ECLI:NL:PHR:2022:869

ECLI:NL:PHR:2022:869, Parket bij de Hoge Raad, 04-10-2022, 21/03556

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 04-10-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21/03556
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2022:1716
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001903 BWBR0001941

Samenvatting

Conclusie AG. Beklag, beslag. Cassatieberoep ontvankelijk ondanks dat het beroep niet is ingesteld bij de rechtbank, maar bij de Hoge Raad. Middelen over niet-naleving art. 552a.5 Sv, grondslag van het beslag, proportionaliteit en subsidiariteit en het zijn van rechthebbende. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

Uitspraak

4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een “akte instellen cassatie”, inhoudende dat op 12 november 2020 ter griffie van de rechtbank Noord-Holland [betrokkene 1] , zelfstandig bevoegd bestuurder van klaagster, kwam en verklaarde cassatie in te stellen tegen de bestreden beschikking. Aan genoemde akte is een faxbericht gehecht dat is gedateerd 9 november 2020 en geadresseerd aan de Hoge Raad. Genoemd faxbericht houdt in dat [betrokkene 1] , handelend als zelfstandig bevoegd bestuurder van de klaagster, beroep in cassatie wenst in te stellen tegen de bestreden beschikking. Dit faxbericht is door de strafgriffie van de Hoge Raad doorgestuurd naar de juiste instantie: de rechtbank Haarlem. De brief is op 12 november bij de griffie van de rechtbank Haarlem ingekomen en op dezelfde dag is genoemde akte opgemaakt.

Hoewel het beroep – in eerste instantie - niet is ingesteld bij “de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven” (art. 449, eerste lid, Sv), meen ik dat het niet op de juiste wijze instellen van het cassatieberoep hier niet fataal is, nu het beroep niet door een advocaat - van wie mag worden verwacht dat hij/zij bij het instellen van een rechtsmiddel de juiste weg bewandeld - maar door een vertegenwoordiger van de klaagster is ingesteld. Daarbij merk ik nog op dat zich hier niet een geval van ‘getrapte’ vertegenwoordiging voordoet. In een dergelijk geval - waarin de rechtspersoon wordt vertegenwoordigd door een persoon, die zelf weer wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde - geldt dat de wet niet de mogelijkheid biedt dat een dergelijke volmacht anders dan in persoon ter griffie wordt overgelegd.

5. Het eerste middel

Het middel klaagt dat uit de bestreden beschikking niet blijkt dat de derde, onder wie voornoemd geldbedrag in beslag is genomen, conform art. 552a, lid 5, Sv is opgeroepen.

Ik merk allereerst op dat de opvatting dat uit de bestreden beschikking moet blijken dat het bepaalde in art. 552a, vijfde lid, Sv is nageleefd geen steun vindt in het recht. Voldoende is dat zulks uit de stukken van het dossier kan worden afgeleid.

Voorts geldt dat de klaagster, nu de rechtbank het klaagschrift ongegrond heeft verklaard, belang mist bij het (eventuele) verzuim van de rechtbank de beslagene als belanghebbende te hebben opgeroepen teneinde in raadkamer te worden gehoord.

Het middel faalt.

6. Het tweede middel

Het middel klaagt dat onvoldoende duidelijk is wat de grondslag is van het beslag, terwijl in de toelichting op het beklag van 13 oktober 2020 is aangegeven dat het beslag niet op grond van art. 94 Sv is gelegd.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking vastgesteld dat (onder andere) het genoemde geldbedrag op 7 juli 2020 onder [betrokkene 2] wegens verdenking van onder meer witwassen in beslag is genomen. Hoewel een kennisgeving van inbeslagneming bij de onderhavige gedingstukken ontbreekt, heeft de rechtbank zich blijkens de bestreden beschikking op dit punt klaarblijkelijk op het onderliggende strafdossier gebaseerd. Voorts merk ik op dat hieromtrent tijdens de behandeling in raadkamer op 27 oktober 2020 door de verdediging ook geen punt is gemaakt. Integendeel; de raadsvrouw van de klaagster heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het belang van strafvordering voortzetting van het beslag niet meer vordert, omdat niet blijkt dat justitie onderzoek verricht aan de geldbiljetten of het fysieke geld om andere reden noodzakelijk is om de waarheid aan de dag te brengen of wederrechtelijk voordeel aan te tonen en het voorts, nu [betrokkene 2] niet de rechthebbende op de gelden blijkt, hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot een verbeurdverklaring zal komen. Volgens de raadsvrouw van de klaagster kan het beslag niet langer op grond van artikel 94 Sv worden gehandhaafd en dient het geldbedrag te worden teruggegeven aan de klaagster(s) als rechthebbenden, althans beslagene. Subsidiair is verzocht de zaak aan te houden, indien het Openbaar Ministerie de toegezonden onderbouwende stukken nog nader wenst te onderzoeken. Van een op art. 94a Sv gestoeld betoog blijkt in het geheel niet.

Het middel faalt.

7. Het derde middel

Het middel dat klaagt dat de rechtbank had moeten nagaan of voortzetting van het conservatoire beslag in overeenstemming was met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, ziet eraan voorbij dat de rechtbank heeft vastgesteld dat het hier een klassiek beslag ex art. 94 Sv betreft en de toetsingsmaatstaven voor de op grond van art. 94 Sv en art. 94a Sv gelegde beslagen niet verplichten tot een ambtshalve onderzoek met betrekking tot de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Door de verdediging is ook op dit punt geen verweer gevoerd.

Het middel faalt.

8. Het vierde middel

Het middel klaagt dat de rechtbank onvoldoende is ingegaan op hetgeen de raadsvrouw van de klaagster over het zijn van rechthebbende heeft aangevoerd.

Dit middel ziet eraan voorbij dat de in deze toepasselijke toetsingsmaatstaf meebrengt dat de rechter eerst dient te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene dient te gelasten, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. In het onderhavige geval heeft de rechtbank geoordeeld dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzet omdat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomen geldbedrag zal verbeurd verklaren. Nu de eerstgenoemde vraag bevestigend is beantwoord, is de rechtbank – logischerwijze - aan de vraag of de klaagster als rechthebbende moet worden beschouwd niet toegekomen.

Het middel faalt.

9. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?