ECLI:NL:PHR:2023:162

ECLI:NL:PHR:2023:162, Parket bij de Hoge Raad, 07-02-2023, 21/01722

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 07-02-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21/01722
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2023:473
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001941 BWBR0007286

Samenvatting

Conclusie AG. Eendaadse samenloop van medeplegen voorbereidingshandelingen art. 10a OW en overtreding van art. 2 Wet voorkoming misbruik chemicaliën, opzettelijk begaan. 1. Bewijsklacht m.b.t. medeplegen. 2. Klacht over de strafmotivering. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

Nummer21/01722

Zitting 7 februari 2023

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946,

hierna: de verdachte

Het eerste middel

4. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd met aanvulling van gronden en verbetering van de kwalificaties. Het eerste middel klaagt over de bewijsvoering van het door de rechtbank onder 1 bewezenverklaarde. Voordat ik het middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring en delen van de bewijsvoering weer.

5. De rechtbank heeft onder 1 bewezenverklaard dat de verdachte:

‘in de periode gelegen in de maanden juni 2013 tot en met 1 oktober 2013 in Nederland en in België, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van MDMA en/of MDEA en/of MDA en/of van (een) ander(e) stof(fen), zijnde/MDMA en/of MDEA en/of MDA en/of deze ander(e) stof(fen), middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- tot het plegen van dat feit anderen middelen heeft getracht te verschaffen

immers heeft verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededaders

- een stof, te weten 1800 liter c.q. 2106 kilogram, 3,4-methyleendioxyfenylpropan-2-on (PMK) (-welke stof benodigd is, althans kan worden gebruikt bij/voor de bereiding en/of verwerking en/of vervaardiging van MDMA en/of MDEA en/of MDA, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I-) besteld en/of doen vervoeren

- contacten en/of ontmoetingen gehad en/of besprekingen gevoerd en/of afspraken gemaakt met mogelijke producenten, leveranciers, transporteur(s), afnemer(s), tussenperso(o)n(en), verlener(s) van hand- en spandiensten met betrekking tot de hoeveelheid, kwaliteit, levering, betaling, verpakking, opslag en het vervoer van een grote hoeveelheid 3,4-methyleendioxyfenylpropan-2-on (PMK);’

6. De rechtbank heeft de bewezenverklaring doen steunen op uitgebreide overwegingen waarin delen van bewijsmiddelen zijn weergegeven waar in voetnoten naar verwezen wordt. In aanvulling daarop heeft de rechtbank overwegingen ‘ten aanzien van feit 2’ en overwegingen ‘ten aanzien van feit 1’ geformuleerd. In die laatste groepen overwegingen heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

‘De rechtbank dient nu de vraag te beantwoorden of de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewijs bevatten dat [verdachte] samen met anderen het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het invoeren van MDMA heeft voorbereid en/of bevorderd, zoals aan hem is tenlastegelegd. Volgens de tenlastelegging is dit gebeurd door - kort samengevat - 1800 liter c.q. 2160 kilogram PMK, nodig voor de vervaardiging van MDMA, te bestellen, te vervoeren, op te slaan, voorhanden te hebben, te bewerken, af te leveren en/of te verkopen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat op 2 juni 2013 een container met 1.800 liter c.q. 2.106 (en niet 2.160 zoals tenlastegelegd) kilogram PMK in de haven van Antwerpen (België) is ingevoerd, waarna de PMK is vervangen door water met kleurstof.

(…)

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [betrokkene 1] nauw betrokken is geweest bij de invoer met de container met PMK. In februari 2012 heeft hij een bespreking gevoerd met NN-mannen met een Aziatisch uiterlijk. In daarop volgende besprekingen met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] in maart 2013 en mei 2013 heeft [betrokkene 1] gesproken over ‘box uit China’, ‘bill’, ‘tweeduizend liter’ en ‘ [naam 1] ’. Als [betrokkene 1] op 9 mei 2013 in zichzelf praat heeft hij het weer over ‘tweeduizend liter’. Via [betrokkene 2] en [betrokkene 3] liepen de contacten met [betrokkene 1] in de Antwerpse haven. In mei 2013 bespreekt [betrokkene 1] uitvoerig met [betrokkene 4] dat hij 'eerst dat China ding moet doen’.

Met betrekking tot deze container en de PMK was er een nauwe samenwerking tussen in elk geval [betrokkene 1] , [betrokkene 5] en [verdachte] . [betrokkene 1] en [betrokkene 5] hebben zorggedragen voor het in orde brengen van de documenten die te maken hebben met de bestelling, verscheping en inklaring van de lading PMK met als deklading anti-vries. In mei 2013 klaagt [betrokkene 1] tegen [betrokkene 4] er over dat die Chinezen er niet voor zorgen dat de documenten goed zijn ‘moeten we 10 keer DHL vliegen’ om het een en ander op te sturen. [betrokkene 5] zegt hier op 5 juni 2013 .het volgende over: ‘ze hebben ons nodig, anders komen ze er niet uit, stukken waren slecht per stuk prijzen kloppen niet, prijzen klopten niet, het gewicht klopte niet, telefoonnummers klopten niet, adressen klopten niet. Heel de opgebouwde facturen klopten niet. Ik ben er gewoon vijf (5) uur mee bezig geweest om alles te corrigeren.’ (…)

Bij het uitsorteren van de lading PMK in de loods zijn [betrokkene 5] , [verdachte] en [betrokkene 6] betrokken. [betrokkene 1] geeft [betrokkene 5] en [verdachte] opdrachten en zij brengen verslag aan hem uit (bijvoorbeeld over het aantal dozen). Uit de gesprekken in de loods aan de [a-straat] blijkt dat het voor hen duidelijk was dat er tussen de deklading van anti-vries gezocht moest worden naar de PMK. Zo zegt tijdens dit gesprek [verdachte] dat ‘het spul iets zwaarder weegt’ en naar ‘anijs ruikt’, en dat er om die reden ‘beslist niet geknoeid moet worden’. [verdachte] en [betrokkene 6] zijn aan het ruiken om de andere lading te vinden. Ook hebben ze het over de viscositeit van de vloeistof die ze zoeken. Tevens klagen ze er over dat de Chinezen niet de moeite hebben genomen om duidelijk aan te geven welke dozen afwijken. [betrokkene 5] vertelt dat een liter 2500 euro kost. Verder hebben zowel [verdachte] als [betrokkene 5] het erover dat de deklading antivries terug kan naar [medeverdachte 2] die het gaat verkopen. Ook zegt [verdachte] dat hij een dag eerder met [betrokkene 1] heeft besproken dat de inhoud van de container op pallets zou staan en dat [betrokkene 1] om 5 uur met ‘China’ bij [A] zal zijn en dat ‘de klant’ daarheen moet komen.

Op een gegeven moment wordt de conclusie getrokken dat er 132 dozen met drugs zijn. Hiervan zijn 50 dozen bestemd voor de Chinezen en die worden die dag (5 juni 2013) bij de [A] afgeleverd. Bij die bijeenkomst bij de [A] zijn [betrokkene 1] , [betrokkene 5] , [verdachte] aanwezig en twee Aziatische mannen, onder wie [betrokkene 8] .

Als blijkt dat de PMK niet deugt, wordt [betrokkene 1] blijkens de OVC van 6 juni (‘disaster’) meteen benaderd. Hij voert diverse gesprekken hierover met de Chinezen. Bij een deel van die gesprekken is ook [betrokkene 5] aanwezig. De Volkswagen Polo van [betrokkene 8] staat in de buurt geparkeerd.

Tussen deze ontmoetingen is er een OVC-opname van een gesprek tussen [betrokkene 1] en Chinezen bij hem in de auto. [betrokkene 1] zegt dat ze moeten oppassen met knoeien ‘omdat die lucht er nooit meer uitgaat’. [betrokkene 1] snuift vervolgens en zegt dat het ‘gewoon P’ is, dat dit gewoon ‘de lucht’ is. Een van de Chinezen zegt dat de vloeistof een beetje te dun is en [betrokkene 1] beaamt dat de vloeistof inderdaad te waterig is. Dan volgt er een gesprek tussen de Chinezen onderling waarin ze zeggen dat de vloeistof klotst, wat niet zo zou zijn als het olie was. Ook is de lucht niet goed, [betrokkene 1] heeft het over de lucht en waarom het volgens ‘kok’ (in het synthetische drugsmilieu is ‘kok’ jargon voor laborant) kan komen dat de vloeistof niet ruikt. Een van de Chinezen zegt dat hij het ook zo aan [betrokkene 8] heeft verteld. De Chinezen zeggen tegen [betrokkene 1] dat de vloeistof geluid maakt als je hem schudt terwijl je bij olie geen geluid hebt. Vervolgens praten de Chinezen weer onderling in het Chinees. Ze zeggen dat hun ‘kok’ een fles heeft getest, dat het niet goed was en dat alle flessen zo zijn. ‘Het echte’ is er door iemand uitgehaald.

Uit dit gesprek volgt dat PMK blijkbaar erg kan stinken, wat [verdachte] ook al opmerkte en wat bevestigt dat hij wist dat het om PMK ging. Ook [betrokkene 1] wist dit, hij heeft het over ‘P’. Voorts volgt uit dit gesprek dat zowel [betrokkene 1] als de Chinezen een ‘kok’ hebben geconsulteerd waaruit hun betrokkenheid bij de vervaardiging van synthetische drugs blijkt. De PMK is blijkbaar bedoeld voor de vervaardiging van MDMA, anders zou er geen ‘kok’ naar kijken. De link van [betrokkene 1] met de vervaardiging van synthetische drugs spoort met het gegeven dat in de woning van [betrokkene 1] stukken zijn aangetroffen met betrekking tot de vervaardiging van synthetische drugs.

Op 10 juni 2013 mompelt [betrokkene 1] wederom. Uit dit gemompel blijkt dat [betrokkene 1] wil dat er ‘niemand iets beslist buiten mij’ en dat men zich aan ‘het protocol’ dient te houden. Ook mompelt [betrokkene 1] over ‘nep P’. Hieruit blijkt dat [betrokkene 1] een leidinggevende rol heeft en dat er kennelijk een protocol is.

Kort hierna wordt waargenomen dat [betrokkene 1] en [betrokkene 5] drie Aziatische mannen ontmoeten bij de [A] . [verdachte] is hier eveneens bij aanwezig. Nabij staat een bestelbus geparkeerd waarin een kleine hoeveelheid PMK aanwezig was, waarvan in de verpakking een technisch hulpmiddel was geplaatst. Ook de Volkswagen Polo van [betrokkene 8] staat er weer. Uit een OVC-opname tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 5] na de ontmoeting volgt dat [betrokkene 1] zegt ‘wij gaan dadelijk de schuld krijgen, want omdat er water in zit'. Ook spreekt hij over dat ze 'gaan proberen niet te betalen’ omdat dat er voor ‘ons’ tijd was om iets te verwisselen. Dit terwijl volgens [betrokkene 1] de fout aan hun kant zit en hij al € 50.000 lichter is.

Hieruit blijkt dat [betrokkene 1] financieel belang heeft bij de transactie met de Chinezen. Hij heeft blijkbaar het een en ander voorgefinancierd en de Chinezen moeten hem betalen, maar zullen daar onderuit willen komen omdat de PMK niet is geleverd. Uit het ‘ons’ volgt dat er een groepering is rondom [betrokkene 1] . (…)

Op 10 juni 2013 overleggen [betrokkene 5] en [betrokkene 1] over de betaling van [naam 1] , waarmee in dit verband [medeverdachte 2] moet worden bedoeld. Uit de in de woning van [betrokkene 1] aangetroffen geëncrypte BlackBerry blijkt dat [betrokkene 1] en [betrokkene 5] op 27 juni 2013 met elkaar mailen over een factuur van 425 euro omdat de vervoerder de container pas na 18 dagen heeft terug gebracht. [betrokkene 5] mailt dat hij vandaag geld naar ‘E.’ zal overboeken. Ook hieruit volgt dat [betrokkene 5] en [betrokkene 1] gezamenlijk overleggen over de betaling van [naam 1] [medeverdachte 2] . Uit de BlackBerry berichtenwisseling tussen [betrokkene 1] en [verdachte] blijkt dat [verdachte] ook een rol had bij de verkoop van de deklading anti-vries.

Uit een OVC-opname, gemaakt in de container in de loods in [plaats] , volgt dat op 10 juni 2013 om 14:50 uur 3 of 4 Chinezen, [betrokkene 6] en [verdachte] aldaar aanwezig zijn. Zij bespreken dat er geen 132 maar 136 dozen zijn aangetroffen. Ook gaat het er weer over dat de vloeistof niet ruikt, doorzichtig is en bij schudden geen geluid maakt. ‘Het’ is door iemand vervangen.

Om 16:23 uur mompelt [betrokkene 1] vervolgens in zichzelf over ‘foute P’ en ‘dat water’. Om 16:30 uur maakt hij vanuit zijn auto contact met [verdachte] die in zijn Laguna zit die naast de BMW van [betrokkene 1] staat. [verdachte] zegt tegen [betrokkene 1] dat er nog 4 extra dozen gevonden zijn. Enkele minuten hierna ontmoeten [betrokkene 1] en [verdachte] vier Chinese mannen, onder wie [betrokkene 8] , bij de [A] , ’s Avonds spreken [betrokkene 1] en [betrokkene 5] elkaar. Uit de OVC-opname van dit gesprek volgt dat [betrokkene 1] zegt dat hij blij is dat alle dingen vandaag er waren en dat ‘dit hem heeft gevrijwaard'.

Ook uit deze gebeurtenissen op 10 juni blijkt de nauwe samenwerking tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 5] en [verdachte] . Zij horen bij het ‘ons’ waar [betrokkene 1] het 6 juni 2013 over had.

Op 12 juni 2013 zit [betrokkene 1] met [betrokkene 4] in de auto. In het ovc-gesprek tussen hen vertelt [betrokkene 1] tegen [betrokkene 4] hoe hij tegen de zaak aankijkt. Volgens hem begonnen de Chinezen aan te sturen op een verdenking tegen hem. Ze zijn daarop zelf gaan kijken in de loods en hebben toen naast de al aangetroffen 132 dozen nog 4 dozen gevonden. Vervolgens heeft [betrokkene 1] een prijsje met hen gemaakt: in plaats van 1.5 moeten ze nu 8 ton betalen. De leider van de Chinezen is ‘de ouwe’ en de woordvoerder is die met de lange haren want die kan het beste praten.

Hieruit blijkt dat [betrokkene 1] degene is die onderhandelt met de Chinezen over de prijs.

Uit de ontcijferde BlackBerry van [betrokkene 1] blijkt verder dat [betrokkene 1] en [verdachte] op 11 en 12 juli 2013 met elkaar mailen over de Chinezen die nog een keer willen kijken naar de spullen. Dit klopt weer met een mail van 19 juli 2013 van [betrokkene 1] naar zijn contact ‘ [betrokkene 9] ’ in de geëncrypte BlackBerry dat China op 16 juli water en ‘cool’ heeft meegenomen. [betrokkene 1] mailt verder dat ‘we’ het qua tijd nooit zo snel hebben kunnen verwisselen. Het moet China zijn. Het is belachelijk dat hij nu zijn onschuld moet aantonen. Op 22 augustus 2013 mailt [betrokkene 1] naar [betrokkene 9] dat hij net contact heeft gehad met ‘waterchinezen’ en flink bonje heeft gemaakt. De Chinezen wilden 100 terug maar [betrokkene 1] heeft hen gezegd dat ze juist nog 700 moeten betalen omdat het anders oorlog is. Kijkende naar de 8 ton waarover [betrokkene 1] met [betrokkene 4] heeft gesproken, hebben de Chinezen blijkbaar al € 100.000 betaald, willen ze die terug en wil [betrokkene 1] juist dat er € 700.000 bij wordt betaald.

Dit toont aan dat [betrokkene 1] degene is die de onderhandelingen met de Chinezen voert over de prijs die de Chinezen hem moeten betalen voor zijn inspanningen met betrekking tot de container.

(…)

Gezien deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen met anderen de vervaardiging van en de handel in MDMA heeft voorbereid doordat hij heeft getracht anderen een middel daartoe te verschaffen. Hij heeft namelijk samen met anderen daartoe 1.800 liter c.q. 2.106 kilogram van de precursor PMK besteld en doen vervoeren. Om dat te bewerkstelligen heeft hij samen met zijn medeplegers contacten en ontmoetingen gehad, besprekingen gevoerd en afspraken gemaakt met transporteurs, afnemers, tussenpersonen en verleners van hand- en spandiensten met betrekking tot de hoeveelheid, kwaliteit, levering, kwaliteit, betaling verpakking, opslag en vervoer van de PMK. De rechtbank acht feit 2 om die reden wettig en overtuigend bewezen.

(…)

Ten aanzien van het verweer van de verdediging

[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij enkel in de loods was om een partij ruitensproeiervloeistof te kopen. Volgens [verdachte] had hij op dat moment nog nooit van PMK gehoord en wist hij niet waar de aanwezigen het over hadden. Hij is in dat verband slechts twee dagen bij de container geweest. [verdachte] stelt voorts dat hij geen sleutel van de loods had, dat hij [betrokkene 8] pas voor het eerst op de zitting heeft gezien en dat de bij hem in bed aangetroffen BlackBerry niet van hem was.

De rechtbank acht deze verklaring volstrekt ongeloofwaardig en het verweer wordt dan ook verworpen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] op de hoogte was dat er zich PMK moest bevinden tussen de lading en daar ook gericht naar op zoek was. Immers moesten al 50 dozen aan de klant geleverd worden.

Ook blijkt uit de OVC van 5 juni 2013 dat [verdachte] van [betrokkene 6] de sleutel van de loods kreeg om een duplicaat te laten maken. Dat dit ook is geschied, is af te leiden uit het bezoek die dag aan een schoenmaker (het is een ervaringsregel dat een schoenmaker doorgaans ook een sleutelservice heeft) en het gegeven dat [verdachte] op 6 juni 2013, terwijl [betrokkene 6] op weg naar Hongarije was, en op 16 juli 2013 zich vrijelijk de toegang tot de loods kon verschaffen.

Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat [verdachte] aanwezig is geweest bij een aantal ontmoetingen die [betrokkene 1] had met [betrokkene 8] .

Diezelfde ongeloofwaardigheid strekt zich uit tot de ontkenning met betrekking tot de BlackBerry. Aanvankelijk ontkende [verdachte] bij hoog en bij laag dat er bij hem thuis een BlackBerry was aangetroffen. Hij had zo’n ding nooit gehad. Toen hij er mee geconfronteerd werd dat er een BlackBerry bij hem op bed was aangetroffen, kwam hij met het verhaal dat hij deze BlackBerry in zijn auto had gevonden en vervolgens kennelijk in bed had neergelegd. Feit is echter dat [betrokkene 1] met zijn BlackBerry mailt met het e-mailadres van de bij onder [verdachte] aangetroffen BlackBerry niet alleen over de anti-vries maar ook over ‘bonen’. De gebruiker van het e-mailadres van de onder [verdachte] in beslag genomen BlackBerry antwoordt dat hij daarover contact heeft met iemand uit Zaandam. Uit het dossier blijkt dat [verdachte] inderdaad pogingen heeft gedaan om een grote partij cacaobonen te verkopen en met dat doel contact heeft gelegd met een potentiële koper uit Zaandam. De rechtbank sluit zich ook overigens aan bij de bevindingen van de politie in dit verband en concludeert dat de op het bed in de woning van [verdachte] aangetroffen BlackBerry bij hem in gebruik was en dat hij als [naam 2] voorkomt als contact in de BlackBerry van [betrokkene 1] met als e-mailadres [e-mailadres] .

Door de verdediging is aangevoerd dat de betrokkenheid van [verdachte] onvoldoende is voor medeplegen. Het gaat slechts om ondersteunende handelingen die medeplichtigheid zouden opleveren, maar dat is niet tenlastegelegd.

De rechtbank verwerpt dit verweer en stelt voorop dat onder het bereik van artikel 10a van de Opiumwet gedragingen vallen die in artikel 48 van het Wetboek van Strafrecht als ‘medeplichtigheidshandelingen’ worden gezien, maar op grond van artikel 10a van de Opiumwet worden gekwalificeerd als het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen. Dit is een op zichzelf staand strafbaar feit waaraan [verdachte] zich in de ogen van de rechtbank schuldig heeft gemaakt. Voorts is de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien van oordeel dat hij dat dit als medepleger heeft gedaan. Tussen [verdachte] , [betrokkene 1] en [betrokkene 5] is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, zowel voorafgaande aan het afzetten van de container in de loods, tijdens het uitladen, het afleveren van 50 dozen, het zoeken naar ontbrekende dozen, de contacten met de Chinezen nadien als blijkt dat de kwaliteit van de PMK niet deugt, als het verkopen van de deklading. Om deze reden is de rechtbank van oordeel is dat de gedragingen van [verdachte] kunnen worden gekwalificeerd als ‘medeplegen’.’

7. Het hof heeft in het bestreden arrest de bewijsoverwegingen van de rechtbank aangevuld met de volgende overwegingen:

Verklaring van verdachte in hoger beroep

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, evenals bij de rechtbank, verklaard dat hij was benaderd voor het afnemen van een partij ruitensproeier vloeistof en dat hij daarom in de loods was. Hij had op dat moment nog nooit van PMK gehoord en wist niet waar de andere aanwezigen het over hadden. Hij ontkent te hebben geweten dat er zich PMK tussen de lading had moeten bevinden en ontkent dat hij daar naar op zoek was toen hij in de loods aanwezig was samen met [betrokkene 5] en [betrokkene 6] . Hij is twee keer in de loods geweest. Hij had zelf geen sleutel van de loods.

Het hof overweegt als volgt.

Het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.

Daaruit kan worden afgeleid dat op 1 juni 2013 een container met nummer [001] bestemd voor ‘ [B] , [naam 1] [medeverdachte 2] (...)’ met inhoud 833 verpakkingen antivriesvloeistof in Antwerpen is gelost, maar dat zich in de lading evenwel ook flessen met daarin PMK bevonden. Het totaalgewicht van de lading PMK betrof 2.106 kg, ca. 1.800 liter. De Belgische autoriteiten hebben 540 flessen geleegd en de inhoud vervangen door water met een bruine kleurstof. Eén van de flessen werd gevuld met substitutievloeistof en 100 ml. PMK. In de container werd een peilbaken bevestigd. Deze container is vervolgens door de politie geobserveerd waarbij gezien werd dat de container naar een bedrijventerrein aan de [a-straat] in [plaats] werd gebracht. Op 5 juni 2013 werd de lading in een loods doorzocht waarbij aanwezig waren [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en verdachte. In het OVC-gespreksverslag dat hiervan is opgemaakt, vallen onder meer de volgende gesprekspunten op waarbij verdachte (T) gespreksdeelnemer is:

“A: Zo.

T: Wat zou er in? Voor de zekerheid zullen we maar eens even.. Ja. Ja. Het ruikt niet hé anti-vries.

A: Nou het ruikt wel, als het goed ruikt het wel een beetje ja ..onverstaanbaar..

T: Ruik jij niks?

A: Nee dit niet.

T: Het belangrijkste is als ik er zo snel mogelijk negentien (19) klaar zet. Die moeten ze hebben.

A: Die mensen worden zenuwachtig?

T: Ja.

A: Dan zullen we maar eens gauw die dingen er op zetten.

[…]

Opmerking verbalisanten: laad- en losgeluiden in en rondom de container

T: In principe zijn ze iets zwaarder want het spul is zwaarder.

A: Ja.

T: Ik kan me niet voorstellen dat het hier in zit.

A: Het zou ook wel lekker slim zijn als die dozen er precies hetzelfde uit zouden zien.

T: Nou.. nou.. Dan moeten we dadelijk alles na gaan kijken. Nee dat zal toch niet. Ze zijn gemerkt, dat moet. Nee dat is..

T: Ik kan me niet voorstellen dat ze nou in één (1) doos verschillende dingen doen hè.

T: Ruik jij eens? Ik ruik niks.

A: Je ruikt bijna niets nee. Maar het moet wel daarin.

T: Het spul dat we hebben dat stinkt!!!

A: Een beetje zuur?

T: Nee.. een beetje.. het lijkt wel anijs.

A: Nou.. onverstaanbaar..

T: Dat mag beslist niet knoeien want als dat knoeit in een doos dan ruikt heel de auto daar naar. Nou deze.

[...]

T: Het is niet blauw. Ja, het is dit.

A: Ja, nou het is..

T: Maar hoeveel zit er in?

A: Misschien andere kleur? Zou maar een beetje oppassen met die knoeierij hoor.

T: Ja, maar ja.

[…]

T: Ja, ze hebben ze overgegoten. Ze hebben de flessen leeg gegoten en dat spul erin.

[…]

T: Ruik jij eens?

A: Nou, dit is het wel. Dit is ook een hele andere kleur.

T: Ruik jij dit?

A: het is ook veel dikker. Veel ..uh.. viscositeit is ..uh.. te laag.

T: Zouden ze dan allemaal in het plastic zitten?

A: Ik ga er van uit dat ze die dozen hebben opengemaakt..

T: Die hebben ze opengemaakt.

[…]

T: Nee. Ja, ik ga ervan uit als ze zo gesloten zijn dat het nog steeds dezelfde zijn. Anders hangen we er echt in. Dan moeten we al die dozen gaan kijken. Zal toch niet gebeuren.

[…]

T: Nou ik heb iets gevonden. Luister, dozen waar het spul in zit, alles hetzelfde alleen staat hier een stempel op met twintig (20) graden. Alle dozen waar geen stempel... Ik heb er een paar geprobeerd, ook van daaruit, waar de stempel niet opstaat, daar zit het spul in

[...]

T: Ik heb dus honderdtweeëndertig (132) dozen met drugs nu. We kunnen ‘m morgenochtend...

[…]

T: Ik moet hebben, ik moet hebben voor de Chinezen vijftig (50) dozen. Die moeten tweehonderd (200) liter hebben. Dus iedere doos is vier (4) liter, dus je hebt vijftig (50) dozen, die moeten wij apart zetten. Die komen vandaag of morgen. En dan hij, neemt morgen waarschijnlijk twee (2) keer ditzelfde mee.

[...]

T: Ik doe die deur dicht want ik vind het niet fijn als die open staat.

E: Ja, het is wel voordelig. Dan denken ze juist dat er niks aan de hand is.

T: Wat?

E: Als de deur open is, is dat juist transparant.

T: Ja, dat is ook zo.

[…]

A: Dan mag je wat mij betreft wel gaan.

T: Nee, ik moet wachten want [betrokkene 10] (fon.) en [betrokkene 11] (fon.) komen dadelijk nog terug en ik kom ook nog met Chinezen mee.

A: Vandaag?

T: Ja, die nemen vijftig (50) mee.

A: En hoe laat gaat dat gebeuren?

T: Vijf (5) uur.

A: Dat is, nu ongeveer. Hier, bijna vijf (5) uur. Zevenenveertig (47) ..onverstaanbaar..

E: Dan kunnen we beter die vijftig (50) daar neer zetten Ton?

T: Oké kom, kwart over vijf (5) he?

E: Dan kunnen we beter die (50) neerzetten.

T: Ja is goed, drie (3), drie (3) pallets.

[...]

T: Ja, wegbrengen. Nee ..onverstaanbaar.. Kwart over vijf (5)

A: Komen die Chinezen langs dan?

T: Kwart over vijf (5).

A: Komen die Chinezen dan?

T: Ja, nee, ik kom die om kwart over vijf (5) ophalen. [...]

T: Dus dit is weg, dat gaat dadelijk met de Chinezen mee.

[…]

Opmerking verbalisanten: er is een inkomend pingbericht hoorbaar

A: Jij komt terug?

T: Ja?

E: Zullen we?

T: Wat? [...]

T: Nee, die zitten niet bij [A] . Tegenover [A] .

E: Tegenover?

T: Ja.

E: Sjonge, jonge.

T: ..onverstaanbaar.. licht bejaard ..onverstaanbaar.. in het Chinees ..onverstaanbaar..

T: Oké [betrokkene 12] , we zijn effe weg hé, ik kom dadelijk terug

A: Met die Chinezen?

T: Ja. En die laaien dan die vijftig (50) in?

E: Doei.

A: Ja, succes. [...]”

Het hof leidt uit bovenstaande fragmenten van het gesprek in de loods in het bijzonder verdachtes betrokkenheid en wetenschap af ten aanzien van de lading PMK die zich in deze container onder een deklading van antivries bevond. De door verdachte gedane uitlatingen tijdens het doorzoeken van de lading in de container vallen op geen enkele wijze te verenigen met zijn in hoger beroep gegeven lezing dat hij daar aanwezig was enkel om de voor hem bestemde lading antivries c.q. ruitenwisservloeistof op te halen en geen wetenschap van de PMK droeg. Uit zijn uitlatingen blijkt onmiskenbaar dat hij wel degelijk wist dat zich PMK in de lading moest bevinden (“het spul is zwaarder”, “Het spul dat we hebben dat stinkt!!!”, “het lijkt wel anijs”, “Dat mag beslist niet knoeien want als dat knoeit in een doos dan ruikt heel de auto daar naar”). Ook blijkt daaruit dat hij wist voor wie de lading, althans een deel daarvan bestemd was (“Ik moet hebben, ik moet hebben voor de Chinezen vijftig (50) dozen. Die moeten tweehonderd (200) liter hebben” en andere gespreksfragmenten waaruit blijkt dat een stel Chinezen zouden komen om een deel van de lading in ontvangst te nemen) en dat hij wist dat het ging om drugs (“Ik heb dus honderdtweeëndertig (132) dozen met drugs nu”). Ook uit het feit dat hij met [betrokkene 5] praat over of de deur van de loods wel of niet dicht moet blijkt zonneklaar dat hij wist van de verboden lading. In het geval verdachte daadwerkelijk in de veronderstelling verkeerde dat de lading volledig legitiem was, vermag het hof niet in te zien waarom “transparantie” naar de buitenwacht belangrijk is en waarom men kennelijk vooral niet mag denken “dat er iets aan de hand is”.

De verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep uitgebreid bevraagd over deze fragmenten. Bij die gelegenheid heeft de verdachte nagelaten een geloofwaardige en adequate verklaring te geven die redelijke twijfel over zijn betrokkenheid bij de invoer van PMK kan zaaien of kan leiden tot een andere dan ’s hofs hierboven weergegeven duiding van het gesprek. Het hof heeft in de blote ontkenning van de verdachte dat hij die hem belastende uitlatingen heeft gebezigd noch anderszins in het dossier aanknopingspunten gevonden om de hierboven genoemde in het oog springende uitlatingen niet aan de verdachte toe te schrijven, te minder nu toch de verdachte ten aanzien van veel andere – minder belastende fragmenten – die ook aan hem worden toegeschreven wél heeft bevestigd dat hij die uitlatingen heeft gedaan.

Uit met name het hiervoor weergegeven OVC-gesprek in onderling verband en samenhang bezien met de overige door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, volgt naar het oordeel van het hof dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen voorbereidingshandelingen voor de vervaardiging van drugs heeft verricht en dat zijn opzet daar ook op was gericht. De door verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring vindt geen steun in het dossier en is van onvoldoende gewicht om op geloofwaardige wijze het bewijs te ontkrachten.’

8. Het eerste middel hof bevat de klacht dat het hof ten onrechte, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de verdachte om een feit, bedoeld in artikel 10, vierde of vijfde lid, Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen, als medepleger heeft getracht om ‘middelen’ te verschaffen aan anderen, in de vorm van het ‘bestellen en doen vervoeren’ van PMK, en het hebben van ‘contacten’, ‘ontmoetingen’ en/of ‘besprekingen’ en/of het maken van ‘afspraken’. Aangevoerd wordt dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt van enige bemoeienis van de verdachte in de fase van de ‘bestelling, verscheping en inklaring’ van de container met PMK. Zijn naam zou pas voor het eerst opduiken op 5 juni 2013, als de container is afgeleverd in [plaats] en het uitladen van de container begint. Uit de bewijsmiddelen zou evenmin blijken van enige betrokkenheid bij, laat staan opzet op, het ‘bestellen’ of ‘vervoeren’ van PMK in de periode vanaf 5 juni 2013.

9. Voor medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. De kwalificatie medeplegen is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Bestaat het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, dan rust op de rechter die toch tot een bewezenverklaring van medeplegen komt, de taak in de bewijsvoering dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. In zijn oordeelsvorming kan de rechter onder meer rekening houden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. In de regel zal de bijdrage van de medepleger worden geleverd tijdens het begaan van het feit, maar de bijdrage kan ook geleverd zijn in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest.

10. Noch de rechtbank, noch het hof heeft vastgesteld dat de verdachte uitvoeringshandelingen heeft verricht die betrekking hebben op het bestellen of vervoeren van de in de container aangetroffen 1800 liter c.q. 2106 kilogram PMK. Voor zover de steller van het middel meent dat reeds daarom het bewezenverklaarde medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a Opiumwet onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd zou zijn, faalt het middel evenwel. Uit het weergegeven beoordelingskader volgt dat een bijdrage tijdens het begaan van het feit geen absoluut vereiste voor medeplegen is.

11. Daar komt bij dat het ‘bestellen’ en ‘doen vervoeren’ van de PMK slechts een deel van de onder 1 bewezenverklaarde gedragingen betreffen. De rechtbank heeft in het door het hof bevestigde vonnis ook bewezenverklaard dat de verdachte en/of (een of meer van) zijn mededaders contacten en/of ontmoetingen hebben gehad en/of besprekingen hebben gevoerd en/of afspraken hebben gemaakt met mogelijke producenten, leveranciers, transporteur(s), afnemer(s), tussenperso(o)n(en), verlener(s) van hand- en spandiensten met betrekking tot de hoeveelheid, kwaliteit, levering, betaling, verpakking, opslag en het vervoer van een grote hoeveelheid 3,4-methyleendioxyfenylpropan-2-on (PMK).

12. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte samen met [betrokkene 5] en [betrokkene 6] betrokken was bij het uitsorteren van de lading PMK in de loods. [betrokkene 1] gaf de verdachte en [betrokkene 5] opdrachten en zij brachten aan hem verslag uit. Uit het door het hof geciteerde OVC-gespreksverslag van 5 juni 2013 blijkt dat het voor hen duidelijk was dat er tussen de deklading van antivries gezocht moest worden naar PMK. Van de aangetroffen 132 dozen waren er 50 bestemd voor de Chinezen en deze zijn diezelfde dag afgeleverd. Daarbij waren [betrokkene 1] , [betrokkene 5] , de verdachte en twee Aziatische mannen aanwezig. Vervolgens blijkt dat de PMK, die in de haven van Antwerpen grotendeels was vervangen door water met kleurstof, niet deugt en vinden hierover diverse gesprekken met de Chinezen plaats. De verdachte was, samen met [betrokkene 5] en [betrokkene 1] , aanwezig bij één van die gesprekken op 10 juni 2013 bij de [A] . Ook is de verdachte samen met [betrokkene 6] aanwezig geweest bij een gesprek op diezelfde dag met drie of vier Chinezen in de container in de loods in [plaats] . Daarbij wordt besproken dat er geen 136 maar 132 zijn aangetroffen. Later diezelfde dag heeft de verdachte contact met [betrokkene 1] en zegt hij hem dat er nog vier extra dozen gevonden zijn. Enkele minuten later ontmoeten [betrokkene 1] en de verdachte weer vier Chinese mannen. Uit de ontcijferde BlackBerry van [betrokkene 1] blijkt ook dat [betrokkene 1] en verdachte op 11 en 12 juli 2013 met elkaar mailen over de Chinezen die nog een keer willen kijken naar de spullen.

13. Uit deze vaststellingen blijkt niet dat de verdachte direct betrokken is geweest bij het bestellen van de container met PMK of het doen vervoeren daarvan. Wel volgt daaruit dat de verdachte op 5 juni 2013 bij een ontmoeting met Chinezen aanwezig is geweest waarbij 50 dozen zijn afgeleverd. Dat deze ontmoeting plaatsvond nadat de PMK op 2 juni 2013 was vervangen door water met kleurstof, doet er niet aan af dat van voorbereidings- of bevorderingshandelingen in de zin van art. 10a Opiumwet sprake kan zijn. Deze ontmoeting kan worden gebracht onder de ‘ontmoetingen’ met (mogelijke) ‘afnemers’ die in de bewezenverklaring vermeld worden. Dat de verdachte met enkele medeverdachten aan deze ontmoeting heeft deelgenomen kan als gezamenlijke uitvoering van de bewezenverklaarde gedragingen worden aangemerkt. Daaraan doet niet af dat niet blijkt dat de verdachte een inhoudelijke inbreng heeft gehad bij deze ontmoeting met de Chinezen. Bij de bewijsvoering heeft het hof ook kunnen betrekken dat de verdachte op 5 juni 2013 betrokken is bij het uitsorteren in de loods, nadien (zo begrijp ik) bij de zoektocht naar de ontbrekende vier dozen en dat hij na 5 juni 2013 ook bij andere ontmoetingen met de Chinezen aanwezig is geweest. Dat zijn eveneens aanwijzingen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de bewezenverklaarde voorbereidings- en bevorderingshandelingen.

14. Rechtbank en hof hebben in het licht van een ander kunnen oordelen dat de verdachte ‘samen met anderen de vervaardiging van en de handel in MDMA heeft voorbereid doordat hij heeft getracht anderen een middel daartoe te verschaffen (door) samen met anderen daartoe 1800 liter c.q. 2106 kilogram van de precursor PMK’ te bestellen en doen vervoeren en dat de verdachte, om dat (ik begrijp: het verschaffen van PMK aan anderen) te bewerkstelligen ‘samen met zijn medeplegers contacten en ontmoeten (heeft) gehad, besprekingen (heeft) gevoerd en afspraken (heeft) gemaakt met transporteurs, afnemers, tussenpersonen en verleners van hand- en spandiensten met betrekking tot de hoeveelheid, kwaliteit, levering, betaling, verpakking, opslag en vervoer van de PMK’.

15. De steller van het middel voert ook aan dat de rechtbank heeft overwogen dat uit de gebeurtenissen op 10 juni 2013 zou blijken van een nauwe samenwerking tussen [betrokkene 1] , [betrokkene 5] en verdachte en dat zij horen bij het 'ons' waar [betrokkene 1] het op 6 juni 2013 over had, maar dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat [betrokkene 1] op 6 juni 2013 het woord ‘ons’ überhaupt gebruikt heeft, laat staan in een context die zou duiden op een nauwe samenwerking. Inderdaad blijkt uit de OVC-gesprekken van 6 juni 2013 niet dat [betrokkene 1] het woord ‘ons’ heeft gebezigd. Wel heeft hij op die dag het woord ‘we’ gebruikt. De strekking van de overweging van de rechtbank is kennelijk dat [betrokkene 1] op 6 juni 2013 met het gebruik van het woord ‘ons’ duidt op een samenwerkingsverband. Ook het woord ‘we’ duidt op een samenwerkingsverband van meerdere personen, dus voor zover de overweging van de rechtbank op dit punt al lijdt aan een motiveringsgebrek, kan het mijns inziens niet tot cassatie leiden.

16. Het middel faalt.

Het tweede middel

17. Het tweede middel klaagt dat de strafoplegging door het hof niet naar behoren is gemotiveerd doordat het hof de strafmaatoverweging van de rechtbank heeft overgenomen waarin wordt gesteld, dat verzoeker heeft deelgenomen aan een ‘crimineel samenwerkingsverband’ zonder dat hiervan blijkt uit het verhandelde ter terechtzitting, de bewijsmiddelen of anderszins. In de toelichting merkt de steller van het middel op dat uit het uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat de verdachte niet is veroordeeld wegens deelneming aan een criminele organisatie. En dat uit het verhandelde ter terechtzitting van rechtbank en hof blijkt dat aan de verdachte alleen de inhoud van ‘zaaksdossier 6’ is voorgehouden, het ‘PMK-dossier’. Zaaksdossier 1, ‘dat kennelijk betrekking zou moeten hebben op deelneming aan een criminele organisatie, is niet ter sprake gekomen’.

18. De rechtbank heeft ten aanzien van de opgelegde straf onder meer het volgende overwogen:

‘ [verdachte] , [betrokkene 1] , [betrokkene 5] en [medeverdachte 2] werkten nauw en bewust samen om de invoer te realiseren. De rol van [verdachte] in het criminele samenwerkingsverband met onder anderen [betrokkene 1] was niet zozeer de rechterhand van [betrokkene 1] , maar wel de man die allerlei contacten onderhield, losse eindjes regelde en klusjes opknapte en die in deze zaak juist naar voren werd geschoven zodat de anderen buiten zicht konden blijven. De rechtbank wijst in dit kader op het gesprek tussen [betrokkene 5] en [betrokkene 1] dat ze met hun eigen auto uit de buurt van de loods waar de PMK werd overgeladen weg moesten blijven, terwijl de Laguna van [verdachte] wel werd ingezet bij de loods en zelfs door medeverdachten gebruikt werd. Dit maakt dat de rechtbank een aanzienlijk lagere straf zal opleggen dan door de officier van justitie geëist.

(…)

De rechtbank constateert dat niet gebleken is dat [verdachte] sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis de schorsingsvoorwaarden heeft overtreden. De rechtbank weegt dit in positieve zin mee. Ook weegt de rechtbank de leeftijd van [verdachte] mee. Deze omstandigheden zijn echter onvoldoende om van een gevangenisstraf af te zien, gezien de ernst van de strafbare feiten waaraan hij zich heeft schuldig gemaakt. Verder valt het feit dat [verdachte] een nagenoeg blanco strafblad heeft weg tegen de activiteiten die hij blijkens het Wolf/Beretta zaaksdossier 1 ontplooit in het kader van een crimineel samenwerkingsverband gericht op de handel en vervaardiging van synthetische drugs. Hij mag van geluk spreken dat dit hem niet is tenlastegelegd.’

19. Het hof heeft de strafoplegging van de rechtbank aangevuld met een nadere overweging. In deze overweging is het hof ingegaan op hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd en op de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep. Het heeft overwogen dat het ‘gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, in hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen aanleiding (ziet) om te komen tot een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf’. In deze aanvullende overweging is het hof niet ingegaan op de hierboven weergegeven overwegingen van de rechtbank.

20. Het middel bevat een klacht over de strafmotivering. Dat blijkt ook uit de artikelen die volgens de steller van het middel zijn geschonden (art. 359, vijfde lid, jo. art. 415 Sv) en het laatste randnummer, dat concludeert ‘dat de strafoplegging niet naar behoren is gemotiveerd’. Voor zover het middel, in het licht van de onderbouwing, aldus wordt gelezen dat het tevens de klacht bevat dat art. 301, vierde lid, Sv is geschonden, merk ik het volgende op.

21. Art. 301, vierde lid, Sv luidt als volgt:

‘Ten bezware van de verdachte wordt geen acht geslagen op stukken, die niet zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud niet overeenkomstig het derde lid is meegedeeld.’

22. Deze bepaling, die ingevolge art. 415, eerste lid, Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, strekt ertoe de verdachte te beschermen tegen het gebruik van stukken waarvan de inhoud voor hem onbekend is en die nadelig voor hem zijn. Niet-naleving van art. 301 Sv levert in beginsel nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting op, tenzij de verdachte niet is geschonden in het door die bepaling beschermde belang. Hiervan is bijvoorbeeld sprake wanneer uit de door de verdachte gevoerde verdediging of uitlatingen van de verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting dan wel in het voorbereidend onderzoek blijkt dat hij weet heeft van de inhoud van dat stuk. Onder de stukken waarop ten bezware van de verdachte geen acht mag worden geslagen dan voor zover zij zijn voorgelezen of hun korte inhoud is medegedeeld, moeten worden verstaan de stukken ‘die van invloed kunnen zijn op het bewijs van het tenlastegelegde, de strafbaarheid van het bewezene en van de verdachte of de oplegging van de straf of maatregel’.

23. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 15, 17 en 18 januari en 15 maart 2018 houdt onder meer het volgende in:

‘Nadat het onderzoek is hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing op 24 oktober 2014 bevond, wordt het onderzoek, gelet op de gewijzigde samenstelling van de rechtbank, opnieuw aangevangen.

De officier van justitie mr. Kuppeveld draagt de zaak (zaaksdossier 6) voor en deelt mede dat de zaak van de verdachte deel uitmaakt van het ‘Beretta’-deel van de strafzaak ‘Wolf/Beretta’.

(…)

De rechtbank is voornemens om de komende twee dagen de zaaksdossiers van de verdachte en medeverdachten voor te houden, om één dag uit te trekken voor het requisitoir en twee dagen te gebruiken voor de pleidooien en tweede termijn. De rechtbank zal het onderzoek ter terechtzitting op 15 maart 2018 sluiten om 09:00 uur. Voor zover de verdachte nog niet tegen deze datum en tijdstip was opgeroepen, zegt de rechtbank hem bij deze voornoemde datum en tijdstip aan.

De voorzitter deelt voorts mede dat de leden van de rechtbank een onderlinge verdeling hebben gemaakt ter zake van het voorhouden van de verschillende zaaksdossiers. Gelet op de omvang van de strafzaak ‘ Wolf/Beretta’ is er een vierde rechter aangewezen. In de zittingszaal heeft om deze reden mr. C.A.M. Schaap-Meulemeester plaatsgenomen. Zij zal, conform de wettelijke regeling, als vierde rechter aanwezig zijn bij de inhoudelijke behandeling ter zitting, maar zal niet deelnemen aan de beraadslaging, tenzij.zij een van de huidige leden van de rechtbank zal vervangen.

De voorzitter deelt mede dat het dossier ‘Wolf/Beretta’ zeer omvangrijk is en is onderverdeeld in grote zaaksdossiers met veel bijlagen. De voorzitter deelt mede dat de rechtbank de zaaksdossiers in grote lijnen zal voorhouden, waarbij de officieren van justitie en de verdediging worden uitgenodigd om aan te geven wanneer een en ander nadere nuancering behoeft of er nadere stukken dienen te worden voorgehouden.

De voorzitter deelt mede dat de aanwezigheid van de verdachte wordt verwacht op de dagen waarop zijn zaak wordt behandeld. Op de overige dagen is dat niet het geval, maar de verdachte is uiteraard welkom om alsdan ter terechtzitting te verschijnen.

De voorzitter deelt mede dat de rechtbank eerst zaaksdossier 6 zal behandelen, gevolgd door de persoonlijke omstandigheden van de verdachten aan wie enkel zaaksdossier 6 is tenlastegelegd. Vervolgens zal de rechtbank zaaksdossier 2 behandelen, gevolgd door zaaksdossier 1 en de kleinere zaaksdossier. Morgen zal de rechtbank de witwasfeiten in de zaken van de desbetreffende verdachten behandelen.

(…)

De voorzitter gaat over tot het mondeling mededelen van de korte inhoud van zaaksdossier 6.

(…)

Desgevraagd hebben de officieren van justitie en de verdediging geen behoefte aan het voorhouden van nadere stukken ter zake van zaaksdossier 6, waarna het zaaksdossier 6 als voorgehouden wordt beschouwd.

(…)

De voorzitter deelt mede dat het requisitoir in de zaak van [verdachte] zal plaatsvinden op 17 januari 2018 om 9.00 uur.’

24. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg kan naar het mij voorkomt niet worden afgeleid dat zaaksdossier 1 tijdens het onderzoek ter terechtzitting in deze zaak aan de verdachte is voorgehouden.

25. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 maart en 2 april 2021 houdt onder meer het volgende in:

‘De voorzitter deelt mede: Sinds de vorige zitting zijn binnengekomen het proces-verbaal van de terechtzittingen van 23 november 2018 en 30 november 2018 en de resultaten van de RHC verhoren. Deze stukken worden aan het dossier toegevoegd.

De voorzitter houdt kort de stukken voor van de zaak voor zover betrekking hebbend op het ten laste gelegde.’

26. Ook uit dit proces-verbaal kan naar het mij voorkomt niet worden afgeleid dat het ‘Wolf/Beretta zaaksdossier 1’ tijdens de behandeling van de zaak aan de verdachte is voorgehouden. Uit de omstandigheid dat uit het proces-verbaal in eerste aanleg blijkt dat de rechtbank louter de stukken van zaaksdossier 6 heeft voorgehouden, maak ik op dat de aan de verdachte ten laste gelegde feiten zich uitsluitend in dat zaaksdossier bevonden.

27. Dat behoeft naar het mij voorkomt evenwel niet tot cassatie te leiden. Ik begrijp uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg dat zaaksdossier 1 wel deel uitmaakte van het dossier van de verdachte. Door het vonnis in eerste aanleg is de verdachte er voorts mee op de hoogte gebracht dat zaaksdossier 1 informatie bevat waaruit de rechtbank heeft afgeleid dat de verdachte in het kader van een crimineel samenwerkingsverband activiteiten heeft ontplooid die gericht zijn op de handel in en vervaardiging van synthetische drugs. Tegen die achtergrond is de verdachte naar het mij voorkomt niet geschonden in het belang dat door art. 301, vierde lid, Sv wordt beschermd. Ik neem daarbij in aanmerking dat het de verdachte en zijn raadsman vrij stond de strafoplegging door de rechtbank en de argumenten die daaraan ten grondslag zijn gelegd in (het voortbouwend) appel te bestrijden, door de aandacht te vestigen op zaaksdossier 1 en te beargumenteren dat en waarom aan dat dossier – zonder nadere bespreking ter terechtzitting – geen gronden kunnen worden ontleend die het strafmatigend effect van een blanco strafblad doen wegvallen.

28. Voor zover het middel aldus wordt opgevat dat het er mede toe strekt, te klagen over schending van artikel 301, vierde lid, Sv leidt het niet tot cassatie.

29. De centrale klacht van het middel is, als gezegd, dat de strafoplegging niet naar behoren is gemotiveerd. Uit rechtspraak van Uw Raad volgt dat er grenzen zijn gesteld aan de mogelijkheid om verdenkingen ter zake van andere feiten dan ten laste zijn gelegd bij de strafoplegging te betrekken. In een arrest van 19 september 2017 heeft Uw Raad het volgende overwogen:

‘2.4.1. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het staat de rechter vrij om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet tenlastegelegd feit, onder meer wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (vgl. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968, NJ 2010/586). Daarbij wordt, mede gelet op het bepaalde in art. 78b Sr, met een onherroepelijke veroordeling gelijkgesteld een onherroepelijke strafbeschikking.

2.4.2. Indien in zulke gevallen het vermelden van een niet tenlastegelegd - al dan niet soortgelijk - feit aanleiding geeft tot strafverzwaring, dient de veroordeling dan wel de strafbeschikking ter zake van dat feit in beginsel onherroepelijk te zijn op het moment dat deze in het vonnis of het arrest bij de strafoplegging in aanmerking wordt genomen. Wanneer evenwel met de vermelding van het niet tenlastegelegde feit bij de strafoplegging in het bijzonder gewicht wordt toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte niettegenstaande een eerdere veroordeling of een eerdere strafbeschikking zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan zo een strafbaar feit - bijvoorbeeld doordat in de strafmotivering wordt vermeld dat die veroordeling of die strafbeschikking de verdachte niet heeft weerhouden opnieuw zo een strafbaar feit te begaan - dient de veroordeling of de strafbeschikking ter zake van dat niet tenlastegelegde feit reeds onherroepelijk te zijn ten tijde van het begaan van het feit waarop de strafoplegging betrekking heeft.

2.4.3. Indien de rechter in verband met de strafoplegging melding maakt van een niet tenlastegelegd feit mag ervan worden uitgegaan dat die omstandigheid in strafverzwarende zin is betrokken in de strafoplegging. Dit kan anders zijn indien uit de strafmotivering blijkt dat de vermelding van een niet tenlastegelegd feit niet tot strafverzwaring aanleiding heeft gegeven, bijvoorbeeld omdat die vermelding is opgenomen naar aanleiding van hetgeen door de verdediging over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder begrepen de justitiële documentatie, is aangevoerd.’

30. Uit de – door het hof overgenomen – strafmotivering van de rechtbank kan naar het mij voorkomt worden afgeleid dat de rechtbank de vaststelling dat de verdachte blijkens zaaksdossier 1 activiteiten heeft ontplooid in het kader van een crimineel samenwerkingsverband gericht op de handel en vervaardiging van synthetische drugs niet heeft gebruikt als zelfstandige grond voor strafverzwaring, maar daaraan een argument heeft ontleend om aan het blanco strafblad geen strafmatigend effect toe te kennen. Dat argument is, zo begrijp ik, opgenomen naar aanleiding van hetgeen door de verdediging over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder begrepen de justitiële documentatie, is aangevoerd.

31. Voor zover het middel ertoe strekt, te klagen dat de strafoplegging niet naar behoren is gemotiveerd, faalt het.

32. Daarmee faalt het tweede middel.

Conclusie

33. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

34. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?