] geen Audi A1 waarvan het kenteken begint met [kenteken 1] op zijn naam heeft gehad, maar dat hij wel op 1 september 2015 een Audi A1 met kenteken [kenteken 2] op zijn naam heeft gekregen. En dat het kenteken van die Audi daarvoor van 7 juli 2014 tot 1 september 2015 op naam stond van [betrokkene 2] . Die laatste vaststellingen komen overeen met hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd.

22. Uit de verklaring van [betrokkene 1] blijkt niet alleen dat het kenteken van de Audi A1 waar hij over verklaart afwijkt van het kenteken van de Audi A1 die voordien op naam stond van [betrokkene 2] . Ook de datum van aankoop die hij opgeeft is een andere. De Audi A1 waarvan het kenteken begint met [kenteken 1] zou zijn gekocht ‘in 2015 in de wintermaanden’. Later specificeert [betrokkene 1] na telefonisch contact met de verzekeraar de aankoopdatum tot 28 september 2015. Het hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] de Audi A1 met kenteken [kenteken 2] op 1 september 2015 op zijn naam heeft gekregen. Mede in dat licht heeft het hof naar het mij voorkomt kunnen oordelen dat de verkoop van de Audi A1 waar [betrokkene 1] over spreekt niet ziet op de Audi waar de betrokkene over verklaart.

23. Anders dan de steller van het middel aanvoert meen ik dat aan een en ander niet afdoet dat kentekens van het type [kenteken 1] voor personenauto’s pas vanaf november 2016 zijn uitgegeven door het RDW, zodat de opgave van de getuige van het kenteken beginnend met de letters [kenteken 1] voor een tweedehands auto die door hem in 2015 zou zijn gekocht niet juist kan zijn. Uit ’s hofs overwegingen volgt naar het mij voorkomt niet dat het hof ervan overtuigd is dat de getuige daadwerkelijk een Audi A1 met een kenteken dat begint met [kenteken 1] heeft gekocht. Dat de aankoop van een Audi met dat kenteken op de door de getuige genoemde datum niet mogelijk was doet dan ook niet af aan de begrijpelijkheid van ’s hofs vaststelling dat de getuige niet heeft gesproken over de Audi waarover de betrokkene verklaart.

24. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat mede in het licht van de verklaring van [betrokkene 1] niet aannemelijk is geworden dat [betrokkene 1] in verband met een verkoop van de Audi met kenteken [kenteken 2] een bedrag van € 14.000 aan de verdachte heeft betaald. Dat komt mij niet onbegrijpelijk voor. De ondersteuning voor de gestelde verkoop die de raadsman in de verklaring van [betrokkene 1] dacht te vinden ontbreekt. [betrokkene 1] verklaart slechts over één auto die hij van de betrokkene heeft gekocht, en noemt daarbij andere beginletters van het kenteken en een andere aankoopdatum. Andere objectieve aanwijzingen dat [betrokkene 1] een dergelijk bedrag (contant) aan de betrokkene heeft betaald ontbreken eveneens. Daarbij heeft het hof in verband met de scooters overwogen ‘dat de betrokkene vaak gebruik maakte van derden om zijn vermogen af te schermen’. Daarop wijst ook de omstandigheid dat de Audi A1 met kenteken [kenteken 2] voor 1 september 2015 op naam van [betrokkene 2] stond. Een andere mogelijke verklaring voor het op naam van [betrokkene 1] zetten van de Audi A1 ligt derhalve in ’s hofs overwegingen besloten. Ik wijs er in dat verband op dat [betrokkene 1] heeft verklaard de betrokkene al ongeveer tien jaar te kennen.

25. Het tweede middel faalt.

Afronding

26. Beide middelen falen en kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?