ECLI:NL:PHR:2023:153

ECLI:NL:PHR:2023:153, Parket bij de Hoge Raad, 07-02-2023, 21/03156

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 07-02-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21/03156
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2023:462
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 10 zaken
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854

Samenvatting

Conclusie AG. Witwassen van contant geld. 1 middel met bewijsklachten. AG is van oordeel dat uit b.m. niet kan worden afgeleid dat de vindplaats van geld is verborgen of verhuld (a.b.i. art. 420quater lid 1 ahf sub a Sr). Klacht noopt echter niet tot cassatie gezien de rest van het bewezenverklaarde (art. 420quater lid 1 ahf sub b Sr). Conclusie strekt tot verwerping.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/03156

Zitting 7 februari 2023

CONCLUSIE

P.M. Frielink

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de verdachte

1. Het cassatieberoep

De verdachte is bij arrest van 13 juli 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens "witwassen" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 62 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk. Tevens is een geldbedrag van € 20.010 verbeurd verklaard en is een beslissing genomen over een in beslag genomen geldbedrag.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2. Het middel

In het middel wordt geklaagd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte “redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn en/of dat hij de vindplaats van het geld heeft verborgen en verhuld als bedoeld in art. 420bis Sr. De bewezenverklaring is op grond hiervan niet naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.”

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 11 mei 2019, te Rotterdam,

- van voorwerpen, te weten geldbedragen van € 10.000 en € 10.010 de vindplaats heeft verborgen en verhuld en

- voorwerpen, te weten geldbedragen van € 10.000 en € 10.010 voorhanden heeft gehad, terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van verhoor verdachte (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in (…)

als de op 12 mei 2019 afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik heb op dit moment geen werk. Toen ik door de politie staande werd gehouden zat ik in een auto, een zwarte Audi A4, voorzien van het kenteken [kenteken]. Ik heb die auto gehuurd. Ik zat op de voorstoel als passagier. In de zak van mijn trui en in mijn auto is geld gevonden.

2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 mei 2019 (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in (…)

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:

Wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], surveilleerden op 11 mei 2019 te Rotterdam. Wij zagen een personenauto rijden, van het merk Audi, type A4, kleur zwart en voorzien van het Franse kenteken [kenteken]. Er zaten twee personen in het voertuig, een bestuurder en een bijrijder.

Ik, verbalisant [verbalisant 1], fouilleerde de bijrijder, omdat wij hadden gezien dat de bijrijder steeds met zijn linkerhand in de zak van zijn trui ging. Tevens zagen wij dat de zak van de trui van de bijrijder, enigszins bol stond. In de zak van zijn trui trof ik een flinke stapel contant geld aan. Gezien de manier van verpakken schatte ik het bedrag op ongeveer 10.000 euro. Tevens zag ik tussen de stapel geld een briefje van 500 euro zitten. Voor de rest zag ik coupures van 100, 50 en 20 euro zitten in de stapel geld.

De bijrijder bleek te zijn genaamd:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats]

Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb vervolgens het voertuig doorzocht. Onder de bijrijdersstoel trof ik een tweede pak geld aan. Ik zag dat het coupures van 100, 50 en 10 euro betroffen. Ik schatte de stapel op ongeveer 10.000 euro.

Wij hebben de volgende aangetroffen goederen inbeslaggenomen.

Onder [verdachte]:

Stapel geld in de trui van [verdachte]:

- 1 coupure van 500 euro

- 1 coupure van 100 euro

- 126 coupures van 50 euro

- 144 coupures van 20 euro

- 22 coupures van 10 euro

Totaal: 10.000 euro

Stapel geld onder de bij rijdersstoel:

- 2 coupures van 100 euro

- 185 coupures van 50 euro

- 56 coupures van 10 euro

Totaal: 10.010 euro.”

In verband met de bewezenverklaring heeft het hof in zijn arrest het volgende overwogen:

“Nadere bewijsoverweging

Onder verwijzing naar (1) een groot aantal bankafschriften, (2) twee, in het Frans gestelde verklaringen van de moeder en de oma van verdachte en (3) diverse uitdraaien van internet van te koop aangeboden auto's heeft de raadsman van de verdachte vrijspraak bepleit. Samengevat weergegeven heeft hij daartoe aangevoerd dat, naar uit de bankafschriften blijkt, het aangetroffen geld grotendeels afkomstig was van de oma van de verdachte (€ 10.000,-) en de moeder van de verdachte (€ 7.000,-) en voor het resterende deel (€ 4.500,-) van de verdachte zelf was. Het geld heeft daarmee aantoonbaar een legale herkomst, terwijl er gelet op de verklaringen en advertenties, ook een aannemelijke verklaring is voor het feit dat de verdachte zich met het geld in Rotterdam bevond. De verdachte had de geldbedragen immers voorhanden ten behoeve van de aanschaf van een tweedehands auto in Nederland of Duitsland. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet (de herkomst van) de geldbedragen heeft verborgen of verhuld.

Het hof verwerpt deze verweren en overweegt daartoe als volgt.

Op grond van de feiten en omstandigheden zoals opgenomen in de bewijsmiddelen acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat de bij verdachte aangetroffen geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, wat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn.

Het hof merkt allereerst op dat de verklaring die thans door de verdachte wordt gegeven omtrent de herkomst van het geld sterk afwijkt van de verklaring die hij in eerste instantie bij de politie heeft afgelegd, namelijk dat het onder hem aangetroffen bedrag voor de helft van hem was, voor ongeveer de andere helft van een vriend en slechts voor een klein deeltje van zijn familie. Daarnaast constateert het hof dat de overgelegde producties geen enkele verklaring bieden voor de herkomst van het volgens de verdachte zelf ingebrachte bedrag van € 4500,-. De enkele, verder niet onderbouwde of uitgewerkte stelling dat hij dit bedrag zou hebben gespaard, is daartoe onvoldoende, nu uit het dossier naar voren komt dat de verdachte verder geen inkomsten genoot.

Ten aanzien van de beweerdelijk door de moeder en de oma van de verdachte ingebrachte bedragen valt bij bestudering van de bankafschriften bovendien op dat deze, het verhaal van de verdachte en de schriftelijke verklaringen volgend, gedurende een periode van meerdere jaren zijn opgenomen in kleine bedragen en dat dit ook nog eens ruim vóór 11 mei 2019 is gebeurd. Dit betekent dat de moeder en de oma van de verdachte gedurende langere tijd grote contante geldbedragen thuis zouden hebben bewaard, terwijl het eerst relatief veilig op de bank stond. Een deugdelijke verklaring voor (…) deze, op het eerste gezicht niet erg logische gang van zaken is niet gegeven. Het hof merkt hierbij nog op dat uit de bankafschriften blijkt dat bij de opnames meerdere malen biljetten van € 500,- zijn verstrekt. Bij de in beslag genomen contanten is echter slechts één biljet van die grootte aangetroffen.

Met betrekking tot de overgelegde advertenties stelt het hof vervolgens nog vast dat deze voor het merendeel aanbiedingen op Marktplaats betreffen, die blijkens de daarop zichtbare dateringen eerst na 11 mei 2019 voor het eerst op deze (Nederlandse) site zijn geplaatst, terwijl de datum van de overgelegde advertenties van autodealers niet valt te controleren.

Gelet op dit alles is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat de geldbedragen van de rekeningen van de moeder en de oma van de verdachte zijn opgenomen ten behoeve van de aanschaf van een tweedehands auto door de verdachte.

Nu aldus een aannemelijke en voldoende verifieerbare verklaring, omtrent de herkomst (en de bestemming) van het aangetroffen geld ontbreekt, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dit redelijkerwijs had moeten vermoeden.

Aan de raadsman kan worden toegegeven dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is om contant geld om veiligheidsredenen aan het zicht te onttrekken door dit in de kleding of onder een autostoel mee te voeren. Naar het oordeel van het hof is het echter niet gebruikelijk om een grote hoeveelheid geld als hier aan de orde in losse stapeltjes – dus onverpakt en niet gebundeld – op deze wijze van het ene land naar het andere te brengen. Gelet op de op deze omstandigheden is het hof dan ook van oordeel dat de verdachte het geld niet alleen voorhanden heeft gehad, maar ook de vindplaats daarvan heeft verborgen en verhuld als bedoeld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht.”

Het middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht is gericht tegen de bewezenverklaring dat de verdachte ‘redelijkerwijs had moeten vermoeden’ dat de geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. De steller van het middel betoogt dat de bewijsoverwegingen van het hof kort samengevat inhouden dat de verdachte zijn moeder en oma van een misdrijf had moeten verdenken, terwijl een dergelijke “vergaande verdenking” niet (zonder meer) begrijpelijk is. Verder voert de steller van het middel aan dat de verdachte geen wetenschap had van het gegeven dat de bankopnamen door moeder en/of oma gedurende een periode van meerdere jaren ruim voorafgaand aan de pleegdatum van 11 mei 2019 hebben plaatsgevonden, zodat hem bezwaarlijk kon worden tegengeworpen dat hij geen deugdelijke verklaring voor deze gang van zaken heeft gegeven.

Deze eerste deelklacht berust op een verkeerde lezing van de bewijsoverweging van het hof. Het hof heeft immers overwogen dat het “naar het oordeel van het hof niet aannemelijk [is] geworden dat de geldbedragen van de rekening van de moeder en de oma van de verdachte zijn opgenomen (…)”. Dat oordeel impliceert dat het hof geen geloof hecht aan de verklaring van de verdachte dat de bedragen afkomstig zijn van zijn moeder en oma. In het oordeel van het hof ligt niet besloten dat de geldbedragen afkomstig zijn van een misdrijf gepleegd door de moeder en/of oma, laat staan dat het de verdachte wordt tegengeworpen dat hij zijn moeder en oma niet nader heeft bevraagd over de herkomst van de geldbedragen.

De eerste deelklacht mist feitelijke grondslag, zodat de klacht niet tot cassatie kan leiden.

De tweede deelklacht houdt in dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte de vindplaats van het geld heeft verborgen en verhuld.

De wetsgeschiedenis bij de witwasbepalingen houdt het volgende in over het verbergen en verhullen van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats etc.:

“De kern van het witwassen zoals omschreven in onderdeel a van artikel 420bis, eerste lid, is het verbergen of verhullen van de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats enz. van bepaalde voorwerpen. Het effect van deze handelingen is dat de opbrengsten van misdrijven aan het zicht worden onttrokken. Juist dit verhullende element maakt het bewijs van witwassen nogal eens moeilijk: of het voorwerp van de (vermoede)witwashandelingen inderdaad (direct of indirect) afkomstig is uit een misdrijf, is niet eenvoudig vast te stellen. Dit is overigens bij alle vormen van witwassen het geval, ook bij die vormen die als een gedraging in de zin van artikel 420bis of 420quater, eerste lid, onderdeel b, moeten worden gekwalificeerd. Het handelen van de witwasser zal er steeds op gericht zijn de criminele opbrengsten voor justitie te verbergen.”

Verbergen of verhullen van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enz. (eerste lid, onderdeel a)

Bij de in het eerste lid, onderdeel a, strafbaar gestelde gedraging gaat het om al die handelingen die tot doel hebben èn geschikt zijn om de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort van een voorwerp te verbergen of verhullen. De strafbaarstelling geeft niet nader aan om welke handelingen het allemaal kan gaan; bepalend voor de strafbaarheid is het effect van het handelen. De termen «verbergen» en «verhullen» impliceren dus een zekere doelgerichtheid: het handelen is erop gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en is ook geschikt om dat doel te bereiken. Veelal zal bij een enkele handeling ten aanzien van een voorwerp nog niet van een dergelijk doelgerichtheid kunnen worden gesproken. Vaak zal het gaan om een reeks van handelingen, die tezamen een geval van witwassen opleveren. Dit betekent dat voor het bewijs van het verbergen of verhullen vaak naar meer handelingen (transacties) in het witwastraject zal moeten worden gekeken. Uit alle stappen tezamen moet duidelijk worden dat er (zonder redelijke economische grond) met geld is geschoven op een manier die geschikt is het spoor aan de waarneming te onttrekken. Juist die ondoorzichtigheid van de opeenvolgende transacties brengt mee dat werkelijke aard, herkomst, vindplaats, rechten enzovoort buiten beeld blijven. Het voorgaande sluit niet uit dat onder omstandigheden ook een enkele handeling verbergen of verhullen zou kunnen opleveren, hoewel in zo’n geval waarschijnlijk eerder gesproken kan worden van een van de gedragingen genoemd in het eerste lid, onderdeel b, van de artikelen 420bis en 420quater (zie hierna).

Over de termen «verbergen of verhullen» kan nog het volgende worden opgemerkt. In plaats van de in richtlijn 91/308/EEG voorkomende, wat verouderde term «verhelen» is de term «verbergen» gekozen. «Verbergen» en «verhullen» zullen elkaar grotendeels overlappen. Van een volstrekt onzichtbaar maken van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort behoeft geen sprake te zijn. Als dat zo zou zijn, zou het zelden tot een strafvervolging kunnen komen. Van «verhullen» – volgens Van Dale synoniem voor «versluieren» – zal al sprake kunnen zijn als door bepaalde constructies een mistgordijn wordt opgeworpen dat weliswaar enig zicht op het voorwerp en de daarbij betrokken personen toelaat, maar het niet mogelijk maakt om met enige zekerheid de (legale) herkomst en de rechthebbende vast te stellen. De trits feiten die volgens de richtlijn verhuld kunnen worden (werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of eigendom van voorwerpen), is in zijn geheel in artikel 420bis, eerste lid, onder a, overgenomen. Veelal zullen feiten samenvallen, dat wil zeggen tezamen door een en dezelfde witwashandeling worden verhuld. Zo zal het verbergen of verhullen van de vervreemding of de verplaatsing vaak neerkomen op het verbergen van de vindplaats of de rechthebbende. Met het verbergen of verhullen van de «werkelijke aard» van het voorwerp wordt bedoeld het voorwenden van een andere aard dan de werkelijke (bijvoorbeeld gelden worden gepresenteerd als de winst uit een legaal bedrijf, terwijl ze in werkelijkheid uit drugshandel afkomstig zijn). Toegevoegd is het verbergen of verhullen van degene die het voorwerp voorhanden heeft. Hierbij gaat het om degene die het voorwerp feitelijk tot zijn beschikking heeft. Vaak laten witwasconstructies er namelijk geen twijfel over bestaan wie in juridische zin rechthebbende op het voorwerp is, maar zijn ze er juist op gericht te verhullen wie feitelijk de beschikkingsmacht over het voorwerp heeft."

"De doelgerichtheid waarvan in de memorie van toelichting sprake is, slaat niet op de subjectieve gesteldheid of bedoeling van de verdachte maar op de objectieve strekking van het handelen. Het gaat erom of de handeling(en) - gelet op de aard daarvan en op de omstandigheden van het geval - erop gericht is/zijn om het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en of zij ook geschikt is/zijn om dat doel te bereiken."

De Hoge Raad leidt uit deze wetsgeschiedenis van de witwasbepalingen af dat de begrippen 'verbergen' en 'verhullen' betrekking hebben op gedragingen die erop zijn gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats etc. van voorwerpen te bemoeilijken. Die gedragingen moeten tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken.

In de schriftuur wordt verwezen naar het arrest van HR 5 april 2016. Uit (onder meer) dit arrest volgt dat indien uit de bewijsvoering niet méér kan worden afgeleid dan dat op ongebruikelijke plaatsen in een woning of auto een (grote) hoeveelheid geld is aangetroffen, een bewezenverklaring van het verbergen en/of verhullen van de herkomst van het geldbedrag onvoldoende is gemotiveerd.

Het is de vraag of de jurisprudentie die betrekking heeft op het verbergen en verhullen van de herkomst van gelden ook zonder meer van toepassing is op het verbergen en verhullen van de vindplaats van gelden. Ik meen van niet, aangezien er onderscheid kan worden gemaakt tussen de diverse feitelijkheden – de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats etc. – die kunnen worden verhuld en verborgen. Hoewel bepaalde feitelijkheden zeer nauw verwant zijn aan elkaar, zoals de werkelijke aard en de herkomst, geldt dat minder voor de herkomst en de vindplaats. De drempel voor de vaststelling dat de vindplaats van een voorwerp is verborgen, zou wel eens lager kunnen liggen dan de bewijsdrempel voor het verbergen van de herkomst van een voorwerp. Voor de beantwoording van de vraag of in casu – door ‘het plaatsen’ van contant geld in een zak van een trui en onder de bijrijdersstoel – sprake is van het verbergen en verhullen van de vindplaats van de contanten, is het in ogenschouw nemen van voornoemde jurisprudentie over het verbergen en verhullen van de herkomst niet afdoende.

Als ik het goed heb is het arrest van 3 februari 2015 het enige arrest waarin de Hoge Raad zich expliciet heeft uitgelaten over de betekenis van verbergen en verhullen in relatie tot de vindplaats van een voorwerp. In die zaak was bewezen verklaard dat de verdachte van twee motorfietsen de vindplaats had verhuld, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die voorwerpen uit misdrijf afkomstig waren. Het hof had vastgesteld dat de verdachte, als eigenaar van de motorfietsen, de motorfietsen had gestald in een achtertuin van derden. Deze achtertuin was afgesloten en niet zichtbaar vanaf de openbare weg. De eigenaar van de tuin wist niet door wie de motorfietsen in de tuin waren geplaatst. Onder deze omstandigheden achtte de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de verdachte de vindplaats van de motorfietsen had verhuld, niet onbegrijpelijk.

Verder kunnen arresten aangaande het verbergen of verhullen van de vervreemding of de verplaatsing van een voorwerp aanknopingspunten bieden, aangezien deze feitelijkheden, zoals ook opgemerkt in de wetsgeschiedenis, dicht tegen het verhullen van de vindplaats aanliggen. Uit een arrest van 27 oktober 2015 wordt duidelijk dat het enkele in ontvangst nemen van een geldbedrag van de medeverdachte nog geen verbergen of verhullen van de verplaatsing (of werkelijke aard of herkomst) van het voorwerp oplevert.

In de literatuur is de vraag aan de orde gesteld of het verstoppen van goederen het verhullen van de vindplaats kan opleveren. Diepenmaat gaat ervan uit dat de handeling van een winkeldief die een voorwerp in zijn jaszak laat verdwijnen het verhullen of verbergen van de vindplaats van dat voorwerp oplevert. Andere in de literatuur genoemde voorbeelden van feitencomplexen die een dergelijk verhullen van de vindplaats en/of verplaatsing zouden opleveren zijn: het vervoeren van contanten in een geprepareerde koffer, het wegstoppen van geld in een sealbag in een tas achter een bankstel op zolder en het verbergen van geld achter een plint van het keukenblok en in kussens op een zitbank in de woning.

Voor het bepalen van de precieze grens tussen het verhullen van de vindplaats van voorwerpen en het enkele voorhanden hebben van voorwerpen, kan het door de Hoge Raad in zijn arrest van 14 februari 2017 geformuleerde criterium enige houvast bieden: de gedraging moet erop zijn gericht het zicht op de vindplaats van het voorwerp te bemoeilijken én de gedraging moet geschikt zijn om dat doel te bereiken. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de kern van het verhullen en verbergen erin is gelegen dat de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats etc. wordt versluierd door het geven van een valse voorstelling van zaken. Bij een grammaticale interpretatie van het verbergen van de vindplaats wordt wellicht al snel aan het feitelijk verstoppen gedacht, maar voor het verhullen en verbergen van de vindplaats is meer nodig.

Van een dergelijke situatie was bijvoorbeeld sprake in het hiervoor onder randnr. 2.13 aangehaalde arrest van 3 februari 2015. In die zaak hielden de vaststellingen van het hof meer in dan het enkele verstoppen van de motorfietsen in een beschutte achtertuin. De motorfietsen waren immers niet in de tuin van de eigenaar zelf verstopt, maar werden bij derden gestald, die bovendien niet wisten wie de motorfietsen daar hadden neergezet. Op deze wijze had de verdachte de schijn gewekt dat deze derden de eigenaar waren, terwijl die derden de daadwerkelijke eigenaar niet konden aanwijzen. Overigens is niet elke leugen geschikt om te verhullen en te verbergen. Aan het verhullen en verbergen – ook van de vindplaats – mogen bepaaldelijk eisen worden gesteld, om het verhullen van de vindplaats voldoende te onderscheiden van het enkele voorhanden hebben van voorwerpen.

Terug naar de gedragingen in onderhavige casus, te weten het wegstoppen van geld in een zak van een trui en onder de bijrijdersstoel van een auto. Het hof heeft geoordeeld dat sprake is van verhullen van de vindplaats, omdat het niet gebruikelijk is om een grote hoeveelheid geld als hier aan de orde in losse stapeltjes – dus onverpakt en niet gebundeld – op deze wijze van het ene land naar het andere te brengen. Naar mij voorkomt is dat oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk. De gedragingen zijn er niet onmiskenbaar op gericht om te voorkomen dat het geld wordt ontdekt. Het opbergen van geld in een trui en het wegstoppen van geld onder een bijrijdersstoel maakt niet dat een valse voorstelling van zaken wordt gegeven.

Het middel is terecht voorgesteld.

De klacht hoeft echter niet tot cassatie te leiden. De bewezenverklaring behelst naast het verhullen en verbergen van de vindplaats van de geldbedragen van € 10.000 en € 10.010 tevens het voorhanden hebben van diezelfde geldbedragen. Uit de schriftuur noch uit de gedingstukken volgt dat de geldbedragen uit eigen misdrijf afkomstig zouden zijn, zodat het voorhanden hebben van de geldbedragen hier eveneens als witwassen is te kwalificeren. In de strafmotivering heeft het hof geen bijzonder gewicht toegekend aan het verhullen of verbergen van de vindplaats. Om die reden kan niet worden gezegd dat, indien dat onderdeel uit de bewezenverklaring wordt geschrapt, daarmee wezenlijk afbreuk wordt gedaan aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde, terwijl in de cassatieschriftuur niet is aangevoerd waarom de verdachte niettemin een rechtens te respecteren belang heeft bij vernietiging van het arrest.

3. Slotsom

Het middel faalt.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?