PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02731
Zitting 14 april 2023
CONCLUSIE
E.B. Rank-Berenschot
In de zaak
[eiser] ,
eiser tot cassatie,
adv.: mr. J.C. Zevenberg
tegen
[verweerder] ,
verweerder in cassatie,
adv.: mr. H.J.W. Alt
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eiser] respectievelijk [verweerder].
1. Inleiding en samenvatting
Deze zaak betreft een geschil over een erfdienstbaarheid op grond waarvan de eigenaar van het heersend erf ( [verweerder] ) zijn auto mag parkeren en zijn spullen mag stallen in de garage van de eigenaar van het dienend erf ( [eiser] ). Op grond van de notariële akte heeft de eigenaar van het heersend erf het recht om de erfdienstbaarheid uit te oefenen “op de minst bezwarende wijze”. Volgens [verweerder] belemmert [eiser] hem in de uitoefening van de erfdienstbaarheid. In het kader van een eerder gevoerd kort geding zijn partijen ter beëindiging van hun geschil overeengekomen dat de eigenaar van het heersend erf de beschikking krijgt over de garage “op de gebruikelijke wijze”. In de onderhavige procedure heeft het hof dienovereenkomstig [eiser] bevolen de garage op de gebruikelijke wijze ter beschikking te stellen. In cassatie wordt door [eiser] geklaagd dat het hof bij het bepalen van de rechtspositie van partijen ten onrechte is uitgegaan van deze partijafspraak. Verder wordt geklaagd dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Ik meen dat de klachten falen.
2. Feiten en procesverloop
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten:
i) [verweerder] en [eiser] zijn buren van elkaar. [verweerder] is vanaf 30 augustus 1994 eigenaar van de woning met aanhorigheden gelegen aan [a-straat 1a] te [plaats] . De zus van [verweerder] was vanaf 22 oktober 2010 eigenaar van de woning met aanhorigheden gelegen aan [a-straat 1] te [plaats] . Beide woningen met aanhorigheden maken deel uit van het perceel kadastraal bekend als gemeente [plaats] , [sectie] nummer [001] . [eiser] was in het verleden de geregistreerd partner van de zus van [verweerder] en hij is na de ontbinding van het geregistreerd partnerschap eigenaar geworden van de woning met aanhorigheden gelegen aan de [a-straat 1] .
ii) [verweerder] is aan een rolstoel gebonden.
iii) Bij notariële akte van 22 oktober 2010 (hierna: de notariële akte) is tussen [verweerder] en zijn zus afstand gedaan van een eerder bestaande erfdienstbaarheid en is een nieuwe erfdienstbaarheid gevestigd. De erfdienstbaarheid is als volgt omschreven, waarbij [verweerder] met ‘ [verweerder] ’ wordt aangeduid en zijn zus met ‘ [de zus van verweerder] ’ (p. 3-4):“de erfdienstbaarheid van voetpad ten behoeve van het ten name van partij [verweerder] staande gedeelte van het perceel (…) (hierna te noemen: “het heersend erf”) en ten laste van het ten name van partij [de zus van verweerder] staande gedeelte van het perceel (…) (hierna te noemen “het dienend erf”), om te komen van en te gaan naar de openbare weg (zonder straatnaam), over het terras en via het bestaande pad, de carport en/of de garage, behorende tot het dienend erf (hierna te noemen: “het voetpad”), te voet, met een rolstoel, een invalidenwagen dan wel een rijwiel aan de hand (of een daarmee vergelijkbaar vervoermiddel), een en ander zoals schetsmatig met enkele arcering staat aangegeven op een als bijlage aan deze akte gehechte tekening. De erfdienstbaarheid houdt tevens het recht in voor de rechthebbende tot het heersend erf om een personenauto te stallen in de garage, op de voor de rechthebbende tot het dienend erf minst bezwarende wijze.”
iv) In diezelfde notariële akte is overeengekomen dat [verweerder] , zijn echtgenote en zijn overige gezinsleden een deel van de garage tevens mogen gebruiken als opslagruimte, waarbij zij zich ertoe hebben verplicht dit recht op de minst bezwarende wijze uit te oefenen.
v) In het kader van een eerdere kort geding procedure zijn partijen op 26 mei 2021 het volgende overeengekomen (hierna: de partijafspraak), waarbij [verweerder] met ‘eiser’ wordt aangeduid en [eiser] met ‘gedaagde’:“(…)5. Gedaagde zal de voorgenomen werkzaamheden aan de garage alle volledige doen uitvoeren in de periode van 30 augustus 2021 tot en met 27 september 2021. Nadien zal de garage weer op de gebruikelijke wijze voor diens spullen en voor diens auto aan eiser ter beschikking staan.(…)7. Gedaagde draagt er zorg voor dat de garage uiterlijk … door eiser op de gebruikelijke wijze als zichtbaar op de tekening (productie 9 bij dagvaarding) ter beschikking staat, dat wil zeggen dat hij volledig toegang heeft met zijn auto en dat de garage met een afstandsbediening te openen en af te sluiten is, zulks tot 30 augustus 2021 en vanaf 28 september 2021. (…)”
Genoemde, in het eerdere kort geding als productie 9 overgelegde tekening toont onder meer een schuin geparkeerde auto.
Bij inleidende dagvaarding van 7 december 2021 heeft [verweerder] [eiser] in kort geding gedagvaard en, voor zover in cassatie van belang, gevorderd:
“Gedaagde te veroordelen tot nakoming van de erfdienstbaarheid, zoals die in de notariële akte op 22 oktober 2010, ten behoeve van eiser, is vastgelegd, in die zin dat binnen 24 uur na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, de garage op de gebruikelijke wijze derhalve inclusief opslagruimte (zoals weergegeven in prod. 3) voor de spullen van eiser en zijn auto weer ter beschikking komt te staan (...).”
Genoemde productie 3 bij de inleidende dagvaarding omvat een tekening, waarop de auto schuin geparkeerd is afgebeeld. Dit is de tekening die eerder was overgelegd als productie 9 bij de dagvaarding in het eerste kort geding en waarnaar in het proces-verbaal van 26 mei 2021 is verwezen.
[verweerder] heeft, samengevat, aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [eiser] het hem onmogelijk maakt om gebruik te maken van zijn rechten uit de erfdienstbaarheid. Door de goederen van [eiser] is het niet mogelijk om zijn auto achterwaarts in de garage te parkeren en met zijn rolstoel om de auto te manoeuvreren. [eiser] handelt hiermee onrechtmatig en [verweerder] heeft er een spoedeisend belang bij dat deze inbreuk op zijn rechten eindigt. Ook heeft hij aangevoerd dat partijen onder aanvoering van de voorzieningenrechter afspraken hebben gemaakt, welke zijn vastgelegd in het proces-verbaal van 26 mei 2021, en dat hij door het onrechtmatig handelen van [eiser] geen gebruik kan maken van de garage, in strijd met de gemaakte afspraken.
[eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Op 6 januari 2022 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden.
Bij vonnis in kort geding van 13 januari 2022 heeft de voorzieningenrechter de vordering van [verweerder] afgewezen. Daartoe heeft de voorzieningenrechter overwogen dat geen evident spoedeisend belang bestond bij een beslissing over de wijze van parkeren van de auto in de garage en de opslag van de goederen, nu [verweerder] op dat moment in een revalidatiecentrum verbleef (rov. 4.2). Voorts heeft de voorzieningenrechter overwogen dat duidelijk is dat tussen partijen in geschil is of de huidige (door [eiser] gewijzigde) indeling van de garage [verweerder] voldoende ruimte zal laten om zijn goederen op te slaan, zijn auto te parkeren en met de rolstoel te manoeuvreren. Het enkele feit dat [eiser] op onderdelen een indelingswijziging wenst door te voeren is naar het voorshands oordeel van de voorzieningenrechter niet voldoende om reeds daarom diens vordering toe te wijzen. [verweerder] heeft weliswaar de rechten die voortvloeien uit de in de notariële akte opgenomen erfdienstbaarheid, maar wel met uitoefening daarvan op de minst bezwarende wijze. Het kort geding leent zich niet voor een feitelijk onderzoek naar de minst bezwarende opties, aldus de voorzieningenrechter (rov. 4.3).
[verweerder] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof Den Haag. Onder aanvoering van één als zodanig aangeduide grief (grief 1) heeft hij geconcludeerd dat het hof, na vernietiging van het bestreden vonnis, zijn vordering alsnog zal toewijzen.
Bij arrest van 7 juni 2022 heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en [eiser] bevolen om binnen 24 uur na de betekening van het arrest de garage aldus ter beschikking te stellen dat [verweerder] daarin kan parkeren op de gebruikelijke wijze, zoals afgebeeld op de tekening weergegeven in rov. 3.5 (ii) van het arrest.Het hof heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.
Eerst heeft het hof vastgesteld dat [verweerder] in eerste aanleg heeft gevorderd:
“4.1 (....) (a) dat [eiser] wordt veroordeeld tot nakoming van de erfdienstbaarheid, aldus dat hem wordt bevolen dat binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis de garage op de gebruikelijke wijze, derhalve inclusief opslagruimte (zoals weergegeven in prod. 3 bij inl. dagvaarding) voor de spullen van [verweerder] en zijn auto ter beschikking komt te staan (...)”
en dat hij in hoger beroep heeft gevorderd deze vordering alsnog toe te wijzen (rov. 5.1).
Vervolgens heeft het hof de standpunten van partijen in hoger beroep vastgesteld:
“6.2 [verweerder] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat [eiser] het hem op verschillende manieren onmogelijk maakt om gebruik te maken van zijn uit de erfdienstbaarheid voortvloeiende rechten. Hij heeft daartoe het volgende gesteld. Door de door [eiser] gemaakte indeling van opgeslagen spullen is het voor [verweerder] niet mogelijk om zijn auto op de voor hem sinds medio jaren negentig gebruikelijke wijze (achterwaarts en schuin) in de garage te parkeren en met zijn rolstoel om de auto te manoeuvreren. (...)Tussen partijen zijn in het eerste kort geding duidelijke afspraken gemaakt over de wijze waarop [verweerder] de garage mag gebruiken. Dit is de wijze zoals [verweerder] de auto altijd parkeerde, zoals blijkt uit de tekening waarnaar de gemaakte afspraak verwijst. Tot slot heeft [verweerder] gesteld dat [eiser] de ruimte waarop [verweerder] kan parkeren na 13 januari 2022 nog verder heeft verkleind (...).
[eiser] heeft het voorgaande bestreden. Volgens hem heeft [verweerder] op grond van de gevestigde erfdienstbaarheid uitsluitend het recht om op de minst bezwarende wijze van de garage gebruik te maken. Daarvan is sprake bij de door [eiser] voorgestelde indeling van de garage, die [verweerder] genoeg ruimte geeft om met zijn rolstoel zijn auto te bereiken. (...).”
Daarop heeft het hof als volgt geoordeeld (met mijn cursivering):
“Gebruikelijke wijze van parkeren
Naar het oordeel van het hof heeft [verweerder] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij, in ieder geval op grond van de afspraken die op 26 mei 2021 zijn gemaakt ter gelegenheid van het eerste kort geding, recht heeft om zijn auto te parkeren “op de gebruikelijke wijze als zichtbaar op de tekening (productie 9 bij dagvaarding)”. Op die tekening staat de auto van [verweerder] schuin geparkeerd afgebeeld op (naar niet in geschil is) de manier waarop [verweerder] zijn auto vanaf de jaren negentig steeds heeft geparkeerd. Voorshands moet er daarom van worden uitgegaan dat het gevorderde bevel dat de garage aan [verweerder] voor deze voor hem gebruikelijke wijze van parkeren ter beschikking moet worden gesteld, reeds op deze grondslag toewijsbaar is. Dat, naar [eiser] nog heeft aangevoerd, de huidige auto van [verweerder] groter is dan diens vorige auto doet daaraan niet af. [verweerder] heeft onbestreden gesteld dat hij zijn huidige auto al sinds 2010 bezit, derhalve ruim voordat partijen op 26 mei 2021 zijn overeengekomen dat [verweerder] zijn auto schuin in de garage mocht blijven parkeren.
Gelet op zijn afhankelijk van de rolstoel heeft [verweerder] bij toewijzing van het in r.o. 4.1 onder a weergegeven bevel[] ook in hoger beroep een voldoende spoedeisend belang. (...) Dit kort geding leent zich er niet voor om feitelijk vast te stellen of ook de door [eiser] voorgestelde en met foto’s onderbouwde indeling van de garage, die van de hiervoor genoemde gebruikelijke wijze van parkeren afwijkt, voldoende ruimte laat voor [verweerder] om met zijn rolstoel bij zijn auto te komen en te kunnen in- en uitstappen. Bovendien heeft [verweerder] onweersproken gesteld dat bij de door [eiser] sinds 13 januari 2022 voorgestane indeling van de garage voor [verweerder] nog maar (2,85 – 1,77 =) 1,07 meter ruimte naast zijn auto overblijft. Voldoende aannemelijk is dat dit voor [verweerder] in ieder geval niet voldoende is om met zijn rolstoel bij zijn auto te komen en te kunnen in-/uitstappen. Nog daargelaten dat [eiser] de op 26 mei 2021 overeengekomen wijze van gebruik van de garage niet eenzijdig mag wijzigen, is de door [eiser] thans voorgestane indeling voor [verweerder] dus niet werkbaar.
In dit kort geding moet er gelet op dit alles van worden uitgegaan dat [eiser] gehouden is de garage zo ter beschikking te stellen dat [verweerder] kan parkeren op de gebruikelijke wijze zoals afgebeeld op de tekening in rov. 3.5, inclusief de daarop afgebeelde opslagruimte. Het hof zal het gevorderde bevel in zoverre toewijzen.”
[eiser] heeft bij procesinleiding van 20 juli 2022 tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. [verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend en heeft zijn standpunt schriftelijk toegelicht. [eiser] heeft gerepliceerd.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel I is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 6.4, 6.5 en 6.6. Onderdeel II bevat een voortbouwklacht.
In onderdeel 1 kunnen drie (ongenummerde) klachten worden onderscheiden.
Volgens de eerste klacht (p.i., nr. 1.10 jo. 1.5-1.9) is het hof in rov. 6.4 tot en met 6.6 bij het bepalen van de rechtspositie van partijen – en daarmee de uitleg van de erfdienstbaarheid – ten onrechte uitgegaan van de in het proces-verbaal van 26 mei 2021 vastgelegde afspraak tussen partijen (beschikbaarheid van de garage op de “gebruikelijke wijze”). Het hof had moeten uitgaan van de tekst van de notariële akte van 22 oktober 2010 (uitoefening op de “minst bezwarende wijze”). Door bij het bepalen van de rechtspositie van partijen gebruik te maken van het proces-verbaal, is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel heeft het zijn oordeel onjuist of onvoldoende gemotiveerd, aldus het onderdeel. Daarbij wordt verwezen naar rechtspraak omtrent voor de uitleg van notariële (vestigings)akten geldende objectieve uitlegnorm.
Voor zover onderdeel I wil betogen dat het hof de goederenrechtelijke rechtspositie van partijen niet kon bepalen aan de hand van de in het proces-verbaal neergelegde partijafspraak, berust het op een juiste rechtsopvatting. Volgens vaste rechtspraak dient de inhoud van een erfdienstbaarheid immers te worden bepaald aan de hand van de in de notariële akte tot uitdrukking gebruikte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in de notariële akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. Er is bij de uitleg van een erfdienstbaarheid geen rol voor gegevens die voor derden niet kenbaar zijn uit of aan de hand van de in de openbare registers ingeschreven akte.
De klacht faalt echter bij gemis aan feitelijke grondslag, nu zij berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Anders dan het middel betoogt, heeft het hof geen uitleg gegeven aan de inhoud van de erfdienstbaarheid, maar heeft het geoordeeld dat de op 26 mei 2021 gemaakte partijafspraak reeds een toereikende grondslag vormt voor toewijzing van het in rov. 4.1 onder (a) weergegeven bevel.
Voor zover onderdeel I zou willen betogen dat het hof de verbintenisrechtelijke rechtspositie van partijen niet had mogen bepalen aan de hand van de in het proces-verbaal neergelegde partijafspraak, gaat het middel uit van een onjuiste rechtsopvatting. De partijafspraak ontbeert weliswaar goederenrechtelijke werking, maar heeft wel obligatoire werking tussen de betrokken partijen. Op deze wijze kunnen partijen in hun onderlinge verhouding de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid nader bepalen of de inhoud van de erfdienstbaarheid wijzigen. Voor de uitleg van de partijafspraak geldt de (subjectieve) Haviltex-maatstaf. Het hof heeft dit niet miskend.
De eerste klacht faalt.
De tweede klacht (p.i., nr. 1.11 jo. 1.1-1.3) luidt dat het hof, door uit te gaan van de partijafspraak, buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Daartoe wordt aangevoerd (i) dat [verweerder] geen grief heeft gericht tegen rov. 4.3 van het vonnis, waarin de voorzieningenrechter overweegt dat [verweerder] weliswaar de uit de in de notariële akte opgenomen erfdienstbaarheid voortvloeiende rechten heeft, maar wel met uitoefening daarvan op de minst bezwarende wijze, en (ii) dat [verweerder] in beide instanties nakoming van de erfdienstbaarheid (en dus niet van de partijafspraak) heeft gevorderd.
Wat het laatste betreft – de vordering – is het volgende van belang. Het hof heeft, in cassatie onbestreden, vastgesteld dat [verweerder] in beide instanties heeft gevorderd [eiser] te veroordelen tot nakoming van de erfdienstbaarheid, “aldus” dat hem wordt bevolen dat de garage “op de gebruikelijke wijze als weergegeven in productie 3” voor de auto en de spullen van [verweerder] ter beschikking komt te staan (rov. 4.1 sub a en rov. 5.1). Het hof heeft het gevorderde kennelijk aldus begrepen dat [eiser] wordt veroordeeld tot nakoming van de erfdienstbaarheid op de wijze als partijen tijdens de voortgezette behandeling van het eerste kort geding op 26 mei 2021 ter beëindiging van hun geschil zijn overeengekomen. Deze uitleg is niet onbegrijpelijk. [verweerder] heeft er immers, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, bij herhaling op gewezen dat partijen ter zitting heldere afspraken hebben gemaakt, die moeten worden nagekomen en waarmee het handelen van [eiser] in strijd is.
Wat het eerste betreft – de uitleg van de grief – staat het volgende voorop. Uit vaste rechtspraak volgt dat als grieven dienen te worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd. Hierbij geldt de eis dat de gronden behoorlijk in het geding naar voren zijn gebracht zodat zij voor de rechter en de wederpartij, die immers moet weten waartegen zij zich heeft te verweren, voldoende kenbaar zijn. De aangevoerde gronden hoeven door appellant niet expliciet te zijn aangeduid als ‘grief’, maar moeten wel voldoende precies en gemotiveerd zijn. De uitleg van de memorie van grieven is feitelijk en kan in cassatie niet op juistheid, maar slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. De uitleg van het hof zal niet snel onbegrijpelijk zijn indien de verweerder de memorie van grieven op dezelfde wijze heeft uitgelegd als het hof of als de verweerder verweer heeft gevoerd tegen een bepaalde grief.
Zoals in het middel wordt opgemerkt (p.i., nr. 1.3) is de (enige) grief van [verweerder] gericht tegen de afwijzing van zijn vordering wegens het ontbreken van spoedeisend belang. In de toelichting op grief 1 wordt echter uitvoerig verwezen naar de partijafspraak, die erop was gericht dat [verweerder] met spoed weer op de gebruikelijke wijze over de garage kon beschikken. Het ging om de duidelijke afspraak dat de garage op de gebruikelijke wijze als weergegeven in productie 3 bij de inleidende dagvaarding aan [verweerder] ter beschikking zou worden gesteld. Betoogd wordt dat van [eiser] mag worden verwacht dat hij deze afspraak nakomt en dat de voorzieningenrechter ten onrechte aan deze afspraak voorbij is gegaan. Het hof heeft dit betoog ook onderkend (rov. 6.2).
Het hof heeft grief 1 kennelijk zo uitgelegd dat [verweerder] daarmee tevens opkwam tegen de afwijzing van zijn vordering op de grond dat zijn rechten uit de erfdienstbaarheid moeten worden uitgeoefend op de minst bezwarende wijze. Gelet op de toelichting bij de grief, waarin onder meer is gesteld dat de voorzieningenrechter niet voorbij had mogen gaan aan de partijafspraak, is deze uitleg niet onbegrijpelijk. Daarbij komt dat [eiser] in de memorie van antwoord op dit punt verweer heeft gevoerd.
De slotsom is dat het hof niet buiten de rechtsstrijd is getreden en dat ook de tweede klacht van onderdeel I faalt.
Volgens de derde klacht (p.i., nr. 1.12) raakt het voorgaande ook rov. 6.5 en 6.6, nu daarin eveneens is uitgegaan van de “gebruikelijke wijze van parkeren” en de partijafspraak van 26 mei 2021. Deze voortbouwende klacht faalt in het voetspoor van de vorige klachten.
Onderdeel II stelt dat gegrondbevinding van onderdeel I ook rov. 6.18 en het dictum van het bestreden arrest vitieert. Nu onderdeel I niet slaagt, faalt ook deze voortbouwklacht.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G