ECLI:NL:PHR:2023:107

ECLI:NL:PHR:2023:107, Parket bij de Hoge Raad, 31-01-2023, 21/01956

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 31-01-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21/01956
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2023:361
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Conclusie AG. Falende klacht inzake art. 322.3 Sv (gewijzigde samenstelling) en slagende klacht over toepassing vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregel. Conclusie strekt tot vernietiging, maar uitsluitend v.z.v. bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Uitspraak

3. Het eerste middel

Het middel klaagt dat het hof, hoewel gewijzigd van samenstelling, op de zitting van 8 april 2021 het onderzoek ter terechtzitting heeft hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing bij tussenarrest van 7 oktober 2020, zonder dat blijkt van een hernieuwde aanvang van het onderzoek ter terechtzitting of instemming van de advocaat-generaal en de verdediging om daarvan af te zien.

De aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding houden, voor zover van belang, het volgende in:

- Op 24 september 2020 heeft er een regiezitting plaatsgevonden. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt in dat als raadsheren tegenwoordig zijn mrs. Koning (voorzitter), Weerkamp en De Haan. Ook houdt dit proces-verbaal in dat de verdachte en zijn raadsman, mr. Bouwman, zijn verschenen. De zaak is door de advocaat-generaal voorgedragen, de verdachte is in de gelegenheid gesteld mondeling bezwaren tegen het vonnis op te geven, de raadsman heeft zijn onderzoekswensen toegelicht (met ook een korte toelichting van de verdachte wat betreft de Whatsapp-geschiedenis tussen hem en de aangeefster) en het proces-verbaal sluit af met de mededeling van de voorzitter dat de uitspraak op 7 oktober 2020 plaats zal vinden;

- Op 7 oktober 2020 heeft het hof, in eerdergenoemde samenstelling, een tussenarrest gewezen naar aanleiding van het onderzoek van de terechtzitting van 24 september 2020, waarbij alle verzoeken van de verdediging door het hof zijn afgewezen. Het onderzoek is vervolgens heropent en geschorst voor onbepaalde tijd onder bepaling dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nog nader te bepalen terechtzitting;

- Op 8 april 2021 is de zaak inhoudelijk behandeld. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt in dat als raadsheren tegenwoordig zijn mrs. Koning (voorzitter), Van Maanen en Schoonderwoerd en ook dat de verdachte en zijn raadsman, mr. Bouwman, zijn verschenen. Blijkens dit proces-verbaal is de zaak door de advocaat-generaal bij het hof voorgedragen en is de verdachte onmiddellijk na deze voordracht in de gelegenheid gesteld mondeling bezwaren tegen het vonnis op te geven. Vervolgens heeft het hof de korte inhoud van de stukken medegedeeld, is de verdachte gehoord, hebben de advocaat-generaal en de raadsman gerekwireerd resp. gepleit en heeft de verdachte het laatste woord gekregen. De voorzitter heeft het onderzoek daarop gesloten en medegedeeld dat uitspraak wordt gedaan op 22 april 2021;

- Op 22 april 2021 heeft het hof, in de samenstelling van mrs. Koning, Van Maanen en Schoonderwoerd, arrest gewezen naar aanleiding van het onderzoek van 24 september 2020 (onder vermelding dat het hof op 7 oktober 2020 een tussenarrest heeft gewezen) en 8 april 2021 en, overeenkomstig art. 422 Sv, het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Artikel 322 houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“1. Onverminderd het bepaalde in artikel 280, tweede en derde lid, wordt in alle gevallen waarin de schorsing van het onderzoek is bevolen, het onderzoek in de zaak op de nadere terechtzitting hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip der schorsing bevond. 2. De rechtbank is ook bij toepassing van het eerste lid bevoegd te bevelen dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen. 3. De rechtbank beveelt dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen in het geval de samenstelling van de rechtbank bij de hervatting gewijzigd is, tenzij de officier van justitie en de verdachte instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de schorsing bevond.”

Art. 322, derde lid, Sv bepaalt dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen in het geval de samenstelling van de rechtbank (en ingevolge art. 415 Sv: het hof) bij hervatting gewijzigd is, tenzij de officier van justitie en de verdachte instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de schorsing bevond. In cassatie wordt aan een schriftuur waarin wordt geklaagd over de niet-naleving van art. 322, derde lid, Sv de eis gesteld dat wordt aangegeven in welk in rechte te respecteren belang de verdachte door de niet-naleving is getroffen.

In de toelichting op het middel wordt als belang opgevoerd dat de verdachte op de regiezitting van 24 september 2020 naar aanleiding waarvan het tussenarrest van 7 oktober 2020 is gewezen inhoudelijk heeft verklaard over de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht. Volgens de steller van het middel bestaat er ernstige twijfel of de rechters in de samenstelling van 8 april 2021 wel op de hoogte waren van deze eerdere verklaring, te meer nu de zaak opnieuw is uitgeroepen. Dat het bestreden arrest wel is gewezen naar aanleiding van de zitting van 24 september 2020 zou die zorg niet wegnemen. Ook wordt betoogd dat de verdachte geen toestemming zou hebben gegeven als hij had geweten dat de gewijzigde samenstelling zijn verklaring niet zelf zou hebben gehoord, terwijl hij daarnaast verder zou zijn ingegaan op hetgeen op de vorige zitting door hem is verklaard. Door de niet-naleving van art. 322, derde lid, Sv hebben twee van de drie rechters - buiten weten van verdachte om - niet uit de mond van de verdachte zelf zijn verhaal kunnen horen, voor zover deze verklaring al zou zijn meegenomen.

De vraag die voorligt is of het onderzoek in de zaak tegen de verdachte op 8 april 2021 is hervat of opnieuw is aangevangen. Het proces-verbaal van genoemde zitting houdt niet in dat de officier van justitie en de verdachte is gevraagd in te stemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de schorsing bevond, noch dat die instemming is verkregen. Genoemd proces-verbaal van de terechtzitting houdt wel in dat de advocaat-generaal de zaak heeft voorgedragen en dat de verdachte onmiddellijk na deze voordracht (opnieuw) in de gelegenheid is gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven. Uit het voorgaande volgt mijns inziens in voldoende mate dat het onderzoek ter terechtzitting op 8 april 2021 - op welke zitting de samenstelling van het hof was gewijzigd - opnieuw door het hof is aangevangen. Dat het hof in het bestreden arrest ook melding maakt van het onderzoek op de terechtzitting van 24 september 2020 en het naar aanleiding van die zitting gewezen tussenarrest van 7 oktober 2020, doet hier niet aan af. Dat betreft een kennelijke misslag, die verbeterd kan worden gelezen.

De omstandigheid dat het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 april 2021 niet met zoveel woorden inhoudt dat het onderzoek op de terechtzitting hernieuwd is aangevangen hoeft bij gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden. De verdachte heeft op de terechtzitting van 8 april 2021 immers opnieuw de mogelijkheid gekregen om mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven (van welke mogelijkheid hij ook gebruik heeft gemaakt), terwijl de door hem op de regiezitting van 24 september 2020 afgelegde verklaring naar de kern genomen uitsluitend verband hield met de onderzoekswens van de verdediging ten aanzien van de Whatsapp-gesprekken.

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

4. Het tweede middel

Het middel klaagt over de vervangende hechtenis die in het door het hof bevestigde vonnis aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregel is verbonden.

Het middel is terecht voorgesteld. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, NJ 2020/409 kan de Hoge Raad met toepassing van art. 6:4:20 Sv bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?