PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02496 Br
Zitting 19 december 2023
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klaagster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de klaagster
1. Het cassatieberoep
De rechtbank Oost-Brabant, heeft bij beschikking van 30 mei 2023 het op grond van art. 552a Sv en art. 5.1.11 Sv ingediende klaagschrift van de klaagster, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klaagster van de onder [medeklager] op de voet van art. 94 Sv in beslag genomen goederen, ongegrond verklaard.
Het gaat in deze zaak om de inbeslagneming van diverse goederen naar aanleiding van een viertal rechtshulpverzoeken van de Amerikaanse autoriteiten op basis van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster. A.G. van der Plas, advocaat te Amsterdam en M.W. Stoet, advocaat te Den Haag, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.
Er bestaat samenhang met de zaken 23/02495, 23/02497, 23/02521, 23/02531 en 23/02532. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
De vraag is in onderhavige zaak of het cassatieberoep op juiste wijze is ingesteld. Ik kom tot de conclusie dat dit niet het geval is en zal om hierna te noemen redenen concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in het cassatieberoep.
2. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Uit de stukken van het geding kan over de procesgang bij de Hoge Raad het volgende worden opgemaakt.
De cassatieakte vermeldt dat namens de klaagster op 14 juni 2023 cassatie is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 mei 2023 door een griffiemedewerker werkzaam bij voormelde rechtbank. De akte houdt tevens in dat deze griffiemedewerker daartoe gemachtigd is “blijkens de aan deze akte gehechte brief welke dient te worden beschouwd als een bijzondere volmacht”.
Aan de cassatieakte is een e-mailbericht gehecht van A.G. van der Plas, advocaat te Amsterdam, dat is verzonden op 13 juni 2022 om 18:10 uur aan de strafgriffie van voornoemde rechtbank. Het e-mailbericht houdt het volgende in:
“Geachte mijnheer, mevrouw,
Hierbij verzoek ik u en machtig ik u namens mijn cliënten [medeklager] en [klaagster] om tegen bijgaande beslissingen van 30 mei jl. van de rechtbank Oost-Brabant met raadkamernummers 23/000523 en 23/000525 cassatieberoep in te stellen. Graag ontvang ik van de betreffende aktes kopie na het opmaken ervan.
Met dank voor de te nemen moeite,
Hoogachtend,
Adèle van der Plas”
Het e-mailbericht bevat als bijlagen de in cassatie bestreden beschikkingen van 30 mei 2023 in de zaak van de klaagster en die van de (met deze zaak samenhangende) zaak van [medeklager] (23/02495). Het e-mailbericht is niet (digitaal) ondertekend door A.G. van der Plas.
Op 26 juni 2023 heeft A.G. van der Plas zich bij de Hoge Raad gesteld als advocaat van de klaagster.
De cassatieschriftuur – gedateerd op 15 oktober 2023 en door de Hoge Raad op diezelfde datum ontvangen – is door A.G. van der Plas en M.W. Stoet ingediend en ondertekend en vermeldt onder meer dat zij “verklaren door requirant van cassatie bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd tot ondertekening en indiening van deze schriftuur”.
Dan kom ik nu toe aan de ontvankelijkheidskwestie.
In deze zaak is cassatie ingesteld via de constructie van de ‘dubbele volmacht’: de verdachte, of in casu de klaagster, machtigt haar advocaat om namens haar cassatie in te stellen en de advocaat verleent op haar beurt middels een brief, of e-mail (vroeger fax) een schriftelijke bijzondere volmacht aan de griffiemedewerker om namens de verdachte cassatie in te stellen.
De constructie van de dubbele volmacht is niet expliciet geregeld in de art. 449 en 450 Sv, maar door de Hoge Raad in zijn arrest van 22 december 2009 toegelaten als de schriftelijke bijzondere volmacht voldoet aan de in art. 450 lid 1 onder a Sv neergelegde eis te weten dat deze inhoudt de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte of klager bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van cassatieberoep.
Daarnaast is ook een handtekening van de advocaat onder de schriftelijke bijzondere volmacht een onmisbaar vereiste om van een geldige volmacht te kunnen spreken. Dat kan worden afgeleid uit een arrest van 21 juni 2022 waarin de Hoge Raad het ook toelaatbaar heeft geacht dat de volmacht in het e-mailbericht zelf is opgenomen mits het e-mailbericht voldoet aan de (materiële) eisen uit het hiervoor genoemd arrest uit 2009 en is voorzien van een handtekening van de advocaat.
Hoewel de Hoge Raad in eerste instantie strikt vast hield aan het vereiste dat de advocaat in zijn schriftelijke volmacht aan de griffiemedewerker dient te verklaren dat hij door de verdachte of klaagster bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van cassatieberoep, is er gaandeweg meer ruimte gekomen voor herstelmogelijkheden. Wanneer de advocaat bij het indienen van de cassatieschriftuur verklaart dat de verdachte hem hiertoe bepaaldelijk heeft gevolmachtigd, wordt hier met terugwerkende kracht uit afgeleid “dat aan de onvolkomen volmacht bij het instellen van het cassatieberoep de wens van de verdachte ten grondslag heeft gelegen om (op rechtsgeldige wijze) beroep in cassatie te doen instellen, zodat die onvolkomen volmacht niet hoeft te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring in het cassatieberoep”. Voorwaarde is dan wel dat de (onvolkomen) volmacht is ondertekend of het e-mailbericht is voorzien van een elektronische handtekening.
Ook onvolkomenheden in de handtekening of zelfs het ontbreken van een handtekening op de schriftelijke volmacht kan voor gedekt worden gehouden en hoeft niet te leiden tot de niet-ontvankelijk verklaring van het aangewende rechtsmiddel wanneer in een later stadium blijkt (bijvoorbeeld door het indienen van een rechtsgeldige cassatieschriftuur) dat de verdachte het betreffende rechtsmiddel heeft willen instellen. In die gevallen was echter wel voldaan aan het vereiste dat de advocaat had verklaard bepaaldelijk door de verdachte te zijn gevolmachtigd tot het instellen van het cassatieberoep.
In onderhavige zaak is sprake van twee tekortkomingen. Het e-mailbericht van de advocaat, gericht aan de rechtbank waarin zij kort gezegd namens haar cliënten cassatie instelt (onder verwijzing naar de in de bijlagen opgenomen beslissingen) en de geadresseerde machtigt om dit namens haar te doen, bevat geen verklaring dat zij door de klagers bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van cassatieberoep én is evenmin door haar ondertekend.
Ik meen dat de hersteloperaties uit de hiervoor aangehaalde jurisprudentie in dit geval geen soelaas kunnen bieden nu in die zaken in ieder geval was voldaan aan één van de twee voorwaarden, te weten het vermelden van de bepaaldelijke volmacht tot het instellen van cassatieberoep of een handtekening. Het herstellen van deze twee gebreken middels een geldig ingediende cassatieschriftuur is wat mij betreft een brug te ver en zou van het vereiste van de volmacht voor het instellen van cassatieberoep een wassen neus maken.
Dat betekent dat de klaagster niet kan worden ontvangen in het cassatieberoep. Mocht de Hoge Raad van oordeel zijn dat ik hierin te streng ben, dan ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.
Terzijde merk ik op dat in het nieuwe Wetboek van Strafvordering de constructie van de dubbele volmacht wordt losgelaten omdat de advocaat dan zelf langs elektronische weg een gewoon rechtsmiddel kan instellen.
3. Conclusie
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de klaagster niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG