ECLI:NL:PHR:2022:967

ECLI:NL:PHR:2022:967, Parket bij de Hoge Raad, 21-10-2022, 22/02783

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 21-10-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/02783
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2022:1871
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005700 BWBR0040632

Samenvatting

Wzd. Rb geeft machtiging tot opname en verblijf ogv art. 24 Wzd vanaf het moment dat gedetineerde betrokkene wordt opgenomen in Wzd-instelling. In strijd met art. 39 lid 7 Wzd wordt machtiging ten uitvoer gelegd als meer dan vier weken na dagtekening zijn verlopen.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 22/02783

Zitting 21 oktober 2022

CONCLUSIE

M.L.C.C. Lückers

In de zaak

[betrokkene] ,verzoeker tot cassatie,advocaat: mr. G.E.M. Later,

tegen

[verblijfplaats] ,verweerder in cassatie,niet verschenen.

Partijen worden hierna verkort aangeduid als betrokkene respectievelijk [verblijfplaats] .

1. Inleiding en samenvatting

In deze Wzd-zaak heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene die ten tijde van de mondelinge behandeling in detentie zat een machtiging tot opname en verblijf verleend. De rechtbank heeft bepaald dat de machtiging ingaat vanaf het moment dat betrokkene wordt opgenomen in een Wzd-instelling. In cassatie wordt geklaagd dat deze ingangsdatum in strijd is met art. 39 lid 7 Wzd dat bepaalt dat de machtiging niet meer ten uitvoer kan worden gelegd indien meer dan vier weken na haar dagtekening zijn verlopen.

2. Feiten en procesverloop

Op 1 oktober 2021 heeft de burgemeester van de gemeente Den Haag op grond van art. 29 Wzd een beschikking tot inbewaringstelling genomen ten aanzien van betrokkene. Bij beschikking van 5 oktober 2021 is het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling afgewezen.

Betrokkene verblijft sinds eind januari 2022 als gevolg van een geweldsdelict in voorlopige hechtenis in het [verblijfplaats 1] .

Bij verzoekschrift, ter griffie van de rechtbank Den Haag ingekomen op 14 april 2022, heeft het [verblijfplaats] op grond van art. 24 Wzd de rechtbank verzocht ten aanzien van betrokkene een rechterlijke machtiging te verlenen tot opname en verblijf voor de duur van zes maanden. Bij het verzoekschrift zijn onder andere de volgende gegevens overgelegd:- de medische verklaring die op 24 maart 2022 is ondertekend door een niet bij de behandeling betrokken deskundige art als bedoeld in art. 26 lid 5 onder d Wzd;- een zorg/behandelplan;- aanvullende medische informatie van de behandelaars van betrokkene van 6 april 2022;- intelligentie onderzoek Parnassia van januari 2022;- cliëntrapportage MEE van februari 2022.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 28 april 2022. Gehoord zijn: betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, de zorgverantwoordelijke, de psychiater werkzaam in de Penitentiaire Inrichting en de oom van betrokkene.

Bij beschikking van 28 april 2022 heeft de rechtbank de machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie verleend. De rechtbank heeft bepaald dat de machtiging wordt verleend voor de duur van zes maanden en ingaat vanaf het moment dat betrokkene wordt opgenomen in een Wzd-instelling. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“Ter zitting is besproken per wanneer cliënt naar een gesloten instelling kan. Omdat nog niet duidelijk is per wanneer en naar welke instelling cliënt kan gaan en of de voorlopige hechtenis op grond waarvan hij momenteel in de Penitentiaire Inrichting verblijft op 19 mei 2022 wordt geschorst, is ter zitting besproken dat de rechterlijke machtiging zal ingaan vanaf het moment dat cliënt opgenomen wordt in een wzd-instelling. Ter zitting is gebleken dat de verwachting is dat het toestandsbeeld van cliënt niet op korte termijn zal veranderen.”

Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. Namens het [verblijfplaats] is geen verweerschrift ingediend.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt dat de beslissing van de rechtbank dat de machtiging ingaat vanaf het moment dat betrokkene wordt opgenomen in een Wzd-instelling, in strijd is met art. 39 lid 7 Wzd. Volgens het middel kon de machtiging na 26 mei 2022 niet meer ten uitvoer worden gelegd.

Art. 24 Wzd bepaalt dat onvrijwillige opname en verblijf van een cliënt alleen mogelijk is met een rechterlijke machtiging. Een aanvraag voor een rechterlijke machtiging kan worden ingediend bij het [verblijfplaats] door de in art. 25 lid 1 Wzd genoemde personen. Het [verblijfplaats] heeft de taak om, indien aan alle voorwaarden is voldaan, het verzoek tot een machtiging bij de rechter in te dienen.

In art. 28a Wzd is de procedure geregeld indien voor een persoon met een verstandelijke handicap of psychogeriatrische problematiek op grond van art. 2.3 Wfz een verzoekschrift voor een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf wordt ingediend bij de (straf)rechter. Anders dan bij een regulier verzoek bepaalt art. 28a Wzd dat de officier van justitie het verzoekschrift bij de rechter indient. De officier van justitie kan het verzoekschrift niet indienen zonder overleg met het [verblijfplaats] , waarbij wordt nagegaan of er al een aanvraag voor een rechterlijke machtiging wordt voorbereid door het [verblijfplaats] . Mocht dat niet het geval zijn dan zal de officier van justitie zelf met de voorbereidingen van een verzoekschrift starten.

De tenuitvoerlegging van de rechterlijke machtiging als bedoeld in art. 28a Wzd ligt bij de officier van justitie. Ook kan de officier van justitie politieambtenaren en personen met kennis van de zorg voor mensen met een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap inschakelen bij de tenuitvoerlegging. Art. 28c Wzd voorziet in de procedure voor de tenuitvoerlegging van de rechtelijke machtiging op grond van art. 28a Wzd. In het voortraject heeft het [verblijfplaats] aangegeven binnen welk domein de tenuitvoerlegging plaats moet vinden, zodat de officier van justitie weet wie de aangewezen partij voor de verdere tenuitvoerlegging is. Lid 2 art. 28c Wzd bepaalt dat de Wlz-uitvoerder, het college van burgemeesters en wethouders of de zorgverzekeraar verantwoordelijk is voor het daadwerkelijk laten opnemen van cliënt. De verantwoordelijke partij gaat vervolgens op zoek naar een passende accommodatie. Deze accommodatie dient binnen een week tot opname over te gaan. Indien dit niet wordt opgevolgd door de (zorg)aanbieder kan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd bevelen tot opname over te gaan (art. 28c lid 3 Wzd).

In de parlementaire geschiedenis is over de tenuitvoerlegging van de zorgmachtiging onder de Wvggz naast een straf of maatregel het volgende opgenomen:

“De zorgmachtiging kan worden afgegeven naast de oplegging van een straf of strafrechtelijke maatregel. Dit geldt zowel voor voorwaardelijke als voor onvoorwaardelijke straffen en maatregelen. Indien een dergelijke samenloop wordt overwogen, dient de rechter er rekening mee te houden dat voor de tenuitvoerlegging van de zorgmachtiging de voorwaarden van de Wvggz gelden. Dat betekent onder meer dat die zorgmachtiging binnen twee weken nadat deze is afgegeven ten uitvoer moet worden gelegd. In het geval van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf betekent dit, met uitzondering van een zeer korte gevangenisstraf of een gevangenisstraf die ongeveer overeenkomt met de tijd die betrokkene al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, dat de zorgmachtiging ten uitvoer moet worden gelegd voorafgaand aan de gevangenisstraf. Dit hangt samen met het specifieke karakter van de zorgmachtiging, aangezien de noodzaak tot verplichte zorg naar haar aard een momentopname betreft. De zorgmachtiging kan daarnaast ook aansluitend aan een strafrechtelijke titel worden afgegeven, bijvoorbeeld aansluitend aan het eindigen van de maatregel van terbeschikkingstelling, maar ook zonder dat sprake is van een connexe strafrechterlijke procedure. Wanneer geen sprake is van een connexe procedure kan de zorgmachtiging alleen worden afgegeven op vordering van het openbaar ministerie. Die afzonderlijke grondslag is nodig omdat niet in alle gevallen waarin wordt voldaan aan het criterium «strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde» sprake is van een connexe strafrechtelijke procedure. Van deze grondslag kan op verschillende momenten en om uiteenlopende redenen gebruik worden gemaakt. Dat is in de eerste plaats het geval wanneer het openbaar ministerie te maken heeft met een verdachte met een psychische stoornis ten aanzien van wie het openbaar ministerie besluit om de strafzaak zelf af te doen middels een strafbeschikking of om deze, bijvoorbeeld in verband met die stoornis, te seponeren. Ook kan bijvoorbeeld sprake zijn van een forensische patiënt die met zijn instemming in een accommodatie verblijft en ten aanzien van wie op enig moment wordt geoordeeld dat dwangbehandeling noodzakelijk is. Voor die dwangbehandeling is dan een zorgmachtiging vereist. In alle gevallen is er een directe link met het strafrecht en dan ligt het in de rede de strafrechter de zorgmachtiging afgeeft. In alle gevallen waarin de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde in het geding is, dient het openbaar ministerie zijn verzoek tot de strafrechter te wenden. Wordt aan dat criterium niet voldaan, dan is de weg naar de strafrechter afgesloten en dient het openbaar ministerie de reguliere route te volgen.”

Hoewel dit niet met zoveel woorden in de parlementaire geschiedenis is opgenomen, volgt uit art. 28c lid 3 Wzd dat ook indien een rechterlijke machtiging is opgelegd naast een straf of maatregel de tenuitvoerlegging binnen twee weken dient plaats te vinden.

Ook onder de Wet Bijzonder opneming in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) kon een machtiging worden opgelegd indien een betrokkene in detentie zat. Art. 10 lid 1 Wet Bopz bepaalde dat de beschikking waarbij een voorlopige machtiging wordt afgegeven, uitvoerbaar bij voorraad is en dat de machtiging niet meer ten uitvoer kan worden gelegd wanneer meer dan twee weken na haar dagtekening zijn verlopen. De ratio van deze beperking is, naar uit de wetsgeschiedenis blijkt, dat niet kan worden uitgesloten dat na verloop van bedoelde termijn het gevaar op grond waarvan de voorlopige machtiging werd verleend, in gunstige zin blijkt te zijn gekeerd of dat de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat niet meer tot vrijheidsbeneming behoeft te worden overgegaan.

In een uitspraak van de Hoge Raad van 24 mei 2019 werd ten aanzien van een betrokkene die zich op dat moment in een penitentiaire psychiatrisch centrum verbleef een voorlopige machtiging verzocht. De rechtbank oordeelde dat een voorlopige machtiging kon worden verleend tot het doen opnemen en doen verblijven van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis tot en met 4 februari 2019, onder de opschortende voorwaarde dat de voorlopige hechtenis is geschorst of beëindigd. De Hoge Raad beantwoordde de vraag of een voorlopige machtiging kan worden verleend onder de opschortende voorwaarde dat de voorlopige hechtenis is geschorst of beëindigd, bevestigend. De Hoge Raad overwoog:

“3.2.4 Een dergelijke opschortende voorwaarde is toelaatbaar in alle gevallen waarin de betrokkene ten aanzien van wie een Bopz-machtiging wordt verzocht, op strafrechtelijke grondslag gedetineerd is. Art. 10 Wet Bopz staat daaraan op zichzelf niet in de weg. Wel volgt uit het bepaalde in lid 1 en de daaraan ten grondslag liggende ratio (zie hiervoor in 3.2.2) dat ook een machtiging waaraan zodanige voorwaarde is verbonden, niet meer ten uitvoer kan worden gelegd wanneer meer dan twee weken na haar dagtekening zijn verlopen. De termijn van twee weken begint dus niet pas te lopen op het moment dat de detentie is geschorst of beëindigd.

Op grond van het voorgaande is de door de rechtbank aan de machtiging verbonden voorwaarde toelaatbaar. Dat de machtiging niet meer ten uitvoer had kunnen worden gelegd indien de detentie van betrokkene niet uiterlijk op 18 december 2018 was geschorst of beëindigd (welk geval zich volgens het verweerschrift van de officier van justitie overigens niet heeft voorgedaan), doet daaraan niet af. Het onderdeel faalt dus.

Ik zie geen reden waarom de jurisprudentie onder de Wet Bopz zijn werking onder de Wzd niet zou hebben behouden. Dat betekent dat ook onder de Wzd de ingangsdatum van de machtiging op een later moment kan worden bepaald indien een betrokkene op een strafrechtelijke grondslag is gedetineerd. Indien niet de procedure van art. 2.3 Wfz is gevolgd, bepaalt art 39 lid 7 Wzd dat een machtiging niet meer ten uitvoer kan worden gelegd wanneer meer dan vier weken na haar dagtekening zijn verlopen.

In de onderhavige zaak is door de behandelaar van betrokkene een aanvraag voor een rechterlijke machtiging gestart. Uit het verzoekschrift van het [verblijfplaats] volgt dat wegens de voorlopige hechtenis het [verblijfplaats] op 13 april 2022 contact heeft gehad met de parketsecretaris van het team verplichte zorg. In het verzoekschrift is daarover het volgende opgenomen:

“Doordat er bij betrokkene sprake is van een verstandelijke handicap en bijkomende psychische stoornis, is voortzetting van de hechtenis voor hem niet passend. Omdat de behandelaar van betrokkene al was gestart met de voorbereiding van de aanvraag voor opname van betrokkene in een accommodatie van de Wzd, is besloten geen procedure te starten op grond van art. 2.3 van de Wfz.”

Het verzoekschrift is vervolgens door het [verblijfplaats] ingediend bij de rechtbank Den Haag team Jeugd- en Zorgrecht. De rechtbank heeft de rechterlijke machtiging op 28 april 2022 verleend. De machtiging dient volgens de rechtbank in te gaan op het moment dat betrokkene in een Wzd-instelling wordt opgenomen. Uit de Bopz-jurisprudentie volgt dat een machtiging onder een opschortende voorwaarde niet ontoelaatbaar is. Wel volgt uit art. 39 Wzd dat deze machtiging niet meer ten uitvoer gelegd kan worden indien vier weken na dagtekening zijn verstreken. Dat betekent in het onderhavige geval dat de machtiging na 26 mei 2022 niet meer ten uitvoer gelegd kan worden. Volgens het cassatiemiddel is betrokkene na 1 juni 2022 op grond van de machtiging van 28 april 2022 alsnog opgenomen in een instelling. Het onderdeel voert terecht aan dat dit in strijd is met art. 39 Wzd.

Indien de machtiging had moeten aansluiten op de detentie had de officier van justitie er beter aan gedaan een procedure op grond van art. 2.3 Wfz te starten. Op die manier had de strafrechter naast het strafvonnis een rechterlijke machtiging kunnen verlenen, waardoor het huidige probleem van een te late tenuitvoerlegging was voorkomen.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat de opname van betrokkene in een Wzd-instelling meer dan vier weken na dagtekening van de machtiging van 28 april 2022 niet meer mogelijk was. Dit is echter een probleem gelegen in de tenuitvoerlegging. De beschikking van de rechtbank is op zichzelf niet onjuist of in strijd met de wet, nu de beschikking niet meer inhoudt dan dat de machtiging ingaat vanaf het moment dat betrokkene wordt opgenomen in een Wzd-instelling. Indien dat binnen vier weken na dagtekening was gebeurd, was er niets aan de hand geweest. Het middel faalt in zoverre.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?