PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/02946
Zitting 28 maart 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte
3. Het middel
Het middel klaagt blijkens de toelichting meer in het bijzonder over ’s hofs verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer dat met het verstrijken van acht dagen tussen de bloedafname en de ontvangst van de bloedmonsters door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) niet is voldaan aan het voorschrift dat de bloedmonsters ‘zo spoedig mogelijk’ moeten worden bezorgd bij het laboratorium als voorgeschreven in artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, (oud) van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit).
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij, op 2 september 2018 te Velp, gemeente Rheden, een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 7,6 THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit bij die stof vermelde grenswaarde;”
Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer in het bestreden arrest als volgt samengevat en verworpen:
“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.
Ter terechtzitting is door de verdediging aangevoerd dat vrijspraak dient te volgen, omdat sprake is van een schending van de strikte waarborg van artikel 13 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Deze waarborg zou zijn geschonden, doordat het bloed van verdachte niet ‘zo spoedig mogelijk’ naar het laboratorium is verstuurd. Dit maakt dat er volgens de verdediging geen sprake is van ‘onderzoek’ als bedoeld in artikel 8 vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994.
Het hof is van oordeel dat gelet op het geringe tijdsverloop van acht dagen tussen de afname, verpakking en verzegeling van het bloedmonster door de politie op 2 september 2018 en de ontvangst van dit bloedmonster door het NFI op 10 september 2018, er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de bloedmonsters niet zo spoedig mogelijk zijn verzonden. Ook is overigens niet gebleken dat niet aan de wettelijke eisen is voldaan. Nu niet is gebleken van een schending van de strikte waarborg van artikel 13 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer acht het hof de uitkomst van het verrichte bloedonderzoek betrouwbaar en gebruikt het deze voor het bewijs, waardoor het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.”
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang (zoals die golden ten tijde van het ten laste gelegde feit):
- Artikel 8 lid 5 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994):
“Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn.”
- Artikel 13 lid 1 (oud) van het Besluit:
“Bij de bloedafname (...) is een opsporingsambtenaar aanwezig, die:
(...)
d. ervoor zorgt dat de buisjes of het buisje met bloed zo spoedig mogelijk in een bij ministeriële regeling voorgeschreven verpakking die hij van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting heeft voorzien, worden of wordt bezorgd bij het laboratorium, bedoeld in artikel 14, tweede lid.”
Van een ‘onderzoek’ als bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW 1994 is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omringd. Tot die waarborgen behoort onder meer dat het afgenomen bloedmonster zonder uitstel ofwel zo spoedig mogelijk wordt toegezonden aan het laboratorium dat met het onderzoek daarvan is belast. Het is aan de feitenrechter om te beoordelen of het bloedmonster inderdaad zonder uitstel is verzonden, terwijl zijn oordeel dienaangaande wegens de verwevenheid met waarderingen van feitelijke aard in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst.
Uit de (oudere) rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat een tijdsverloop van enkele dagen tussen de bloedafname en de verzending van de bloedmonsters, wanneer in deze dagen bijvoorbeeld ook het weekend valt, niet onoverkomelijk wordt geacht. Gevallen waarin de exacte datum van verzending niet kan worden vastgesteld, maar het tijdsverloop tussen de bloedafname en de ontvangst van de bloedmonsters door het NFI zes dagen bedraagt, doorstaan de cassatietoets eveneens. Een tijdsverloop tot acht dagen lijkt in dergelijke gevallen door de Hoge Raad ook nog te worden geaccepteerd, zeker wanneer er feestdagen zitten tussen verzending en ontvangst van de bloedmonsters en/of wanneer op dat punt in feitelijke aanleg geen verweer is gevoerd. Een tijdsverloop van elf dagen zonder nadere motivering vond de Hoge Raad destijds te ver gaan.
In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat de bloedmonsters op 2 september 2018 bij de verdachte zijn afgenomen en dat het NFI de bloedmonsters, acht dagen na de bloedafname, op 10 september 2018 heeft ontvangen. Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de bloedmonsters ‘zo spoedig mogelijk’ zijn bezorgd bij een laboratorium als bedoeld in artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, (oud) Besluit is, tegen de achtergrond van hetgeen onder 3.5 is vooropgesteld en gelet op de onder 3.6 aangehaalde jurisprudentie, ook in het licht van het door de verdediging gevoerde verweer, niet onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering. Dat het hof geen concrete vaststellingen heeft gedaan over de wijze van bewaren van het bloed na de afname daarvan en tijdens het transport naar het laboratorium maakt dat niet anders. De Hoge Raad heeft immers in een recent arrest van 13 december 2022 overwogen dat dergelijke vaststellingen uitsluitend zijn vereist in gevallen waarin het hof die wijze van bewaren betrekt bij het oordeel of sprake is van het ‘zo spoedig mogelijk’ bezorgen van het buisje of de buisjes met bloed, als bedoeld in artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, (oud) van het Besluit. Een dergelijk geval doet zich in de onderhavige zaak niet voor.
4. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden