Nummer21/00250
Zitting 1 november 2022
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte
(i) de ‘aantekening mondeling vonnis’ van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 26 januari 2018, waarin staat vermeld dat de verdachte woonachtig is op de [a-straat 1] , [plaats] ;
(ii) de ‘akte instellen hoger beroep’, inhoudende dat op 8 februari 2018 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis van de politierechter van 26 januari 2018, en de daaraan gehechte schriftelijke volmacht aan de griffier tot het instellen van hoger beroep, welke volmacht onder meer inhoudt:
“2. Het toezenden van afschriften van eventuele dagvaardingen, oproepingen en overige schriftelijke bescheiden ter attentie van [verdachte] voornoemd kan geschieden aan het navolgend adres: [a-straat 1] te [plaats] , hetgeen de uitdrukkelijke toestemming van [verdachte] heeft en tot het opgeven van welk adres hij ondergetekende ook bepaaldelijk heeft gevolmachtigd.”
(iii) Een kopie van de appeldagvaarding d.d. 24 november 2020 gericht aan het adres [b-straat 1] te [plaats] en op dit adres uitgereikt aan een ander dan de verdachte;
(iv) Een aan de kopie van de appeldagvaarding gehechte ID-kaart SKDB van 3 november 2020, onder meer inhoudende dat:
- de verdachte vanaf 8 januari 2015 stond ingeschreven in de BRP op het adres [a-straat 1] , [plaats] ;
- de laatst opgegeven woon-of verblijfplaats van de verdachte op 12 februari 2018 is [a-straat 1] [plaats] ;
- de verdachte vanaf 17 december 2018 stond ingeschreven in de BRP op het adres [c-straat 1] , [plaats] ;
- de verdachte vanaf 31 oktober 2019 stond ingeschreven in de BRP op het adres [b-straat 1] , [plaats] ;
(v) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 januari 2021 dat, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende inhoudt:
“De verdachte,
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
wonende te [plaats] , [b-straat 1] ,
is niet verschenen.
De voorzitter stelt vast dat de dagvaarding in hoger beroep op juiste wijze is betekend.
Verschenen is mr. S. Minderhout, advocate te Breda. De advocate deelt op de vraag van de voorzitter mede dat zij niet gemachtigd is de verdediging te voeren.
Mr. Van Minderhout doet terstond een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
Mr. Van Minderhout deelt mede:
Ik heb van de broer van mijn cliënt vernomen dat cliënt in een huis verblijft voor dak- en thuislozen. Het is mij niet gelukt om met hem in contact te komen.
De advocaat-generaal deelt hierop mede:
Ik begrijp het verzoek, maar de dagvaarding is op juiste wijze uitgereikt, aan een huisgenoot op het BRP-adres van verdachte. Verdachte heeft geen contact opgenomen met zijn raadsvrouw. Verdachte is niet ter terechtzitting verschenen en dat geeft mij het idee dat hij geen belang ziet in het verschijnen ter terechtzitting. Er is reeds op 3 november 2020 een oproep aan de advocaat van verdachte uitgegaan.
De voorzitter wijst het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak af. De verdachte is op juiste wijze opgeroepen en de oproep aan de advocaat van verdachte is tijdig uitgegaan. Het had op de weg van de advocaat gelegen om eerder contact te zoeken met cliënt.
De voorzitter verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt, dat de behandeling van de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte wordt voortgezet.
De voorzitter deelt mede dat verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend.
De advocaat-generaal deelt mede:
De verdachte is niet verschenen en heeft geen schriftuur houdende grieven ingediend. Ik verzoek u de verdachte niet ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede onmiddellijk uitspraak te zullen doen.
De voorzitter spreekt vervolgen het arrest uit.
AANTEKNING VAN HET MONDELING ARREST
De ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof is van oordeel dat verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep, nu verdachte niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en het hof niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin onderzocht dient te worden.
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.”
5. In de toelichting op het middel wordt de klacht onderbouwd met een verwijzing naar art. 588a, eerste lid aanhef en onderdeel c, Sv, welke bepaling in de schriftuur als volgt wordt aangehaald:
“1. In de navolgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres:
[…];
c. indien door of namens de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.”
Voorts wordt ter onderbouwing verwezen naar de volgende passage uit (kort gezegd) de memorie van toelichting bij deze bepaling:
“Géén uitzondering op de verzendplicht van artikel 588a, eerste lid, wordt gevormd door het geval dat de verdachte ná zijn adresopgave bij de politie of justitie zijn inschrijving in de GBA heeft gewijzigd. De desbetreffende adressen staan los van elkaar: het ingevolge artikel 588 op te geven adres is een ander adres dan het GBA-adres (is het wel hetzelfde, dan behoeft daaraan geen afschrift te worden gezonden). Wanneer de verdachte wijziging brengt in zijn GBA-adres behoeft dat niet te betekenen dat hij er geen prijs meer op stelt om een afschrift van de dagvaarding te ontvangen op het andere, speciaal daarvoor door hem opgegeven adres.”
6. Kennelijk ziet de steller van het middel over het hoofd dat door de invoering van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet USB) op 1 januari 2020 art. 588a (oud) Sv is vervallen. Met ingang van die datum zijn de bepalingen die voor die tijd opgenomen waren in de Vijfde afdeling van Titel 1 van Boek 4 van het Wetboek van Strafvordering verplaatst naar Titel IIB van Boek 1.Voor art. 588a (oud) Sv is art. 36g Sv in de plaats gekomen. Deze bepaling luidde ten tijde van de uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep op 24 november 2020, voor zover hier van belang, als volgt:
“1. In de volgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres:
[…];
c. indien door of namens de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.
2. De verdachte kan het adres, bedoeld in het eerste lid, wijzigen.
3. Verzending van een afschrift als bedoeld in het eerste lid kan achterwege blijven indien:
[…];
c. de geadresseerde nadat hij een adres als bedoeld in het eerste lid heeft opgegeven, het adres waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen wijzigt;”
7. De memorie van toelichting bij de Wet USB zegt in dit verband kort en krachtig:
“In het derde lid wordt daarnaast onder c een extra grond opgenomen voor het niet hoeven toezenden van een afschrift van een dagvaarding of oproeping; op het moment dat iemand nadat hij tijdens zijn strafzaak een adres heeft opgegeven zijn adres in de basisregistratie personen wijzigt, dient van dat officieel geregistreerde adres te kunnen worden uitgegaan.”
8. De vermelding van het adres [a-straat 1] , [plaats] in de schriftelijke bijzondere volmacht aan de griffier tot het instellen van hoger beroep dient hier te worden begrepen als de opgave van een adres in de zin van art. 36g, eerste lid aanhef en onder c, Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Voor zover ik heb kunnen nagaan bevindt zich onder de stukken van het geding geen stuk waaruit kan blijken dat een afschrift van de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep aan dit adres is gezonden. Er moet mitsdien van worden uitgegaan dat zulks niet is gebeurd. Ik meen evenwel dat verzending van een afschrift van de appeldagvaarding naar het adres [a-straat 1] , [plaats] achterwege kon blijven op grond van het derde lid aanhef en onder c van art. 36g Sv. De verdachte heeft immers – nadat namens hem het adres aan de [a-straat 1] in die schriftelijke bijzondere volmacht was opgegeven – het adres waar hij als ingezetene is ingeschreven in de BRP gewijzigd. Daarbij doel ik op het adres [b-straat 1] , [plaats] , op welk adres de verdachte vanaf 31 oktober 2019 stond ingeschreven in de BRP. Aan dit adres is de dagvaarding gericht en op dit adres is een afschrift van de appeldagvaarding betekend en uitgereikt.
9. Uit het voorgaande volgt dat het achterwege blijven van de bedoelde verzending dus niet een omstandigheid is die het hof verplichtte ervan blijk te geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek op de terechtzitting te schorsen om de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn.
10. Het middel faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.
11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG