2. Procesverloop
In eerste aanleg heeft MFR gevorderd, kort samengevat, te verklaren voor recht dat AVROTROS, [verweerder 2] en [verweerder 3] onrechtmatig hebben gehandeld jegens MFR door de uitzending van Uitzendingen 1, 2 en 3 en te verklaren voor recht dat [verweerders 4 t/m 6] , althans [verweerder 5] jegens MFR onrechtmatig hebben gehandeld door ten behoeve van Uitzending 1 op onzorgvuldige wijze de winkelwaarde van de BioStabil als sieraad te schatten op een bedrag van € 40,--,. Voorts heeft MFR gevorderd alle verweerders hoofdelijk te veroordelen de schade van MFR te vergoeden die zij als gevolg van de onrechtmatige Uitzendingen 1, 2 en 3 heeft geleden en nog zal kunnen lijden, op te maken bij staat. Verder heeft MFR gevorderd AVROTROS en [verweerder 2] te veroordelen tot het uitspreken door [verweerder 2] van een door MFR voorgeschreven tekst in het programma Radar, op straffe van een dwangsom, alles met veroordeling van AVROTROS c.s. in de kosten.
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof geeft in rov. 3.3 de overwegingen van de rechtbank weer:
“3.3 (…). De vorderingen tot vergoeding van schade die MFR stelt te hebben geleden als gevolg van Uitzending 1 (uitgezonden op 8 maart 2004) en Uitzending 2 (uitgezonden op 4 januari 2010) zijn afgewezen, aangezien deze op grond van de vijfjarige verjaringstermijn zijn verjaard. Uitzending 3 verwijst voornamelijk naar Uitzending 1 en in Vonnis 1 zijn alle gestelde onrechtmatigheden al aan de orde gekomen en verworpen, terwijl MFR onvoldoende heeft gesteld waarom dit ten opzichte van haar anders zou moeten zijn en welke additionele schade deze uitzending voor haar zou hebben opgeleverd.
De stelling van MFR dat er door onderzoek nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen, waarmee zij omstreeks juni/juli 2018 bekend is geworden en die nog niet eerder zijn beoordeeld waardoor haar vorderingen niet zijn verjaard, wordt verworpen. Het zijn geen nieuwe feiten; als MFR eerder onderzoek had gedaan was ze hier ook eerder bekend mee geworden. In Uitzending 3 komen deze “nieuwe” aspecten niet aan de orde zodat dit voor beoordeling van die uitzending niet relevant is. Ook gaat de rechtbank niet mee met de stelling van MFR dat door de TU Delft pas een onderzoek is verricht naar de werking en inhoud van de BioStabil na Uitzending 1 en MFR hiermee pas bekend is geworden in 2017 (dan wel 2018), zodat dit nieuwe feit nog niet is verjaard. Ten eerste is in Vonnis 1 over de magnetische waarde en samenstelling van de BioStabil al geoordeeld dat de wijze waarop Radar de ‘onderzoeksgegevens’ (van de globale meting) van de wetenschappers aan de orde heeft gesteld niet onrechtmatig is. Voorts was de voormalig advocaat van [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , al in april 2012 op de hoogte van het onderzoeksrapport. Dat MFR daarna nog niet op de hoogte was van de inhoud kan AVROTROS c.s. niet worden verweten, [betrokkene 3] had hier ook om kunnen vragen of op dat moment al een Wob-verzoek kunnen indienen. Het had op de weg van MFR gelegen om meteen actie te ondernemen na de brief van 10 april 2012 aan [betrokkene 3] ; zij heeft onvoldoende toegelicht waarom zij hierna langere tijd heeft stil gezeten (van 2012 tot 2017 tot het doen van het Wob-verzoek en van 2017 tot 2020 tot het uitbrengen van de dagvaarding).
Met betrekking tot de gevorderde verklaring voor recht overweegt de rechtbank dat MFR daar alleen belang bij heeft indien zij beoogt een rechtsvordering in te stellen, in dit geval een vordering tot vergoeding van schade en een rectificatie (hof: het uitspreken door [verweerder 2] van een door MFR voorgeschreven tekst in het programma Radar). Nu deze vorderingen stranden heeft MFR geen belang bij de verklaring voor recht en kan in het midden blijven of die is verjaard. Aldus de rechtbank.
Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en overweegt ten aanzien van de verjaring:
”3.5 Het hof stelt vast dat, gelet op het bevestigende antwoord van MFR tijdens de mondelinge behandeling bij dit hof, niet (meer) in geschil is dat de kennis van [betrokkene 1] gelijk te stellen valt aan die van MFR. Uitgaande hiervan komt het hof evenals de rechtbank tot het oordeel dat de vorderingen van MFR tegen Uitzending 1 (d.d. 8 maart 2004) en Uitzending 2 (d.d. 4 januari 2010) op grond van de vijfjarige verjaringstermijn zijn verjaard; Uitzending 1 (…) op 9 maart 2009 en Uitzending 2 op 5 januari 2015. MFR licht ook in hoger beroep niet, althans onvoldoende toe waarom er van verjaring niet kan worden gesproken. Grief 1 slaagt niet.
Dit betekent ook dat grief 2 (de rechtbank heeft zich ten onrechte aangesloten bij Vonnis 1 omdat MFR een zelfstandige procespartij is, die zich beroept op andere feitelijke en juridische gronden) geen behandeling meer behoeft voor zover het de Uitzendingen 1 en 2 betreft. Overigens verenigt het hof zich met het oordeel en de daartoe gegeven motivering van de rechtbank dat door MFR geen (nieuwe) feiten en/of omstandigheden zijn gesteld die rechtens kunnen leiden tot een ander oordeel dan wat volgt uit de Vonnissen 1 tot en met 3 en maakt dat oordeel tot de zijne.
Voor zover MFR met grief 3 betoogt dat de rechtbank de juridische maatstaf voor verjaring van rechtsvorderingen ex artikel 3:310 BW verkeerd heeft toegepast, heeft de grief geen succes. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat onbekendheid met of onzekerheid over de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon niet aan aanvang van de verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW in de weg staat. De benadeelde dient voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – te hebben verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Dat is direct met Uitzending 1 het geval, zo valt alleen al af te leiden uit het feit dat [betrokkene 1] AVROTROS reeds kort na die uitzending in rechte heeft betrokken. Van Uitzending 2 kan hetzelfde worden gezegd omdat die uitzending slechts bestaat uit fragmenten van Uitzending 1. MFR heeft onvoldoende toegelicht waarom anders zou moeten worden geoordeeld. Grief 3 faalt.”
Evenals de rechtbank oordeelt het hof dat niet is gebleken dat voldoende belang bestaat bij de gevorderde verklaringen voor recht:
“3.8 Met grief 4 voert MFR aan voldoende belang te hebben bij haar verzochte verklaring voor recht ook als de vordering tot vergoeding van schade is verjaard, nu deze kan bijdragen aan beperking van de schade die MFR nog altijd als gevolg van de Uitzendingen 1, 2 en 3 lijdt.
Bij gebrek aan een nadere toelichting van MFR, welke gezien de uitkomst van de voorgaande grieven verwacht had mogen worden, en gelet op de gemotiveerde betwisting van AVROTROS c.s. heeft deze grief geen succes.”
In rov. 3.9 en 3.10 verbindt het hof aan zijn eerdere overwegingen conclusies voor de kostenveroordeling en verwerpt het hof het bewijsaanbod van MFR als onvoldoende gespecificeerd.
MFR heeft bij procesinleiding van 18 januari 2023 tijdig beroep in cassatie ingesteld. AVROTROS c.s. hebben verweer gevoerd en nadien hebben zij een schriftelijke toelichting ingediend. MFR heeft bij repliek gereageerd op de schriftelijke toelichting.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel van MFR is gericht tegen rov. 3.5 tot en met 3.10 van het bestreden arrest. De onderdelen a, b, d, e en f betreffen rov. 3.5 en/of 3.7. Onderdeel c betreft rov. 3.6. Onderdeel g betreft rov. 3.7 en 3.8. Er zijn geen afzonderlijke klachten gericht tegen rov. 3.9 en 3.10.
In cassatie dient tot uitgangspunt de in zoverre niet bestreden overweging van het hof (in rov. 3.5) dat niet (meer) in geschil is dat de kennis van [betrokkene 1] gelijk te stellen valt aan die van MFR.
Onderdeel a klaagt dat het oordeel in rov. 3.5 dat de vorderingen van MFR met betrekking tot Uitzending 1 en Uitzending 2 zijn verjaard, onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is, omdat het hof heeft verzuimd in te gaan op de in het onderdeel genoemde tien stellingen van MFR uit de memorie van grieven. Deze stellingen betreffen, zeer kort samengevat, het volgende. In Uitzending 1 is een uitspraak van [betrokkene 1] misleidend gemonteerd en [betrokkene 7] is daarin ten onrechte als consument gepresenteerd (stelling i). De wijze waarop [verweerder 2] daarin aan het woord is gekomen, was onrechtmatig omdat zij wist dat zij misleidende uitspraken deed over de magnetische kracht van de BioStabil en het verrichte onderzoek (stelling vii). Het onderzoeksrapport van de TU Delft is pas na Uitzending 1 opgesteld en AVTOTROS heeft dit opzettelijk achtergehouden (stellingen iii en x). MFR wist niet al in 2012 dat ten aanzien van de beweerdelijk overeengekomen vertrouwelijkheid van het onderzoeksrapport de kluit was beduveld (stelling viii). De verjaring ten aanzien van de feiten omtrent het onderzoeksrapport is wel gestuit met de brief van [betrokkene 2] aan AVROTROS van 13 maart 2017 omdat daarin een beroep op het onderzoeksrapport is gedaan (stelling vi). De onderzoeksplicht van de benadeelde gaat niet zover als door de rechtbank is aangenomen (stellingen iv, v en ix). MFR heeft een beroep gedaan op HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603 (stelling ii).
Het onderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag omdat het berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het is hof is, anders dan het onderdeel aanvoert, wel op de in het onderdeel bedoelde stellingen ingegaan, namelijk door zijn overwegingen dat MFR onvoldoende heeft gesteld voor het oordeel dat de schadevorderingen niet zijn verjaard (rov. 3.5 en 3.7) en door zijn overweging dat het hof zich verenigt met het oordeel en de daartoe gegeven motivering van de rechtbank dat door MFR geen (nieuwe) feiten en/of omstandigheden zijn gesteld die rechtens kunnen leiden tot een ander oordeel dan wat volgt uit de Vonnissen 1 tot en met 3 (rov. 3.6).
Hieruit volgt onder meer dat het hof in rov. 3.6 in verbinding met rov. 4.5-4.8 van het vonnis, heeft geoordeeld over stelling i (zie rov. 4.6 van het vonnis), stellingen iii, vii en x (zie rov. 4.7 en 4.8 van het vonnis), stellingen iv en v (zie rov. 4.6 en 4.8 van het vonnis) en stelling vi (zie rov. 4.8 van het vonnis). Ik merk nog op dat stellingen iv en v slechts in algemene zin betwisten dat de onderzoeksplicht van MFR zo ver ging als door de rechtbank was geoordeeld en dat stelling vi niet verder komt dat een betwisting van het oordeel dat de brief van [betrokkene 2] aan AVROTROS van 13 maart 2017 geen stuiting inhield. Het hof kon daarom volstaan met een algemeen oordeel zoals dat besloten ligt in zijn rov. 3.5-3.7.
Stellingen viii en ix zien op overwegingen van de rechtbank naar aanleiding van het betoog van MFR dat een beroep op verjaring door AVROTROS c.s. naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit beroep is door de rechtbank verworpen in rov. 4.9-4.10 van het vonnis.
De rechtbank overwoog in rov. 4.9 in de eerste plaats dat, zoals de rechtbank had overwogen in 4.8, in Vonnis 1 al aan de orde is gekomen dat de wijze waarop de wetenschappers aan het woord zijn gekomen met de genoemde resultaten niet onrechtmatig is. In rov. 4.8 overwoog de rechtbank dat in Vonnis 1 over de magnetische waarde en samenstelling van de BioStabil al is geoordeeld dat de wijze waarop Radar de ‘onderzoeksgegevens’ (van de globale meting) van de wetenschappers aan de orde heeft gesteld niet onrechtmatig is. De rechtbank overwoog in rov. 4.9-4.10 voorts dat MFR niet pas voor het eerst over het onderzoeksrapport uit 2005 heeft gehoord door de Wob-procedure, maar hiervan al op de hoogte was door de brief van [betrokkene 4] aan [betrokkene 3] van 10 april 2012, waarna zij op dat moment al een Wob-verzoek had kunnen indienen, en dat MFR onvoldoende heeft toegelicht waarom zij hierna langere tijd heeft stil gezeten (van 2012 tot 2017 tot het doen van het Wob-verzoek en van 2017 tot 2020 tot het uitbrengen van de dagvaarding).
Het hof heeft ook deze overwegingen ten grondslag gelegd aan zijn beoordeling (zie rov. 3.3 en de weergave van grief 3 in rov. 3.4) en mede in dat licht zijn oordelen in rov. 3.5-3.7 gegeven. Stelling viii bevat een enkele betwisting van de overweging over de betekenis van de brief van [betrokkene 4] aan [betrokkene 3] van 10 april 2012. Stelling ix komt er blijkens de memorie van grieven (nr. 15) op neer dat een dreiging met tuchtrechtelijke stappen van AVROTROS jegens de (toenmalige) advocaat van MFR, die zich vervolgens heeft teruggetrokken als advocaat van MFR, zou hebben bewerkstelligd dat bij MFR onzekerheid is blijven bestaan over de vraag of zij nog wel een rechtsvordering kon instellen. Het hof hoefde op dit betoog niet afzonderlijk in te gaan, omdat niet valt in te zien waarom deze (gestelde) gebeurtenissen noodzakelijkerwijs zouden hebben moeten leiden tot het gestelde gevolg dat MFR niet eerder in staat was een procedure te starten.
Het beroep op HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603 (stelling ii) is door MFR ook ten grondslag gelegd aan haar grief 3. Het hof heeft dit beroep beoordeeld in het kader van grief 3 (zie rov. 3.3) en verworpen in rov. 3.7. Overigens betrof HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603, de kennis en het inzicht die nodig zijn om de deugdelijkheid van een geleverde prestatie te beoordelen. Het ontbreken daarvan kan betekenen dat de benadeelde nog onvoldoende zekerheid heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Dit staat niet in de weg aan het oordeel van het hof in rov. 3.7. In deze zaak gaat het immers om gesteld onrechtmatig handelen in uitzendingen van AVROTROS.
Onderdeel b klaagt over de oordelen dat MFR door (eerder) onderzoek te doen (eerder) bekend had kunnen zijn met de door haar gestelde nieuwe feiten. Het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat MFR geen onderzoek behoefde te doen naar de door haar gestelde nieuwe feiten en daarmee dus ook niet bekend had hoeven te zijn. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad gaat het bij de vijfjarige verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW om daadwerkelijke bekendheid van de benadeelde met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon en begint de termijn pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is om een rechtsvordering tot vergoeding van de geleden schade te vorderen. Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de benadeelde voldoende zekerheid heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Dit impliceert, aldus nog steeds het onderdeel, dat de benadeelde ook voldoende zekerheid moet hebben verkregen over de feiten die ten grondslag liggen aan gesteld onrechtmatig handelen ten grondslag. Volgens het onderdeel betekent dit dat daadwerkelijke bekendheid met deze feiten vereist is.
Ik begrijp dat het onderdeel het oog heeft op de stellingen van MFR (a) dat in de vooraankondiging van Uitzending 1 een uitspraak van [betrokkene 1] misleidend is gemonteerd, (b) dat is gebleken dat [betrokkene 7] geen consument is en (c) dat pas na Uitzending 1 door de TU Delft onderzoek is verricht naar de Biostabil. Deze stellingen kunnen volgens het hof, dat zich verenigt met het oordeel van de rechtbank, niet leiden tot een ander oordeel dan wat volgt uit de Vonnissen 1 tot en met 3 (zie rov. 3.6).
Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade dan wel het enkele vermoeden welke persoon voor de schade aansprakelijk is, niet volstaat. De verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de benadeelde voldoende zekerheid heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon, is afhankelijk van de relevante omstandigheden van het geval. Deze regels zien onder meer op de oorzaak van de schade, maar niet is vereist dat de benadeelde bekend is met de exacte oorzaak van de schade.
Dat regel dat ‘voldoende zekerheid’ volstaat om aan te nemen dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon, kan worden begrepen in het licht van de ratio van de korte verjaringstermijn. Deze staat in het teken van de billijkheid en van de rechtszekerheid. Ook het belang van de schuldenaar om tijdig zekerheid te verkrijgen over zijn rechtspositie, speelt een rol. Omdat het gaat om subjectieve, ‘daadwerkelijke bekendheid’ van de benadeelde, is een onderzoeksplicht van de benadeelde naar de relevante feiten ten aanzien van de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, in beginsel niet aan de orde. Maar hieraan moet het volgende worden toegevoegd. Ten eerste impliceert de maatstaf voor de beoordeling van de vereiste ‘daadwerkelijke bekendheid’, te weten dat ‘voldoende zekerheid’ volstaat, dat de verjaring al kan gaan lopen terwijl bepaalde feiten nog niet vast staan. Daarom is ook niet vereist dat de benadeelde bekend is met de ‘exacte oorzaak’ van de schade. Zou het anders zijn, dan zou de benadeelde, door nader onderzoek naar de door hem ondervonden schade uit te stellen respectievelijk door zich van de domme te houden, kunnen beletten dat de verjaringstermijn aanvangt. Ten tweede is het, zodra er eenmaal ‘voldoende zekerheid’ bij de benadeelde is en de verjaringstermijn is gaan lopen, verder aan de benadeelde om maatregelen te treffen om zijn recht veilig te stellen. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat hij volstaat met het eenvoudig stuiten van de lopende verjaringstermijn (artikel 3:317 BW), maar ook dat hij nader onderzoek doet naar de feiten ter voorbereiding van een eventuele procedure. Rechtbank (rov. 4.6 e.v.) en hof (rov. 3.6) hebben hierop het oog, als zij MFR tegenwerpen dat zij van bepaalde feiten eerder op de hoogte had kunnen zijn.
Onderdeel b slaagt niet. Het hof heeft geoordeeld dat ( [betrokkene 1] en dus ook) MFR na Uitzending 1 respectievelijk Uitzending 2 voldoende zekerheid had ten aanzien van de inhoud van de door haar gewraakte uitzendingen en de identiteit van degenen die zij daarvoor verantwoordelijk houdt. Daaraan staat niet in de weg dat MFR van bepaalde feiten later op de hoogte is geraakt. De voor de aanvang van de verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW vereiste ‘voldoende bekendheid’ kan immers ook bestaan terwijl de benadeelde nog onbekend is met de exacte oorzaak van de schade. In deze categorie vallen naar het oordeel van het hof ook de door het onderdeel bedoelde stellingen van MFR, die alle aspecten van de gestelde onrechtmatigheid van in het bijzonder Uitzending 1 betreffen. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en berust voor het overige op een aan het hof voorbehouden beoordeling van de relevante omstandigheden van het geval. De rechtsopvatting van het onderdeel komt er daarentegen op neer dat daadwerkelijke bekendheid met alle aspecten van het onrechtmatig handelen vereist is, alvorens verjaring kan plaatsvinden. Deze opvatting vindt geen steun in het recht.
Volgens onderdeel c is de tweede volzin van rov. 3.6 onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, omdat de rechtbank niet zou hebben geoordeeld dat door MFR geen (nieuwe) feiten en/of omstandigheden zijn gesteld die rechtens kunnen leiden tot een ander oordeel dan wat volgt uit de Vonnissen 1 tot en 3. In elk geval heeft het hof niet duidelijk gemaakt waar dit oordeel en de daartoe gegeven motivering van de rechtbank te vinden zouden zijn. Uit de overwegingen van de rechtbank in rov. 4.5 t/m 4.10 van haar vonnis zou juist het tegendeel volgen, aldus het onderdeel.
Deze klacht faalt. Zij is gericht tegen een ten overvloede gegeven overweging. Bovendien heeft het hof in de tweede volzin van rov. 3.6 duidelijk aangegeven dat het zich verenigt met de beoordeling door de rechtbank (in rov. 4.5 tot en met 4.8 van het vonnis) van de door MFR gestelde ‘(nieuwe) feiten en/of omstandigheden’. De rechtbank concludeert dat deze stellingen niet betekenen dat de vorderingen niet zijn verjaard. Het gaat met andere woorden om feiten en omstandigheden die betrekking hebben op het gestelde onrechtmatig handelen dat reeds is beoordeeld in de door het hof genoemde Vonnissen 1-3. Hieraan refereert het hof in rov. 3.6.
Voor zover onderdeel d voortbouwt op de onderdelen a en b, dient het evenals die onderdelen te falen. Voor het overige faalt onderdeel d bij gebrek aan feitelijke grondslag omdat het berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft immers, anders dan het onderdeel aanvoert, niet miskend dat MFR aan het door haar gestelde onrechtmatig handelen deels andere, nieuwe feiten ten grondslag heeft gelegd dan [betrokkene 1] destijds ten grondslag heeft gelegd aan het door hem gestelde onrechtmatig handelen van AVROTROS. Het hof heeft dit beoordeeld in onder meer rov. 3.6, waarin het hof heeft geconcludeerd dat dit niet leidt tot een ander oordeel dan wat volgt uit de Vonnissen 1 tot en met 3.
De motiveringsklacht van onderdeel e komt neer op een herhaling van onderdeel a en dient evenals dat onderdeel te falen.
Onderdeel f klaagt dat het hof in rov. 3.5-3.7 in het geheel niet is ingegaan op het beroep van MFR op de (naar ik begrijp) beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag, omdat het berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft het beroep van MFR op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid onderkent, maar verworpen (zie hiervoor in 3.6.1-3.6.3). Artikel 6:2 lid 2 BW is onder meer toegepast in situaties waarin de schuldeiser door bijzondere omstandigheden niet daadwerkelijk in staat was een vordering in te stellen. Deze toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid is voor dergelijke situaties niet meer nodig sinds in de rechtspraak is aanvaard dat de korte verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van diens schade in te stellen. Het beroep van MFR op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid berustte op door MFR gestelde feiten en omstandigheden die door het hof zijn beoordeeld in het kader van de vraag vanaf welk moment MFR daadwerkelijk in staat was een rechtsvordering tot vergoeding van de door haar geleden schade in te stellen, dat wil zeggen wanneer MFR voldoende zekerheid heeft verkregen dat (zoals zij stelde) schade is veroorzaakt door foutief handelen van de betrokken persoon. Daarmee heeft het hof ook voldoende gerespondeerd op het beroep van MFR op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
Volgens onderdeel g is rov. 3.8 onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. MFR heeft met grief 4 aangevoerd dat de rechtbank in rov. 4.12 van haar vonnis heeft miskend dat MFR een voldoende belang heeft bij de verzochte verklaring voor recht, ook als de vordering tot schadevergoeding is verjaard, omdat de verzochte verklaring kan bijdragen aan beperking van de schade die MFR nog altijd als gevolg van de Uitzendingen 1, 2 en 3 lijdt (memorie van grieven nr. 29). Hiertegenover hebben AVROTROS c.s. slechts aangevoerd dat enig ander belang dan het vorderen van schadevergoeding niet is gebleken noch is aangevoerd, aldus de klacht.
Art. 3:302 BW bepaalt dat de rechter op vordering van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon omtrent die rechtsverhouding een verklaring voor recht uitspreekt. Art. 3:303 BW bepaalt dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt. In dit vereiste van voldoende belang ligt besloten dat het belang bij het instellen van een vordering evenredig moet zijn aan het belang van de wederpartij en dat van een behoorlijke rechtspleging. Dat voldoende belang bestaat bij een vordering mag in beginsel worden verondersteld. Indien dat belang wordt betwist of de rechter ambtshalve opheldering wenst over dat belang, rusten de stelplicht en bewijslast terzake in beginsel op degene die de vordering instelt.
MFR heeft in eerste aanleg en hoger beroep kort gezegd verklaringen voor recht gevorderd dat AVROTROS c.s. onrechtmatig hebben gehandeld jegens MFR door de Uitzendingen 1-3. De rechtbank heeft overwogen dat MFR alleen belang heeft bij een verklaring voor recht indien zij beoogt een rechtsvordering in te stellen. In dit geval gaat het daarbij om een vordering tot vergoeding van schade en een rectificatie. Nu deze vorderingen stranden heeft MFR geen belang bij de verklaring voor recht en kan in het midden blijven of die is verjaard, aldus de rechtbank (rov. 4.12). MFR heeft in de memorie van grieven in de toelichting op haar grief 4, evenals in eerste aanleg, aangevoerd dat zij een belang heeft in verband met de beperking van haar schade (zie hiervoor in 3.19). AVROTROS c.s. hebben in eerste aanleg en in hoger beroep aangevoerd dat de verklaringen voor recht enkel worden gevorderd voor het verhalen van schade. Zij hebben daaraan de conclusie verbonden dat de korte verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW daarop van toepassing is en dat, als de lange verjaringstermijn van toepassing is, MFR door de verjaring van de rechtsvorderingen tot schadevergoeding geen belang meer heeft bij de verklaringen voor recht, nu zij ter zake geen vordering meer te gelde kan maken. Enig ander belang daarbij is niet gebleken noch aangevoerd, aldus AVROTROS c.s. (memorie van antwoord nr. 51, met verwijzing naar de conclusie van antwoord nr. 26). Het hof heeft overwogen dat de door MFR tegen het oordeel van de rechtbank gerichte grief 4 geen succes heeft, bij gebrek aan een nadere toelichting van MFR, welke gezien de uitkomst van de voorgaande grieven verwacht had mogen worden, en gelet op de gemotiveerde betwisting van AVROTROS c.s. (rov. 3.9).
Tegen deze achtergrond faalt onderdeel g. Het hof heeft geoordeeld dat AVROTROS het belang van MFR bij de gevorderde verklaringen voor recht gemotiveerd heeft betwist. Dat oordeel is in het licht van de processtukken niet onbegrijpelijk te noemen. Het was daarom aan MFR om haar belang bij deze verklaringen voor recht nader toe te lichten.
Het oordeel van het hof dat MFR dat niet (voldoende) heeft gedaan, is niet onbegrijpelijk te noemen. Het belang dat MFR aanvoert bij de verklaringen voor recht ligt in de sfeer van de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de Uitzendingen 1-3. De gevorderde verklaringen voor recht hadden kennelijk tot doel om de onrechtmatigheid van de Uitzendingen 1-3 jegens MFR aan de orde te kunnen stellen, ook indien haar schadevorderingen ter zake verjaard zouden zijn, en ondanks het feit dat uit de Vonnissen 1-3 volgt dat AVROTROS c.s. met de Uitzendingen 1-3 niet onrechtmatig hebben gehandeld jegens [betrokkene 1] , de middellijk directeur-grootaandeelhouder van MFR. Onder die omstandigheden is niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat van MFR een nadere toelichting verwacht had mogen worden met betrekking tot haar belang bij de gevorderde verklaringen voor recht, gegeven dat haar belang bij het instellen van die vorderingen evenredig moet zijn aan het belang van AVROTROS c.s. en dat van een behoorlijke rechtspleging. De weg naar schadevergoeding was door de verjaring voor MFR afgesloten en de beoordeling van de onrechtmatigheid van de Uitzendingen 1-3 jegens MFR zou neerkomen op een herhaling van zetten. Van nieuwe feiten was immers geen sprake, zo volgt uit de beoordeling door het hof van de andere grieven MFR.
De slotsom is dat geen van de klachten doel treft, zodat het cassatieberoep dient te worden verworpen.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Plv.