Nummer21/02771
Zitting 11 april 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
Inleiding
Het eerste middel
3. Het middel klaagt dat het arrest innerlijk tegenstrijdig en/of onbegrijpelijk is, nu het hof een gevangenisstraf van negen maanden heeft opgelegd, terwijl het hof ten aanzien van de strafoplegging heeft overwogen dat het vanwege de schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf zal opleggen van acht maanden.
4. Het hof heeft in zijn arrest onder het kopje “Op te leggen sanctie” – voor zover voor het middel van belang – het volgende overwogen:
“Zoals overwogen zou zonder schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden alsmede een geldboete ter hoogte van € 5.000,00, passend en geboden zijn. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal het hof een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden alsmede een geldboete ter hoogte van € 5.000,00, opleggen.”
5. Het dictum van het arrest houdt in, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:
“Het hof:
[…]
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.”
6. Blijkens de strafmotivering was het de bedoeling van het hof om – rekening houdend met de schending van de redelijke termijn in hoger beroep – een gevangenisstraf van acht maanden aan de verdachte op te leggen. Dat stemt niet overeen met de in het dictum opgenomen gevangenisstraf van negen maanden. Ik meen dat sprake is van een kennelijke misslag van het hof die de Hoge Raad zelf kan verbeteren door het arrest zo te verstaan dat aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf acht maanden is opgelegd. Daarmee komt de feitelijke grondslag aan het middel te ontvallen.
7. Verder merk ik nog op dat deze kennelijke misslag zich bij uitstek leent voor herstel door het hof zelf, nu het gaat om een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechters die op de zaak hebben gezeten. Anders dan de stellers van het middel blijkens de toelichting menen, verdient deze wijze van herstel in gevallen als het onderhavige de voorkeur, omdat het als voordeel heeft dat daardoor – anders dan via de cassatieprocedure – op korte termijn en op een eenvoudige wijze ondubbelzinnig duidelijkheid komt te bestaan omtrent de voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing. Dat deze wijze van herstel (vooralsnog) niet bij wet is voorzien, doet aan dat voordeel niet af.
Het tweede middel
8. Het middel bevat de klacht dat er sprake is van overschrijding van de inzendtermijn in de cassatiefase, waardoor de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden.
9. Op 2 juli 2021 is namens de verdachte cassatie ingesteld. De inzendtermijn bedraagt acht maanden, terwijl de stukken van het geding pas op 13 april 2022 bij de griffie van de Hoge Raad zijn binnengekomen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden. Nu een voortvarende behandeling van de zaak in cassatie niet meer tot de mogelijkheden behoort, dient dit verzuim te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf.
Slotsom
10. Het eerste middel mist feitelijke grondslag bij een verbeterde lezing door de Hoge Raad. Het tweede middel slaagt.
10. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG