als relaas van verbalisant:
Op 18 juli 2017, werd als getuige gehoord [betrokkene] geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] als zijnde ten naam gestelde van het in beslag genomen voertuig met kenteken [kenteken] .
als verklaring van getuige [betrokkene] :
[medeverdachte 1] is mijn oom. Ik leen nu mijn auto uit aan hem. Eigenlijk altijd. [medeverdachte 1] rijdt ermee. Ik heb namelijk nog geen rijbewijs. [medeverdachte 1] is de enige aan wie ik de auto uitleen.
12. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda d.d. 5 juli 2018, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte]:
In Breda werd de BMW waarin we reden, gecontroleerd door de politie. Ik zat op de achterbank.”
16. In de aanvulling bewijsmiddelen als bedoeld in art. 365a Sv heeft het hof ten aanzien van de gebruikte bewijsmiddelen overwogen dat de beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
De verwerping van het gevoerde bewijsverweer
17. Het hof heeft het namens de verdachte gevoerde bewijsverweer, inhoudende dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde omdat – kort gezegd – in het dossier voldoende overtuigend bewijs is te vinden dat de verdachte de wapens en munitie voorhanden heeft gehad, zoals bedoeld in art. 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie, verworpen. Ten aanzien van dit verweer heeft het hof als volgt overwogen:
“Aantreffen wapens en munitie
Het hof stelt vast dat bij een verkeerscontrole op 23 juni 2017 omstreeks 04.00 uur te Breda een personenauto, BMW met kenteken [kenteken] , door verbalisanten staande wordt gehouden op grond van de Wegenverkeerswet 1994. In de personenauto wordt [medeverdachte 2] als bijrijder op de passagiersstoel, samen met de verdachte (als bijrijder op de achterbank) en [medeverdachte 1] (als bestuurder) aangetroffen. Na een doorzoeking van de personenauto wordt er onder de passagiersstoel een omgebouwd alarmpistool en een pistoolmitrailleur, beide met bijbehorende munitie, aangetroffen. Deze voorwerpen lagen onverpakt onder die stoel.
DNA en alarmpistool
Uit onderzoek door het NFI is gebleken dat een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen is aangetroffen, waarvan [medeverdachte 2] een van de donoren kan zijn (NFI-rapport d.d. 14 september 2017).
Uit aanvullend onderzoek van het NFI (NFI-rapport d.d. 23 januari 2018) volgt dat het, onder de in het rapport genoemde aannames, meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker dat de bemonstering celmateriaal van [medeverdachte 2] en twee of drie willekeurige onbekende personen bevat dan dat die bemonstering celmateriaal van drie of vier willekeurige onbekende personen bevat.
Ook blijkt uit dat aanvullend onderzoek dat het, onder de aanname van vier donoren, circa 350 duizend keer waarschijnlijker is dat de bemonstering celmateriaal van [medeverdachte 1] en twee of drie willekeurige onbekende personen bevat dan van drie of vier willekeurige onbekende personen. Onder de aanname van drie donoren is dat circa 400 duizend keer waarschijnlijker.
DNA en pistoolmitrailleur
Uit het NFI- rapport van 14 september 2017 volgt dat op de pistoolmitrailleur een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen is aangetroffen, waarvan [medeverdachte 2] een van de donoren kan zijn, terwijl uit voornoemd aanvullend onderzoek blijkt dat, onder de in het rapport genoemde aannames, het circa 600 miljoen keer waarschijnlijker is dat de bemonstering celmateriaal van [medeverdachte 2] en drie willekeurige onbekende personen, bevat dan dat de bemonstering celmateriaal van vier willekeurige onbekende personen bevat.
Uit dat aanvullend onderzoek volgt eveneens dat het, onder de in het rapport genoemde aannames, circa 50 duizend keer waarschijnlijker is dat de bemonstering celmateriaal van [verdachte] en drie willekeurige onbekende personen bevat dan dat de bemonstering celmateriaal van vier willekeurige onbekende personen bevat.
Voorhanden hebben wapens en munitie
Voor een veroordeling van het voorhanden hebben van een wapen is vereist dat de verdachte het wapen bewust aanwezig had. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Voorts vergt het aanwezig hebben van een wapen dat de verdachte feitelijke macht over het wapen kon uitoefenen in de zin dat hij daarover kon beschikken.
Vaststaat dat de wapens en munitie in de BMW zijn aangetroffen onder de bijrijdersstoel voor de achterbank waarop de verdachte zat. Er is DNA van de verdachte aangetroffen op een van de wapens. De verdachte heeft hiervoor geen enkele verklaring gegeven, anders dan de enkele stelling dat hij een “DNA-bom” is. Dat acht het hof niet een afdoende verklaring, zodat het hof er voor houdt dat de verdachte in contact is geweest met dat wapen. Nu de wapens en munitie in een kleine ruimte (onder de stoel van een auto) zijn aangetroffen kan het niet anders zijn dan dat de verdachte ook wetenschap had van de aanwezigheid van beide wapens en de munitie onder de passagiersstoel van de BMW. Hij kon over die wapens en munitie beschikken, nu deze voor hem onder handbereik waren, zodat bewezen verklaard kan worden dat hij de wapens en de munitie voorhanden heeft gehad.
Nu uit de bewijsmiddelen volgt dat de bestuurder van de BMW ( [medeverdachte 1] ) de enige was die in die auto reed, zijn DNA is aangetroffen op het omgebouwde alarmpistool en die wapens en munitie ook voor hem onder handbereik waren alsook dat het DNA van de passagier op de bijrijdersstoel ( [medeverdachte 2] ) op beide wapens is aangetroffen en ook voor hem geldt dat de wapens en munitie onder handbereik waren, acht het hof bewezen dat de verdachte de wapens en munitie tezamen en in vereniging met anderen voorhanden heeft gehad.
Het hof verwerpt het verweer.”
Juridisch kader
18. Voordat ik overga tot de beoordeling van het middel, geef ik – zoals al aangegeven – eerst nog het toepasselijke juridisch kader weer.
19. Ten aanzien van het voorhanden hebben van wapens en munitie heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504, overwogen:
“2.3 Op grond van art. 26, eerste lid, Wet wapens en munitie (hierna: WWM) is het verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben. Het handelen in strijd met dit verbod is als misdrijf strafbaar op grond van art. 55 en 56 WWM.
Voor een veroordeling van het – als pleger – voorhanden hebben van een wapen of munitie is vereist dat de verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad (vgl. HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5992).
Voorts vergt het aanwezig hebben van een wapen of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. In bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen of de munitie niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen of die munitie voorhanden had in de zin van art. 26, eerste lid, WWM. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen of munitie van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen.”
20. Met betrekking tot het medeplegen van het voorhanden hebben van wapens en munitie heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1938, overwogen:
“5.2.2 In het geval dat het medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen of munitie is tenlastegelegd, moet komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van een wapen of munitie. Ook dan is vereist dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Daarnaast moet vaststaan dat de verdachte tezamen met de mededader(s) feitelijke macht over het wapen of de munitie heeft kunnen uitoefenen in de hiervoor onder 5.2.1 weergegeven zin.”
De beoordeling van het middel
21. De steller van het middel voert in de toelichting allereerst aan dat het oordeel van het hof dat de verdachte de wapens en de munitie voorhanden heeft gehad niet begrijpelijk is in het licht van het verweer dat het DNA ook op andere wijze op het wapen kan zijn gekomen, nu het hof niets heeft overwogen over de mogelijkheid van contaminatie. Voorts klaagt de steller van het middel dat het hof niets heeft vastgesteld over de vraag of de wapens voor een op de achterbank gezeten persoon wel zonder meer zichtbaar waren. Tot slot is het feit dat wapens onder de bijrijdersstoel zijn aangetroffen en dat een geringe hoeveelheid DNA is aangetroffen op één van deze wapens in het licht van het gevoerde verweer onvoldoende om zonder nadere motivering, die ontbreekt, te kunnen vaststellen dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van de wapens.
22. In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat een omgebouwd alarmpistool en een pistoolmitrailleur, beide met bijbehorende munitie, zijn aangetroffen in de auto waarin de verdachte op dat moment zat samen met zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] was de bestuurder van de auto, [medeverdachte 2] zat op de passagiersstoel en de verdachte zat op de achterbank. De wapens en munitie lagen onverpakt onder de passagiersstoel. Op één van de wapens is DNA van de verdachte aangetroffen. De verdachte heeft hiervoor geen enkele verklaring gegeven, anders dan de enkele stelling dat hij een “DNA-bom” is.
23. Verder heeft het hof overwogen dat het de enkele stelling dat de verdachte een “DNA-bom” is, niet een afdoende verklaring acht en dat het hof het er voor houdt dat de verdachte in contact is geweest met het wapen. Het hof heeft hiermee kennelijk tot uitdrukking gebracht dat het de door de verdediging geschetste voorstelling van zaken over het DNA niet aannemelijk acht. Dit feitelijke oordeel, dat in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst, is in het licht van wat door de verdediging is aangevoerd niet onbegrijpelijk. De verdediging heeft op dit punt immers niet meer naar voren gebracht dan de enkele stelling dat niet kan worden vastgesteld op welke wijze het DNA van de verdachte op het wapen is terechtgekomen en de niet verder gespecificeerde speculatie dat contaminatie “voor de hand ligt”. Het hof was niet tot een nadere motivering gehouden. Voor zover de steller van het middel klaagt dat het hof het verweer heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen, faalt het.
24. Voorts is het oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de wapens en de munitie niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het hof kon dit afleiden uit de combinatie van de omstandigheid dat de wapens en de munitie zijn aangetroffen onder de passagiersstoel van de auto waarin de verdachte zat en de omstandigheid dat er DNA van de verdachte is aangetroffen op één van die wapens. Dat het hof niets heeft vastgesteld over de vraag of de wapens voor een op de achterbank gezeten persoon wel zichtbaar waren, doet hier niet aan af. De bewezenverklaring met betrekking tot het ‘voorhanden hebben’ is daarmee voldoende met redenen omkleed, zodat het middel ook in zoverre faalt.
25. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
Het derde middel
26. Het derde middel bevat de klacht dat de berechting van de verdachte in de cassatiefase niet meer kan plaatshebben binnen een redelijke termijn.
27. Op 2 augustus 2021 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 3 augustus 2022 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met vier maanden en een dag overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. De overschrijding van de inzendtermijn kan niet meer door een voortvarende behandeling van de zaak in cassatie worden gecompenseerd, aangezien de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep zijn verstreken.
28. Het middel is terecht voorgesteld.
Slotsom
29. Het eerste faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel faalt. Nu de verdachte door het hof is veroordeeld voor feiten waarvoor hij door de rechtbank was vrijgesproken, terwijl in cassatie tevergeefs is geklaagd over de bewijsvoering van deze feiten, ligt afdoening met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering ten aanzien van het tweede middel minder in de rede. Het derde middel is terecht voorgesteld.
30. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
31. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG