4. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, behoudens voor zover het de in het dictum onder VII geformuleerde uitvoerbaarverklaring bij voorraad betreft, vernietigt dit vonnis in zoverre, en in zoverre opnieuw recht doende:
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
veroordeelt [Samenwoner] in de proceskosten van het geding in hoger beroep […];
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Samenwoner heeft tijdig cassatie ingesteld. Tegen Verhuurder is verstek verleend. Samenwoner heeft zijn zaak schriftelijk laten toelichten.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen, uiteenvallend in subonderdelen.
Het eerste onderdeel is gericht tegen rov. 3.7. Het begrip ‘onvoldoende waarborg’ (art. 7:268 lid 3 sub b BW) is volgens het onderdeel onjuist toegepast, althans is onbegrijpelijk dat Samenwoner onvoldoende waarborg zou bieden voor nakoming van de huur, nu geen huurachterstand is opgetreden in de ruim twee jaar na overlijden van de huurder. Het hof oordeelt volgens dit onderdeel onjuist over wie voor dit aspect de stelplicht en bewijslast draagt. Ook als dat niet zo is, legt het hof volgens de klacht de lat te hoog voor de betwisting van Samenwoner en mocht zijn bewijsaanbod niet worden gepasseerd.
Samenwoner klaagt in het tweede onderdeel over het ten overvloede gegeven oordeel in rov. 3.8. Het hof beschouwt een stelling van [Samenwoner] over het ontbreken van financiéle verwevenheid in de relatie van vader en zoon uit de inleidende dagvaarding als een gerechtelijke erkentenis (art. 154 Rv). Dit is volgens onderdeel 2 onjuist en onbegrijpelijk. Bovendien is het hof buiten de rechtsstrijd getreden door art. 154 Rv toe te passen en is het onbegrijpelijk als het hof uit de stellingen van Verhuurder een beroep hierop heeft gedestilleerd.
Het derde onderdeel richt zich ook tegen rov. 3.8. De afwezigheid van financiële verwevenheid hoeft niet noodzakelijkerwijs te leiden tot het oordeel dat geen sprake is van een gemeenschappelijk huishouding, daarnaast is een aantal essentiële stellingen gepasseerd en is onbegrijpelijk dat uit het door Samenwoner opgestelde overzicht niet volgt dat de daarin vervatte uitgaven ten behoeve van een gemeenschappelijke huishouding zijn gedaan.
Inleidende opmerkingen - stelplicht en bewijslast financiële waarborg huurbetalingen samenwoner die huur wil voortzetten na overlijden huurder (art. 7:268 lid 3 onder b BW)
In art. 7:268 BW is de voortzetting van de huur van woonruimte na het overlijden van de huurder geregeld. In lid 1 is bepaald dat de medehuurder bij het overlijden van de huurder de huurovereenkomst als huurder voortzet (of kan opzeggen, maar daar gaat het in onze zaak niet over). In leden 2 en 3 is, voor zover hier relevant, het volgende geregeld met betrekking tot de achterblijvende samenwoner(s):
“2. De persoon die niet op grond van lid 1 huurder wordt, doch wel in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijk[e] huishouding heeft gehad, zet de huur voort gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder; de tweede zin van lid 1 is van toepassing. Hij zet de huur ook nadien voort, indien de rechter dit heeft bepaald op een daartoe strekkende binnen die termijn ingestelde vordering, en in elk zolang [lees: in elk geval zolang, A-G] op deze vordering niet onherroepelijk is beslist.
3. De rechter wijst de vordering bedoeld in lid 2 in ieder geval af:
a. indien de eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan de vereisten van lid 2 voldoet;
b. indien de eiser vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur;
c. […]”
Medehuurders zetten dus bij het overlijden van de huurder zonder meer de huur als ‘opvolgers’ van de overleden huurder voort (art. 7:268 lid 1 BW), terwijl ‘samenwoners’ van de huurder die geen medehuurder waren ten tijde van het overlijden van de huurder dat alleen onder bepaalde voorwaarden doen (art. 7:268 lid 2 en 3 BW).
Voor de samenwoner die geen medehuurder is, betekent het overlijden van de huurder nog niet het einde van de bescherming van zijn woonsituatie, wanneer hij zijn hoofdverblijf in de woonruimte heeft en een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de huurder heeft gevoerd. De samenwoner die aan die vereisten voldoet, zet de huur in dat geval in ieder geval gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder voort en ook nadien, wanneer de rechter dit heeft bepaald op een daartoe strekkende, binnen die termijn van zes maanden ingestelde, vordering van de samenwoner en in elk geval zolang nog niet onherroepelijk op die vordering is beslist (art. 7:268 lid 2 BW).
De vraag of de samenwoner zijn hoofdverblijf in de woonruimte heeft, is sterk feitelijk van aard. Gelet op de functie van het begrip hoofdverblijf in het huurrecht, is niet doorslaggevend waar iemand formeel woonplaats heeft gekozen. Het woonplaatsbegrip van art. 1:10 BW is hier evenmin maatgevend. Het hoofdverblijf is volgens een oud arrest van de Hoge Raad “de plaats, waar iemand werkelijk woont met zijn gezin, waar hij den zetel zijner fortuin heeft, zijne zaken behartigt, zijne goederen en eigendommen beheert, zoodat men er niet vandaan gaat dan met een bepaald doel en voor een bepaalden tijd en tevens met het plan om als dat doel bereikt is terug te keeren”. Op deze invulling van het begrip hoofdverblijf wordt in de rechtspraak nog steeds teruggegrepen. Aangezien het oordeel van de feitenrechter op dit punt sterk met de feiten is verweven, is het in cassatie niet op juistheid toetsbaar. Er kan in cassatie hooguit worden getoetst of het in een bepaald opzicht getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en of het toereikend is gemotiveerd.
Art. 7:268 lid 2 BW strekt tot bescherming van de samenwoner die geen medehuurder is bij beëindiging van de huurovereenkomst wegens het overlijden van de huurder. Het enkele feit dat hij samenwoont met de huurder is niet voldoende voor deze bescherming van de samenwoner: er moet sprake zijn van een gemeenschappelijke huishouding. Het kan dan gaan om een affectieve relatie, maar het is niet vereist dat er lotsverbondenheid is tussen de huurder en de samenwoner. Er kan ook sprake zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen familieleden of vrienden. Daarbij wordt doorgaans kritisch gekeken naar ‘uitgevlogen’ en nadien weer ‘invliegende’ volwassen kinderen. Bij de beoordeling of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding moeten volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd.
In de literatuur worden verschillende factoren genoemd die kunnen bijdragen tot het aannemen van een gemeenschappelijke huishouding, zoals het feitelijk gebruik van (onderdelen van) het gehuurde door de samenwoner en de huurder, de mate waarin zij de huisvestingskosten en/of de kosten van levensonderhoud delen, de mate waarin zij gezamenlijk huishoudelijke taken verrichten, of zij gezamenlijk de maaltijden gebruiken en in hoeverre zij gezamenlijk hun vrije tijd doorbrengen en deelnemen aan het sociaal verkeer.
Degene die een beroep doet op een gemeenschappelijke huishouding heeft een verzwaarde stelplicht. Als de verhuurder betwist dat sprake was van een gemeenschappelijke huishouding, moet de samenwoner voldoende concrete feiten over de gestelde gemeenschappelijke huishouding aanvoeren om voor de verhuurder duidelijk te maken tegen welke feiten hij zijn verweer precies moet richten. Daarbij geldt dat naarmate de verhuurder concreter is in het betwisten van de door de samenwoner gestelde gemeenschappelijke huishouding, de samenwoner concreter moet zijn in zijn stellingen dat daarvan sprake was. De verzwaarde stelplicht geldt niet voor de duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding. Die wordt bepaald door objectieve factoren, zoals de duur ervan, en subjectieve factoren, zoals de bedoeling van de betrokkenen.
De beoordeling of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding vergt kortom vaststelling en weging van verschillende feiten en omstandigheden in hun onderling verband. Het oordeel van de feitenrechter daarover is daarmee in overwegende mate feitelijk.
De afwijzingsgrond van de vordering van de samenwoner tot huurvoortzetting op grond van art. 7:268 lid 3 onder b BW is dat de samenwoner vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur. Dat is dus geen voortzettingsvereiste uit lid 2 die de samenwoner moet stellen (hoofdverblijf en duurzame gemeenschappelijke huishouding; als die ontbreken, vormt dat ook een afwijzingsgrond volgens lid 3 onder a van die bepaling), maar een afwijzingsgrond voor de voortzettingsvordering van de samenwoner waar de verhuurder zich op kan beroepen. Dit voldoende financiële waarborg bieden voor een behoorlijke nakoming van de huur dient het belang van de verhuurder. Die kan immers op grond van de regeling van art. 7:268 lid 2 BW een huurder ‘opgedrongen’ krijgen, met wie hij (of zijn rechtsvoorganger, zoals in onze zaak) niet zelf heeft gecontracteerd en vormt dogmatisch dan ook een wettelijke inbreuk op de contractsvrijheid, ingegeven ter bescherming van de samenwoner van de overleden huurder. Deze afwijzingsgrond beschermt de verhuurder tegen niet-draagkrachtige huurders. Dat wordt geïllustreerd door de totstandkomingsgeschiedenis van dit stelsel in de wet.
Volgens de toelichting bij art. 7:268 BW is de tekst overgenomen uit art. 7A:1623i (oud) BW. Het begrip ‘onvoldoende waarborg’ in dat artikel is volgens de toelichting overgenomen uit art. 7A:1635 (oud) BW (thans: art. 7:307 BW). In het oorspronkelijke wetsvoorstel kwam dit begrip terug in art. 1623g en na de eerste nota van wijzigingen in art. 1623h. Het zevende lid van dit voorgestelde artikel luidde:
“De verhuurder kan zich binnen een half jaar nadat de overeenkomst is voortgezet tot de kantonrechter wenden met het verzoek te bepalen, dat een of meer personen, bedoeld in het tweede en derde lid [meerderjarigen met hoofdverblijf in het gehuurde en een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerende met huurder, A-G], de huurovereenkomst niet langer zullen voortzetten op de grond, dat dezen onvoldoende waarborg bieden voor een behoorlijke nakoming van de huurovereenkomst.” (Cursivering toegevoegd, A-G)
Hier was de insteek nog dat niet de samenwoner, maar de verhuurder in actie moest komen. Hierover werd naar aanleiding van Kamervragen door de regering het volgende opgemerkt:
“[…] het zevende lid beoogt de verhuurder een bijkomende mogelijkheid te bieden, die gerechtvaardigd is, nu hij niet zelf zijn wederpartij heeft uitgezocht, maar ingevolge het bepaalde in het tweede en derde lid in contractuele relatie komt te staan met een huurder die niet aan zijn verplichtingen kan voldoen. Vanzelfsprekend zal de verhuurder dit voor de kantonrechter moeten aantonen.”
en
“Wij vinden de bepaling van artikel 1623h, zevende lid, niet betuttelend. De verhuurder krijgt met een nieuwe huurder te maken met wie hij niet zelf een overeenkomst heeft aangegaan. Uiteraard kan de verhuurder ontbinding wegens wanprestatie vorderen, wanneer het blijkt dat de huurder zijn verplichtingen niet nakomt. Het is echter denkbaar dat men reeds van te voren kan zien aankomen dat die situatie zal intreden. Met het oog daarop kan de bepaling haar nut hebben.”
(Onderstreping toegevoegd, A-G)
Hierover is vervolgens nader als volgt gediscussieerd, zo is terug te vinden in de Handelingen:
“Voor ons is deze argumentatie volstrekt onvoldoende. Wij vrezen dat met lid 7 van dit artikel de deur wagenwijd wordt opengezet voor ongewenste naspeuringen van de verhuurder naar de financiële draagkracht van de huurder. De privacybescherming van de huurder is er althans niet mee gediend. […].
De regering zag dat anders:
“[…] Aan dit criterium ligt de gedachte ten grondslag dat er zekere waarborgen moeten zijn ten behoeve van degene die een ander dan met wie hij contracteert als contractspartij krijgt 'opgedrongen'. Dat kan iemand zijn die niet voldoende financiële middelen heeft om zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst na te komen. Ik denk bijvoorbeeld aan iemand die failliet is [de Minister geeft even later toe dat dit voorbeeld wellicht niet goed past, maar dat het hem vooral ging om het benadrukken van het financiële aspect, A-G]. Het lijkt ons niet redelijk dat de verhuurder dan de gehele opzeggings- en beëindigingsprocedure moet afwachten om van deze insolvabele huurder af te komen, want in de tussentijd loopt de onverhaalbare huurschuld op. Het initiatief ligt hier bij de verhuurder. In dat geval vinden wij dat dit moet gebeuren.”
“De verhuurder, die dan met oneigenlijke motieven deze bepaling aangrijpt, zal nog altijd waar moeten maken dat hij met een insolvabele huurder heeft te maken.
[…]
Als hij dit niet waar maakt, blijft hij gewoon met een opvolgende huurder of een onderhuurder zitten.”
(Onderstrepingen toegevoegd, A-G; in dit stelsel uit het toenmalige voorstel van wet was sprake van het van rechtswege huurder worden van samenwoners, in beginsel, waartegen de verhuurder in actie diende te komen bij een vermoeden van onvoldoende financiële gegoedheid om de huur te kunnen voldoen – dus afwijkend van (omgekeerd aan) ons uiteindelijke wettelijke stelsel, zoals hiervoor uiteengezet, waar het de samenwoner is die huurvoortzetting moet vorderen binnen zes maanden, hetgeen onder meer wordt afgewezen als de verhuurder stelt en geoordeeld krijgt dat de samenwoner onvoldoende waarborg biedt om de huur te kunnen voldoen (zie over die omslag nader het volgende randnummer).
Bij de vierde nota van wijzing is gepreciseerd dat het ‘onvoldoende waarborg bieden’ verband moet houden met de financiële situatie van de samenlever; dit naar aanleiding van een Kamerdebat waarin dit aan de orde kwam. Het artikel over de positie van samenlevers na het overlijden van de huurder werd vernummerd naar art. 1623i en daarin werd in het tweede en derde lid bepaald dat niet de verhuurder een verzoek tot beëindiging moet doen, maar de huurder een verzoek tot voortzetting:
“De persoon die niet op grond van het vorige lid huurder wordt, doch wel in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad, zet de huurovereenkomst voort gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder; de tweede zin van het vorige lid is van toepassing. Hij zet de overeenkomst ook nadien voort, indien de kantonrechter dit heeft bepaald op een daartoe strekkend binnen die termijn gedaan verzoek, en in elk geval zolang op dit verzoek nog niet onherroepelijk is beslist.
De kantonrechter wijst het verzoek bedoeld in het vorige lid in ieder geval af: a. indien de verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan de vereisten van het vorige lid voldoet; b. indien de verzoeker vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huurovereenkomst.”
De toelichting hierbij luidde als volgt:
“Het tweede lid geeft aan degenen die niet op grond van artikel 1623h medehuurder zijn geworden de mogelijkheid de huurovereenkomst toch voort te zetten. Zij dienen zich daartoe binnen zes maanden na het overlijden tot de kantonrechter te wenden, die beoordeelt of aan de gestelde vereisten van hoofdverblijf en duurzame gemeenschappelijke huishouding is voldaan. Hij neemt ook de financiële positie van de verzoeker in aanmerking; aldus het derde lid, onder b.”
De discussie over ‘financiële waarborg’ was daarmee nog niet ten einde, zo volgt uit de Handelingen:
“2. De onvoldoende waarborg. Artikel 1623h, derde lid, onder c en 1623i, derde lid, onder b. Ik verwijs naar de vierde nota van wijzigingen. Ik heb in mijn eerste termijn nogal de nadruk gelegd op onvoldoende waarborg voor een behoorlijke nakoming van de huurovereenkomst vanuit financieel oogpunt. De Minister heeft nu duidelijk gemaakt dat deze bepaling uitsluitend betrekking heeft op de verwachting van de verhuurder, dat de hem 'opgedrongen' huurder insolvabel zal blijken te zijn. Ik blijf echter wel met het probleem zitten, dat de wetstekst de verhuurder uitnodigt daarvoor de nodige bewijzen te verzamelen. Daarmee kan toch wel degelijk de privacy van de huurder in het geding komen. Een langdurig openstaande rekening bij voorbeeld bij de groenteboer zou een bewijs kunnen zijn, maar dan moet het wel eerst bij de groenteboer worden nagevraagd. Ik vind het eigenlijk verwerpelijk dat een verhuurder door een wettelijke bepaling daartoe gebracht kan worden. Het enige relevante bewijs moet toch zijn dat de huurder kennelijk niet aan zijn huurverplichtingen kan voldoen. Nogmaals wil ik de Minister vragen of artikel 1623e, eerste lid, niet van toepassing is en dus ook vanuit financieel oogpunt een voldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huurovereenkomst. […].”
De regering beantwoordde deze zorg als volgt:
“[…] Als iemand een huurovereenkomst sluit, lijkt hij mij bevoegd, eens te bezien of de aspirant-huurder in staat zal zijn, de huur te betalen. In het algemeen is het in het zakenleven zeer gebruikelijk, te bezien of de contractpartner aan zijn verplichtingen kan voldoen. Dat dit een inbreuk
op de privacy is, lijkt mij te ver gaan. In ieder geval acht ik dit een betrekkelijk magere eis ten opzichte van wat de verhuurder moet lijden. Door een feitelijke constellatie waarin hij de hand niet heeft, krijgt hij immers een huurder 'opgedrongen'. Ik meen dat de financiële waarborg in zijn beperktheid een juist vereiste is. […]”
Een amendement om de financiële afwijzingsgrond uit het wetsvoorstel te schrappen is ingetrokken. Vervolgens is het wetsvoorstel door de Tweede Kamer aangenomen.
Verder is naar aanleiding van vragen vanuit de Eerste Kamer door de regering nog het volgende over deze materie opgemerkt (onderstreping toegevoegd, A-G):
“Artikelen 1623h, derde lid onder c, 1623i, derde lid onder b, 1623k, tweede lid onder a
Wij delen niet de opvatting van de leden van de fractie van de P.v.d.A. dat de regeling van artikel 1623e, eerste lid, onder 1°, reeds alle mogelijkheden biedt om het hier beoogde te bereiken. Er kunnen zich gevallen voordoen waarin het volstrekt duidelijk is dat degene die door de wet als contractspartij tegenover de verhuurder wordt gesteld, niet in staat zal zijn aan zijn financiële verplichtingen uit de huurovereenkomst te voldoen. In dergelijke gevallen behoort de kantonrechter de bevoegdheid te hebben op verlangen van de verhuurder op korte termijn een einde te maken aan de huurovereenkomst of te voorkomen dat de verzoeker medehuurder wordt. Het zou in deze gevallen, waarin de verhuurder een wederpartij tegenover zich krijgt met wie hij zelf niet gecontracteerd zou hebben, niet gerechtvaardigd zijn de verhuurder te nopen tot opzegging en het aanhangig maken van een verzoek tot beëindiging. De daarmee gemoeide tijdsduur, waarbij in het bijzonder te denken valt aan de opzeggingstermijn, kan leiden tot het ontstaan en oplopen van een huurschuld.
Voor de gevallen van de artikelen 1623h en 1623i valt ovendien [lees: bovendien, A-G] nog te bedenken dat de door deze leden gesuggereerde oplossing een praktisch bezwaar heeft. Daar gaat het immers om een verzoek van iemand die medehuurder wil worden of de overeenkomst wil voortzetten. In de gedachtengang van deze leden zou dit verzoek moten [lees: moeten, A-G] worden toegewezen, en zou daarna, nu door de verhuurder, een nieuwe procedure moeten worden aanhangig gemaakt. Als de financiële onmacht van de verzoeker reeds onmiddellijk blijkt is het uit praktisch oogpunt verkieslijk dat de kantonrechter daar reeds dadelijk rekening mee houdt.”
De verhuurder heeft het initiatief bij de afwijzingsgrond van art. 7:268 lid 3 onder b BW dat onvoldoende blijkt dat de samenwoner de huur zal kunnen nakomen. Het is op zijn verlangen dat de rechter de vordering van de samenwoner om tot huurder te worden aangemerkt kan afwijzen, gelet op de financiële waarborgen die deze biedt. Zijn stelling dat de samenwoner onvoldoende waarborg biedt vanuit financieel oogpunt, is gelet op het geschetste stelsel als een zelfstandig verweer te beschouwen. Daarmee kan de verhuurder immers, ondanks dat wordt voldaan aan de vereisten van art. 7:268 lid 2 BW (hoofdverblijf en duurzame gemeenschappelijke huishouding), voorkomen dat hij wordt opgezadeld met een niet-draagkrachtige huurder. Anders gezegd: dit is een zelfstandig, of bevrijdend, of ‘ja, maar’- verweer, omdat het zich niet richt op de juistheid van de door de samenwoner gestelde feiten over diens hoofdverblijf en de duurzame gemeenschappelijke huishouding. De verhuurder beroept zich dan op een ander zelfstandig feit, te weten onvoldoende financiële waarborg dat de samenwoner de huur zal kunnen voldoen. Als dat feit komt vast te staan, dan verbindt de wet daar als afwijzingsgrond het rechtsgevolg aan dat de vordering van de samenwoner tot huurvoortzetting schipbreuk lijdt. Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv rusten de stelplicht – en na voldoende betwisting – de bewijslast hiervan op de verhuurder.
Dat kan bij eerste beschouwing enige verwondering wekken, omdat dit neer lijkt te komen op een negatief probandum voor de verhuurder: het spreekt mogelijk niet aanstonds aan om van de financiële onmacht van de samenwoner de stelplicht en bewijslast bij de verhuurder te leggen. De betreffende feiten liggen immers in het domein van de samenwoner, die met het verschaffen van financiële informatie over inkomen en vermogen eenvoudiger zal kunnen aantonen dat hij zijn huurbetalingsplicht zal kunnen nakomen. De verhuurder zal over het financieel in staat zijn van de samenwoner om de huur te kunnen voldoen doorgaans eigenstandig weinig informatie hebben. Ligt een dergelijke bewijslastverdeling dan wel voor de hand? De eerste aanvechting kan zijn dat een omgekeerde stelplicht en bewijslastverdeling eerder voor de hand ligt. Maar omdat financiële gegoedheid geen zelfstandig voortzettingsvereiste is dat de samenwoner die huurvoortzetting verlangt moet stellen volgens lid 2 van de besproken bepaling, hetgeen wel geldt voor de vereisten hoofdverblijf en duurzame gemeenschappelijke huishouding en afwezigheid van die gegoedheid slechts een aanvullende afwijzingsgrond is voor de verhuurder die een voorzettingsvordering van de samenwoner afgewezen wil zien, omdat hij geen onvoldoende solvente huurder opgedrongen wil krijgen, lijkt mij deze verdeling goed te volgen – ook al is dat praktisch soms lastig. In dat licht is illustratief de zorgen van de Kamer bij de behandeling van het wetsontwerp over de mogelijke privacy-inbreuk die naspeurwerk van de verhuurder over de financiële situatie van de samenwoner zou kunnen opleveren, waar de regering niet van onder de indruk was. Het is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever om deze last bij de verhuurder te leggen. In de literatuur zijn over de gelijkluidende bepaling van art. 7A:1623h lid 3 onder c BW, thans art. 7:267 lid 3 onder c BW, wel kritische noten gekraakt:
“Ook hier heeft men ten onrechte een probatio diabolica op de verhuurder gelegd, al zal een verstandig rechter de samenwoner wel uitnodigen met zijn financiële gegevens op de proppen te komen.”
en dat geldt ook voor art, 7A:1623i lid 3 onder b BW, thans art. 7:268 lid 3 onder b BW:
“c. De tweede verplichte afwijzingsgrond sub b luidt: ‘indien de eiser vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huurovereenkomst’. Dit dient de verhuurder te bewijzen en wel op de normale wijze. Men had er beter aan gedaan ook hier de bewijslast op de eiser te leggen en wel in die zin dat hij aannemelijk had moeten maken dat hij wèl voldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huurovereenkomst, dus met weglating van dat ‘vanuit financieel oogpunt’. Bij gebreke van dit bewijs had de rechter de vordering dan moeten afwijzen. Thans zal een gebrek aan gegoedheid bij de eiser de verhuurder niet baten zo hij er niet in slaagt dit moeilijke bewijs te leveren. Ik meen dat de rechter hem in zoverre tegemoet dient te komen door de eiser te verplichten omtrent zijn financiële draagkracht opening van zaken te geven. Aldus m.i. ook bij 1623h lid 3 onder c. […].”
Een ander argument ten faveure van een stelplicht en bewijslast op dit punt voor de samenwoner, naast het feit dat de gegevens waar het hier om gaat in het domein van de samenwoner liggen, is het volgende. Op degene die zich jegens de eigenaar beroept op een recht om diens goed te houden, rust in beginsel de stelplicht en bewijslast van dat recht. Dat biedt overigens ruimte voor verfijning en afwijking (‘in beginsel, dus hier niet’), die hier in het geschetste stelsel van de wet besloten ligt. Dat wordt lijkt mij niet anders als verdisconteerd wordt dat na de vierde nota van wijziging het niet langer zo is dat de verhuurder voortzetting door de samenwoner diende te voorkomen met een actie tegen voortzetting van rechtswege, maar de samenwoner een van rechtswege eindigende huur met een voortzettingsactie dient te voorkomen. Zodoende lijkt mij de besproken verdeling van stelplicht en bewijslast van deze afwijzingsgrond ex lid 3 onder b van art. 7:268 BW (liggend bij de verhuurder) dwingend uit het geschetste stelsel te volgen.
Dat dat een lastige bewijspositie voor de verhuurder kan opleveren in de praktijk, is kennelijk bewust ingecalculeerd – mogelijk te verklaren vanuit de gedachte dat art. 7:268 BW in het teken staat van bescherming van de achterblijvende samenwoner van de overleden huurder. Al te bezwaarlijk hoeft dit ook niet te zijn. Een rechter kan in zo’n geval ook zonder de bewijslast om te keren van de samenwoner verlangen dat deze in het kader van zijn betwisting van de stellingname van de verhuurder dat hij, samenwoner, niet voldoende waarborg zou bieden tot nakoming van de huurbetalingen, bepaalde gegevens verschaft, omdat de samenwoner immers over de daarvoor cruciale gegevens beschikt. Daarmee wordt niet aan de bewijslastverdeling zelf getornd, maar wel de bewijsleveringslast voor de verhuurder verlicht met het oog op het processuele evenwicht. De bescherming die het materiële recht aan de verhuurder wil bieden met deze afwijzingsgrond, kan anders in het gedrang komen.
In de rechtspraak wordt de besproken stelplicht en bewijslast voor deze afwijzingsgrond in het algemeen ook bij de verhuurder gelegd. Dat de stelling van de verhuurder dat ‘vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg wordt geboden’ gelet op het systeem van art. 7:268 BW een zelfstandig verweer is, komt bijvoorbeeld tot uiting in relatief recente hofuitspraken. Indien dit verweer door de verhuurder wordt gevoerd, ligt het op de weg van de huurder om de ontkrachting daarvan te onderbouwen in het kader van zijn gemotiveerde betwisting van deze afwijzingsgrond. Het feit dat een samenwoner in anticipatie op een dergelijk te verwachten beroep van de verhuurder op de hier besproken afwijzingsgrond van verhuurderskant tegen de huurvoortzettingsvordering van de samenwoner soms meteen zelf al stelt dat hij voldoende financiële waarborg biedt voor de huurbetalingen, doet aan de kwalificatie als (zelfstandig) verweer niet af en leidt er op zichzelf niet (zonder meer) toe dat stelplicht en bewijslast van het zelfstandige verweer van de verhuurder dan ‘omklapt’.
Onderdeel 1: onvoldoende waarborg vanuit financieel oogpunt?
In rov. 3.7 heeft het hof overwogen dat Verhuurder niet de stelling van Samenwoner betwist dat geen huurachterstand is ontstaan na het overlijden van de vader van Samenwoner in 2019. Dit is daarmee een vaststaand feit (art. 149 lid 1, tweede volzin, Rv). Deze enkele omstandigheid volstaat volgens het hof niet om aan te nemen dat Samenwoner vanuit financieel oogpunt voldoende waarborg biedt voor nakoming van de huurovereenkomst. De klachten geformuleerd onder 2 van de procesinleiding in cassatie richten zich hiertegen. Sinds het overlijden van de vader van Samenwoner in 2019 tot aan de zitting bij het hof zijn ruim twee jaar verstreken zonder huurachterstand. Gelet op deze lange tijd van behoorlijke nakoming van de huurbetalingen, blijkt op geen enkele wijze – en is het oordeel onbegrijpelijk – dat Samenwoner vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg zou bieden voor behoorlijke nakoming van de huur of waarom er tegen deze achtergrond nog een reden of noodzaak is voor het stellen van extra eisen, aldus de klacht. Daar doet niet aan af dat ter zitting is komen vast staan dat Samenwoner alleen een AOW uitkering geniet en dat hij zijn stellingen over een substantiële erfenis en bereidheid van zijn broer om borg te staan en tot vooruitbetaling voor een langere periode niet heeft onderbouwd, omdat de wet geen garanties van de aspirant huurder verlangt. De toepasselijke afwijzingsgrond vormt een lagere drempel, althans moet dit restrictief in het voordeel van de aspirant huurder worden uitgelegd, althans mag niet meer worden geëist dan redelijkerwijs onder de gegeven omstandigheden noodzakelijk is, en dat is volgens de rechtsklacht miskend.
Ik meen dat deze klachten niet slagen (ook al zou er feitelijk best anders over kunnen zijn geoordeeld, hetgeen mits toereikend gemotiveerd dan evenmin in cassatie aantastbaar zou zijn geweest). De (kale) huur van de woning bedraagt € 1.360,88 per maand, exclusief een voorschot servicekosten van € 400,- per maand (rov. 3.1 onder (i)). Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof blijkt dat de advocaat van Samenwoner (Samenwoner zelf was niet verschenen, evenmin als ter comparitie in eerste aanleg), door de voorzitter gevraagd naar de inkomsten van Samenwoner heeft verklaard:
“Mr. Loonstein: hij heeft alleen een AOW uitkering. En dat is het. Ik sluit niet uit dat hij ook inkomsten heeft als tweede generatie slachtoffer. Dat is een inschatting op basis van zijn achtergrond en positie.”
Deze verklaring heeft het hof in rov. 3.7 meegewogen, nu het (impliciet) oordeelt dat alleen een AOW-uitkering onvoldoende is om de huur van deze woning te kunnen betalen. Een AOW-uitkering gaat uit van een percentage van het minimumloon. Het minimumloon bedroeg ten tijde van het wijzen van het arrest € 1.701,- bruto per maand. Dit zijn feiten van algemene bekendheid, zonder noemenswaardig onderzoek in een algemeen toegankelijke bron te vinden (rijksoverheid.nl). Het hof mocht dit gegeven daarom aan zijn beslissing ten grondslag leggen (art. 149 lid 2 Rv). De verhouding tussen inkomen en huursom is daarmee dusdanig, dat het hof kon aannemen dat het (enige) inkomen van Samenwoner onvoldoende is om de huur te kunnen (blijven) betalen. Dat is niet onbegrijpelijk in cassatietechnische zin. Dat de afweging ook anders kan uitvallen in een situatie waarin geen huurachterstand bestaat, zoals Samenwoner stelt met verwijzing naar rechtspraak, is op zichzelf geen reden voor cassatie – en al helemaal niet in een situatie waarin het gaat om afweging van alle omstandigheden van het geval. Dat een ander oordeel ook mogelijk of zelfs beter verdedigbaar is, doet een motiveringsklacht nog niet slagen. Dat alleen al het niet bestaan van een huurachterstand gedurende lange tijd een voldoende betwisting oplevert, zoals Samenwoner bij s.t. onder 3 nog aanvoert, komt neer op een nieuwe klacht die niet in de procesinleiding in cassatie besloten ligt, zodat deze tardief is.
Het oordeel van het hof geeft ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans gaat de rechtsklacht hier uit van een verkeerde lezing van het arrest. Het hof heeft de juiste maatstaf aangelegd: biedt de samenwoner vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg voor behoorlijke nakoming van de huur?; het hof heeft daarmee niet, zoals de klacht (veronder)stelt, garanties verlangd terzake. Van Samenwoner is wel verlangd door het hof dat hij de terzake relevante stellingen over zijn capaciteit om de huur te betalen onderbouwt, bijvoorbeeld met een schriftelijke verklaring in rudimentaire vorm. Dat ziet op de aspecten dat hij een substantiële erfenis heeft ontvangen en dat zijn broer borg kan staan voor de maandelijkse huurtermijnen, terwijl vooruitbetaling voor een langere periode is toegezegd. Daarmee wordt geen garantie verlangd of een te strenge maatstaf aangelegd, maar zoals uiteengezet in de inleidende opmerkingen toepassing gegeven aan de hier vigerende processuele bepalingen over stellen en betwisten. Dat het hof deze (rudimentaire) onderbouwing van Samenwoner heeft verlangd, is te begrijpen vanuit de gedachte dat de informatie over zijn financiële positie in zijn domein ligt. Wil sprake zijn van een voldoende bestrijding van de stelling van Verhuurder dat hij onvoldoende waarborg biedt voor financiële nakoming van de huur, dan kan worden verlangd dat de aspirant huurder hier iets van openheid geeft (zoals hiervoor besproken in 2.21). Overigens had ook de rechtbank al gewezen op het gebrek aan onderbouwing van de betreffende stellingen door Samenwoner (rov. 13), zoals het hof in rov. 3.7 ook memoreert. Op dit een en ander ketsen de klachten onder 2 af.
Hieruit volgt (ook) dat de rechtsklacht geformuleerd onder 3 van de procesinleiding geen doel kan treffen. Die klacht is dat het hof hier ten onrechte de stelplicht en bewijslast over het voldoende waarborg bieden bij Samenwoner zou hebben gelegd, maar dat is niet zo. Het hof verlangt alleen een onderbouwing van Samenwoners betwisting van het zelfstandige verweer van Verhuurder dat Samenwoner onvoldoende waarborg biedt (zie uitdrukkelijk de voorlaatste zin van rov. 3.7). Dat betekent dat het hof (met juistheid, zie 2.19) de stelplicht voor dit zelfstandige verweer bij Verhuurder legt.
De klacht onder 4 gaat uit van de lezing dat het hof de stelplicht en bewijslast wél bij Samenwoner zou hebben gelegd. Nu dat niet zo is, kan ook deze klacht geen doel treffen, zodat verdere bespreking in wezen achterwege kan blijven. Voor zover het vervolg van de klacht over toelaten tot bewijslevering los van het verkeerde vertrekpunt als separate klacht moet worden opgevat: bij constatering dat sprake is van ontoereikend gemotiveerde betwisting aan de kant van Samenwoner, wordt aan bewijslevering niet toegekomen, zodat van het ten onrechte passeren van Samenwoners tweeledige bewijsaanbod geen sprake is. Ook de klachten onder 4 kunnen zodoende niet tot cassatie leiden.
Nu onderdeel 1 tevergeefs is voorgesteld, blijft het zelfstandig dragende oordeel dat Samenwoner onvoldoende waarborg biedt voor financiële nakoming van de huurovereenkomst overeind. Dat is voldoende als afwijzingsgrond voor de voortzettingsvordering van Samenwoner. Dan bestaat geen belang bij de overige klachten gericht tegen (door het hof ook uitdrukkelijk als) ten overvloede gegeven oordelen uit rov. 3.8, zodat die strikt genomen geen inhoudelijke bespreking behoeven. Voor het geval daar niettemin aan zou worden toegekomen, loop ik deze toch inhoudelijk langs.
Onderdeel 2: gerechtelijke erkentenis?
Samenwoner klaagt onder 6 dat onjuist en onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 3.8 aanneemt dat in de inleidende dagvaarding sprake is van een gerechtelijke erkentenis volgens art. 154 lid 1 Rv over het niet bestaan van financiële verwevenheid tussen Samenwoner en zijn vader. Een gerechtelijke erkentenis is het in een geding uitdrukkelijk erkennen van de waarheid van stellingen van de wederpartij, maar het hof citeert hier een stelling uit de inleidende dagvaarding en een brief aan de toenmalige advocaat van Samenwoner. Daaruit blijkt niet dat Samenwoner uitdrukkelijk de waarheid heeft erkend van stellingen van Verhuurder, nu het eigen stellingen van Samenwoner betreft, die hij bovendien, gelet op de herstelfunctie van het appel, in hoger beroep kan wijzigen. Als het hof in de citaten toch een gerechtelijke erkentenis heeft gelezen, dan is niet toereikend gemotiveerd waar en waarom Samenwoner uitdrukkelijk de waarheid erkent van stellingen van Verhuurder.
De rechtsklacht lijkt mij op zich terecht voorgedragen. Een gerechtelijke erkentenis is een uitdrukkelijk, ondubbelzinnig, erkennen; een handeling waaraan men eens en voor al, ook in een verdere instantie, is gebonden en die kan worden beschouwd als (de meest uitgesproken) vorm van niet-betwisting. Een gerechtelijke erkentenis brengt mee dat de rechter de erkende stellingen als vaststaand dient aan te nemen en (nader) bewijs daarvan overbodig is. Het is geen bewijsmiddel, maar maakt bewijs overbodig. Dat betekent dat het aannemen van een gerechtelijke erkenning alleen zin heeft als het een gesteld feit betreft dat, indien voldoende betwist, moet worden bewezen. Dat is hier niet het geval. Immers, wanneer Samenwoner vasthoudt aan de stelling dat geen financiële verwevenheid bestond tussen hem en zijn vader, zou dat zonder enige bewijslevering mede kunnen leiden tot afwijzing van zijn vordering tot huurvoortzetting. De in de wet bedoelde gerechtelijke erkenning ziet op het spiegelbeeldige geval waarin Samenwoner zou stellen dat wél sprake was van financiële verwevenheid tussen vader en zoon en Verhuurder dat zou erkennen. Samenwoner zou die stelling dan niet meer hoeven te bewijzen, zodat dit mede de grondslag zou kunnen vormen voor toewijzing van zijn eis. Een erkentenis kan volgens mij niet zien op een stelling die de wederpartij wellicht tot de hare zou willen maken, maar nog niet heeft ingenomen. Zo ook Heemskerk: wordt bijvoorbeeld bij inleidende dagvaarding gesteld dat een bepaalde gebeurtenis op zondag heeft plaatsgevonden en gedaagde beaamt dat bij conclusie van antwoord, dan weerhoudt art. 154 lid 1 Rv de eiser er niet van om bij repliek of in hoger beroep aan te voeren dat het toch maandag was. Overigens is financiële verwevenheid slechts een omstandigheid die de rechter in aanmerking kan nemen bij toetsing of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding, maar daartoe is die toetsing niet beperkt. Bij dagvaarding heeft Samenwoner zelf over de non-financiële verwevenheid een standpunt ingenomen, maar dat standpunt zou op zich in het vervolg van de procedure kunnen wijzigen, ook in hoger beroep en zelfs als de oorspronkelijke eiser in eerste aanleg een met die verandering strijdig standpunt heeft ingenomen. Uit de rechtspraak volgt verder dat – gelet op het vereiste van uitdrukkelijkheid en ondubbelzinnigheid – niet te snel mag worden aangenomen dat er sprake is van een gerechtelijke erkentenis. Art. 154 Rv is niet van openbare orde.
Gelet op het (in beginsel) slagen van de rechtsklacht, wordt aan de motiveringsklacht niet toegekomen.
Onder 7 klaagt Samenwoner dat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden door zelfstandig art. 154 lid 1 Rv toe te passen. Verhuurder spreekt daar in de stukken niet over en heeft evenmin voldoende aangevoerd voor aanvulling van rechtsgronden. Deze klacht mist feitelijke grondslag, omdat Verhuurder bij CvA onder 12 en MvA onder 16 eraan refereert dat Samenwoner ‘heeft erkend’ dat geen sprake was van financiële verwevenheid tussen hem en zijn ouders. Daar ketsen ook de klachten op af over aanvulling van rechtsgronden en dat mogelijk in strijd met de twee-conclusie regel is afgegaan op een opmerking terzake bij de mondelinge behandeling in appel.
Onderdeel 3: financiële verwevenheid?
Onderdeel 3 begint onder 8 met de motiveringsklacht dat het tweede deel van rov. 3.8 geen zelfstandig dragende grond is dat er financiële verwevenheid ontbreekt. Het nadere oordeel zou alleen voortbouwen op het eerdere oordeel, zodat sprake is van een voortbouwend of nauw samenhangend oordeel en uit de motivering zou niet voldoende kenbaar zijn dat sprake is van een zelfstandig dragende grond, nu het hof alleen in zou gaan op de gestelde uitgaven. Voor zover deze klacht al de voor een cassatieklacht vereiste scherpte en precisie zou hebben, is deze ongegrond. Voor de vraag of sprake is van een dragende overweging is beslissend hoe die overweging zich verhoudt tot de beslissing in het dictum. In dit geval bekrachtigt het hof het vonnis van de kantonrechter, waarin de op art. 7:268 lid 2 BW gestoelde vordering van Samenwoner is afgewezen. Een afwijzingsgrond hiervoor is het ontbreken van een gemeenschappelijke huishouding met de vader (art. 7:268 lid 3 onder a BW), voor de beoordeling waarvan een relevante factor is of gezamenlijk door de samenwoner en huurder is voorzien in de kosten van huisvesting of levensonderhoud (zie 2.30 en vt. 69). De hier aangevallen passage uit rov. 3.8 regardeert dit, omdat wordt nagegaan of Samenwoner bijdroeg in die kosten. In zoverre is de overweging dragend en dat is voldoende kenbaar uit rov. 3.8.
Onder 9 klaagt Samenwoner over het (kennelijke) oordeel uit rov. 3.8 dat de afwezigheid van financiële verwevenheid noodzakelijkerwijs meebrengt dat geen gemeenschappelijke huishouding heeft bestaan. Dat getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Daarnaast heeft Samenwoner andere relevante omstandigheden aangevoerd, zoals de verzorging van zijn vader door [Samenwoner] en het doen van huishoudelijke taken (onder verwijzing naar vindplaatsen in de stukken), die het hof als essentiële stellingen had moeten toetsen en die (in onderlinge samenhang) tot een andere uitkomst hadden kunnen leiden, zodat het oordeel ook daarom onjuist en onvoldoende gemotiveerd is.
Deze klachten slagen. Het hof sauveert in rov. 3.8 het oordeel van de kantonrechter uit in rov. 13, waarin staat: “[…] Tot slot wordt overwogen dat niet is gebleken van een financiële verwevenheid tussen [Samenwoner] en wijlen zijn vader, zodat niet aangenomen kan worden dat er een gemeenschappelijke huishouding heeft bestaan.” Daartegen was het tweede deel van de tweede grief van Samenwoner gericht (MvG p. 6). Zoals hiervoor uiteengezet moet bij de beoordeling of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval in hun onderlinge verband (zie 2.6), waarbij een omstandigheid is de (mate van) financiële verwevenheid tussen de samenwoner en de huurder (zie 2.30). Nu Samenwoner meer relevante omstandigheden heeft aangevoerd ten betoge dat sprake was van een gemeenschappelijke huishouding, kon die niet uitsluitend op afwezigheid van financiële verwevenheid worden afgewezen.
De motiveringsklacht onder 10 klaagt dat onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 3.8 overweegt dat uit het door Samenwoner opgestelde overzicht van uitgaven niet kan worden afgeleid dat die uitgaven ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding met zijn vader zijn gedaan, ook niet na overlegging van een grote hoeveelheid kassabonnen, die bovendien niet los, maar geordend was overgelegd. Het betreft hier typisch huishoudelijke uitgaven. Deze klacht faalt, omdat dit goed te volgen is. Het hof heeft in het kader van zijn oordeel over de financiële verwevenheid tussen Samenwoner en zijn vader overwogen dat niet is gebleken dat Samenwoner financieel heeft bijgedragen aan het huishouden en dat dat ook niet uit het kassabonnenoverzicht blijkt. De bonnen geven immers geen inzicht of Samenwoner financieel heeft bijgedragen aan de huishouding, zij tonen alleen aan dat boodschappen zijn gedaan.
Slotsom
Ondanks dat enkele klachten uit onderdelen 2 en 3 terecht zijn voorgesteld, ontbreekt daar belang bij in cassatie, omdat de zelfstandig dragende afwijzingsgrond van onvoldoende financiële waarborg voor betaling van de huur tevergeefs wordt aangevallen in onderdeel 1. Het cassatieberoep moet in mijn ogen worden verworpen. Volledigheidshalve wijs ik erop dat Samenwoner voor het geval van verwerping in s.t. 11 een ruime ontruimingstermijn bepleit.
3. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G